Brief regering : Beleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad 'Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie'
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 782
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 maart 2026
Met bijgaande brief stuur ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS), de beleidsreactie op het advies van de Gezondheidsraad (GR) over «Risicoreductie
en vroegdiagnostiek van dementie». Het advies heeft u eerder ontvangen.1 Bij de aanbieding van het advies was u toegezegd dat in het begin van 2026 een inhoudelijke
reactie zou volgen.
In deze brief zet ik de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen van dit GR-advies
uiteen en geef ik vervolgens mijn reactie. Daarbij is de indeling van het advies gevolgd
aan de hand van de twee centrale thema’s uit het advies: risicoreductie en vroegdiagnostiek.
Aanleiding GR-adviesaanvraag
In Nederland krijgt 1 op de 5 mensen dementie. Bij vrouwen is dat zelfs 1 op de 3.
Op dit moment zijn er in Nederland ongeveer 310.000 mensen met dementie. Hiervan zijn
naar schatting 15.000 jonger dan 65 jaar. Onder mensen met een migratieachtergrond
neemt het aantal mensen met dementie snel toe. De huidige prognose is dat het aantal
mensen met dementie stijgt tot ruim 500.000 in 2040 en 610.000 in 2050.2 De ziektelast van dementie zal tussen 2022 en 2050 met 150 procent toenemen.3 De zorgkosten voor dementie zullen navenant stijgen: van € 12 mld. in 2025 naar € 15,6
mld. in 2040.4 Dementie ontwikkelt zich daarmee tot de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland en
tot de duurste aandoening.
De ziekte is in alle gevallen bijzonder ingrijpend voor de mensen met dementie en
hun naasten. Er is op dit moment nog geen genezing voor dementie. Naarmate de symptomen
van dementie toenemen, hebben mensen met dementie steeds meer ondersteuning en zorg
nodig.
Omdat dementie een groot gezondheidsprobleem is en er nog geen effectieve behandeling
bestaat, is het belangrijk om te investeren in preventie, het zo lang mogelijk uitstellen
van de ziekte en het vroeg herkennen ervan, zodat mensen snel de juiste ondersteuning
kunnen krijgen. Daarom heeft de GR op verzoek van het Ministerie van VWS in november
2025 een advies uitgebracht over risicoreductie en vroegdiagnostiek van dementie.
Samenvatting advies
De GR ziet vooralsnog geen meerwaarde in een brede inzet van vroegdiagnostiek voor
het verlagen van de ziektelast door dementie en acht de inzet van vroegdiagnostiek
nu niet gerechtvaardigd. De beschikbare methoden voor vroegdiagnostiek, met name biomarker-testen,
zijn onvoldoende betrouwbaar om buiten de specialistische ziekenhuiszorg breed toe
te passen. Daarnaast ontbreekt een effectieve therapeutische behandeling om bij een
vroege diagnose het ziekteproces te stoppen of te vertragen.
De GR adviseert daarom primair in te zetten op preventieve maatregelen die het risico
op het ontwikkelen van dementie kunnen verkleinen en pleit ervoor om de bestaande
maatregelen ter preventie van andere chronische aandoeningen met dezelfde risicofactoren
– zoals hart- en vaatziekten – te versterken en te verbreden. Hierbij vraagt de GR
specifieke aandacht voor het voorkomen en behandelen van hoge bloeddruk.
De GR adviseert preventieve maatregelen zowel te richten op hoogrisicogroepen als
op de gehele bevolking. Daarnaast adviseert de GR om preventieve maatregelen af te
stemmen op de specifieke doelgroepen nl. mensen met een migratieachtergrond, mensen
met een verstandelijke beperking en jonge mensen met dementie.
Beleidsreactie
Allereerst wil ik de GR en de commissieleden bedanken voor hun werk en het opgeleverde
advies. Veel van de geïdentificeerde kennishiaten zijn zeer herkenbaar en ik zie de
aandacht voor risicoreductie als ondersteuning van mijn huidige beleidsinzet en de
kennisprogrammering binnen de Nationale Dementiestrategie (NDS). Ook geeft het rapport
nieuwe inzichten en handvatten die ik verder met betrokken partijen wil gaan oppakken.
Risicoreductie
De Minister van VWS en ik omarmen de oproep van de GR om in te zetten op preventie.
Het huidige kabinet en vorige kabinetten zetten hier al belangrijke stappen toe. Zo
zijn in de Samenhangende preventiestrategie (opvolger van het Nationaal Preventieakkoord)
ambities geformuleerd op gebied van meerdere leefstijlfactoren die ook als risicofactor
voor dementie gelden, zoals de preventie van gehoorschade en roken. Het advies is
een steun in de rug om deze inzet voort te zetten, onder andere via de Samenhangende
preventiestrategie.
In de geactualiseerde NDS5, die op 29 januari 2026 aan uw Kamer is aangeboden, wordt onder andere meer aandacht
besteed aan preventie. Voor de uitvoering van deze hernieuwde strategie worden middelen
ingezet vanuit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Binnen het HLO ligt de focus
op onder andere het versterken van de zelfredzaamheid van ouderen (reablement), om
functionele achteruitgang te vertragen. Daarbij is het uitgangspunt dat mensen, ook
wanneer sprake is van dementie, zoveel mogelijk hun eigen regie behouden en dat hun
kwaliteit van bestaan centraal staat. Door het stimuleren van dagelijkse activiteiten
en zelfmanagement, en ook het versterken van de sociale basis, wordt bijgedragen aan
het behoud en de versterking van de cognitieve reserve. Hiermee levert het HLO ook
een belangrijke bijdrage aan de preventie van dementie.
In het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) is afgesproken om een bredere basisfunctionaliteit voor dementie te ontwikkelen waar ook preventie deel van uit maakt. Een basisfunctionaliteit
omvat landelijke afspraken over hoe we samenwerken op het snijvlak van publieke gezondheid,
zorg en sociaal domein rondom een bepaald thema, zoals dementie. Op dit moment werken
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en
het Ministerie van VWS in samenwerking met de andere NDS-partijen het landelijk kader
uit van de basisfunctionaliteit. Naast de basisfunctionaliteit dementie is er in het
AZWA aandacht voor verschillende basisfunctionaliteiten en risicofactoren die raken
aan dementie, zoals het terugdringen van roken, overgewicht en eenzaamheid. De in
het AZWA beschreven afspraken over de versterking van de sociale basis zullen eveneens
bijdragen aan het tegengaan van eenzaamheid en dragen dus ook bij aan risicoreductie
op dementie.
De GR constateert terecht dat eenduidig causaal bewijs ontbreekt dat maatregelen op
risicofactoren voor dementie het risico daadwerkelijk verlagen en dat dit moeilijk
te onderzoeken is.
Op 16 december 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
(JPS) uw Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van het afwegingskader voor het investeringsmodel
preventie6, dat voortbouwt op de richtlijn passend bewijs. Enkele casussen ter ontwikkeling
van dit afwegingskader zijn al uitgewerkt. Op dit moment verkent het RIVM of het opportuun
is ook een casus op gebied van dementie via het afwegingskader uit te werken. Daarbij
gaat het RIVM waar relevant gebruik maken van onderzoeksuitkomsten die onder de vlag
van de NDS tot stand komen. Met subsidie van ZonMw richt het consortium NDPI7 zich op leefstijlinterventies voor mensen met een hoger risico op dementie. Daarnaast
focust het consortium BIRD-NL8 op kennisontwikkeling over beïnvloedbare risico- en beschermende factoren voor preventie
van dementie en wat zijn de meest belovende preventiestrategieën hiervoor.
De GR vraagt specifiek aandacht voor de rol van hoge bloeddruk als risicofactor voor
dementie. De Minister van VWS zal met het Nederland Huisartsengenoot-schap (NHG) in
gesprek gaan over welke gevolgen het advies van de GR heeft voor de behandeling van
mensen met een hoge bloeddruk. Of dit leidt tot een andere afweging over in welke
gevallen over te gaan tot behandeling is aan zorgprofessionals om te bepalen.
Ook kan de inzet op een gezonde leefstijl mogelijk bijdragen aan de risicoreductie
op dementie. Eerste onderzoeksresultaten suggereren dat dit effectief kan zijn. Daarbij
geldt wel dat de kosteneffectiviteit nog beter moet worden onderbouwd. In het Integraal
Zorgakkoord (IZA) maakte de voormalige Minister van VWS al samen met partijen afspraken
over de inzet op gezond leven en preventie in en vanuit de zorg. De ambitie is om
leefstijl integraal onderdeel te maken van de reguliere zorg voor mensen met een gezondheidsklacht,
aandoening of ziekte, naast medicijnen, technologie en andere behandelingen. Om uitvoering
te geven aan deze afspraken, en als aanjager van verandering, is een tijdelijke samenwerking
van partijen opgericht; de Coalitie Leefstijl in de Zorg. Het ZonMw programma Leefstijl
in de Zorg draagt via kennisontwikkeling bij aan het doel van de Coalitie. Het betreft
onderzoek dat nodig is om leefstijl in de zorg breed te implementeren, inclusief onderzoek
naar achterliggende mechanismes, en de (kosten)effectiviteit van leefstijlinterventies.
Zo wordt via dit programma onderzoek gedaan naar de (kosten)effectiviteit van dementie
risicoreductie via individueel leefstijladvies: de Leefstijl interventie op de GeHeugenpoli
Trial (LIGHT).9
In de Landelijke nota gezondheidsbeleid 2025–2028 die de voormalige Staatssecretaris
JPS op 12 december 2025 uitbracht10 wijst zij gemeenten en GGD’en op hun rol bij het vergroten van bewustzijn over dementierisico
reductie.
Vroegdiagnostiek
Een vroege diagnose richt zich op het zo vroeg mogelijk vaststellen van de klinische
verschijnselen of ziekteprocessen die tot dementie kunnen leiden, bijvoorbeeld in
een stadium van milde cognitieve stoornissen of zelfs vóór duidelijke klachten. De
meerwaarde hiervan is echter beperkt zolang effectieve curatieve behandeling ontbreekt
en er risico’s zijn op medicalisering en psychologische belasting. Een tijdige diagnose
daarentegen betreft het stellen van de diagnose op een moment dat mensen cognitieve
veranderingen opmerken en hulp zoeken, meestal wanneer klachten leiden tot merkbare
beperkingen in dagelijks functioneren.
Bovenkant formulier
De beperkte mogelijkheden op dit moment om dementie in een vroege fase vast te stellen,
benadrukken de noodzaak tot verdere ontwikkeling en validatie van beter voorspellende
diagnostische strategieën.
Ik hecht groot belang aan een zorgvuldige en tijdige diagnostiek. Ondanks dat een
effectieve behandeling of genezing (nog) niet mogelijk is, vermindert een tijdige
diagnose bij de patiënten en hun naasten onzekerheid over de oorzaak van cognitieve
klachten en stelt mensen met dementie en hun naasten in staat om passende zorg en
ondersteuning tijdig te organiseren.
Dit is ook de reden dat in de NDS de afgelopen periode op dit punt een aantal concrete
stappen zijn gezet om de (tijdige) diagnose en prognose van dementie te verbeteren:
• Onderzoek
– Via het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie (OPD) stimuleert VWS onderzoek naar (vroegtijdige)
diagnostiek en prognostiek. In multidisciplinaire consortia wordt gewerkt aan het
verbeteren en harmoniseren van persoonsgerichte diagnostiek voor verschillende vormen
van dementie. Deze onderzoeken leveren kennis op over biomarkers en minder invasieve
methoden om hersenschade en vroege stadia van dementie op te sporen, die ook van belang
is voor toekomstige behandelingen. Specifieke aandacht gaat ook in de onderzoekconsortia
naar jonge mensen met dementie en cultuursensitiviteit. Voor meer informatie verwijs
ik u graag naar de laatste NDS voortgangsbrief van september 2025 waarin uw Kamer
onder andere hierover is geïnformeerd11.
– ZonMw heeft momenteel de vervolgfase van multidisciplinaire consortia binnen het OPD
via een nieuwe subsidieronde in behandeling. Diagnostiek en prognostiek en jonge mensen
met dementie zijn twee van de vier thema’s waarvoor een vervolgaanvraag is ingediend.
Deze subsidieronde kan de kennis over (vroegtijdige) diagnostiek verder verdiepen
en bijdragen aan de implementatie van ontwikkelde inzichten in de praktijk.
• Zorgstandaard Dementie
– Zowel in de afgelopen periode als de komende jaren ondersteunt de NDS de implementatie
van de Zorgstandaard Dementie (waarvan de actualisatie in 2025 is gestart) in alle
regionale dementienetwerken via Dementie Netwerk Nederland (DNN). Deze zorgstandaard
beschrijft het volledige zorg- en ondersteuningsproces voor mensen met dementie en
hun naasten, vanaf de niet-pluisfase (het vermoeden op dementie) tot en met de fase
van het levenseinde. Daarbij besteedt de zorgstandaard onder meer aandacht aan tijdige
diagnostiek en aan het waarborgen van continuïteit en samenhang in de zorg en ondersteuning.
De zorgstandaard gaat uit van een persoonsgerichte benadering, waarbij het behoud
van eigen regie en het bevorderen van kwaliteit van leven voor mensen met dementie
centraal staan. De zorgstandaard is ook diversiteitssensitief geformuleerd, met aandacht
voor onder andere migratieachtergrond, verstandelijke beperking, laag-geletterdheid
en dementie op jonge leeftijd. Dat wil zeggen dat de tekst zo is opgesteld dat deze
voor een zo groot mogelijke groep mensen met dementie en hun naasten van toepassing
is, ongeacht wie ze zijn, wat hun achtergrond, leeftijd en levensfase is.
– Casemanagement dementie is in de Zorgstandaard Dementie een van de randvoorwaarden.
Door de inzet van casemanagement kunnen mensen met dementie en hun naasten vroegtijdig
de juiste hulp en ondersteuning krijgen, ook om in goede omstandigheden zo lang mogelijk
thuis te blijven wonen en de zorg voor mantelzorgers te verlichten. Deze zorg en ondersteuning
wordt vormgegeven door professionals met specialistische kennis van dementie, in nauwe
samenwerking met zorg, welzijn en het sociale domein. In de brief aan uw Kamer van
9 december 2025 is toegelicht hoe de inzet van casemanagement binnen hechte wijkverbanden
in de eerstelijnszorg verder kan worden gestimuleerd.
– Casemanagement kan reeds in de niet-pluisfase worden ingezet binnen de Zorgverzekeringswet
en draagt bij aan tijdige inzet van de juiste deskundigheid. In de uitwerking van
de visie eerstelijn met de regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) wordt
hiermee rekening gehouden.
– Onderkant formulier
• Therapie-ontwikkeling
– Op 18 februari 2026 heeft Zorginstituut Nederland de Minister van VWS geadviseerd
om Lecanemab (Leqembi®) niet op te nemen in het basispakket voor de behandeling van
volwassen patiënten met milde cognitieve stoornissen en milde dementie als gevolg
van de ziekte van Alzheimer (beginnende Alzheimer). Het ZiNL heeft vastgesteld dat
lecanemab bij genoemde indicatie niet voldoet aan het wettelijke criterium «stand
van de wetenschap en praktijk».
– Hoewel het advies van Zorginstituut Nederland negatief is, zijn er meerdere nieuwe
geneesmiddelen voor Alzheimer in ontwikkeling. Daarom wordt binnen de kaders van het
ZonMw OPD een verkenning uitgevoerd naar wat het Nederlandse zorgsysteem nodig heeft
als er in de toekomst meerdere therapeutische behandelopties beschikbaar komen. Daarbij
is aandacht voor duiding en voorlichting aan behandelaars en het brede publiek, richtlijnen
voor voorschrijven, ondersteuning bij gepast gebruik en monitoring van bijwerkingen.
Op basis van de uitkomsten bepaalt VWS welke vervolgstappen nodig zijn om het zorgsysteem
hierop voor te bereiden.
Tot slot
Dementie heeft ingrijpende gevolgen voor mensen met dementie, hun naasten en de samenleving.
Daarom blijf ik mij samen met mijn collega bewindspersoon inzetten voor het vergroten
van bewustwording, versterking van preventiebeleid gericht op het verminderen van
risicofactoren voor dementie en kwalitatief goede zorg voor mensen met dementie en
hun omgeving.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.