Brief regering : Toezegging bij het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026
27 625 Waterbeleid
Nr. 738 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 maart 2026
Tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari jongstleden zijn diverse toezeggingen
aan de Kamer gedaan. Hieronder wordt een aantal daarvan gestand gedaan.
Drinkwaterbesparingscampagne
Toegezegd is aan het lid Boelsma-Hoekstra om de Kamer binnen een maand schriftelijk
te informeren over de geplande drinkwaterbesparingscampagne, waarbij ook wordt ingegaan
op de kosten en evaluatie.1
Bewust en zuinig omgaan met drinkwater is één van de pijlers om de beschikbaarheid
van drinkwater in de toekomst te borgen. Het Ministerie van IenW is daarom met veel
andere partijen aan het werk om hier invulling aan te geven. Dit is zowel gericht
op gebruik in huishoudens als de industrie. De publiekscampagne die voor de zomer
zal starten richt zich op huishoudens.
Uit onderzoek van Berenschot (2023)2 blijkt dat communicatie richting inwoners, onder meer via campagnes, een belangrijk
middel is om drinkwatergebruik te verminderen. Daarbij wordt nadrukkelijk niet alleen
ingezet op waterbewustzijn, maar vooral op concrete handelingsperspectieven: we willen
dat Nederlanders ook daadwerkelijk in beweging komen.
In de afgelopen periode is er onderzoek gedaan naar welke doelgedragingen impactvol
en haalbaar zijn, en hoe deze het meest effectief kunnen worden gecommuniceerd. Op
basis daarvan ontwikkelt IenW samen met de drinkwaterbedrijven een nationale publiekscampagne
drinkwaterbesparing en diverse ondersteunende activiteiten, zoals een webtool voor
mensen om meer inzicht in hun drinkwatergebruik te krijgen.
Het is een meerjarige campagne tot en met 2029, omdat echte impact zelden in korte
tijd ontstaat. Deze langdurige inzet maakt het mogelijk om stap voor stap te bouwen,
te leren en te sturen op duurzaam resultaat in plaats van een tijdelijk effect. Per
jaar is 1,3 miljoen euro gereserveerd voor deze campagne.
De drinkwaterbesparingscampagne wordt gemonitord op effectiviteit. Het campagne-effectonderzoek
geeft inzicht in de herkenning, waardering, boodschap overdracht en de effecten van
de campagne. De uitkomsten worden gebruikt om de campagne tussentijds bij te sturen
en om lessen te trekken voor toekomstige communicatie. Het realiseren van structurele
effecten vergt een consistente, meerjarige aanpak. Daarbij geldt dat de effecten van
een campagne nooit volledig te isoleren zijn van andere maatregelen en bredere maatschappelijke
ontwikkelingen. Samen met het CBS wordt gemonitord of de doelstelling van 100 liter
per persoon per dag in 2035 in zicht komt en of tussentijdse bijsturing nodig is.
De campagne is onderdeel van Leven met Water. Leven met Water biedt inwoners informatie en praktische handvatten om een bijdrage
te kunnen leveren aan de volgende vier wateropgaven: voorkomen van watertekort, verminderen
van wateroverlast, voorbereiden op wateroverlast en verbeteren van de waterkwaliteit.
Het «one out, all out»-principe
Als tweede punt is toegezegd om de Kamer nadere informatie te sturen over het «one
out, all out»-principe uit de Kaderrichtlijn Water (KRW).3
In de KRW is bepaald dat alle KRW-doelen in elk waterlichaam bereikt moeten worden.4 Nederland moet dus aan alle KRW-doelen voldoen.
Het principe «one out, all out» is, zoals ook in het debat toegelicht, niet als zodanig
in de KRW genoemd, maar is feitelijk de methode waarmee per waterlichaam een totaalbeeld
wordt gegeven om te laten zien of daarin aan alle KRW-doelen is voldaan. In termen
van de KRW gaat het dan om de «presentatie van de monitoringsresultaten» en om de
«klassenindeling».
Het «one out, all out»-principe houdt dan in dat een waterlichaam slechts als «goed»
wordt gepresenteerd of ingedeeld als alle in dat waterlichaam geldende KRW-doelen
zijn gehaald. Deze wijze van presenteren en indelen komt naar voren in bijlage V bij
de KRW, waarin staat: «Indien een waterlichaam voldoet aan alle milieukwaliteitsnormen (...), wordt voor
dat waterlichaam een goede chemische toestand geregistreerd. Zo niet, dan wordt geregistreerd
dat de chemische toestand van het water niet goed is.»5
Bij de verantwoording aan de Europese Commissie in 2027 wordt daarom ook per niet-gehaald
KRW-doel uitgelegd waarom dat doel niet bereikt is. Hiervoor biedt de KRW – binnen
strikte randvoorwaarden – enkele legitieme uitzonderingsmogelijkheden, waarvan gebruik
gemaakt kan worden. Dit betreft onder meer buitenlandse belasting en de nalevering
van in het milieu alomtegenwoordig aanwezige chemische stoffen. De Europese Commissie
heeft aangegeven om bij de beoordeling van de lidstaten niet de presentatie op basis
van «one out, all out» als uitgangspunt te nemen maar om per niet-gehaald doel te
bekijken of daarvoor een goede motivering is.
Deze wijze van beoordeling per KRW-doel is ook het uitgangspunt bij de vergunningverlening
in Nederland. Daarbij wordt beoordeeld of de effecten van een activiteit waarvoor
vergunning wordt gevraagd in strijd6 zijn met elk van de KRW-doelen in het betreffende waterlichaam waar de effecten optreden.
Hierbij is de totaal-indeling van een waterlichaam niet van belang.
Bijvoorbeeld: als een waterlichaam «out» is op alleen zink, dan heeft dat geen gevolgen
voor de lozing van koper. Het is dus niet zo dat door het «one out, all out»-principe
geen vergunningen meer verleend kunnen worden.
In het wetgevingsoverleg Water kwam ook de vraag aan bod of deze aanpak in lijn is
met jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt, specifiek
het zogeheten Wezer-arrest.7
In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat activiteiten afzonderlijk moeten worden
afgerekend op het KRW-achteruitgangsverbod, en dat dit verbod betekent dat elke stof/parameter
afzonderlijk geen klasse achteruit mag gaan. De bovenstaande aanpak is dan ook in
lijn met dit arrest.8 Hierover bestaat geen discussie tussen overheden of in de wetenschappelijke literatuur.
Zoals hierboven aangegeven geeft een presentatie op basis van het «one out, all out»-principe
aan of in een waterlichaam alle KRW-doelen zijn bereikt. Als niet alle doelen zijn
bereikt, geeft die presentatie verder geen zinvolle informatie. Nederland kaart al
vanaf 2015 internationaal aan dat de presentatie op basis van het «one out, all out»-principe
geen recht doet aan de werkelijke toestand van het water en bovendien ongeschikt is
om de voortgang zichtbaar te maken en draagvlak voor maatregelen te krijgen en houden.9
Ook blijkt uit wetenschappelijke literatuur dat een uitgebreid meetprogramma in combinatie
met het «one out, all out»-principe tot een te negatief beeld leidt.10 Om die reden heeft Nederland in de stroomgebiedbeheerplannen 2016–2021 en 2022–2027
ook geen figuren gebruikt op basis van het «one out, all out»-principe, maar is de
waterkwaliteit zoveel als mogelijk voor de afzonderlijke parameters getoond.11
De Europese Commissie is zelf ook goed op de hoogte van de tekortkomingen van het
«one out, all out»-principe. In 2019 is in de Europese fitness-check12 van de KRW geconcludeerd dat hiermee verbetering van de waterkwaliteit niet zichtbaar
is. Desondanks blijft de Commissie dit hanteren wanneer lidstaten worden vergeleken
in de mate waarin ze aan de KRW voldoen. Om die reden heeft Nederland het initiatief
genomen om een alternatieve wijze van presenteren onderdeel van de KRW te maken, toen
de Europese Commissie de KRW en enkele andere waterrichtlijnen wilde aanpassen.13 Het resultaat van deze inspanningen is dat nu in de KRW bepaald zal worden14 dat de Commissie samen met de lidstaten een alternatieve indicator opstelt. Het gaat
hierbij dus om dezelfde meetresultaten, die op een andere manier geaggregeerd worden
waardoor de voortgang in de ontwikkeling van de waterkwaliteit wel zichtbaar wordt
gemaakt.
Rekening houden met natuurlijke achtergrondconcentraties
Toegezegd is aan het lid Van der Plas om de Kamer een schriftelijke terugkoppeling
te sturen van het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn
Water (KRW) over de mate waarin natuurlijke achtergrondconcentraties door de waterbeheerders
verwerkt worden in de KRW-doelen.15
Alle waterbeheerders in Nederland (het Ministerie van IenW, de provincies en waterschappen)
houden rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties voor de KRW-waterlichamen
in hun beheer16. Naar aanleiding van de bespreking in het Bestuurlijk Overleg KRW van 5 februari
jl. is dit nogmaals geverifieerd en bevestigd. De achtergrondconcentraties worden
zowel betrokken bij de afleiding van de doelen, als bij de toestandsbeoordeling of
aan de doelen is voldaan, binnen de mogelijkheden die de KRW daarvoor biedt. Hierbij
betrekken de waterbeheerders de gebied-specifieke omstandigheden in hun beheergebied.
Dit gebeurt in het kader van de zesjaarlijkse actualisatie van de stroomgebiedbeheerplannen
voor de KRW. Voor nutriënten en metalen is dat al langer het geval. Voor metalen is
bovendien de gebruikte methode onlangs verbeterd, waardoor gebiedsgerichte verschillen
beter naar voren komen. Voor ammonium is een vergelijkbare verbetering in een vergaand
stadium van voorbereiding. Dit alles zal naar verwachting leiden tot minder normoverschrijdingen
in 2027, bij de rapportage voor de 4e stroomgebied-beheerplannen 2028–2033.
Openstaande vragen van het lid van der Plas
Toegezegd is om de Kamer per brief antwoord te geven op de openstaande vragen van
de BBB-fractie uit de eerste termijn van het wetgevingsoverleg.17 Deze vragen hadden betrekking op de aanwijzing van kwetsbare gebieden onder de Nitraatrichtlijn,
metingen in het ondiepe en diepe grondwater, rivierkreeften en palingmigratie. Hieronder
wordt achtereenvolgens op deze vragen ingegaan.
Aanwijzing kwetsbare zones Nitraatrichtlijn
Het advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn van de Commissie van Deskundigen
Meststoffenwet (CDM) is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld door de Minister van
LVVN18. Als gevolg van de motie Grinwis c.s. heeft het vorige kabinet het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP) niet vastgesteld, en daarmee is ook geen inhoudelijk
standpunt ingenomen op dit advies van de CDM (Kamerstuk 33 037, nr. 634). Dit wordt door het huidige kabinet betrokken bij de voorbereiding van het 8e AP.
Metingen in ondiepe en diepe grondwater
In de beoordeling van de kwaliteit van grondwater wordt onderscheid gemaakt tussen
ondiep grondwater (kort onder de wortelzone) en diep grondwater. Het klopt dat meten
op grotere diepte een ander beeld geeft dan ondiepe metingen. Bij de verantwoording
van de uitvoering van de Nitraatrichtlijn wordt hierover daarom apart gerapporteerd19.
Er zijn diverse redenen waarom het zinvol is om nitraat in het ondiepe grondwater
te meten. De verspreiding van stoffen van ondiep naar diep grondwater gaat langzaam
maar is onomkeerbaar. Daarbij komen onder invloed van nitraat in het diepere grondwater
stoffen zoals metalen vrij, waardoor de kwaliteit van dat water als bron voor drinkwater
verder verslechtert. Daarom is sturen op de kwaliteit van het bovenste grondwater
van groot belang om tijdig maatregelen te treffen die verdere verspreiding van stoffen
naar drinkwaterbronnen in het diepere grondwater en daadwerkelijke risico’s voor drinkwater
voorkomen.
Drinkwaterbedrijven hebben nu al drinkwaterwinningen in het diepere grondwater moeten
sluiten omdat de kwaliteit van dat grondwater niet meer volstaat voor drinkwaterproductie.
Sturen op nitraat in het bovenste grondwater is daarnaast van belang om uitspoeling
naar oppervlaktewater te verminderen en ook daar de KRW-doelen te kunnen behalen.
Rivierkreeften en palingmigratie
Tijdens het debat is gevraagd of in het kader van waterkwaliteitsmaatregelen ook de
moties van het lid Van der Plas zijn meegenomen, zowel waar het gaat om het verder
in kaart brengen van de problematiek rond rivierkreeften als om de oproep aan waterbeheerders
om waterbarrières voor de paling aan te pakken.
De betreffende moties20 zijn aan LVVN gericht. Met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit
van de Minister van IenW kan wel kort ingegaan worden op de problematiek rond rivierkreeften
en over het wegnemen van waterbarrières.
De KRW roept waterbeheerders op om barrières die trekvissen (waaronder de paling)
tegenkomen in watersystemen, aan te pakken. Dit blijkt tot nu toe een succesvolle
aanpak21. Vanuit de verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit stimuleert IenW de waterbeheerders
om watersystemen natuurlijk in te richten. Ook de motie van het lid Kostić van 16 december
202522 roept hiertoe op.
De opdracht om watersystemen zo natuurlijk als mogelijk in te richten staat ook in
de Natuurherstelverordening. Na succesvolle pilots wordt de aanleg van natuurvriendelijke
oevers als efficiënte en effectieve maatregel in de aanpak van de invasieve uitheemse
rivierkreeft door waterbeheerders uitgevoerd. De verantwoordelijkheid voor de bestrijding
van de invasieve uitheemse rivierkreeft ligt bij LVVN.
Tot slot
Ik ga ervan uit dat hiermee de Kamer op deze wijze voldoende geïnformeerd is en beschouw
bovenstaande toezeggingen als afgedaan.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat