Brief regering : Conclusie gesprek met Arriva over de Noordelijke Lijnen naar aanleiding van CBb tussenuitspraak; Europese infractieprocedure HRN-concessie
29 984 Spoor: vervoer- en beheerplan
Nr. 1277
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 maart 2026
In de beroepsprocedure over de gunning van de Hoofdrailnetconcessie 2025–2033 (hierna:
HRN-concessie) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in een tussenuitspraak
van 9 september 20251 mij opgedragen om de onderhandelingen met Arriva over de Noordelijke lijnen te hervatten
en uiterlijk op 8 december 2025 de uitkomst daarvan aan het College te melden. Het
betreft de stoptreindiensten tussen Zwolle–Groningen en Zwolle–Leeuwarden. In mijn
brief van die datum heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de gesprekken.2 Met deze brief breng ik uw Kamer op de hoogte over de uitkomst van die gesprekken.
Daarnaast breng ik uw Kamer op de hoogte van de stand van zaken over de Europese infractieprocedure
over de HRN-concessie.
Aanloop
Bij de gunning van de HRN-concessie in 2023 heeft de toenmalige Staatssecretaris geconcludeerd
dat opentoegangvervoer op de trajecten Zwolle–Groningen en Zwolle–Leeuwarden niet
met voldoende mate van zekerheid kon voorzien in de vereiste continuïteit voor de
reizigers en in de garantie dat het vervoer gedurende de duur van de HRN-concessie
2025–2033 niet zou worden afgeschaald. Daarop is het besluit genomen om de stoptreindiensten
onderdeel te laten blijven van de HRN-concessie die aan de NS is gegund.3
Gesprekken met Arriva
Zoals ik in mijn brief van 8 december 2025 heb aangegeven heeft mijn ministerie contact
gezocht met Arriva en een reeks gesprekken gevoerd met haar over haar opentoegangmelding
uit 2022 voor stoptreindiensten op de noordelijke lijnen. Het is mijn ministerie en
Arriva niet gelukt om binnen de door het CBb gestelde deadline tot afronding van de
gesprekken te komen. De afgelopen maanden zijn de gesprekken voortgezet, waarbij Arriva
een geactualiseerd aanbod heeft gedaan, dat ontvangen is op 14 januari 2026.
In de gesprekken met Arriva stond de beschikbaarheid van rijdend materieel centraal.
Arriva heeft aangegeven niet over materieel te kunnen beschikken voor de periode tussen
de beoogde oplevering van de geëlektrificeerde Maaslijn in 2027 (waar het beoogde
materieel voor de noordelijke stoptreinendiensten voor is aangeschaft) en de eventuele
levering van nieuw te bestellen materieel. Naar verwachting van Arriva duurt het bestellen
van nieuw materieel drie jaar vanaf het moment van bestelling. Er zou dus niet eerder
dan in 2029 nieuw materieel kunnen instromen.
Als mogelijke oplossing heeft Arriva voorgesteld dat het ministerie bij NS zou kunnen
afdwingen dat NS materieel overdraagt of ervoor zorgt dat Arriva tijdelijk gebruik
kan maken van materieel van NS. Die mogelijkheid past niet bij het uitgangspunt van
het aanbieden van treindiensten in open toegang, namelijk dat een vervoerder dat op
eigen initiatief doet en voor eigen rekening en risico. Opentoegangvervoerders kunnen
geen beroep doen op de overheid voor het beschikbaar stellen van financiering, materieel
en personeel. Bovendien kan ik NS niet dwingen materieel beschikbaar te stellen voor
de uitvoering van opentoegangdiensten door een andere vervoerder.
Op basis van de gevoerde gesprekken en het geactualiseerde aanbod ben ik tot de conclusie
gekomen dat Arriva geen zekerheid biedt dat Arriva gedurende de looptijd van de HRN-concessie
deze treindiensten in open toegang kan rijden op de Noordelijke Lijnen. Het geactualiseerde
aanbod is daarmee onvoldoende om het kabinetsbesluit uit 2023 om de stoptreindiensten
in de HRN-concessie op te nemen te heroverwegen. Dit heb ik ook aan het CBb laten
weten.
Vervolg
Het in de HRN-concessie laten van de stoptreindiensten betekent niet ik geen kansen
zie voor opentoegangaanbod in de toekomst. Daarom zal ik met Arriva, andere aanbieders
en de regio in gesprek blijven. Bij de midterm review zal ik tevens nadrukkelijk stilstaan
bij de mogelijkheid om de huidige stoptreindiensten uit de HRN-concessie te halen
en deze bijvoorbeeld te decentraliseren.
Tijdens het CD Spoor van 18 december 2025 is door Kamerlid De Hoop (GroenLinks-PvdA)
gevraagd in de gesprekken met Arriva stil te staan bij de wederzijdse erkenning van
abonnementen. En heeft Kamerlid Boelsma – Hoekstra (CDA) gevraagd een vergelijking
te maken van het aanbod van Arriva met hetgeen NS nu levert op het gebied van dienstregeling,
frequentie, punctualiteit, zitplaatskans en de borging daarvan. In de gesprekken met
Arriva zijn deze aspecten vanwege de te grote onzekerheden met betrekking tot materieel
niet aan de orde gekomen.
Europese infractieprocedure
Tijdens de procedurevergadering van de Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
op 4 februari jl. heeft de commissie gevraagd om een Kamerbrief over de stand van
zaken over de infractieprocedure over de HRN-concessie4.
Zoals eerder met de Kamer gedeeld, heeft de Europese Commissie in juli 2025 aangekondigd
dat zij de inbreukprocedure tegen Nederland bij het Hof van Justitie van de Europese
Unie (EU-Hof) aanhangig zal maken5. Inmiddels heeft Nederland het verzoekschrift met de argumenten van de Commissie
ontvangen. Nederland bestudeert het verzoekschrift en dient uiterlijk 23 maart een
reactie op het verzoekschrift in te dienen bij het EU-Hof. Op 9 februari 2026 is de
bekendmaking van deze zaak in het publicatieblad van de Europese Unie6 gepubliceerd. Het verzoekschrift van de Europese Commissie en de bijlagen zijn processtukken.
Deze zijn niet openbaar. Een samenvatting van het verzoekschrift is gepubliceerd in
het Publicatieblad van de Europese Unie. Een procedure bij het EU-Hof duurt gemiddeld
anderhalf jaar.
Relatie met juridische procedure bij het CBb
Zoals eerder met de Kamer gedeeld over de tussenuitspraak van het CBb in de beroepsprocedure
over de gunning van de HRN-concessie, heeft het CBb de zaak doorverwezen naar het
EU-Hof om antwoord te krijgen op de prejudiciële vragen die het CBb in de tussenuitspraak
stelt over de uitleg van het EU-recht7. Het is mogelijk dat zowel de inbreukprocedure als de prejudiciële procedure naar
aanleiding van de vragen van het CBb in dezelfde periode door het EU-Hof behandeld
worden. Het zijn niettemin twee afzonderlijke procedures met eigen procedureregels.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Indieners
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.