Brief regering : Naderend Raadscompromis Omnibus AI
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4287 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 maart 2026
Sinds de publicatie van de voorstellen voor een Omnibus AI en Omnibus Digitaal op
11 november jl. wordt in de Raad onder hoge druk onderhandeld over de hierin voorgestelde
aanpassingen aan digitale wetgeving. De onderhandelingen voor de Omnibus AI bevinden
zich al in een afrondende fase. Het Cypriotische voorzitterschap zal, eerder dan verwacht,
waarschijnlijk tijdens de Coreper-II-bespreking van 13 maart aanstaande, het bereikte
compromis aan de lidstaten voorleggen en een mandaat vragen voor de onderhandelingen
met het Europees Parlement (EP).
Middels deze brief informeer ik uw Kamer conform de gemaakte informatie-afspraken
over de ontwikkelingen in de onderhandelingen en hoe het kabinet het verwachte compromis
op de Omnibus AI apprecieert. Eerder is uw Kamer via het BNC-fiche over de omnibussen1 geïnformeerd over de kabinetsinzet en de voortgang van de onderhandelingen. In lijn
met het parlementair behandelvoorbehoud maakt het kabinet tot na het mondeling overleg
met de Eerste Kamer op 17 maart tijdens de onderhandelingen over de digitale omnibussen
een voorbehoud. Het kabinet blijft met dat voorbehoud het standpunt zoals geformuleerd
in het BNC-fiche uitdragen, inclusief de zorgen die daarin worden geuit.
Regeldrukvermindering is een belangrijke prioriteit van dit kabinet en de verwachte
Raadspositie is grotendeels in lijn met de inzet uit het BNC-fiche. Het kabinet is
dan ook positief over het verwachte onderhandelingsresultaat op de Omnibus AI. Gezien
het parlementaire behandelvoorbehoud dat de Eerste Kamer heeft geplaatst bij de Omnibus
AI en Omnibus Digitaal zal het kabinet echter een voorbehoud moeten maken over de
Raadspositie op de Omnibus AI. Dit zou de onderhandelingspositie op beide digitale
omnibussen voor de rest van de onderhandelingen kunnen verzwakken. Gezien het belang
van het adresseren van de zorgen over sommige onderdelen van de Omnibus Digitaal en
de positieve uitkomst van de onderhandelingen op de Omnibus AI heb ik de Eerste Kamer
gevraagd of zij bereid is het behandelvoorbehoud op de Omnibus AI op te heffen zodat
het kabinet zich positief kan uitspreken over het bereikte Raadscompromis. Indien
de Eerste Kamer hier niet toe bereid zal het kabinet uiteraard conform de afspraken
een voorbehoud maken over de Raadspositie op de Omnibus AI.
Omnibus AI
De onderhandelingen over de Omnibus AI zijn in een vergevorderd stadium. Tegelijkertijd
is de inhoud van de concept-Raadspositie nog steeds in beweging. Zoals aangegeven
in het BNC-fiche, bevatte het voorstel voor de Omnibus AI verschillende wijzigingen
die het kabinet kan steunen omdat deze het voor organisaties eenvoudiger maken om
aan de AI-verordening te voldoen, zonder afbreuk te doen aan de doelen van de verordening.
De voorgestelde wijzigingen dragen bij aan vermindering van administratieve lasten
doordat bepaalde registratieverplichtingen worden geschrapt of vereenvoudigd en meer
duidelijkheid wordt geboden over verplichtingen voor organisaties die AI-systemen
ontwikkelen of gebruiken. Er lijkt voldoende steun om deze wijzigingen te behouden
in het Raadscompromis.
In het BNC-fiche heeft het kabinet ook aangegeven dat het op een aantal onderwerpen
inzet op verbetering van het oorspronkelijke voorstel. De belangrijkste hierin zijn
de aangepaste bevoegdheid voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
voor biasdetectie en -correctie, het schrappen van de registratieplicht voor bepaalde
AI-systemen die in hoog-risico context worden gebruikt, de aanpassingen omtrent AI-geletterdheid
en uitstel van de inwerkingtreding van de bepalingen omtrent hoog-risico AI. De Raadspositie
zal ten opzichte van het voorstel op al deze punten waarschijnlijk meer in lijn zijn
gebracht met de kabinetspositie.
Voor de bevoegdheid voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
voor biasdetectie en -correctie, lijkt er voldoende steun te zijn om deze bevoegdheid
te limiteren tot verwerkingen die strikt noodzakelijk zijn voor het detecteren, corrigeren
en voorkomen van bias die waarschijnlijk de gezondheid en veiligheid van personen
aantast, grondrechten schaadt of tot discriminatie leidt. Dit is in lijn met het gezamenlijke
advies van de Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) en de Europese Toezichthouder
voor Gegevensbescherming (EDPS. Met deze aanvullende waarborgen acht het kabinet de
bevoegdheid proportioneel tot het doel van detecteren en corrigeren van bias, zeker
aangezien bias in AI-systemen op zichzelf ook grondrechten kan schaden.
In de Raadspositie blijft waarschijnlijk, in lijn met de kabinetspositie, de registratieplicht
behouden voor AI-systemen die in hoog-risico context worden gebruikt, maar op zichzelf
geen hoog risico vormen. Ook lijkt er voldoende steun om, in lijn met de kabinetsinzet,
de inwerkingtreding van de bepalingen voor hoog-risico AI-systemen niet te koppelen
aan besluiten van de Europese Commissie. Het kabinet heeft liever dat de inwerkingtreding
van de bepalingen voor hoog-risico AI-systemen die in bijlage III van de AI-verordening
zijn opgenomen minder lang wordt uitgesteld, maar hier is onvoldoende steun voor in
de Raad.
Tot slot lijkt er voldoende steun om in de aangepaste bepaling over AI-geletterdheid
expliciet te maken dat aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van AI-systemen nog
steeds verantwoordelijkheden en verplichtingen hebben om voor voldoende training en
vaardigheden te zorgen bij hun werknemers. Ook zullen er door de AI Raad (AI Board)
aanbevelingen en niet-bindende gezamenlijke doelstellingen van lidstaten worden vastgesteld
met betrekking tot AI-geletterdheid. Hiermee komt meer duidelijkheid over de implicaties
van de verplichting omtrent AI-geletterdheid voor overheden en organisaties. Het kabinet
zou nog verdere verduidelijking van deze verplichting verwelkomen.
Een punt waar nog discussie over is in de Raad, is de voorgestelde exclusieve bevoegdheid
voor de AI Office om toezicht te houden op hoog risico AI-systemen die zijn gebaseerd
op AI-modellen voor algemene doeleinden (GPAI-modellen), waarbij zowel het GPAI-model
als het AI-systeem van dezelfde aanbieder zijn. Er zijn met name zorgen dat deze exclusieve
bevoegdheid ertoe kan leiden dat de AI Office ook op een grote groep gebruiksverantwoordelijken
van zulke AI-systemen toezicht zal moeten houden, wanneer deze vallen onder dezelfde
juridische entiteit als de aanbieder. Deze groep zal in de toekomst mogelijk steeds
groter worden naarmate het gebruikelijker wordt voor organisaties om GPAI modellen
zelf te ontwikkelen. Deze gebruiksverantwoordelijken kunnen ook organisaties zijn
met een publieke taak die raakt aan nationale competenties, zoals binnen de rechtshandhaving
of de rechtspraak. Het toezicht op deze organisaties past niet onder de exclusieve
bevoegdheid van de EU. Er lijkt nu voldoende steun te zijn voor aanpassingen aan deze
bevoegdheid, die voorkomen dat de bevoegdheid van de AI Office botst met nationale
bevoegdheden.
Het kabinet zal zich blijven inzetten om bovenstaande prioriteiten zoveel mogelijk
in de Raadspositie te laten landen. Als het lukt om tot overeenstemming te komen in
de Raad, zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan. Na totstandkoming
van de Raadspositie zal het Europees Parlement nog zijn positie moeten bepalen, en
volgen de trilogen om te komen tot een definitieve Omnibus AI. Het voorzitterschap
streeft ernaar dat de Omnibus AI uiterlijk in augustus 2026 in werking treedt, omdat
de bepalingen voor sommige hoog-risico AI-systemen 16 augustus 2026 in werking treden.
Omnibus Digitaal
De onderhandelingen over de Omnibus Digitaal zijn minder ver gevorderd dan de onderhandelingen
over de Omnibus AI. Voor verschillende punten waar het kabinet zorgen heeft geuit
lijkt er steun van een aantal lidstaten om deze zorgen te adresseren. Zo lijkt er
steun van verschillende lidstaten om de definitie van persoonsgegevens in stand te
houden en om bepaalde bepalingen in de P2B-verordening te behouden. Ook met betrekking
tot de zorgen over bepaalde wijzigingen aan de AVG en het Europees centraal meldpunt
zijn er meerdere lidstaten die vergelijkbare zorgen lijken te hebben. Het kabinet
heeft ook samen met andere lidstaten non-papers opgesteld over de in het BNC-fiche
geuite zorgen over het Europees centraal meldpunt en de P2B-verordening. Deze non-papers
zijn bijgevoegd bij deze brief.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, W.J.M. Aerdts
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat