Brief regering : Tentoonstellings- en verzamelverbod voor vogels met een laag risico op vogelgriep
28 807 Vogelpest (Aviaire influenza)
29 683 Dierziektebeleid
Nr. 324
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 april 2026
Met deze brief informeer ik de Tweede Kamer over de nieuwe risicobeoordeling van de
Deskundigengroep Dierziekten en de aanpassing van het tentoonstellings- en verzamelverbod
voor vogels die een laag risico hebben op vogelgriep. Ik ga ook kort in op de inwerkingtreding
van de wetgeving ten behoeve van de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis
(IBR).
Risicobeoordeling Deskundigengroep Dierziekten
Ik heb de Deskundigengroep Dierziekten opnieuw om een risicobeoordeling gevraagd rondom
vogelgriep. De deskundigen hebben op 5 maart jl. het risico van een besmetting van
een commercieel pluimveebedrijf in Nederland ingeschat als «zeer hoog», met een matige
mate van onzekerheid. De deskundigen vinden het risico nog altijd zeer hoog, vergelijkbaar
met de beoordeling in november 2025. De redenen daarvoor zijn de hoge prevalentie
van het HPAI-virus in wilde vogels, en het feit dat het virus ook wordt aangetoond
bij klinisch gezonde eenden, kolganzen en meeuwachtigen. Zij verwachten dat de kans
op een besmetting van pluimveebedrijven, wilde vogels en zoogdieren de komende weken
nog niet sterk zal afnemen. De deskundigen geven wel aan dat de mate van onzekerheid
over de beoordeling wat groter is dan in november. De onzekerheid hangt met name samen
met het nog onduidelijke effect van de voorjaarstrek, waardoor de aantallen ganzen
en eenden zullen afnemen. Daarnaast draagt mogelijk ook de stijgende temperatuur bij
aan een daling van het risico omdat het virus dan minder goed overleeft in het milieu.
De deskundigen geven aan dat wellicht over een aantal weken wat meer duidelijkheid
ontstaat over het effect van deze vogeltrekbewegingen op de epidemiologische situatie.
Ik zal, afhankelijk van de situatie, kijken wanneer er behoefte is aan een nieuwe
risicobeoordeling. Het verslag voeg ik bij deze brief.
Aanpassing van beleid voor vogels met een laag risico op vogelgriep
Enkele maanden geleden is een tentoonstellingsverbod opgelegd voor alle vogels. Dit
verbod geldt voor vogels met een hoog risico op vogelgriep, zoals kippen en eenden
(gedefinieerd in artikel 3.2 van de Regeling veterinaire maatregelen specifieke dierziekten
of zoönosen). Het verbod geldt echter ook voor vogels met een laag risico op vogelgriep.
Daarbij gaat het om andere vogelsoorten, zoals duiven en zangvogels (Kamerstuk 28 807, nr. 309). Ik heb de Deskundigen Dierziekten specifiek gevraagd naar de risico’s van tentoonstellingen
met alleen laagrisicovogels voor de verspreiding van het vogelgriepvirus naar locaties
met vogels, waaronder pluimvee. De deskundigen geven aan dat met name voor houders
die zowel laagrisicovogels als hoogrisicovogels houden de kans van introductie van
het virus op een locatie toeneemt, wanneer het verbod op het verzamelen en tentoonstellen
van laagrisicovogels wordt opgeheven.
Particuliere houders van vogels van laagrisicosoorten hebben aangegeven heel graag
tentoonstellingen te willen bezoeken, omdat dit onder andere bijdraagt aan het in
stand houden van rassen. Duivenhouders willen graag dat hun duiven kunnen deelnemen
aan wedvluchten, die vanaf april weer worden gehouden. In andere lidstaten is dit
niet verboden. Houders mogen dus deelnemen aan tentoonstellingen in het buitenland
en ook deelnemen aan wedvluchten in het buitenland. Ik heb, mede op basis van de beoordeling
van de deskundigen wat betreft het risico van deze evenementen, besloten om tentoonstellingen
en verzamelingen van deze laagrisicovogels weer toe te staan. Ik wil daarbij benadrukken
dat houders de plicht hebben om verspreiding van dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.
Ik heb hierover veel contact met de hobbysector en zal hun vragen het belang hiervan
bij hun achterban nogmaals te benadrukken en de voorzorgsmaatregelen te bespreken.
Tentoonstellingen met en verzamelingen van hoogrisicovogels blijven voorlopig verboden.
Ik houd de komende tijd de situatie nauwlettend in de gaten en zal de Deskundigengroep
Dierziekten op binnenkort om een nieuwe risicobeoordeling vragen.
Ik heb op 16 oktober jl., mede op basis van de beoordeling toen van de Deskundigengroep
Dierziekten, een landelijke ophok- en afschermplicht ingesteld om de kans op uitbraken
bij gehouden vogels te verkleinen (Kamerstuk 28.807, nr. 309). Die maatregel laat
ik vooralsnog zoals die is. Ik wil het belang benadrukken dat houders de bioveiligheidsmaatregelen
goed naleven. Verdenkingen van vogelgriep bij gehouden vogels dienen direct bij de
NVWA te worden gemeld, zodat we besmettingen zo snel mogelijk kunnen bestrijden. Gelukkig
gebeurt dit ook en kunnen uitbraken tot nu toe snel worden bestreden. Ik wil mijn
dank en waardering uitspreken aan alle houders die hieraan bijdragen, en vele anderen
die dag en nacht paraat staan ten behoeve van de bestrijding.
Zoals ik aangaf zijn er ook nog steeds besmettingen bij wilde vogels. Iedereen die
in contact komt met wilde vogels dient er rekening mee te houden dat deze besmet kunnen
zijn met vogelgriep. Bij het hanteren van wilde vogels of kadavers is het daarom belangrijk
dat de veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen zoals beschreven in de Leidraad omgang met wilde dieren met vogelgriep.
Inwerkingtreding wetgeving bestrijding IBR
In de brief van 1 juli 2025 (Kamerstuk 28 286, nr. 308) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de algemene maatregel van
bestuur (Amvb) die de bestrijding van de runderziekte infectieuze boviene rhinotracheïtis
(IBR) regelt. Het streven was om deze op 1 juli 2026 in werking te laten treden, maar
dit was afhankelijk van de voortgang van de verplichte stappen in het wetgevingsproces.
De notificatie bij de Europese Commissie (EC) is eind oktober 2025 gedaan en inmiddels
afgerond. Hieruit zijn geen opmerkingen gekomen. De Amvb ligt nu bij de Autoriteit
Persoonsgegevens voor advies. Daarna zal de Raad van State om advies gevraagd worden.
De Amvb dient zeker twee maanden voor inwerkingtreding te worden gepubliceerd. Er
moeten nog stappen worden gezet en, omdat onzeker is hoelang die precies duren, is
samen met de betrokken organisaties vastgesteld dat de ingangsdatum van 1 juli 2026
niet haalbaar is.
De betrokkenen en ik vinden het belangrijk dat er voldoende tijd is voor communicatie
over de nieuwe regels, zodat rundveehouders en andere belanghebbenden voldoende tijd
krijgen om zich voor te kunnen bereiden. Ik ben in voortdurend overleg met de betrokken
sectoren over de voortgang van de Amvb. Ik streef er nu naar dat de Amvb op 1 januari
2027 in werking zal treden.
Tot slot
De besmettingen met vogelgriep bij gehouden en wilde vogels houden velen bezig. Er
zijn nog steeds veel uitbraken. De besmettingen zijn zeer ingrijpend voor getroffen
houders en vele anderen. Voorafgaand aan het Kamerdebat van 28 mei zal ik de Kamer
informeren over de stand van zaken van het intensiveringsplan preventie vogelgriep
en mijn inzet daarbij.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur