Brief regering : De verhouding tussen het gewijzigde wetsvoorstel rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief en de memorie van toelichting
36 783 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
Nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 april 2026
Op 15 april 2026 vond de behandeling in uw Kamer plaats van het wetsvoorstel invoering
rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief. Dit wetsvoorstel stond
voorheen bekend als het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en
rechtsvermoeden (VBAR). Op 10 maart 2026 heb ik een nota van wijziging op dit wetsvoorstel
ingediend, waarmee het verduidelijkingsdeel is komen te vervallen en het wetsvoorstel
enkel nog ziet op het onderdeel dat bekend staat als het rechtsvermoeden.1 Deze wijziging was de aanleiding voor het lid Patijn te vragen welke onderdelen van
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel nog relevant zijn. Met deze brief
reageer op dit verzoek.
De memorie van toelichting bij een wetsvoorstel wordt niet gewijzigd, ook niet bij
een ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel, zoals heeft plaatsgevonden met het
vervallen van het verduidelijkingsonderdeel.2 Dit maakt dat het enig zoekwerk verreist om na te gaan welke delen van de toelichting
nog relevant zijn; deze brief helpt bij deze zoektocht.
Hoofdstuk 1 biedt een overzicht van de aanleiding voor het wetsvoorstel zoals dat
is ingediend. Hierin wordt de probleemstelling rond schijnzelfstandigheid en de noodzaak
voor het wetsvoorstel beschreven. Dit hoofdstuk is met het oog op het rechtsvermoeden
relevant, maar toont daarnaast aan dat het belangrijk is om met wetgeving te komen
die duidelijker maakt wanneer iemand werknemer is of niet en waarom eerdere wetgeving
dit nog onvoldoende heeft bereikt. Het kabinet gaat dan ook aan de slag met de Zelfstandigenwet
om ervoor te zorgen dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf meer duidelijkheid
hebben wanneer iemand geen werknemer is en dus als zzp’er kan worden ingehuurd, en
tegelijkertijd om vast te leggen welke verantwoordelijkheden bij die zelfstandige
horen. Op die manier blijft het kabinet aan de slag met verduidelijking en zet het
de zelfstandige centraal. Uiteraard zal er ook oog blijven voor de werkenden in een
kwetsbare positie, zoals de gedwongen (schijn)zelfstandigen.
In de verdere hoofdstukken van de memorie van toelichting is steeds aangegeven op
welk deel van het wetsvoorstel de tekst betrekking heeft; voor zover dit niet is uitgesplitst,
heeft het op beide onderwerpen betrekking en is de tekst daarmee ook relevant voor
het rechtsvermoeden.
• Hoofdstuk 2 gaat in op de hoofddoelen van het wetsvoorstel. Daarbij gaan de paragrafen
2.1.5 en 2.3.3 specifiek in op het doel, de doeltreffendheid, en de doelmatigheid
van het rechtsvermoeden.
• Hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel ziet specifiek op het verduidelijkingsdeel dat is
komen te vervallen.
• Hoofdstuk 4 ziet specifiek op de verschillende aspecten van het rechtsvermoeden.
• Hoofdstuk 5 gaat in op de gevolgen van het wetsvoorstel, waarbij in de paragrafen
5.1.1.3 en 5.2.3 specifiek wordt ingegaan op de gevolgen van het rechtsvermoeden voor
de werkende en werkgevende, en in paragraaf 5.3.2 op de arbeidsmarkteffecten het rechtsvermoeden.
De regeldruk van het rechtsvermoeden wordt behandeld in artikel 5.5.2. In paragraaf
5.7 wordt onder meer specifiek ingegaan op de MKB-toets voor wat betreft het rechtsvermoeden.
• Hoofdstuk 7 gaat in op de internetconsultatie, waarbij onder het kopje «rechtsvermoeden»
specifiek op dat onderdeel wordt ingegaan.
• Hoofdstuk 8 gaat in op de inwerkingtreding, waarbij paragraaf 8.2 ziet op de onmiddellijke
inwerkingtreding van het onderdeel rechtsvermoeden.
• Artikel I, onderdeel B, van de artikelsgewijze toelichting ziet op het rechtsvermoeden.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie