Brief regering : Voortgang Justitiële Jeugd april 2026
28 741 Jeugdcriminaliteit
Nr. 136
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 april 2026
Jongeren die met het jeugdstrafrecht in aanraking komen, hebben baat bij tijdige en
passende interventies gericht op het voorkomen van herhaling van strafbare feiten.
Juist op deze cruciale momenten – van aanhouding tot afdoening en tenuitvoerlegging
– wordt het verschil gemaakt tussen verder afglijden of terugkeren op het rechte pad:
naar school, werk en een veilige omgeving. Ik zet mij ervoor in om te zorgen dat de
jeugdstrafrechtketen snel, zorgvuldig en passend kan reageren.
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de belangrijkste ontwikkelingen met betrekking
tot de justitiële jeugd, mede ten behoeve van het commissiedebat Justitiële Jeugd
van 23 april 2026. Daarbij komende volgende onderwerpen aan de orde:
1. Stand van zaken capaciteit justitiële jeugdinrichtingen
2. Proces herbezinning opgave justitiële jeugdinrichtingen
3. Beleidsreactie op het Doelgroeponderzoek Justitiële Jeugdinrichtingen
4. Beleidsreactie op het RSJ-advies «Problemen in de PIJ: Advies over de door- en uitstroom
van jeugdigen met een PIJ-maatregel»
5. Strafmaat van zowel 12- tot 18-jarigen als 18- tot 23-jarigen
6. Opbrengst Verbetertraject adolescentenstrafrecht
7. Beleidsreactie op het RSJ-advies «Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke
afdoeningen voor jeugdigen»
8. Jeugdreclassering in Verbinding
1. Stand van zaken capaciteit justitiële jeugdinrichtingen
In de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) is al langere tijd een capaciteitstekort
als gevolg van een gebrek aan plekken en personeel in combinatie met een toenemende
instroom.1 Er zijn al verschillende maatregelen getroffen om dit capaciteitstekort het hoofd
te bieden. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer toegezegd u periodiek te informeren
over de stand van zaken van deze maatregelen.2 In deze brief doe ik deze toezegging gestand.
Hoewel er sinds de vorige Kamerbrief in september 20253 onverminderd en volop wordt ingezet op de genoemde maatregelen, is de conclusie dat
dit vooralsnog niet tot gewenste resultaten heeft geleid. Concreet betreft het de
volgende maatregelen:
1. Uitbreiding van JJI-capaciteit: Ten opzichte van september 2025 is de bruikbare capaciteit
heel licht toegenomen doordat bestaande capaciteit, die eerder buiten gebruik was
gesteld door het personeelstekort, opnieuw in gebruik is genomen.4 Op termijn volgen uitbreidingen van de operationele capaciteit: enkele afdelingen
in bestaande inrichtingen en de gefaseerde heropening van een JJI in Harreveld. De
capaciteit die feitelijk bruikbaar is, schommelt als gevolg van het personeelstekort.
Als personeel vertrekt, ziek is of met verlof gaat, ontstaat al snel het risico dat
groepen onvoldoende bemenst kunnen worden en daardoor moeten worden onttrokken aan
de bruikbare capaciteit. Daarmee blijft het personeelstekort het grootste punt van
zorg en aandacht. Daarnaast ligt er, net als in gevangeniswezen, ook voor de JJI’s
een renovatieopgave. Die opgave wordt gefaseerd uitgevoerd op een wijze die zo min
mogelijk impact heeft op de bruikbare capaciteit.
Tabel Capaciteitsbehoefte en plekkentekort
2026
2027
2028
2029
2030
HUIDIGE CAPACITEIT
610
CAPACITEIT INCL. GEPLANDE UITBREIDING
618
6381
674
688
688
CAPACITEITSBEHOEFTE PMJ 2026
692
703
710
714
718
TEKORT NA UITBREIDING
74
65
36
26
30
X Noot
1
Start gefaseerde heropening Harreveld
2. Vermindering van het aantal uren gezamenlijk dagprogramma: De situatie is onveranderd
ten opzichte van de laatste update aan de Kamer. De wettelijke ondergrens van 77 uur
gezamenlijk dagprogramma wordt niet gehaald.5 De beleidsmatige ondergrens van 62 uur wordt door omstandigheden soms ook niet gehaald.6 Als gevolg hiervan verblijven jeugdigen meer uren op een dag op kamer. In de tijd
die zij op hun kamer doorbrengen, wordt hen een passend pedagogisch programma aangeboden.
3. Jongvolwassenen die als gevolg van het capaciteitstekort niet in de JJI’s geplaatst
kunnen worden, worden geplaatst op twee speciaal voor deze doelgroep vrijgemaakte
Huis van Bewaring-afdelingen in Justitieel Complex Zeist en Penitentiaire Inrichting
Almelo, apart van volwassen gedetineerden. In 2025 waren gemiddeld 38 van de 48 plekken
op deze afdelingen bezet.
2. Proces herbezinning opgave justitiële jeugdinrichtingen
Door de structureel aanhoudende personele en capacitaire tekorten binnen de JJI's
staat het pedagogisch uitgangspunt van vrijheidsbeneming al enige jaren onder druk.
Het is nodig dat er een nieuwe en realistische balans wordt gevonden tussen de kwaliteit
(zorg en veiligheid) en de benodigde randvoorwaarden voor de taakuitoefening van de
Dienst Justitiële Inrichtingen DJI). De hierboven geschetste maatregelen hebben tot
op heden onvoldoende structurele oplossingen geboden. Mijn ambtsvoorganger heeft uw
Kamer laten weten dat een herbezinning van de huidige opgave van de JJI’s daarom noodzakelijk
is.7 Door de tekorten wordt ook het onderwijs geraakt en is het recht op onderwijs op
dit moment onvoldoende gewaarborgd in de JJI's.8 De visie op de positie van het onderwijs binnen de JJI’s wordt daarom meegenomen
in de herbezinning.
Deze herbezinning is inmiddels van start gegaan en moet leiden tot een uitvoerbare
opdracht voor de JJI's, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van
personeel, capaciteit en financiën. De herbezinning wordt vormgegeven aan de hand
van het Beleidskompas. Door een projectgroep met leden vanuit mijn ministerie, het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de DJI wordt op dit moment
gewerkt aan het eerste onderdeel van het Beleidskompas. Het Beleidskompas biedt de
projectgroep verschillende middelen om (samen met een brede cirkel van stakeholders,
belanghebbenden en wetenschappelijke kennis) tot een set aan uitgewerkte scenario’s
en aanbevelingen te komen. De verwachting zal zijn dat resultaten en aanbevelingen
uit dit proces gereed zijn in het eerste kwartaal van 2027. Dit omdat er tijd genomen
moet worden om tot een zorgvuldig onderbouwd en door alle partijen gedragen en toekomstbestendig
resultaat te komen. De uitdagingen waar de JJI’s zich voor gesteld zien zijn uitdagend
en hardnekkig. Quick fixes liggen inmiddels niet meer in handbereik. De zoektocht
naar meer structurele oplossingen heeft dan ook tijd nodig.
Ik informeer uw Kamer over de uitkomsten van deze herbezinning wanneer die gereedkomen,
naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027.
3. Beleidsreactie op het Doelgroeponderzoek Justitiële Jeugdinrichtingen
Op 25 maart 2026 bood ik uw Kamer het onderzoeksrapport «Doelgroeponderzoek Justitiële
Jeugdinrichtingen» aan.9 De Academische Werkplaats Risicojeugd bracht, in opdracht van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum (WODC), de kenmerken van de populatie jongeren in een JJI
in kaart en onderzocht hoe zij kunnen worden gekarakteriseerd en welke subgroepen
binnen deze populatie kunnen worden onderscheiden. Ook hebben zij in kaart gebracht
hoe het (behandel)aanbod beter op deze jongeren kan worden afgestemd.
In de aanbiedingsbrief deed ik uw Kamer de toezegging om in het voorjaar te reageren
op dit onderzoek. Hierbij doe ik die toezegging gestand en kom ik ook tegemoet aan
uw verzoek van 3 april 202610. Allereerst zal ik de onderzoekbevindingen uiteenzetten, waarna ik de aanbevelingen
weergeef en voorzie van mijn reactie.
Onderzoeksbevindingen
De onderzoekers concluderen dat de groep jongeren in de JJI divers is in leeftijd
en ontwikkelingsfase, sociaal-demografische kenmerken, delictkenmerken, psychische
problematiek en verblijfsduur. Het aanbod in de JJI’s is ook divers en sluit aan bij
veel van de kenmerken van de populatie. Tegelijkertijd is voor bepaalde groepen jongeren
verbetering in het aanbod mogelijk. De onderzoekers benoemen daarbij in het bijzonder
jongeren met een licht verstandelijke beperking, jongeren met een verleden van vluchten
en/of oorlog, en jongvolwassenen. Het in theorie beschikbare behandelaanbod is niet
in elke JJI (tijdig) beschikbaar als gevolg van wachtlijsten en een tekort aan behandelaren.
Ook ontbreekt het veelal aan behandeling voor jongeren die kort in een JJI verblijven.
Professionals op de groepen in de JJI’s missen expertise om goed om te gaan met gedrag
gerelateerd aan veelvoorkomende problematiek zoals middelengebruik en een lichtverstandelijke
beperking. Tevens wordt het aantal plaatsen waar intensieve specialistische begeleiding
kan worden geboden, het onderwijs en de mogelijkheden voor dagbesteding als te beperkt
ervaren. Verder is behoefte aan meer plekken met lagere beveiligingsniveaus om jongeren
beter voor te bereiden op hun terugkeer in de samenleving. Voor jongeren met zware
forensische problematiek en jongeren met gecombineerde psychische en gedragsproblematiek
die uitstromen uit een JJI, wordt een gebrek aan passende vervolgplekken ervaren.
Aanbevelingen
Op basis van deze bevindingen komen de onderzoekers tot de volgende aanbevelingen
1. Zoek voor de jongeren met het laagste risicoprofiel naar de best passende plek.
2. Zorg voor voldoende passend aanbod voor jongeren met een intensieve zorgbehoefte.
3. Zorg dat de diversiteit van het huidige behandelaanbod binnen alle JJI’s in voldoende
mate en tijdig inzetbaar is en breid het behandelaanbod voor specifieke doelgroepen
uit.
4. Ondersteun medewerkers die dagelijks werken met de jongeren.
5. Verrijk het onderwijsaanbod en de mogelijkheden voor dagbesteding.
6. Realiseer meer passende vervolgplekken voor jongeren met een hoge zorgbehoefte, waar
ook voldoende forensische expertise aanwezig is.
Beleidsreactie
Ik ben de onderzoekers zeer erkentelijk voor het inzicht dat zij hebben geboden in
de kenmerken van de doelgroep in de JJI’s, het aanbod en de verbetermogelijkheden.
Ook ik onderschrijf het belang van een passend aanbod, zowel in behandeling, onderwijs
en dagbesteding als in beveiligingsniveau.
Tegelijkertijd is iedere differentiatie in aanbod onlosmakelijk verbonden met de inzet
van personeel. Als gevolg van het personeelstekort moeten scherpe keuzes worden gemaakt
over de plekken waar en de wijze waarop het personeel het beste kan worden ingezet
om de grootst mogelijk impact te maken op het verminderen van recidive en het vergroten
van de kans op succesvolle terugkeer van jongeren in de samenleving. Om die keuzes
te kunnen maken werkt mijn ministerie, samen met onder meer de DJI en het Ministerie
van OCW aan de eerder, in paragraaf 2, genoemde herbezinning op de opgave van de JJI’s.11
Aanbevelingen 1, 2, 3 en 5
Ik neem de inzichten en aanbevelingen uit het onderzoek die betrekking hebben op het
aanbod binnen de JJI’s en de JJI-scholen (aanbevelingen 1, 2, 3 en 5) in de herbezinning
mee.
Toelichting bij aanbeveling 3: Effectiviteit van behandelingen
In de toelichting bij aanbeveling 3 geven de onderzoekers aan dat het voor de behandelingen
in de JJI die niet erkend zijn, van belang is te werken aan een gedegen theoretische
onderbouwing en verdere ontwikkeling door middel van onderzoek naar de effectiviteit.
In het jeugdstrafrecht dient de interventie altijd gericht te zijn op gedragsverandering
om recidive te voorkomen. Daarom stimuleer en faciliteer ik het werken vanuit het
Risk-Need-Responsivity-model: de reactie op het delict sluit aan op het risico op
herhaling, op de factoren die gedrag in stand houden, én op wat bij de jongere past
om echt te kunnen veranderen. Inzicht in de effectiviteit van behandelingen is daarvoor
essentieel. Een klein deel van de interventies die worden benut in de JJI’s zijn effectief
volgens eerst of goede aanwijzingen, een deel is goed of voldoende onderbouwd en er
lopen effectonderzoeken. Voor de overige interventies ga ik in gesprek met de DJI,
de ontwikkelaars van behandelingen en de Erkenningscommissie Interventies van het
Nederlands jeugdinstituut om te bezien op welke manier uitvoering kan worden gegeven
aan de aanbeveling om voor de niet erkende interventies te werken aan een gedegen
theoretische onderbouwing, om deze, indien nodig, door te ontwikkelen.
Aanbeveling 4: Ondersteun medewerkers die dagelijks werken met de jongeren.
De DJI doet alles wat binnen haar mogelijkheden ligt om personeel te werven, behouden,
ondersteunen en faciliteren. De onderzoekers dragen de suggestie aan om de groepsgrootte
te verkleinen van 8 tot 10 jongeren naar 4 tot 6 jongeren en spreken hierbij de verwachting
uit dat hiermee personeelsverloop tegengegaan kan worden. Binnen de JJI’s bestaat
al differentiatie in groepsgrootte. Op landelijke bestemmingen, waar jongeren met
een bijzondere zorgbehoefte worden geplaatst, zijn er groepen van 5 of 6 jongeren.
De personele bezetting is zodoende al afgestemd op de zorgbehoefte van de jongeren
die daar geplaatst worden. Het verder verkleinen van de groepsgrootte zou het capaciteits-
en personeelstekort nog verder opdrijven, omdat dit meer personele inzet zou vergen.
Dit onderdeel van deze aanbeveling is in de huidige situatie daarom niet op te volgen.
Aanbeveling 6: Realiseer meer passende vervolgplekken voor jongeren met een hoge zorgbehoefte,
waar ook voldoende forensische expertise aanwezig is.
Deze aanbeveling is tweeledig. De onderzoekers vragen aandacht voor zowel (1) de interne
doorstroom uit landelijk specialistische voorzieningen naar reguliere groepen als
(2) de uitstroom uit de JJI naar een passende vervolgplek. Ik deel de zorgen van de
onderzoekers, in het bijzonder omdat de JJI’s de laatste jaren een toename ervaren
van jongeren met zeer moeilijk te stabiliseren problematiek. Dit bemoeilijkt de doorstroom
binnen de JJI’s en maakt het vinden van passende vervolgplekken eveneens een complexe
opgave.
Ik neem de inzichten uit dit onderzoek ten aanzien van de interne doorstoom mee in
de herbezinning op de opgave van de JJI’s. Ten aanzien van de uitstroom uit de JJI’s
naar een passende vervolgplek neem ik de inzichten uit dit onderzoek mee in de Werkagenda
Aansluiting forensische zorg en reguliere zorg. In deze Werkagenda wordt gewerkt aan
het verbeteren van de doorstroommogelijkheden na een maatregel-Plaatsing in een Inrichting
voor Jeugdigen (PIJ-maatregel).12 Recent heeft ook de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) aandacht
gevraagd voor het realiseren van voldoende passend hulpaanbod na uitstroom uit de
JJI.13 In de volgende paragraaf ga ik hier nader op in.
Onderzoek naar de populatie in de PIJ-maatregel
Een beperking van het doelgroeponderzoek is de relatief kleine groep jongeren met
een PIJ-maatregel die in het onderzoek is meegenomen (10,2%). Deze jeugdigen vormen
een groot deel (circa 50%) van de populatie in de JJI’s en hebben, door het karakter
van de PIJ-maatregel, in het bijzonder behandeling nodig. Bovendien verblijft deze
doelgroep lang in een JJI (gemiddeld ruim 4 jaar) waardoor ook veel mogelijkheden
bestaan om te werken aan een succesvolle terugkeer in de maatschappij. Op dit moment
voert de DJI een periodiek onderzoek uit naar de ontwikkeling van de kenmerken en
achtergronden van de populatie jongeren met een PIJ-maatregel in de JJI’s in de afgelopen
25 jaar. Dit geeft aanvullend inzicht in deze doelgroep. Indien de resultaten van
dit onderzoek tijdig beschikbaar komen, worden ook die betrokken bij de herbezinning
op de opgave van de JJI’s.
4. Beleidsreactie op het RSJ-advies «Problemen in de PIJ: Advies over de door- en
uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel»
De RSJ heeft op 25 september 2025 een gevraagd advies uitgebracht over mogelijke oplossingen
voor de knelpunten die bestaan bij de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel
(plaatsing in een inrichting voor jeugdigen). De toenmalige Staatssecretaris heeft
toegezegd om in het voorjaar van 2026 te komen met een beleidsreactie. In deze brief
doe ik deze toezegging gestand.
De aanbevelingen van de RSJ hebben betrekking op twee doelgroepen, namelijk (a) de
jongeren die een PIJ-maatregel opgelegd hebben gekregen en in een JJI verblijven of
op een andere plek waar de PIJ-maatregel wordt uitgevoerd, en (b) de jongeren die
uitstromen uit de PIJ.
De RSJ doet 13 aanbevelingen, die als volgt kunnen worden samengevat.
1. Landelijke toeleiding naar en financiering van zorg en begeleiding voor jeugdigen
na uitstroom van een PIJ-maatregel.
2. Een passend en tijdig hulpaanbod voor zowel jeugdigen met een PIJ-maatregel als de
jeugdigen die uitstromen na een PIJ-maatregel.
3. De vergroting van kennis en expertise over deze doelgroep bij alle betrokken partijen.
De RSJ is kritisch over het huidige stelsel en een aantal aanbevelingen betreft fundamentele
wijzigingen in het stelsel. De aanbeveling over landelijke toeleiding en financiering
door mijn ministerie naar zorg en begeleiding betekent bijvoorbeeld een breuk met
het huidige systeem van bekostiging, maar sluit aan bij de wens vanuit de (jeugd)strafrechtketenpartners.
Gelet op de complexiteit en de aard van de aanbevelingen onder 1 en 2 worden deze
integraal meegenomen in de hiervoor in paragraaf 2 benoemde herbezinning op de opgaven
van de JJI’s. Zoals gezegd is het doel van de herbezinning het vinden van een nieuwe
balans tussen de kwaliteit van het verblijf in de JJI en de benodigde randvoorwaarden
voor de DJI, inclusief de instroom in, behandeling tijdens en uitstroom uit de PIJ-maatregel.
Wat betreft de aanbevelingen gericht op de uitstromende PIJ-jongeren lopen bovendien
twee verdiepingsonderzoeken, om concreet landelijk en per regio in beeld te krijgen
welke knelpunten en tekorten spelen en wat de omvang van het probleem is. Van het
bredere onderzoek naar het tekort aan jeugdhulp in strafrechtelijke kader tekort wordt
voor de zomer van 2026 de eindrapportage verwacht. Het tweede onderzoek is gericht
op de behoefte en knelpunten in de jeugdhulp in strafrechtelijk kader voor jongvolwassenen
die onder het jeugdstrafrecht vallen14. Dit rapport zal naar verwachting medio september 2026 gereed zijn. De bevindingen
van deze rapporten gaan helpen om het gesprek verder te voeren binnen het nazorgoverleg
als onderdeel van de werkagenda15, met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) en de ketenpartners om gezamenlijk tot oplossingen te komen.
Wat betreft de aanbevelingen onder 3 is vergroting van kennis en expertise over de
doelgroep een punt van voortdurende aandacht, vooral ook in het nazorgoverleg met
de betrokken ketenpartners zoals de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de gecertificeerde
instellingen (GI’s), de drie Reclasseringsorganisaties (3RO), de DJI en de VNG. De
update van de Handreiking nazorg, die momenteel wordt gemaakt, gaat daar een goede
bijdrage aan leveren met relevante informatie, factsheets en stroomschema’s. Elke
organisatie dient vervolgens zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen voor het borgen
en/of vergroten van de eigen kennis en expertise.
5. Strafmaat van zowel 12- tot 18-jarigen als 18- tot 23-jarigen
In het regeerprogramma van het vorige kabinet was de ambitie opgenomen om het jeugdstrafrecht
aan te scherpen, onder andere door het verhogen van de maximale straffen voor 14-
en 15-jarigen. Hierover heeft voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming Rutte in
zijn brief van 16 januari 2026 geconcludeerd dat uitwerking van deze opgave vraagt
om een brede bezinning op de maximale straffen in het jeugdstrafrecht in zijn geheel.16 Daarbij kondigde hij een impactanalyse aan, waarvan de resultaten voor de zomer van
2026 met uw Kamer zouden worden gedeeld. In deze impactanalyse worden diverse scenario’s
uitgewerkt, waarbij niet alleen aandacht wordt besteed aan de benodigde middelen die
met een strafverzwaring gemoeid zijn en de wetgevingstechnische consequenties, maar
ook aan de verhouding van een beoogde verhoging in relatie tot (internationale) regelgeving,
de kinderrechten en de strafdoelen uit het jeugdstrafrecht, waarin de pedagogische
benadering centraal staat. Aan deze impactanalyse wordt momenteel nog gewerkt.
Hiernaast is op 1 juli 2022 het WODC-onderzoek «Strafmaat en strafdoelen in ernstige
jeugd- en adolescentenstrafzaken» gepubliceerd, waarop voormalig Minister Weerwind
op 27 maart 2023 heeft gereageerd.17 Ten aanzien van jongvolwassenen die ernstige misdrijven plegen, gaf hij aan onvoldoende
zicht te hebben op de uitwerking die toepassing van het adolescentenstrafrecht op
deze doelgroep heeft, en dit daarom beter inzichtelijk te willen maken alvorens te
besluiten of het ophogen van de strafmaat voor deze doelgroep noodzakelijk is. Hij
wilde dit doen aan de hand van de uitkomsten van twee onderzoeken, namelijk een onderzoek
naar de toepassing van het adolescentenstrafrecht18 en een doelgroeponderzoek naar de kenmerken van jongeren en jongvolwassenen die in
de JJI’s verblijven. Deze onderzoeken zijn inmiddels gereed; zie ook paragraaf 3 van
deze brief.19
Gezien de samenhang tussen de mogelijke aanpassing van de strafmaat voor minderjarigen
enerzijds en jongvolwassenen onder het adolescentenstrafrecht anderzijds betrek ik
ook deze tweede optie in de bovengenoemde impactanalyse en zal ik u tegelijkertijd
berichten over de conclusies die ik hieruit trek over de noodzaak tot het aanpassen
van de strafmaat binnen het jeugdstrafrecht. Ik streef ernaar u hierover vóór het
zomerreces van 2026 te informeren.
6. Verbetertraject adolescentenstrafrecht
In 2014 is het adolescentenstrafrecht (ASR) ingevoerd, wat flexibele toepassing van
het jeugdstrafrecht en het volwassenstrafrecht mogelijk maakt bij adolescenten (16-
tot 23-jarigen). Het WODC heeft het ASR geëvalueerd en een aantal knelpunten in de
toepassing geconstateerd, uiteenlopend van problemen met de toeleiding naar het ASR
en de kennis van professionals daarover tot de beschikbaarheid en financiering van
forensische jeugdhulp.20 In reactie op de aanbevelingen uit het onderzoek is in 2022 het Verbetertraject ASR
van start gegaan. In dit verbetertraject is door de betrokken ketenpartners onder
begeleiding van mijn ministerie de afgelopen jaren gewerkt aan het oplossen van knelpunten
in de uitvoeringspraktijk.21 Uw Kamer is op de hoogte gehouden van de voortgang hiervan.22
Een van de meest recente opbrengsten van het Verbetertraject is het gereedkomen van
een Herziend Wegingsinstumentarium ASR.23 Op dit moment bestaan verschillende instrumenten voor de selectie van de doelgroep
voor de toepassing van het ASR. Die instrumenten hanteren op onderdelen verschillende
items en definities. Daarnaast bevatten ze verschillende onderdelen die in tegenspraak
zijn met (de bedoeling van) het ASR of die niet bijdragen aan de selectie van de doelgroep.
Op basis van wetenschappelijke literatuur is een herziend instrument ontwikkeld, dat
kan worden gebruikt bij de advisering of besluitvorming over de toepassing van het
ASR op jongvolwassenen. Dit moet leiden tot een meer uniforme selectie van de beoogde
doelgroep. Op dit moment wordt onderzocht wat voor de ketenpartners nodig is om het
herziene instrument te gaan gebruiken (aan opleiding, ICT-aanpassingen, gegevensdeling
en dergelijke).
Daarnaast heeft de volwassenreclassering, samen met de andere ketenpartners, de succesfactoren
en uitdagingen van de ASR-teams in kaart gebracht. Deze ASR-teams betreffen een samenwerking
van ketenpartners waarin ASR-zaken worden besproken om zo maatwerk te kunnen bieden.
Op dit moment wordt bezien of en hoe de geïnventariseerde succesfactoren (meer) kunnen
worden benut. Daarnaast is de samenwerking tussen de volwassenreclassering en de RvdK
versterkt door het actualiseren van de samenwerkingsafspraken, zodat kennis over het
jeugdstrafrecht meer uitgewisseld kan worden.
In het nieuwe Wetboek van Strafvordering worden daarnaast stappen gezet in het verbinden
van de volwassenstrafrechtketen en de jeugdstrafrechtketen. Zo wordt het mogelijk
om de Raad voor de Kinderbescherming een adviesrol te laten vervullen voor jongvolwassen
verdachten (artikel 6.1.29, tweede lid). Ook wordt het mogelijk voor de rechter om
ambtshalve, zonder vordering daartoe van de officier van justitie, te besluiten dat
de jongvolwassene in aanmerking moet komen voor een behandeling als jeugdige in de
berechtingsfase (artikel 6.1.28).
Met de projectgroep is verkend welke onderdelen van het verbetertraject inmiddels
voldoende aandacht krijgen en welke nog verdere aandacht behoeven. Deze laatste onderdelen
worden waar mogelijk verder gebracht door de betrokken ketenpartners. De projectstructuur
van het verbetertraject onder begeleiding van mijn ministerie houdt op te bestaan.
Deze keuze is mede ingegeven door de taakstelling. Daarmee komt een einde aan het
verbetertraject. Wel blijft mijn ministerie de kennisuitwisseling en de netwerkfunctie
die het verbetertraject had, ondersteunen.
7. Beleidsreactie op het RSJ-advies «Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke
afdoeningen voor jeugdigen»
Op 8 september 2025 is het RSJ-advies «Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke
afdoeningen» gepubliceerd. In dit advies zijn door de RSJ aanbevelingen geformuleerd,
die zien op optimalisatie van het huidige systeem van buitenstrafrechtelijke afdoeningen,
denk hierbij aan een betere informatievoorziening aan slachtoffers en advocaten of
een gelijke toegang tot buitenstrafrechtelijke afdoeningen. Daarnaast doet de RSJ
ook aanbevelingen die meer fundamenteel van aard zijn, zoals het voorstel om te voorzien
in een breder en meer gevarieerd aanbod, ook voor zwaardere strafbare feiten.
Op dit moment wordt met de jeugdstrafrechtketenpartners de noodzaak en de wenselijkheid
tot verbetering van het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen verkend, waarbij
de individuele aanbevelingen in samenhang worden bezien en besproken. Een belangrijk
uitgangspunt hierbij is het belang van het kind, dat als eerste overweging geldt bij
het maken van beleid dat kinderen raakt, conform artikel 3 uit het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten voor het Kind (IVRK). Overige belangen in het jeugdstrafrecht
worden ook meegewogen, zoals maatschappelijke veiligheid, vergelding en genoegdoening
voor het slachtoffer. Daarnaast worden ook meer praktische overwegingen, zoals de
haalbaarheid en financiering, meegenomen.
Zodra deze verkenning gereed is, zal ik mijn standpunt daarover bepalen en dit met
uw Kamer delen. Naar verwachting zal dit in het najaar van 2026 zijn.
8. Jeugdreclassering in Verbinding
In de Verzamelbrief Justitiële Jeugd van 20 mei 202524 is uw Kamer gemeld dat de gezamenlijke GI’s de landelijke uniforme methodiek «Jeugdreclassering
in Verbinding» hebben opgeleverd en dat de implementatie daarvan in 2025 zal plaatsvinden.
De nieuwe methodiek sluit (vergeleken met de huidige methodiek uit 2006) goed aan
bij de huidige doelgroep en het type delicten wat zij plegen. Daarnaast borgt een
landelijk uniforme methodiek een eenduidige begeleidingsmethode, wat rechtsgelijkheid
voor jongeren in Nederland ten goede komt.
Inmiddels is gebleken (op grond van het opgestelde kwaliteitskader en prestatiebeschrijving
en urencalculatie jeugdreclassering) dat voor de uitvoering van Jeugdreclassering
in Verbinding de huidige urennorm van de jeugdreclassering zou moeten worden verhoogd.
Daar is een budget van ongeveer 30 miljoen euro per jaar voor nodig. Binnen het huidige
systeem van bekostiging in het decentrale stelsel van de jeugdzorg waar de jeugdreclassering
onder valt, zijn hier echter geen middelen voor beschikbaar. Dit betekent dat implementatie
van de uniforme methodiek is uitgesteld. Momenteel wordt met alle betrokkenen onderzocht
wat er wel mogelijk is.
Ik neem de zorgen die leven rondom de justitiële jeugd uiterst serieus. Met de voorgestelde
maatregelen zet ik stappen om samen met alle betrokken partijen knelpunten aan te
pakken. Alleen door gezamenlijke inspanning kunnen wij jongeren op het juiste pad
krijgen en daarmee de samenleving veiliger maken. Ik reken daarbij op een constructieve
samenwerking met uw Kamer.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid