Brief regering : Beleidsreactie "Een kwestie van lange adem"
27 923 Werken in het onderwijs
Nr. 523
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 maart 2026
Met grote interesse hebben we kennisgenomen van de historische analyse die in opdracht
van de Tweede Kamer is uitgevoerd naar dertig jaar beleid gericht op het lerarentekort.
De commissie heeft verzocht om een reactie voor het commissiedebat Leraren op 25 maart
2026. Gezien de omvang en reikwijdte van het voorliggende onderzoek is het nu te vroeg
om te komen met een complete reactie, waarin ook de samenhang met het onderwijsbeleid
wordt geschetst. In deze brief wordt daarom een beknopte eerste reactie gegeven.
In de komende maanden gaan we in gesprek met leraren, lerarenopleidingen, schoolleiders,
besturen, onderwijsregio’s, scholieren en ouders en het georganiseerde onderwijsveld1 om over deze analyse en de aanbevelingen in te spreken. De uitkomsten en inzichten
daaruit neem ik mee in de strategie voor het lerarenbeleid, waarover u in de zomer
nader wordt geïnformeerd.
Hoofdlijnen onderzoek «Een kwestie van lange adem»
Uit het rapport blijkt dat historisch gezien op de onderwijsarbeidsmarkt door de jaren
heen tekorten, overschotten en balans elkaar afwisselen. Deze ontwikkelingen bewegen
mee met externe factoren zoals de algemene conjunctuur en bezuinigingen op het onderwijs.
Ook is er sinds eind jaren tachtig een omslag geweest van de sturingsfilosofie van
centrale naar decentrale aansturing. Scholen hebben daarmee meer autonomie gekregen
en de sociale partners meer ruimte om te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.
Voor 2007 lag de focus van het beleid met name op het verhogen van de instroom. Sindsdien
is het beleid verbreed en geïntensiveerd. Daarmee is ook de beleidscomplexiteit toegenomen.
In combinatie met externe factoren zoals conjunctuur heeft dit geleid tot het balanceren
tussen streven naar de kwantiteit van onderwijspersoneel enerzijds en de kwaliteit
van leraren(opleidingen) anderzijds. Ondanks deze inzet zijn de beoogde resultaten
volgens de onderzoekers niet altijd behaald. Dit heeft volgens het rapport onder andere
te maken met de focus op instroom binnen het beleid, bezuinigingen op arbeidsvoorwaarden
en problemen met betrekking tot de sturing.
Om het tij te keren wordt in het rapport een aantal suggesties gegeven voor beleid.
1. Koersvastheid in het onderwijsarbeidsmarktbeleid
Het rapport adviseert om geen stelselwijzigingen door te voeren maar toe te werken
naar coherente en consistente doelstellingen om synergie op lange termijn te bereiken.
Hiervoor is het nodig een samenhangende beleidstheorie te ontwikkelen en dat te vertalen
naar een actieplan.
2. Integrale aansturing
Er moet één visie komen gericht op de versterking van de onderwijskwaliteit. Daarbij
is het nodig te verduidelijken op welke terreinen centrale regie nodig is en waar
meer autonomie geldt.
3. Autonomie in de uitvoering
Binnen de centrale regie moet er voldoende bestuurlijke en professionele autonomie
geboden worden. Daarvoor adviseert het rapport om een omgevingsanalyse uit te voeren
naar analogie van de Milieueffectrapportage. Ook kan gedacht worden aan het versterken
van de beroepsgroep door bijvoorbeeld lidmaatschap vast te leggen via de cao of een
bevoegdhedenregister. Daarnaast kan de lerarenopleiding versterkt worden in afstemming
met schoolbesturen en wordt geadviseerd meer ruimte te bieden voor anders organiseren.
Verwachte schaarste in relatie tot kwaliteit
Arbeidsmarktramingen tonen dat, bij gelijke omstandigheden en ongewijzigd beleid,
de tekorten aan onderwijspersoneel de komende jaren na een periode van (lichte) daling
stijgen naar de hoogste tekorten tot nu toe.2 Dat is vooral vanwege demografische ontwikkelingen: de beroepsbevolking wordt kleiner
terwijl het aantal leerlingen niet afneemt. Daarmee lijkt er een trendbreuk te zijn
ten opzichte van de in het rapport beschreven conjuncturele wisseling van krapte en
overschot die zich de afgelopen decennia heeft afgespeeld (tabel 3.1). De staatscommissie
demografische ontwikkelingen 2050 bevestigt dat.3
Het tekort aan voldoende goed opgeleid onderwijspersoneel heeft een negatief effect
op de kwaliteit van het onderwijs voor alle leerlingen. Daarom is personeelsbeleid
van groot belang en urgent. Het vraagt een aanpak op basis van een gedegen, integrale
beleidstheorie, waarbij we samen met betrokken organisaties de succesvolle maatregelen
uitbouwen en het onderwijs toekomstbestendig maken door voor te bereiden op structureel
minder leraren. Een uitdaging die vraagt om keuzes teneinde de kwaliteit van het onderwijs
te borgen in heel Nederland. De kwaliteit in de klas moet voor alle leerlingen op
niveau zijn met een kleiner verschil tussen de beste en slechtste scholen, ook in
tijden van aanhoudende schaarste. Met die inzet uit het coalitieakkoord en de aanbevelingen
uit dit rapport gaan we daar samen met alle betrokkenen in en om de school mee aan
de slag.
Betrokkenen voor goed onderwijs
Ons doel is helder: goed onderwijs voor alle leerlingen, om hen op te leiden richting
een passende vervolgkeuze en vrije, verantwoordelijke en zelfstandige volwassenen.
Daarvoor zijn sterke onderwijsteams nodig, die werken vanuit een stevige pedagogisch-didactische
basis. Elk team heeft daarbij een collectieve verantwoordelijkheid. Leraren en schoolleiders
werken doorlopend en gericht aan hun professionalisering om zo steeds effectiever
les te geven en om goed om te gaan met nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. Dat
vraagt om stevig onderwijskundig leiderschap van de schoolleider en een gedragen onderwijsvisie,
passend is bij de context van de school en de behoeften van de leerlingenpopulatie.
Het schoolbestuur ondersteunt de schoolleiding en onderwijsteams door uitdagingen
die niet binnen één school opgelost kunnen worden op te pakken en de school passende
ondersteuning te bieden, ook op het gebied van kwaliteitsbewaking. Vanuit de onderwijsregio
wordt samengewerkt om de regionale uitdagingen op de onderwijsarbeidsmarkt het hoofd
te bieden, waaronder het aanpakken van en duurzaam omgaan met leraar- en schoolleiderstekorten.
Besturen werken daarbij vanuit hun publieke plicht en gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid
aan goed onderwijs voor elk kind in de regio. Goed onderwijs is een collectieve opgave
die iets vraagt van alle actoren in en om de school.
Dilemma’s
Het realiseren van de gezamenlijke ambitie op onderwijskwaliteit in tijden van aanhoudende
tekorten betekent ook het zorgvuldig afwegen van verschillende dilemma’s. Deze oplossen
vraagt een overheid die de juiste randvoorwaarden schept, lef toont in het maken van
keuzes en (meer) regie pakt. Ook vraagt het om sociale partners die evenwichtige arbeidsomstandigheden
en -voorwaarden creëren met voldoende draagvlak. Doel blijft immers dat kinderen en
jongeren onderwijs krijgen van de beste lerarenteams en dat de onderwijskwaliteit
verbetert.
Een sterke beroepsgroep
Een breed gedeelde wens is een sterke vertegenwoordiging van de leraar door middel
van een onafhankelijke beroepsgroep. De afgelopen jaren heeft de overheid afwisselend
een meer of minder sturende rol gespeeld in de ontwikkeling van de beroepsgroep.
In dit rapport wordt enerzijds de rol van de vertegenwoordiging van de leraar in beleid
neergezet als belangrijke taak voor een beroepsgroep. Anderzijds worden kansen gezien
met betrekking tot een structurele betrokkenheid van de beroepsgroep bij het bewaken
van de kwaliteit en professionele ontwikkeling van het beroep leraar. Dit zijn verschillende
rollen waar spanning tussen kan ontstaan. De vraag is of deze taken binnen één organisatie
goed samengaan. En wie en hoe zo’n organisatie dan zou moeten oprichten en leiden.
Kwaliteit van onderwijs in tijden van schaarste
De aanhoudende schaarste dwingt tot pijnlijke en ingewikkelde keuzes en vraagt ook
iets anders van de organisatie van het onderwijs. Veel scholen werken al aan een andere
inrichting van het onderwijs, soms vanuit tekorten maar vaak ook vanuit visie. Het
huidige wettelijke kader biedt daarbij niet langer voor alle scholen de benodigde
ruimte voor het geven van goed onderwijs. De vraag is hoe we hier samen met het onderwijsveld
zorgvuldig stappen kunnen zetten, met kwaliteit van onderwijs als uitgangspunt.
Sturen op de lerarenopleidingen
Vanuit hun bekostigde wettelijke taak richten de lerarenopleidingen zich primair op
het opleiden van startbekwame leraren in nauwe afstemming met het werkveld. Lerarenopleidingen
voldoen aan de gestelde eisen. Tegelijkertijd bestaan er in de praktijk verschillen
tussen opleidingen in de specifieke kennis en vaardigheden die studenten krijgen aangeboden.
Wettelijke kaders zijn nu ruim geformuleerd en de verantwoordelijkheid voor de verdere
uitwerking en uitvoering van de curricula ligt bij de opleidingen zelf. Hierdoor is
het niet altijd makkelijk zichtbaar hoe elke startende leraar voldoet aan de behoeftes
in het onderwijsveld De vraag is hoe in het belang van de onderwijskwaliteit gestuurd
kan worden, terwijl de autonomie en expertise van lerarenopleidingen voldoende ruimte
houden.
Bovenstaande dilemma’s zijn slechts drie voorbeelden. De afweging en uitwerking van
een gedegen aanpak vraagt om een zorgvuldige, gedegen en gedragen afweging van de
verschillende scenario’s en steun en samenwerking van de Kamer en de partners in het
onderwijs. Daartoe gaan wij graag met u het gesprek aan.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap