Brief regering : Fiche: Aanbeveling aantrekken van talent voor innovatie
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4299 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 maart 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 1 fiche die werd opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Aanbeveling aantrekken van talent voor innovatie.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
Fiche: Aanbeveling aantrekken van talent voor innovatie
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Aanbeveling van de Europese Commissie betreffende het aantrekken van talent voor innovatie
b) Datum ontvangst Commissiedocument
29 januari 2026
c) Nr. Commissiedocument
COM (2026) 462
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/eli/reco/2026/311/oj/
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
Niet van toepassing
f) Behandelingstraject Raad
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Justitie en Veiligheid in nauwe samenwerking met het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
2. Essentie voorstel
De Europese Commissie (hierna: Commissie) heeft op 29 januari 2026 een aanbeveling
gepubliceerd om de Europese Unie (hierna: EU) aantrekkelijker te maken voor internationaal
talent in innovatie-intensieve sectoren. De aanbeveling richt zich op het aantrekken
en behouden van derdelanders met gespecialiseerde vaardigheden (hoger- en beroepsonderwijs)
of een sterk innovatiepotentieel, waaronder onderzoekers, internationale studenten
en afgestudeerden in STEM-sectoren, hooggekwalificeerde werknemers, startupoprichters
en innovatieve ondernemers. Het doel is om structurele arbeids- en vaardighedentekorten
te verlichten en het concurrentievermogen en de strategische autonomie van de EU te
versterken, waarbij internationaal talent een belangrijke randvoorwaarde is voor sterke
Europese innovatie-ecosystemen en strategische industriële sectoren. Prioritaire domeinen
zijn onder andere ICT, schone en hernieuwbare technologieën (inclusief nucleaire energie),
biotechnologie en cybersecurity. De aanbeveling sluit aan bij bestaande EU-initiatieven
zoals het Asiel- en Migratiepact, de EU Talent Pool, Talent Partnerships en innovatieprogramma’s.
De aanbeveling sluit ook aan bij de Asiel- en Migratiestrategie en bouwt voort op
meerdere richtlijnen, waaronder de Studenten- en Onderzoekersrichtlijn, de kennismigrantenrichtlijn
(beter bekend als de Europese blauwe kaart), de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Richtlijn
Langdurig Ingezetenen.
Van aantrekken naar behouden
De Commissie stelt in de aanbeveling dat lange procedures, beperkte consulaire toegang
en versnipperde nationale regelingen – vooral voor startups – de aantrekkelijkheid
en effectiviteit van het aantrekken van talent naar de EU ondermijnen. De Commissie
beveelt derhalve aan om te investeren in eenvoudige, snelle, transparante en gedigitaliseerde
toelatingsprocessen voor verblijven van meer dan 90 dagen in EU-lidstaten en heeft
daar in totaal 38 suggesties voor – die worden hieronder beknopt opgesomd.
Volgens de Commissie dienen lidstaten online indiening van een aanvraag tot verblijf
in de EU toe te staan en fysieke afspraken te beperken tot strikt noodzakelijke gevallen
zoals biometrie. Online systemen moeten gebruiksvriendelijk en «interoperabel» zijn
en gegevensuitwisseling faciliteren. Waar capaciteit beperkt is, wordt pooling van
consulaire middelen en gezamenlijke loketten in derde landen aangemoedigd, eventueel
met EU-delegaties en innovatieagentschappen, en, bij afwezigheid van vertegenwoordiging,
via online indiening of vertegenwoordigingsovereenkomsten. De Commissie stelt ook
dat procedures voor documentatie sneller en efficiënter kunnen door regimes voor erkenning
en goedkeuring te ontwikkelen voor onderzoeksorganisaties, instellingen voor hbo-
en wo-onderwijs en erkende werkgevers. Lidstaten zouden daarbij moeten afzien van
bevestiging van eerder geverifieerde stukken en geen adresvereiste bij aanvraag moeten
stellen. De EU blauwe kaart1 moet toegankelijker worden, door lagere salarisdrempels in te stellen voor tekortberoepen
en voor recent afgestudeerden binnen de marges van de richtlijn, én door relevante
beroepservaring in strategische innovatiesectoren ook buiten ICT als alternatief voor
formele kwalificaties te accepteren. Voor oprichters van start-ups en innovatieve
ondernemers worden versnelde procedures aanbevolen, met prioriteit voor deelnemers
aan nationaal en EU gesteunde innovatieprogramma’s (o.a. Horizon Europe). Beoogd is
een besluittermijn van bij voorkeur 30 dagen voor aanvragen en verlengingen van visa
en verblijfsvergunningen voor studenten, onderzoekers, hooggekwalificeerden en innovatieve
ondernemers, inclusief EU-gefinancierde mobiliteit (Erasmus+, MSCA, ERC) en de tijdige
afgifte van het inreisvisum, indien de verblijfsvergunning pas in het land kan worden
verstrekt. Dubbele documentopvraging dient te worden vermeden en stukken in andere
EU-talen of ten minste het Engels te worden geaccepteerd. Studenten moeten procedures
kunnen starten vóór volledige betaling van collegegelden, mits het bewijs uiterlijk
bij afgifte wordt getoond. De Commissie beveelt aan om arbeidsmarkttoetsen bij voorkeur
niet toe te passen op onderzoekers en hooggekwalificeerden en, indien toch, dan snel,
proportioneel en transparant. Voor behoud van talent helpt het als afgestudeerden
en onderzoekers actief worden geïnformeerd over de mogelijkheid om minimaal negen
maanden te blijven voor baanzoektocht of ondernemerschapsplannen. Begunstigden van
een Europese blauwe kaart zouden nevenactiviteiten moeten kunnen ontplooien die complementair
zijn aan hun hoofdfunctie om ondernemerschap en innovatie te stimuleren. De Commissie
raadt aan lidstaten de betrokkenen breed en actief ondersteunen en noemt daarbij als
voorbeelden «mentorschap», loopbaan- en plaatsingsdiensten, ondernemerschapseducatie,
up- en reskilling, hulp bij het vinden van huisvesting en bij de taal, evenals hulp bij administratieve
formaliteiten. Voor het aantrekken en behoud van talent is het raadzaam om ook partners
en gezinnen van de primair begunstigde actief te ondersteunen: gedacht kan worden
aan hulp bij het vinden van een plek op de arbeidsmarkt in een EU-lidstaat, hulp bij
taal, kinderopvang, schoolinschrijving en erkenning van eerder onderwijs. De toegang
tot de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden verbeterd via
duidelijke informatie, eenvoudige verificatie van voorwaarden en cumulatie van verblijfsperioden
voor houders van de Europese blauwe kaart. De Commissie geeft de overweging mee om
verblijf voor studiedoeleinden daarbij deels mee te tellen. Gezinsleden van onderzoekers
en hooggekwalificeerden moeten gelijktijdig een verblijfsaanvraag kunnen indienen,
met een beoogde verwerkingstermijn van 30 dagen en goede voorlichting over hun rechten.
Daarnaast richt de Commissie zich op het investeren in veiligheidswaarborgen, mede
in het licht van aandacht binnen de EU voor economische veiligheid en bescherming
van strategische technologieën en kennis. Hierbij noemt de Commissie onder andere
controle van «gast»-instellingen en andere werkgevers die talent willen aantrekken
en specifiek ook op aanvragers die zogenoemde «strategische domeinen» (de Commissie
noemt hier als strategische sectoren o.a. defensie, nucleaire energie en inlichtingen)
betreden. Ook stelt de Commissie betere monitoring voor na binnenkomst om misbruik
van opgedane kennis en zogenoemde «technologische lekkage» te voorkomen. Capaciteit
en deskundigheid van consulaire en administratieve diensten kunnen volgens de Commissie
worden versterkt met steun van EU-middelen vanuit het Asiel-, Migratie- en Integratiefonds
(AMIF), terwijl middelen vanuit Horizon Europe kunnen worden gebruikt voor dataverzameling
en onderzoek. Toegankelijke, meertalige, centrale online portalen met interactieve
begeleiding en functionaliteit die aanvragen verwerken moeten informatievoorziening
en voorspelbaarheid vergroten en koppelen aan bestaande EU-tools, met nauwere coördinatie
tussen migratie en arbeidsautoriteiten en host en supportentiteiten via vaste contactpunten. Op EU-niveau richt de Commissie een «Talent for Innovation Attraction Platform» op om migratie, werk, onderwijs en innovatie te verbinden en de uitvoering te monitoren.
Lidstaten zouden de Commissie in 2026 en daarna periodiek moeten informeren over initiatieven
en cijfers zodat zo nodig gerichte wetgevende aanpassingen kunnen worden overwogen.
Waar deze aanbeveling zich richt op verblijven langer dan 90 dagen, stelt de Commissie
aanvullend voor dat lidstaten desgewenst elementen kunnen toepassen op kort verblijf
binnen de kaders van de Visumcode.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het kabinet wil grip krijgen op alle vormen van asiel- en arbeidsmigratie. Daar hoort
ook de vraag bij wat Nederland nodig heeft en aan kan. In het coalitieakkoord «Aan
de Slag»2 heeft het kabinet een duidelijke lijn uitgezet voor het versterken van het verdienvermogen
van Nederland door te investeren in innovatie, digitalisering, technologie en een
aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Zo wil het kabinet van Nederland een
koploper maken in verantwoorde innovatie met sterke ecosystemen van kennis, investeringen
en ondernemerschap. Om dat mogelijk te maken, is het nodig om het juiste talent te
selecteren en te behouden, zoals vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het
grootst zijn en wetenschappelijk toptalent voor baanbrekend onderzoek en innovaties.
Ook wil het kabinet een Talentstrategie ontwikkelen, met scherpe keuzes, om ervoor
te zorgen dat het juiste talent gericht wordt geselecteerd en behouden. Deze interdepartementale
strategie richt zich op het vergroten van het verdienvermogen en de maatschappelijke
opgaven waar Nederland voor staat. Met de Talentstrategie is het kabinet voornemens
om instrumenten op onderwijs, arbeidsmarkt, arbeidsmigratie, productiviteit en fiscaliteit
in samenhang sterker te richten op die opgaven en sectoren die hard nodig zijn voor
de toekomst van Nederland. Aanvullend investeert het kabinet in een AI-rekenkrachtplan,
een «AI-fabriek», Europese autonome datacentra en versnelde procedures voor digitale
infrastructuur. Aantrekken van (digitaal) talent gaat hand in hand met kennisveiligheid:
zo komt er ook een screeningswet kennisveiligheid die mogelijk maakt onderzoekers
binnen de kennissectoren te screenen waar dat nodig is.
Om deze ontwikkeling van de Nederlandse economie mogelijk te maken, ziet het kabinet
ook dat niet alleen actief moet worden geïnvesteerd in scholing en expertise van talent
dat al in Nederland of de EU aanwezig is, maar dat kennis en talent van buiten de
EU ook van grote waarde is voor de Nederlandse economie. Het kabinet vaart hier een
gebalanceerde koers, die is gevoed door meerdere rapporten die raken aan de demografische
en economische ontwikkeling van Nederland, waaronder het SER-advies «Arbeidsmigratie naar Waarde» en het rapport «De Route naar Toekomstige Welvaart», opgesteld onder leiding van Peter Wennink.3 Daarnaast zijn er voorstellen gedaan betreffende de (nationale) kennismigrantenregeling
en het erkend referentschap om deze op een aantal punten aan te scherpen, te blijven
inzetten op adequate handhaving en toezicht alsook op het beter behouden en gerichter
aantrekken van talent. Zo blijft de regeling toegankelijk voor talenten die bijdragen
aan de innovatie, het concurrentievermogen van Nederland en de realisatie van brede
welvaart, zowel nu als in de toekomst.4 Deze voorstellen worden momenteel uitgewerkt, samen met de uitvoering, het bedrijfsleven,
sociale partners en andere belanghebbenden. Het kabinet betrekt hierbij de motie Neijenhuis/Martens-America,
die vraagt om een slimmere aanscherping dan alleen een verhoging van het salariscriterium,
en de motie Martens-America/Neijenhuis, die vraagt om deze verhoging opnieuw te bezien.
Hier zal de Kamer nader over worden geïnformeerd (Kamerstuk 29 861, nr. 172).
Aan de ene kant wil het kabinet meer ruimte creëren om waar nodig gericht talent van
buiten de EU aan te trekken. Dat wil het kabinet op gecontroleerde wijze doen, o.a.
door een pilot te starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het,
onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde
krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel
van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis. De hoofdlijnen voor de
uitwerking van deze plannen worden in het voorjaar van 2026 gepresenteerd.
Aan de andere kant mag volgens het kabinet arbeidsmigratie niet samengaan met uitbuiting
en misstanden zoals die nu voorkomen in Nederland. Het kabinet voert de adviezen van
de Commissie-Roemer en het eerder genoemde SER-advies uit en wil malafide uitleners
weren, de positie van werknemers beschermen en misstanden tegengaan. Daarbij legt
het kabinet een grotere verantwoordelijkheid neer bij werkgevers om te zorgen voor
adequate registratie en huisvesting van arbeidsmigranten. Het kabinet zet tot slot
in op het aanpakken van onrechtmatige detachering van werknemers uit derde landen
en versterking van de Europese arbeidsautoriteit.
a) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet erkent het belang van een aantrekkelijk en concurrerend Europees vestigingsklimaat
voor internationaal talent. De aanbeveling sluit, voor zover deze zich richt op het
aantrekken en behouden van talent dat bijdraagt aan de Europese innovatiekracht en
het duurzame verdienvermogen, in belangrijke mate aan bij het Nederlandse beleid om
studenten, onderzoekers, hooggekwalificeerde werknemers en innovatieve ondernemers
aan te trekken en te behouden ter versterking van de kenniseconomie, innovatiekracht
en het duurzame verdienvermogen.
Vergemakkelijken van toegang tot de Europese Unie en lidstaten en stroomlijnen van
aanvraagprocedures voor talent.
Het kabinet deelt de opvatting dat eenvoudige, snelle en transparante procedures,
ondersteund door verdere digitalisering, bijdragen aan een efficiënter toelatingsstelsel
en een betere dienstverlening aan aanvragers en referenten, waarbij tevens wordt ingezet
op de rol van betrokken organisaties bij de waardering en erkenning van buitenlandse
diploma's en kwalificaties. Tegelijkertijd moeten oneigenlijk gebruik en misbruik
van regelingen voorkomen worden. Het kabinet merkt op dat de in de overkoepelende
Asiel- en Migratiestrategie genoemde voornemens ter voorkoming van uitbuiting en misstanden
onder arbeidsmigranten in deze Commissieaanbeveling niet nader uitgewerkt worden.
Daar zal derhalve het kabinet in Brussel aandacht voor vragen.
Het kabinet onderschrijft het belang van heldere informatievoorziening, betere ketensamenwerking
tussen migratie-, arbeidsmarkt- en onderwijsautoriteiten en het beperken van onnodige
administratieve lasten, bijvoorbeeld door hergebruik van reeds geverifieerde gegevens.
Ook de nadruk op erkennings- en goedkeuringsprocedures voor betrouwbare instellingen
en werkgevers sluit aan bij bestaande Nederlandse praktijken, waarbij deze in veel
gevallen al erkenning als referent kunnen aanvragen. Aanvragen ingediend door erkende
referenten worden sneller behandeld en er hoeven minder bewijsstukken te worden meegestuurd.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet Modern Migratiebeleid in 2013 kent Nederland
een systematiek waarin bedrijven en instellingen voor onderwijs, onderzoek en culturele
uitwisseling door de IND als referent erkend kunnen worden.
Voor een nadere toelichting op deze systematiek verwijst het kabinet naar de Staat
van Migratie5. Het kabinet zal deze bestaande werkwijze blijven ondersteunen en bevorderen dat
door erkende referenten of bevoegde autoriteiten reeds geverifieerde documenten zoveel
mogelijk worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, mits de betrouwbaarheid
voldoende is geborgd.
Maatregelen om toelatingsvoorwaarden te vereenvoudigen.
Ten aanzien van toelatingsvoorwaarden deelt het kabinet de ambitie om administratieve
lasten te beperken en dubbele documentverzoeken te voorkomen. Bij de invoering van
de Wet Modern Migratiebeleid is uitvoerig stilgestaan bij het uitvragen en delen van
gegevens.6 De kaders zijn sindsdien op wettelijk niveau verankerd, de eenmalige gegevensuitvraag
bijvoorbeeld in artikel 24a van de Vreemdelingenwet 2000, en in lagere regelgeving
nader uitgewerkt. Het kabinet blijft erop toezien dat informatie- en administratieplichten
niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de beoordeling van het verblijfsrecht van
de vreemdeling en het toezicht op de referent. Tegelijkertijd acht het kabinet het
van belang dat bestaande uitvoeringspraktijken, zoals de rol van hogeronderwijsinstellingen
bij het indienen van aanvragen voor een verblijfsvergunning en, indien van toepassing,
een machtiging tot voorlopig verblijf voor inkomende studenten, behouden blijven.
Het rechtstreeks bij de student beleggen van deze procedure kan leiden tot hogere
administratieve lasten voor studenten en kan het voor instellingen lastiger maken
om toezicht te houden op een correcte en volledige doorloop van de procedure. Het
kabinet merkt op dat hogeronderwijsinstellingen reeds actief communiceren over de
beperkte beschikbaarheid van studentenhuisvesting. Vanuit dit perspectief is het kabinet
terughoudend voor wat betreft de maatregel om bij de visumaanvraag van studenten geen
(toekomstig) adres meer op te mogen vragen. Het kunnen aantonen van huisvesting kan
juist bijdragen aan een zorgvuldige instroom van internationale.
Maatregelen om ondernemerschap en duurzame werkgelegenheid te bevorderen.
Met betrekking tot de Europese blauwe kaart onderschrijft het kabinet het belang van
een aantrekkelijk instrument voor (innovatief) talent. Bij de implementatie van de
herziene richtlijn is daarom gekozen om, voor zover de richtlijn dat toelaat, aansluiting
te zoeken bij de nationale kennismigrantenregeling. In dat kader is ook gebruik gemaakt
van de mogelijkheid om voor pas afgestudeerden een lager looncriterium in te voeren,
optioneel werkervaring mee te wegen, nevenactiviteiten als zelfstandige toe te staan
(mits aan alle voorwaarden voldaan blijft worden) en om verblijf als kenniswerker
in andere lidstaten onder voorwaarden mee te tellen bij de benodigde termijn voor
het verwerven van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.7
Tegelijkertijd is het kabinet terughoudend ten aanzien van suggesties in de aanbeveling
die mogelijk raken aan de noodzakelijke waarborgen voor openbare orde, nationale veiligheid
en de integriteit van het toelatingsstelsel. Versnelling en vereenvoudiging mogen
niet ten koste gaan van effectieve controles, met name in sectoren met een strategisch
of veiligheidsgevoelig karakter, waar risico’s bestaan op misbruik, fraude of ongewenste
kennis- en technologieoverdracht. Lidstaten moeten voldoende ruimte behouden om op
basis van een risicogerichte benadering aanvullende controles uit te voeren.
Maatregelen om de doorlooptijden van procedures te verkorten.
Het kabinet onderschrijft de ambitie om procedures waar mogelijk binnen 30 dagen af
te ronden, maar plaatst kanttekeningen bij een generieke toepassing van deze termijn.
In de praktijk geldt reeds dat in veel gevallen een streeftermijn van circa twee weken
wordt gehanteerd, bijvoorbeeld bij aanvragen ingediend door een erkend referent. Tegelijkertijd
bedraagt de wettelijke beslistermijn momenteel 90 dagen, en voor aanvragen voor studie
en onderzoek 60 dagen, om voldoende ruimte te bieden voor een zorgvuldige beoordeling.
De haalbaarheid is afhankelijk van beschikbare capaciteit, seizoensgebonden piekbelasting
(zoals voorafgaand aan het academisch jaar), de noodzaak van zorgvuldige veiligheids-
en integriteitscontroles en de complexiteit van individuele dossiers. Het kabinet
acht het daarom niet wenselijk om de wettelijke beslistermijn generiek te verkorten
naar 30 dagen. Een dergelijke termijn kan hoogstens als richtinggevende streefwaarde
worden beschouwd. Daarnaast merkt het kabinet op dat de uitvoerbaarheid mede afhankelijk
is van de beschikbare capaciteit bij de betrokken uitvoeringsorganisaties en het postennet.
In dit verband wijst het kabinet erop dat in het kader van de door het vorige kabinet
ingezette rijksbrede bezuinigingen ook bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken een
besparing van circa 10% wordt doorgevoerd, die gepaard gaat met herprioritering binnen
het postennet. Dit betekent dat een toenemende consulaire werklast met minder capaciteit
zal moeten worden opgevangen. Bij verdere digitalisering en interoperabiliteit acht
het kabinet een zorgvuldige uitwerking noodzakelijk, met nadrukkelijke aandacht voor
gegevensbescherming, digitale veiligheid en duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling.
Ondersteuning en governance door de Europese Commissie.
Het kabinet staat positief tegenover het voorstel, mits het zodanig wordt vormgegeven
dat uitvoeringsorganisaties, zoals de Immigratie- en Naturalisatiedienst, RVO en UWV,
maar ook de posten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, daadwerkelijk gebruik
kunnen maken van de beschikbare financiering. Dit sluit beter aan bij het beoogde
doel om procedures voor lang verblijf en bijbehorende verblijfsvergunningen te ondersteunen
en te versnellen. Tevens past dit binnen de doelstellingen van de IND op het gebied
van dienstverlening en modernisering, zoals vastgelegd in de Ambitie 20288.
Maatregelen om de indiening en beoordeling van aanvragen voor visa voor lang verblijf
en verblijfsvergunningen te vergemakkelijken.
Waar het gaat om het vergemakkelijken van toegang en het stroomlijnen van aanvraagprocedures
zal het kabinet inzetten op verdere digitalisering van de aanvraagketen, met name
bij arbeid al dan niet in loondienst en machtiging tot voorlopig verblijfprocedures.
Daarbij wordt gedacht aan volledige online indiening, betere digitale communicatie
en transparante statusinformatie voor aanvragers en referenten. Heldere en centraal
toegankelijke informatie over vereisten en termijnen is essentieel om onvolledige
aanvragen en vertraging te voorkomen. Daarbij dient er echter rekening mee te worden
gehouden dat bepaalde voorwaarden of stappen in de procedure ook fysieke verschijning
kunnen vereisen. Op grond van de huidige wetgeving is bijvoorbeeld voor visum- en
machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-procedures een (eenmalige) fysieke verschijning
voor het afnemen van biometrische gegevens en identiteitsvaststelling noodzakelijk.
Dit betekent dat de afgifte van een mvv momenteel niet kan worden uitbesteed aan een
derde partij zonder aanwezigheid van een medewerker van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken. Het kan zinvol zijn om te bezien of op termijn modernisering van deze werkwijze
mogelijk is, met behoud van de vereiste waarborgen.
Met betrekking tot versnelde procedures en capaciteitsversterking ziet het kabinet
vooral meerwaarde in investeringen in uitvoeringscapaciteit en het bevorderen van
deskundigheid gericht op betere dienstverlening en versterkte samenwerking tussen
het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Ook
kennisuitwisseling met andere lidstaten kan nuttig zijn, met name ten aanzien van
het signaleren en voorkomen van oneigenlijk gebruik van verblijfsvergunningen. Het
ontwikkelen en delen van indicatoren voor misbruik kan bijdragen aan efficiëntere
besluitvorming en het voorkomen van onnodige vertraging van aanvraagprocedures, met
name bij studiezaken waarbij extra onderzoek tot gevolg kan hebben dat studenten niet
op tijd kunnen starten. Een zorgvuldige werving en selectie door (onderwijs-)instellingen
en werkgevers die erkend referent zijn is eveneens van belang om oneigenlijk gebruik
te voorkomen.
Maatregelen om talent te behouden.
Met betrekking tot retentie van talent ondersteunt het kabinet duidelijke informatie
over verblijfsrechten, mogelijkheden tot arbeidsdeelname en voorwaarden voor langdurig
ingezetenschap. Het kabinet onderschrijft het belang van het zoekjaar voor afgestudeerden
en onderzoekers en zal bezien in hoeverre de bestaande mogelijkheden voldoende aansluiten
bij het doel om talent voor Nederland aan te trekken en te behouden. Een recente doorlichting
van de zoekjaarvergunning biedt daarvoor bruikbare aanbevelingen en aanknopingspunten.9 Daarnaast zet het kabinet in op maatregelen die de kans dat internationaal talent
behouden blijft vergroten, waaronder het stimuleren van het leren van de Nederlandse
taal, bijvoorbeeld via de zorgplicht van hogeronderwijsinstellingen. Ook de Taalunie
speelt met haar inzet op het versterken van Neerlandistiek in het buitenland een belangrijke
rol in het vergroten van de blijfkans van studenten in Nederland. Tevens wordt onderkend
dat cumulatie van verblijfsperioden binnen de EU en een zorgvuldige toepassing van
de regels rond langdurig ingezetenschap kunnen bijdragen aan rechtszekerheid en mobiliteit,
binnen de kaders van de geldende richtlijnen en nationale integratievereisten. Het
kabinet wijst erop dat Nederland reeds gebruik maakt van de mogelijkheid om verblijf
als studiedoeleinden voor de helft mee te tellen bij de benodigde termijn voor het
verweven van de status van EU-langdurig ingezetene.
Internationale studenten worden daarnaast onder meer via het Netherlands Point of
Entry, onderdeel van RVO, geïnformeerd over mogelijkheden om na hun studie in Nederland
te werken. Verdere maatregelen gericht op het versterken van talentretentie zullen
worden uitgewerkt in de bredere talentstrategie van het kabinet.
Maatregelen om intra-EU-mobiliteit te bevorderen.
Ten aanzien van intra-EU-mobiliteit onderschrijft het kabinet het doel van vereenvoudiging
en proportionele notificatieprocedures, mits adequate informatie-uitwisseling, toezicht
en handhaving gewaarborgd blijven. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan voldoende
regie te behouden over de instroom van internationale studenten en onderzoekers. Vanuit
dat perspectief staat het kabinet terughoudend tegenover voorstellen die mobiliteit
mogelijk maken zonder dat studenten, onderzoekers of betrokken instellingen de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaten informeren. Een dergelijke notificatie kan
van belang zijn voor het behouden van inzicht in mobiliteitsstromen en voor een zorgvuldige
uitvoering en handhaving. Het kabinet staat daarentegen positief tegenover het voorstel
om houders van een Europese blauwe kaart tijdens kortdurende intra-EU-mobiliteit aanvullende
activiteiten te laten verrichten, zoals deelname aan innovatieprojecten, kennisdeling,
ondernemerschapsactiviteiten of tijdelijke onderwijs- en onderzoeksopdrachten. Dit
kan bijdragen aan kennisuitwisseling en samenwerking binnen de Europese onderzoeks-
en innovatiegemeenschap. De mogelijkheid voor wetenschappers om tijdens intra-EU-mobiliteit
activiteiten op het gebied van innovatie, onderwijs en kennisoverdracht te ontplooien
sluit bovendien aan bij het landelijke programma Erkennen & Waarderen, dat toewerkt
naar een academische cultuur waarin verschillende taken binnen de wetenschap en uiteenlopende
talenten van wetenschappers meer worden gewaardeerd. Documenten in gangbare Unietalen,
waaronder het Engels, kunnen waar passend worden geaccepteerd, met behoud van rechtszekerheid.
Versterken van capaciteit en toegang tot informatie en bevorderen van coördinatiemechanismen.
Het kabinet acht een gerichte versterking van administratieve capaciteit, informatievoorziening
en coördinatie essentieel. Bevoegde autoriteiten, waaronder de Immigratie- en Naturalisatiedienst
en diplomatieke posten, dienen te beschikken over voldoende en goed opgeleid personeel,
adequate middelen en moderne digitale systemen om aanvragen tijdig en zorgvuldig te
behandelen, ook bij piekbelasting. Training van medewerkers en kennisuitwisseling
met andere lidstaten kunnen bijdragen aan een uniforme en efficiënte uitvoering.
Maatregelen om de toegang tot informatie te verbeteren.
Heldere, centraal toegankelijke en actuele informatie voor aanvragers en referenten
is essentieel om onvolledige aanvragen en vertraging te voorkomen. Het kabinet ondersteunt
het gebruik van bestaande nationale en Europese informatiekanalen en zal bezien hoe
aansluiting op EU-brede instrumenten en initiatieven kan bijdragen aan betere informatievoorziening
en synergie. In Nederland bestaan reeds diverse voorzieningen binnen de hbo- en wo-sector
die hieraan bijdragen. Zo biedt de IND online informatie over de geldende voorwaarden
voor verblijf, de aanvraagprocedure en de rechten en plichten van de vreemdeling en
de erkende referent. Daarnaast is het voor de meeste erkende referenten mogelijk om
een aanvraag in te dienen en te volgen via een online portaal, zijn er vaste relatiemanagers
beschikbaar om vragen te beantwoorden en worden er regelmatig voorlichtings- en themabijeenkomsten
georganiseerd voor erkende referenten en hun gemachtigden. Ook zijn er verschillende
expatcentra die kennismigranten helpen bij hun komst naar en verblijf in Nederland.
Ook beschikken hogeronderwijsinstellingen doorgaans over «international offices» die
internationale studenten ondersteunen bij toelating, visa, huisvesting en mobiliteit,
en over servicepunten voor internationale medewerkers die onderzoekers en hun families
begeleiden bij praktische zaken zoals visa, belastingen, sociale zekerheid of carrières
voor partners.
Maatregelen om de coördinatie te versterken.
Tot slot onderschrijft het kabinet het belang van effectieve samenwerking tussen migratieautoriteiten,
arbeidsmarktinstanties, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, innovatie-actoren en
diplomatieke posten, evenals kennisuitwisseling tussen lidstaten. Deelname aan Europese
overlegstructuren gericht op talent voor innovatie kan bijdragen aan wederzijds leren,
monitoring en verdere verbetering van procedures, alsook andere kabinetsprioriteiten,
zoals het tegengaan van misstanden en van misbruik en oneigenlijk gebruik van verblijfsregelingen.
Het kabinet wil zich hier actief voor inzetten.
b) Eerste inschatting van krachtenveld
De noodzaak tot het aantrekken van talent van buiten de EU wordt door een brede groep
EU-lidstaten ondersteund. Dat blijkt onder meer uit een grote meerderheid van lidstaten
die de afgelopen jaren zich positief heeft uitgelaten over en/of ingestemd heeft met
voorstellen vanuit de Commissie die het aantrekken van talent van buiten de EU moeten
bevorderen, zoals de EU Talent Pool. In hoeverre lidstaten ook de specifieke voorstellen voor het versnellen en versimpelen
van procedures ondersteunen – en welke – zal blijken uit eventuele uitwerking van
de voorstellen uit de aanbeveling. De positie van het Europees Parlement is niet bekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de aanbeveling is positief. De aanbeveling
is gebaseerd op artikel 292 VWEU, dat de Commissie de bevoegdheid geeft om aanbevelingen
vast te stellen op de gebieden waarvoor de Unie bevoegd is. De aanbeveling heeft betrekking
op het terrein van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, evenals de interne
markt, en specifieker op het terrein van legale migratie, toelatingsprocedures voor
derdelanders voor studie, onderzoek en hooggekwalificeerde arbeid, alsmede op aspecten
van de interne markt en intra-EU mobiliteit. Op het terrein van de ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht en de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen
de Unie en de lidstaten (artikel 4, tweede lid, onder a en j, VWEU).
Deze aanbeveling doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om het aantal
onderdanen van derde landen dat voor arbeidsdoeleinden wordt toegelaten, vast te stellen
overeenkomstig artikel 79, lid 5 VWEU.
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. De
aanbeveling heeft tot doel het aantrekken en behouden van internationaal talent binnen
de Unie en het verbeteren van procedures hiervoor die mede zijn gebaseerd op bestaande
EU-richtlijnen. Gezien de grensoverschrijdende aard hiervan en dat verschillen tussen
lidstaten leiden tot fragmentatie en verminderde aantrekkelijkheid van de Unie als
geheel, kan dit onvoldoende door lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau
worden verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak nodig. Door op EU-niveau samenwerking,
uitwisseling van goede praktijken en verdere afstemming te bevorderen, kan beter worden
bijgedragen aan een gelijker speelveld en een meer samenhangende benadering. Europees
optreden heeft daarmee toegevoegde waarde, met behoud van nationale beoordelingsruimte
bij toelating en uitvoering.
Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief.
De aanbeveling heeft tot doel het aantrekken en behouden van internationaal talent
binnen de Unie en het verbeteren van procedures hiervoor die mede zijn gebaseerd op
bestaande EU-richtlijnen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling
te bereiken, nu de voorgestelde maatregelen, zoals digitalisering van aanvraagprocedures,
het beperken van dubbele documentverzoeken en het versterken van administratieve capaciteit,
wezenlijk bijdragen aan het doel om een aantrekkelijker en efficiënter toelatingsstelsel
te bereiken.
Het optreden gaat daarbij bovendien niet verder dan noodzakelijk, nu lidstaten ruimte
behouden om maatregelen in te passen binnen hun nationale stelsel en om noodzakelijke
waarborgen voor openbare orde, nationale veiligheid en integriteit van het toelatingssysteem
te handhaven. Ook blijft ruimte bestaan voor een risicogerichte benadering en voor
gemotiveerde afwijking van indicatieve termijnen waar dat noodzakelijk is.
d) Financiële gevolgen
De aanbeveling heeft geen directe gevolgen voor de Nederlandse begroting, aangezien
het een niet-bindend instrument betreft. De uitvoering van onderdelen van de aanbeveling,
zoals verdere digitalisering, capaciteitsversterking en opleiding van personeel, kan
op termijn financiële consequenties hebben voor betrokken uitvoeringsorganisaties.
Deze financiële consequenties worden in dat geval ingepast op de begroting van het/de
beleidsverantwoordelijk(e) departement(en), conform de regels van de budgetdiscipline.
De aanbeveling verwijst naar mogelijke inzet van bestaande EU-instrumenten, waaronder
het Asylum, Migration and Integration Fund (AMIF), het Technical Support Instrument (TSI), ter ondersteuning van capaciteitsopbouw en Horizon Europe ter ondersteuning
van kennisontwikkeling. Het kabinet acht het daarbij van belang dat deze instrumenten
worden ingezet conform hun oorspronkelijke doelstellingen en binnen de bestaande regelgeving,
en dat middelen niet voor andere doeleinden worden aangewend. Indien er gevolgen zijn
voor de EU-begroting, is Nederland van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden
dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting
2021–2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De aanbeveling heeft naar verwachting geen directe toename van regeldruk tot gevolg
en kan op termijn zelfs bijdragen aan een vermindering van administratieve lasten
voor burgers, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en werkgevers. Maatregelen zoals
digitalisering, hergebruik van reeds geverifieerde documenten en heldere informatievoorziening
kunnen leiden tot efficiëntere procedures en minder administratieve handelingen. De
implementatie van bepaalde maatregelen kan in eerste instantie extra inspanningen
vergen, bijvoorbeeld op het gebied van ICT-aanpassingen en training van personeel,
maar deze kunnen op termijn bijdragen aan efficiëntere uitvoering. Ten aanzien van
de concurrentiekracht beschouwt het kabinet de mogelijke effecten als positief. Het
verbeteren en versnellen van toelatingsprocedures en het vergroten van de voorspelbaarheid
en transparantie van het systeem kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de
EU als vestigingsplaats voor internationaal talent. Dit kan het innovatievermogen
en de strategische sectoren binnen de Unie versterken en daarmee bijdragen aan het
concurrentievermogen van de EU in mondiale concurrentie om talent.
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken