Brief regering : Reactie op de brief van de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) over het wetsvoorstel inzake Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie (Kamerstuk 36677)
36 677 Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie
Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 maart 2026
Op 11 februari heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport de
toenmalig Minister van VWS verzocht te reageren op een brief van de Nederlandse Patiënten
Vereniging (NPV). De brief van de NPV bevat een reactie op het wijzigingsvoorstel
van de Embryowet van de regering. Allereerst wil ik de NPV bedanken voor de brief
en de betrokkenheid bij het maatschappelijk debat over de Embryowet. In onderstaande
reactie ga ik in op de reflecties van de NPV over verschillende onderdelen van de
Embryowet en het wijzigingsvoorstel van de regering. Als bijlage bij deze brief voeg
ik de publiekssamenvatting over de wetswijziging bij. Hierin staan de aanleiding van
het wijzigingsvoorstel en de belangrijkste aanpassingen samengevat.
Nieuwe ontwikkelingen
De NPV schrijft in haar brief over verschillende nieuwe technieken om zogenaamde «embryomodellen»
te maken. Dit zijn structuren van cellen die sterk lijken op embryo’s, maar die op
een andere manier tot stand komen. De aanleiding van het wijzigingsvoorstel van de
regering ligt bij deze nieuwe wetenschappelijke mogelijkheden. Op grond van de huidige
wet is het namelijk niet duidelijk in hoeverre voor onderzoek met embryomodellen dezelfde
regels gelden als voor onderzoek met «klassieke» embryo’s.
De NPV legt in haar brief de belangrijkste nieuwe technieken kort uit. Zo beschrijft
de NPV de mogelijkheid om stamcellen om te vormen tot ei- en zaadcellen (in vitro
gametogenese, IVG) waarmee – in theorie – een embryo tot stand kan worden gebracht.
Ook beschrijft de NPV de techniek waarbij stamcellen bijeen worden gebracht en samen
een embryo-like structure (ELS) vormen.
Het wijzigingsvoorstel van het kabinet beoogt om duidelijkheid te bieden over de regulering
van dergelijk onderzoek. De juridische definitie van «embryo» wordt in het wetsvoorstel
aangepast, zodat embryomodellen onder de Embryowet worden gereguleerd wanneer ze een
«klassiek» embryo volledig nabootsen. Een «intacte» ELS valt daarmee onder de Embryowet,
een ELS die een embryo slechts gedeeltelijk nabootst («niet-intact») niet.
De huidige en voorgestelde definitie van embryo
In het eerste deel van de brief stelt de NPV dat de huidige definitie in de Embryowet
onjuist is. De huidige Embryowet definieert een embryo als «een cel of samenhangend
geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens». De NPV schrijft dat
dit niet klopt omdat een embryo al een mens (in ontwikkeling) is. Later in de brief
benoemt de NPV ook dat bepaalde embryomodellen met de definitiewijziging in het wetsvoorstel
worden gelijkgesteld aan een embryo, en dus aan beginnend menselijk leven.
Het kabinet erkent dat er vanuit verschillende levensbeschouwelijke perspectieven
verschillende antwoorden zijn op de vragen wanneer menselijk leven begint en in hoeverre
entiteiten die (sterk) lijken op embryo’s gelijkwaardig zijn aan «klassieke» embryo’s.
In de Embryowet staat aangegeven wanneer er volgens de wet sprake is van een embryo. De juridische definitie heeft primair als doel om het toepassingsbereik
van de wet te bepalen en duidelijkheid te bieden over welke regelgevende kaders op
welke entiteiten van toepassing zijn. De definities in de huidige Embryowet en in
het wetsvoorstel van de regering zijn niet bedoeld om levensbeschouwelijk te duiden
wat beginnend menselijk leven is. De Embryowet creëert dit juridische kader weliswaar
mede op basis van een morele belangenafweging, maar definieert daarmee nog geen morele
gelijkwaardigheid.
Randvoorwaarden voor ELS
De NVP stelt dat het wetsvoorstel van de regering geen bescherming zou bieden aan
ELS die onder de nieuwe definitie van embryo vallen, omdat het kweekverbod1 daarop niet van toepassing is verklaard. Het kweekverbod is echter niet de enige
waarborg voor een zorgvuldige omgang met embryo’s. Het wetsvoorstel biedt verschillende
waarborgen die ook voor betreffende ELS zullen gelden, waaronder de ontwikkelingsgrens
en de medisch-ethische toetsing.
Daarnaast wijst de NPV op de mogelijke gevolgen van het initiatiefwetsvoorstel van
de leden Paternotte en Bevers,2 dat recent is aangenomen door de Tweede Kamer. Dit initiatiefwetsvoorstel dient ertoe
om het kweekverbod op te heffen. De NPV wijst erop dat, als dit initiatiefwetsvoorstel
ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen, embryo’s tot stand mogen worden gebracht
voor transplantatiedoeleinden. Voor dit doel zouden dus, in theorie, ook intacte ELS
tot stand mogen worden gebracht. De NPV noemt in dit verband het mogelijke streven
van onderzoekers om vanuit deze ELS complexe organen te kweken. Dit is echter om verschillende
redenen geen reële mogelijkheid. In de eerste plaats omdat voor deze ELS een ontwikkelgrens
van veertien dagen geldt, en er een veel verdere mate van ontwikkeling nodig zou zijn
voor het «oogsten» van weefsels of organen. Ook voor het «oogsten» van lichaamseigen
stamcellen voor transplantatiedoeleinden is het tot stand brengen van ELS geen logische
route. Immers, juist voor het tot stand brengen van deze ELS zijn diezelfde pluripotente
stamcellen nodig.
Klonen
De NPV benoemt dat een ELS kan worden gezien als een kloon van het individu wiens
lichaamscellen zijn gebruikt. Het valt de NPV op dat de regering het woord «kloon»
desondanks niet gebruikt bij het omschrijven van ELS. Het kabinet gebruikt het woord
«kloon» inderdaad vooral wanneer het gaat om reproductieve doeleinden (het tot stand
brengen van een zwangerschap). Dit is immers waar het «kloneringsverbod»3 in de Embryowet zich op richt: het verbieden van handelingen met geslachtscellen
of embryo's met het oogmerk van de geboorte van genetisch identieke menselijke individuen.
Het toepassen van kloneringstechnieken voor onderzoeksdoeleinden (bijvoorbeeld het
tot stand brengen van bepaalde ELS) is geen «klonen» in de context van dit «kloneringsverbod».
Als het ooit mogelijk wordt om een zwangerschap tot stand te brengen met een intacte
ELS, zou sprake zijn van reproductief klonen, wat verboden is. Dat staat ook expliciet
uitgelegd in de memorie van toelichting bij het wijzigingsvoorstel.4
Onderscheid tussen «intacte» en «niet-intacte» embryomodellen
De NPV schrijft dat de categorieën «intact» en «niet-intact», waarop het wetsvoorstel
zich baseert, inmiddels zijn komen te vervallen. De NPV verwijst hierbij naar de richtlijn
van de International Society for Stem Cell Research (ISSCR).5 De ISSCR adviseert inderdaad om dit onderscheid los te laten. De reden die de ISSCR
hiervoor heeft is dat – met de huidige stand van de wetenschap – het aannemelijk is
dat er embryomodellen kunnen worden gemaakt die een vergelijkbaar ontwikkelpotentieel
hebben als een «klassiek» embryo, maar waarin sommige celtypen ontbreken.6 Deze zouden, volgens de voormalige ISSCR-richtlijnen, als «niet-intact» worden gekwalificeerd
terwijl ze dezelfde ontwikkelpotentie kunnen hebben als een «klassiek» embryo.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de ISSCR het principe hanteerde dat een «intact»
embryomodel alle benodigde celtypen bevat. Hoewel in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel de termen «intact»
en «niet-intact» wel worden gebruikt, houdt het voorgestelde juridische onderscheid
in de Embryowet wel rekening met het door de ISSCR gesignaleerde probleem. Een «intact»
embryomodel wordt in het wetsvoorstel namelijk niet gedefinieerd als een model met
alle celtypen, maar als een model waarin alle essentiële functies
voor doorgaande ontwikkeling ontstaan. In lijn met de rationale van het recente advies van de ISSCR, heeft de
regering die essentiële functies bewust niet gedefinieerd. Zo wordt rekening gehouden
met de wetenschappelijke ontwikkelingen waar ook de ISSCR naar verwijst. Het is denkbaar
dat bepaalde functies door technische ontwikkelingen niet meer als essentieel worden
gezien. Bijvoorbeeld: wanneer placentavoorlopercellen kunnen worden vervangen door
een artificiële placenta, vervullen deze cellen geen essentiële functie meer. Dan
zou een embryomodel zonder placentavoorloper cellen dus alsnog «intact» zijn op grond
van de Embryowet, en onder de Embryowet worden gereguleerd.
De ISSCR schrijft in algemene zin dat voor alle embryomodellen wetenschappelijke en
ethische procedures nodig zijn die passen bij de complexiteit van het model. Ook dat
is in lijn met de voorgestelde wettelijke kaders. Embryomodellen die niet onder de
Embryowet vallen, worden gereguleerd onder het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal
(Wzl).7 Dat betekent onder andere dat medisch-ethische toetsing verplicht is. Daarnaast biedt
de Wzl ook de mogelijkheid van fijnmaziger regulering, zoals het aanwijzen van sensitieve
toepassingen en de mogelijkheid om bepaalde gebruiksdoelen voor lichaamsmateriaal
– als dat bijvoorbeeld op basis van ethische of maatschappelijke gronden gewenst blijkt –
te verbieden.
Tot slot
De NPV roept in haar conclusies op om de definitie van menselijk leven niet verder
te vertroebelen. Ook schrijft de NPV dat het wetsvoorstel leidt tot legalisatie van
uiterst onwenselijke (kloon)experimenten. Zoals eerder in deze brief is toegelicht
beoogt de Embryowet een duidelijk juridisch kader te bieden, niet om morele gelijkwaardigheid
te definiëren. Het wijzigingsvoorstel bevat geen nieuwe verruiming van de Embryowet.
Ook is er geen sprake van «legalisering» doordat bepaalde entiteiten onder de definitie
worden gebracht. Onderzoek met entiteiten die momenteel niet onder de definitie van
embryo vallen, zijn immers op dit moment niet verboden. Kortom: de wetswijziging introduceert
juist regulering waar die nu ontbreekt of onduidelijk is. Volgens het kabinet bevat
het voorliggende wijzigingsvoorstel een evenwichtige balans tussen de bescherming
van beginnend menselijk leven enerzijds en vooruitgang van de wetenschap anderzijds.
Het kabinet hoopt de NPV en de Kamer via deze brief voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport