Brief regering : Beleidsreactie op het onderzoeksrapport ‘Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik’
31 015 Kindermishandeling
Nr. 307
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 april 2026
Op 1 juli 2025 is het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal
seksueel kindermisbruik» aan uw Kamer aangeboden.1
Het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het WODC, richtte zich op de risicotaxatie
van plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik. Het is onze maatschappelijke
plicht om effectief op te treden tegen seksueel kindermisbruik, nationaal en internationaal.
Kinderen waar dan ook ter wereld dienen te worden beschermd, slachtoffers geholpen
en daders dienen te worden aangepakt.
Centrale vragen van het onderzoek waren hoe het risico op recidive op een effectieve
en verantwoorde manier kan worden ingeschat middels risicotaxatie-instrumenten, en
welke knelpunten professionals2 ervaren bij het monitoren van deze doelgroep. Ook zijn de daderprofielen van transnationaal
seksueel kindermisbruik (hierna: TSK)-daders onderzocht. Het onderzoek is een vervolg
op het rapport «Grenzeloos».3 Dit was een verkennend onderzoek naar het instrumentarium in relatie tot (veroordeelde)
plegers van TSK.4 In het rapport werd aanbevolen om een vervolgonderzoek te doen naar de profielen
en werkwijzen van TSK-plegers, om beter inzicht te krijgen in het risico op herhaald
daderschap, en te onderzoeken of bestaande risicotaxatie-instrumenten voldoende in
staat zijn het recidiverisico voor deze groep goed in te schatten. Met deze brief
geef ik mijn beleidsreactie op de bevindingen en aanbevelingen naar aanleiding van
dit vervolgonderzoek.
In deze beleidsreactie geef ik eerst een korte duiding van het fenomeen transnationaal
seksueel kindermisbruik en de rol die risicotaxatie-instrumenten spelen in de aanpak
ervan. Vervolgens bespreek ik de nieuwe inzichten die uit dit rapport voortvloeien
met betrekking tot de prevalentie en de kenmerken en werkwijze van TSK-daders. Tot
slot reageer ik op de bevindingen en aanbevelingen van het rapport.
1. Transnationaal seksueel kindermisbruik: grensoverschrijdend, hands-on en online
Transnationaal seksueel kindermisbruik is een wijdverbreid en grensoverschrijdend
probleem dat diepe sporen nalaat in het leven van vele kinderen wereldwijd. TSK wordt
in het onderzoek gedefinieerd als «het plegen van of op enigerlei wijze medewerking
verlenen aan seksueel geweld tegen kinderen in een buitenland, al dan niet door het
slachtoffer en/of facilitators hiervoor geld of goederen te geven of te beloven».
Het gaat om zeer ernstige seksuele misdrijven, zoals aanranding en verkrachting van
kinderen, en het vervaardigen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Het
kan daarbij gaan om hands-on misbruik en online misbruik.
Hands-on TSK (voorheen ook wel «kindersekstoerisme»5 genoemd) verwijst naar fysiek seksueel kindermisbruik dat wordt gepleegd in een land
buiten Nederland. Er worden twee typen plegers onderscheiden: de intentionele of preferentiële
pleger, die met het doel van misbruik naar het buitenland afreist, en de situationele
pleger, die tijdens een reis met een ander hoofddoel overgaat tot misbruik. Online
TSK houdt in dat een pleger vanuit het thuisland virtueel deelneemt aan seksueel kindermisbruik
dat in het buitenland plaatsvindt, bijvoorbeeld livestreams. Het onderscheid met het
online downloaden of uitwisselen van seksueel kindermisbruikmateriaal is het «live»
karakter: tijdens livestreams wordt seksueel kindermisbruikmateriaal vervaardigd en
live via het internet verspreid. Deelnemers kunnen, tegen betaling, vooraf of tijdens
de sessie aangeven welke seksuele handelingen zij in beeld gebracht willen zien. Professionals
verwachten dat online plegers in sommige gevallen doorgroeien naar hands-on misbruik,
vooral bij langdurig contact met de slachtoffers, zo blijkt uit het onderhavige onderzoeksrapport.
Risicotaxatie
Om het risico op herhaald daderschap bij zedendelicten in te schatten bestaat een
grote variatie aan risicotaxatie-instrumenten. Voor de risico-inschatting bij (mogelijke)
TSK-plegers bestaat geen specifiek, specialistisch risicotaxatie-instrument. Professionals
werken met de bestaande instrumenten die zich richten op zedenrecidive in bredere
zin. Recidive-inschattingen door middel van risicotaxatie-instrumenten zijn een cruciaal
onderdeel van de aanpak waar verschillende organisaties, processen en maatregelen
van afhankelijk zijn.
Risicotaxatie is een taak die zowel door de reclassering als door het Nederlands Instituut
voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) wordt uitgevoerd.
De reclassering adviseert over het recidiverisico van een verdachte, bijvoorbeeld
in het kader van reclasseringstoezicht en behandeling. Het NIFP heeft eveneens een
belangrijke rol: bij veel verdachten van dit soort ernstige feiten vraagt het OM het
NIFP om een Pro Justitia rapportage van een psychiater, psycholoog en/of milieurapporteur,
waarin onder andere het recidiverisico wordt ingeschat. Ook maakt de politie soms
gebruik van deze instrumenten. Bijvoorbeeld bij de inzet van een green notice of green diffusion.6
2. Het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik»:
nieuwe inzichten in het fenomeen
Om optimaal gebruik te maken van beschikbare juridische instrumenten om het plegen
van TSK te bemoeilijken, en om slachtoffers te voorkomen, is een goed beeld van TSK-plegers
essentieel. Het onderzoeksrapport levert nieuwe empirische inzichten in de kenmerken
van TSK-plegers. Met deze inzichten kan vervolgens worden nagegaan hoe risicotaxatie
beter kan worden toegespitst op deze groep zedendelinquenten met als doel bij te kunnen
dragen aan het beperken van het risico op herhaald daderschap. Hieronder geef ik de
belangrijkste nieuwe inzichten weer.
2.1. Prevalentie: grote dark figure TSK-plegers
Uit het onderzoek blijkt dat naar schatting 2,3% van de ondervraagde mannen kan worden
aangemerkt als pleger van TSK. Deze respondenten gaven aan ooit in het buitenland
seks te hebben gehad met een minderjarige, waarbij het ging om betaalde seks met een
persoon jonger dan 18 jaar, of onbetaalde seks met een persoon jonger dan 16 jaar
terwijl zijzelf ouder waren dan 21 jaar. Volgens dezelfde onderzoeksresultaten vond
dit misbruik bij 1,5% van de mannen (ook) recent plaats, namelijk in de afgelopen
vijf jaar. Daarnaast blijkt uit het onderzoeksrapport dat bijna driekwart van deze
TSK-plegers naar het buitenland reisde met de intentie om daar seks te hebben met
personen onder de 18 jaar.
Op basis van extrapolatie van deze onderzoeksresultaten wordt door de onderzoekers
geschat dat tussen de 131.000 en 171.000 Nederlandse mannen zich ooit schuldig hebben
gemaakt aan hands-on TSK, waarvan ongeveer twee derde in de afgelopen vijf jaar. Volgens
de onderzoekers betekent dit dat jaarlijks naar schatting minstens 20.000 Nederlandse
mannen naar het buitenland reizen en zich daar schuldig maken aan seksueel kindermisbruik.
Verder blijkt uit het onderzoeksrapport dat eveneens 2,3% van de ondervraagde mannen
aangeeft ooit te hebben deelgenomen aan livestreams met minderjarigen die seksuele
handelingen verrichten. Hoewel livestreaming doorgaans een buitenlandse component
heeft, kan volgens de onderzoekers niet worden uitgesloten dat respondenten hierbij
ook livestreams met minderjarigen uit Nederland hebben meegerekend. Wanneer ervan
wordt uitgegaan dat livestreams met minderjarigen in alle gevallen een transnationaal
karakter hebben en deze aantallen eveneens worden meegenomen als daderschap van TSK,
wordt de totale groep TSK-plegers (hands-on en/of online) in het onderzoek geschat
op 3,1% van de gehele steekproef. Op basis hiervan schatten de onderzoekers dat het
totaal aantal volwassen Nederlandse mannen dat zich ooit schuldig heeft gemaakt aan
enige vorm van TSK uit op circa 225.000 personen. Uit het onderzoeksrapport blijkt
daarnaast dat 86% van de online TSK-plegers aangeeft ook een fysieke vorm van seksueel
misbruik te hebben gepleegd, in Nederland of in het buitenland. Volgens de onderzoekers
speelt een groot deel van dit type criminaliteit zich af buiten het gezichtsveld van
politie en justitie. Ook bij de reclassering, behandelaars en rapporteurs komen TSK-plegers
volgens het onderzoeksrapport niet tot nauwelijks in beeld.
2.2. Kenmerken en werkwijze van Nederlandse TSK-plegers
De kenmerken van TSK-plegers zijn in beeld gebracht via interviews met professionals
en vragenlijsten onder Nederlandse mannen. Geïnterviewden omschrijven TSK-plegers
meestal als mannen van middelbare of oudere leeftijd met een exclusieve seksuele voorkeur
voor kinderen. Hun sociale en financiële positie varieert: sommigen zijn alleenstaand
en sociaal geïsoleerd, anderen leiden een dubbelleven met een gezin en carrière, en
gebruiken hun middelen om slachtoffers in het buitenland te benaderen. Over hun criminele
verleden is weinig bekend, al vermoeden professionals dat sommigen eerder (onopgemerkt)
zedendelicten hebben gepleegd. In de bevindingen van het vragenlijstonderzoek werd
het bestaande beeld van de oudere TSK-pleger niet teruggevonden. Het bleek dat TSK-plegers
vaker een uitgebreidere criminele carrière hebben, minder empathie ervaren, en een
sterkere identificatie met en seksuele aantrekking tot kinderen hebben dan plegers
van seksueel kindermisbruik in Nederland. Ook zoeken of overwegen zij vaker hulp.
De resultaten van het vragenlijstonderzoek tonen dat intentionele plegers meer risicofactoren
voor recidive laten zien dan situationele plegers. Dit komt overeen met de verwachtingen
van professionals dat intentionele plegers vaker dan situationele plegers een seksuele
interesse in kinderen hebben.
Zoals verwacht vertonen recidiverende TSK-plegers meer risicofactoren dan eenmalige
TSK-plegers, met name op het vlak van psychologische kenmerken en seksualiteit. De
expertinterviews maakten duidelijk dat professionals te weinig zicht hebben op situationele
plegers en op recidive bij bekende TSK-plegers om betrouwbare verwachtingen te formuleren
over verschillen tussen recidivisten en first-offenders.
Er is nog weinig bekend over online TSK-plegers, maar men vermoedt dat zij gemiddeld
jonger, technisch vaardiger en sociaal anders gepositioneerd zijn. Hands-on plegers
plegen vaker meerdere delicten, vertonen minder empathie en meer seksuele deviantie.
Leeftijd en opleidingsniveau verschillen niet wezenlijk.
Er is mogelijk overlap tussen beide groepen: professionals verwachten dat online TSK-plegers
in sommige gevallen doorgroeien naar hands-on TSK, vooral bij langdurig contact met
slachtoffers. Daarnaast vermoeden geïnterviewden dat sommige TSK-plegers van hands-on
naar online misbruik zijn omgeschakeld, mede door de toegenomen toegankelijkheid van
technologieën zoals videobellen.
3. Reactie op het onderzoek en de aanbevelingen
Op basis van het rapport komen de onderzoekers tot een aantal aanbevelingen. Het rapport
onderscheidt drie categorieën van aanbevelingen. Hieronder geef ik per categorie mijn
reactie op de mogelijkheden die ik zie om op basis van deze aanbevelingen de aanpak
van TSK-plegers te versterken.
3.1. Vergroot de pakkans van TSK-plegers door structureel te investeren in het verbeteren
van de informatiepositie van politie en partners
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er een grote groep (potentiële) TSK-daders in
Nederland is. Het rapport richt zich op het voorkomen van recidive bij al bekende
zedendaders, met als doel slachtofferschap te voorkomen. Recidive kan worden aangepakt
door risicotaxatie en daaropvolgende maatregelen, zoals reisbeperkingen, maar deze
kunnen alleen toegepast worden op de (kleine) groep daders die gepakt zijn. De omvang
van het probleem blijkt op basis van de onderzochte prevalentie groter dan verwacht,
en de pakkans blijft achter. Ook benoemen de onderzoekers dat het beleid, waarbij
Nederlandse daders in het buitenland worden opgespoord en veroordeeld, het moeilijker
maakt om deze daders zichtbaar te krijgen voor Nederlandse autoriteiten. Dit bemoeilijkt
preventie van recidive.
3.1.1. Inzet opsporingsbevoegdheden
Het rapport toont aan dat sprake is van een aanzienlijke dark figure van TSK-misdrijven
wat betekent dat veel TSK-misdrijven zich buiten het gezichtsveld van politie en justitie
afspelen. De verdenkingscriteria die in het Wetboek van Strafvordering zijn gekoppeld
aan de inzet van bevoegdheden zorgt er volgens geluiden uit de praktijk bij OM en
politie voor dat deze bevoegdheden onvoldoende mogelijkheden bieden om signalen van
TSK-misdrijven nader te duiden en op te werken tot een concrete verdenking. Als daarvan
nog geen sprake is, zoals vaak bij de aanwijzingen van een TSK-feit, dan kunnen deze
bevoegdheden in deze context niet worden uitgeoefend.
Op basis van ervaringen van OM en politie zou verruiming van de toepassingsmogelijkheden
van bijzondere opsporingsbevoegdheden, bijvoorbeeld door onderzoek naar financiële
gegevens en reisgegevens toe te staan bij aanwijzingen van een TSK-feit, het mogelijk
maken om die aanwijzingen op te werken tot een verdenking. De verwachting van OM en
politie is dat dit zal leiden tot meer opsporing en vervolging van TSK-misdrijven
en TSK-plegers.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zal daarom met het OM en de politie in gesprek
gaan over de toepassingsmogelijkheden van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden
in geval van TSK-feiten in een vroeger stadium. Daarbij zal ook worden besproken welke
gevolgen dit onder andere zou hebben voor wet- en regelgeving en rechtsbescherming.
3.1.2. Rol van NGO’s ten aanzien van preventie en signalen voor de opsporing
De rol van maatschappelijke organisaties is cruciaal in de integrale aanpak van TSK.
Diverse NGO’s, zowel in het binnen- als buitenland, dragen hier actief aan bij. Buitenlandse
NGO’s beschikken vaak over diepgaande kennis van de lokale context en kunnen waardevolle
informatie verschaffen over (potentiële) plegers van seksueel kindermisbruik.
Vanuit Nederland zet de organisatie Defence for Children – ECPAT zich onvermoeibaar
in tegen de seksuele uitbuiting van kinderen. Het werk van de organisatie omvat onder
meer de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld met reisorganisaties
en TSK-professionals, het vergroten van het bereik van het eerder ontwikkelde barrièremodel
op TSK en het verzorgen van trainingen voor de reisbranche. Zij stimuleert actief
de bewustwording onder Nederlandse reizigers over deze problematiek, onder andere
via de «Don’t Look Away» campagne en het daaraan gekoppelde meldpunt. De social media
campagne «Don't Look Away» heeft in de zomer van 2025 een aanzienlijk bereik gerealiseerd,
inclusief doorklikken naar de website waar bezoekers hun kennis kunnen testen over
het melden van kindermisbruik door middel van een quiz op dontlookaway.nl. De campagne
richt zich primair op het vergroten van de bewustwording rond het melden van kindermisbruik.
Defence for Children – ECPAT wordt hiertoe gefinancierd door het Ministerie van Justitie
en Veiligheid.
Daarnaast speelt stichting Offlimits een belangrijke rol in de preventie van daderschap
van seksueel kindermisbruik in Nederland. De preventielijn van Offlimits biedt met
een telefonische hulplijn en een chat anoniem, vertrouwelijk én gratis ondersteuning
voor iedereen die zich zorgen maakt over z’n gedrag tegenover minderjarigen. Dit betreft
onder meer situaties waarin men worstelt met het bekijken van beeldmateriaal van seksueel
kindermisbruik of de angst heeft zelf fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag te
vertonen jegens kinderen. Tevens kunnen ook derden, zoals familieleden, vrienden of
professionals, die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving, contact opnemen
met de preventielijn van Offlimits.
Gezien de hoge prevalentie van daders, zoals blijkt uit het onderzoeksrapport, is
preventie onmisbaar. Naar aanleiding hiervan heeft stichting Offlimits voor hun preventielijn
een campagne uitgebracht specifiek gericht op reizigers. Hoewel de preventielijn wel
te maken krijgt met plegers van TSK als hulpvragers en ook met reisleiders die zorgwekkende
signalen hebben gezien en hierin advies willen, is de groep die contact opneemt vanwege
TSK klein. De preventielijn van Offlimits hoopt daarom met deze campagne de groep
beter te kunnen bereiken. In de campagne worden mensen gewezen op de strafbaarheid
van dit gedrag en op de mogelijkheid van preventieve hulp. Ook wordt doorverwezen
naar het meldpunt Don’t Look Away voor het melden van signalen van TSK.
3.2. Monitoring van TSK-subjecten
De onderzoekers concluderen dat risicotaxatie-instrumenten in de praktijk niet alleen
ingezet worden om het risico op recidive van veroordeelde TSK-plegers te beoordelen,
maar ook in voorkomende gevallen om risico-inschattingen ten behoeve van de monitoring
van zogenoemde TSK-subjecten. In het rapport wordt daarom aanbevolen om duidelijkheid
te verschaffen omtrent de monitoring en de specifieke taakverdeling tussen betrokken
organisaties, en het eventuele gebruik van risicotaxatie-instrumenten daarbij. Ook
wordt aanbevolen om informatie over TSK-subjecten landelijk te bundelen.
3.2.1. Monitoren TSK-subjecten door reclassering
De reclassering geeft aan dat er bij de monitoring van zedendelinquenten in ruime
zin geen knelpunten of onduidelijkheden bestaan ten aanzien van de rolverdeling. Wel
wordt opgemerkt dat relatief weinig TSK-veroordeelden onder toezicht van de reclassering staan, hetgeen mogelijk samenhangt met
het lage aantal mensen dat jaarlijks voor TSK veroordeeld wordt. De reclassering heeft
beperkte mogelijkheden tot monitoring: de reclassering monitort uitreizen bijvoorbeeld
niet actief en heeft hier ook geen juridische mogelijkheden toe, tenzij er sprake
is van een bijzondere voorwaarde waarbij een enkelband is opgelegd. Wel dienen mensen
onder toezicht van de reclassering aan te geven wanneer zij naar het buitenland wensen
te reizen, en hier toestemming voor te vragen.
3.2.2. Opsporing door politie en rol van monitoring daarin
Binnen de politie zijn de Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme
(TBKK’s) belast met de opsporing van kinderpornografie en TSK. De afgelopen jaren
is een impuls gegeven aan de aanpak van online seksueel kindermisbruik (waaronder
TSK) waardoor de formatie van de TBKK met 26 fte is uitgebreid. En ook dit kabinet
investeert in de politiecapaciteit. Eind augustus 2025 waren er 152 fte werkzaam bij
deze teams. Voor de inzet van de opsporingscapaciteit van de TBKK’s, die per definitie
schaars is gelet op het omvangrijke werkaanbod, is leidend dat deze wordt ingezet
daar waar het maatschappelijk effect het grootst is, dat wil zeggen wanneer slachtoffers
ontzet worden uit acute misbruiksituaties, zowel nationaal als internationaal. Verder
zijn TSK-zaken in hun aard complex en tijdrovend, mede omdat zij vaak zonder direct
bewijsmateriaal beginnen. In de praktijk betekent dit dat de politie-inzet zich vooral
richt op de opsporing van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Preventieve monitoring van TSK subjecten binnen de politie richt zich op personen
waarover de politie informatie heeft ontvangen over mogelijke betrokkenheid bij TSK,
maar waar (nog) geen strafzaak tegen loopt of die niet actief onder reclasseringstoezicht
staan. Deze monitoring wordt binnen de TBKK’s in beperkte mate uitgevoerd. De reden
hiervoor ligt niet perse in onduidelijkheid over de monitoring van subjecten, maar
de onmogelijkheden om tot verdachten te komen zoals beschreven in 3.1.1. Daarbij komt
bovendien, zoals hierboven uiteengezet, dat de schaarse politiecapaciteit noopt tot
het maken van scherpe keuzes ten aanzien van de inzet van de TBKK. Deze noodzaak ziet
men overigens terug binnen de gehele opsporing.
3.2.3. Toepassing van risicotaxatie-instrumenten door politie
De politie ziet zichzelf niet als de geëigende partij om risicotaxaties met behulp
van risicotaxatie-instrumenten uit te voeren, gezien de specifieke expertise die hiervoor
vereist is, en ik sluit me daarbij aan. In het verleden heeft de politie een pilot
uitgevoerd waarbij risicotaxatie zo vroeg mogelijk na de aanhouding werd geprobeerd.
Echter, het invullen van risicotaxatie-instrumenten vraagt om deskundigheid die de
politie niet in huis heeft. Daarnaast beschikt de politie, vooral wanneer het gaat
om personen zonder concrete verdenking, vaak niet over de benodigde informatie om
de instrumenten nauwkeurig in te vullen.
De politie en het OM onderzoeken daarom mogelijkheden voor beleidsaanpassingen bij
de inzet van de Green Notice,7 zodat deze instrumenten effectiever kunnen worden ingezet met een andere vorm van
risico-inschatting gezien dit een vereiste is voor de inzet van dit Interpolinstrument
door politie.
Er is niet wettelijk voorgeschreven dat bij de inzet van artikel 24 onder a Paspoortwet
een risicotaxatie-instrument in moet worden gevuld. Er worden momenteel beleidsregels
opgesteld door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze beleidsregels zullen
bepalen welke elementen indicatief zijn voor een gegrond vermoeden zoals vereist voor
de inzet van artikel 24 onder a Paspoortwet om een paspoort in te nemen of vervallen
te verklaren van een mogelijk recidivist.8
3.2.4. Informatie over TSK-subjecten
De versnippering van informatie over TSK-subjecten wordt door politie en OM niet herkend:
informatie over subjecten is raadpleegbaar via de nationale politiesystemen.
3.3. Verbeter de informatiepositie van partijen die werken met risicotaxatie-instrumenten
bij TSK-plegers
De aanbevelingen in deze categorie richten zich op het verbeteren van de informatiepositie
van partijen die werken met risicotaxatie-instrumenten. De onderzoekers concluderen
dat de uitvoering van risicotaxatie bij TSK-plegers niet zozeer gehinderd wordt doordat
bestaande instrumenten inhoudelijk niet toepasselijk zijn op deze groep, maar meer
door een gebrek aan betrouwbare informatie om de instrumenten te kunnen invullen en
een gebrek aan kennis en expertise bij de professionals die ermee werken. Ook wordt
aanbevolen om meer zicht te creëren op in het buitenland veroordeelde daders en om
te investeren in en onderhouden van een goed functionerend netwerk van in het buitenland
gestationeerde liaison officers (LO’s). Daarnaast werd ook aanbevolen om duidelijkheid
te creëren over bepaalde bevoegdheden, zoals rondom het vraagstuk van «controle gegevensdragers».
Hieronder licht ik toe hoe omgegaan wordt met deze aanbevelingen.
3.3.1. Toepasselijkheid risicotaxatie-instrumenten op TSK-daders
In het onderzoeksrapport uiten geïnterviewden zorgen over de geschiktheid van risicotaxatie-instrumenten
voor TSK-plegers. Voor (mogelijke) TSK-plegers bestaat geen specifiek risicotaxatie-instrument,
zowel in Nederland als internationaal. Professionals gebruiken instrumenten voor zedenrecidive
in bredere zin. In Nederland worden vaak drie instrumenten gecombineerd, de STATIC-99R,
STABLE-2007 en ACUTE-2007, oftewel SSA. Deze instrumenten zijn niet specifiek voor
delicten met minderjarige slachtoffers, maar proberen herhaald daderschap bij zedendaders
in het algemeen in te schatten.
Een zorg van professionals betreft daarnaast het leeftijdscriterium van de STATIC-99R.
Ze vinden dat dit instrument niet goed aansluit op TSK-plegers, omdat de TSK-plegers
die bij hen in beeld zijn vaak een hogere leeftijd hebben. Toepassing van de STATIC-99R
– waarin leeftijd een beschermende factor is – leidt daardoor tot een lager risicoprofiel,
wat volgens hen geen juiste weergave is van het recidiverisico. Dit wordt nader onderzocht
binnen een verbetertraject van de reclassering.9 Uw Kamer wordt over de uitkomst naar verwachting dit najaar geïnformeerd.
3.3.2. Expertise reclassering en vertrouwen in risicotaxatie-instrumenten
De reclassering heeft een specialistisch zedenteam dat verantwoordelijk is voor de
monitoring van zedendelinquenten in het kader van toezicht. Zij herkent niet het gebrek
aan vertrouwen in risicotaxatie-instrumenten. Wel onderschrijft zij dat sommige instrumenten
minder goed van toepassing lijken te zijn op online delicten.
3.3.3. Veroordeling in het buitenland
De aanbeveling om het beleid van het OM met betrekking tot de vervolging van TSK-daders
in het buitenland te heroverwegen, waarbij nadrukkelijk wordt voorgesteld een focus
op vervolging binnen Nederland te overwegen, zal niet worden overgenomen. Ten eerste
is het in het belang van de lokale slachtoffers om hen de mogelijkheid te bieden gehoord
te worden en een rol te vervullen als getuige en/of benadeelde binnen het strafproces.
Als de strafzaak in Nederland zou plaatsvinden, zouden zij niet of slechts heel moeilijk
bij zittingen kunnen zijn, wat het strafproces bemoeilijkt. Het naar Nederland laten
overbrengen van deze slachtoffers wordt als contraproductief beschouwd, gelet op de
aanzienlijke kosten, de impact van een dergelijke reis op de slachtoffers zelf, en
de complexiteit van het afleggen van getuigenverklaringen door een niet-Nederlands
slachtoffer. Om slachtoffers hun rechten te laten effectueren verdient berechting
in het buitenland de voorkeur. Voorts beschikt het land waarin het voorval heeft plaatsgevonden
over de beste toegang tot de benodigde informatie, wat de effectiviteit van de vervolging
ten goede komt. Ten slotte doet deze werkwijze recht daar waar de maatschappij is
geraakt. Plaatselijke berechting kan ook makkelijker gevolgd worden door de gemeenschap
in dat land.
3.3.4. Liasion Officers
Er wordt aanbevolen om het zicht te verbeteren op in het buitenland veroordeelde TSK-plegers.
De inzet van Liaison Officers (LO) en Flexibel Inzetbare Liaison Officers (FILO) in
het buitenland draagt ook bij aan de informatiepositie van de politie met betrekking
tot mogelijke TSK-plegers. Zij zijn de verbindende schakel tussen de Nederlandse strafrechtketen
en buitenlandse politiediensten. Er is een vast aantal LO’s opgenomen in de politieformatie.
Zij vormen samen een wereldwijd dekkend netwerk, dat de afgelopen jaren is uitgebreid.
Voor de aanpak van TSK is in 2021 de functie van FILO TSK vervangen door een thematische
LO die werkzaam is binnen het Philippine Internet Crimes Against Children Center (PICACC).
Dit samenwerkingsverband richt zich specifiek op de bestrijding van livestreaming
van seksueel kindermisbruik in de Filipijnen. De LO werkt steeds vaker mee in programma’s
die gericht zijn op de bestrijding van een specifiek fenomeen, zoals transnationaal
seksueel kindermisbruik. Ik zal verkennen hoe in de samenwerking van de Nederlandse
politie met buitenlandse partners het onderwerp TSK een prominente rol kan krijgen.
3.3.5. Nieuwe werkwijze controle gegevensdragers
Met betrekking tot de aanbeveling tot het verduidelijken van de juridische bevoegdheden
en verantwoordelijkheden omtrent de controle van gegevensdragers meld ik het volgende.
De reclassering start in januari 2026 met een vernieuwde werkwijze rond de controle
van digitale gegevensdragers bij cliënten aan wie deze bijzondere voorwaarde is opgelegd.
Het doel van deze controles is gedragsverandering te bevorderen door in te grijpen
op risicovol online gedrag.
De controles richten zich niet op het opsporen van nieuwe strafbare feiten – dat blijft
een taak van de politie – maar op het naleven van bijzondere voorwaarden. Daarbij
wordt gebruik gemaakt van ondersteunende software die zaken als risicovolle zoekwoorden
en websites kan signaleren. Alle signalen worden handmatig beoordeeld door medewerkers
van de reclassering. Indien er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van materiaal
van seksueel kindermisbruik of andere ernstige strafbare feiten, dan wordt dit onverwijld
gemeld aan de politie.
De uitvoering van de controles ligt voortaan dus volledig bij de reclassering. Hiervoor
is intern expertise opgebouwd, waardoor de politie niet langer hoeft te assisteren
bij het uitlezen van gegevensdragers. De controles worden steekproefsgewijs toegepast,
met een streefwaarde van 1 tot 3 controles per ondertoezichtgestelde per jaar. In
2026 worden hierdoor naar verwachting ongeveer 850 controles uitgevoerd. De methode
biedt geen volledige dekking waarbij alle gegevensdragers te allen tijde onderzocht
worden zonder dat de verdachte zicht heeft op de timing, maar vormt in de praktijk
een krachtig middel om het gesprek met de ondertoezichtgestelde te voeren. Het vooruitzicht
op controle en de gesprekken die daarop volgen zijn een waardevol instrument in het
toezicht en de begeleiding van cliënten. Deze werkwijze wordt nu enkel voor veroordeelden
in het kader van online seksueel kindermisbruik ingezet. Er is overeenstemming met
de rechtspraak en het OM voor de inzet van dit instrument voor delinquenten van online
seksueel kindermisbruik. De reclassering zal de mogelijkheden om de controle in te
kunnen zetten bij andere delicten, bijvoorbeeld TSK, onderzoeken nadat de nieuwe werkwijze
volledig is geïmplementeerd en geëvalueerd.
3.3.6. Buiten-EU-veroordelingen
Er wordt aanbevolen om meer zicht te creëren op in het buitenland veroordeelde TSK-plegers.
Deze wens bestaat al langer, ook met het oog op de VOG-beoordeling.10 Lidstaten van de EU kunnen elkaar in dat kader via het ECRIS-netwerk vragen om informatie.
Buiten de EU is er echter geen systeem voor dergelijke gegevensuitwisseling tussen
landen. Na het onderzoeken van verschillende alternatieven daartoe is in 2023 geconcludeerd
dat de mogelijkheden daartoe beperkt zijn. Zoals in die brief is aangegeven, blijf
ik inzetten op EU-brede afspraken en het opnemen van gegevensuitwisseling in toekomstige
bilaterale verdragen.
5. Afsluiting
De grensoverschrijdende aard van deze misdrijven maakt de aanpak ervan bijzonder complex,
maar niet minder urgent. Het is onze plicht om effectief op te treden tegen seksueel
kindermisbruik, zowel nationaal als internationaal. Kinderen, waar ze zich ook ter
wereld bevinden, moeten beschermd worden, slachtoffers verdienen alle steun en daders
moeten worden aangepakt.
Wij blijven ons vanuit de gehele keten onverminderd inzetten voor een veilige samenleving
en een effectieve justitiële aanpak om de maatschappij te beschermen tegen de ernstige
gevolgen van transnationaal en online seksueel kindermisbruik.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid