Brief regering : Moties en toezeggingen op het gebied van kraamzorg
32 279 Zorg rond zwangerschap en geboorte
Nr. 270
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 maart 2026
Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over de moties en toezeggingen met
betrekking op de kraamzorg. De Kamer heeft gevraagd hier voor de begrotingsbehandeling
van VWS op te reageren.
– de motie Dobbe en Dijk1over maatregelen om de kraamzorg in Nederland te behouden, waaronder het zorgdragen
voor toereikende tarieven;
– de motie Stoffer en Dijk2 over scenario’s en (financiële) effecten van het afschaffen van de eigen bijdragen
voor kraamzorg en poliklinische bevalling;
Daarnaast biedt het kabinet in deze brief haar eerste reactie aan op het Manifest
kraamzorg van de ChristenUnie. Verder zal het kabinet u na voorjaarsbesluitvorming
informeren over de geboortezorg in zijn geheel en daarbij ook ingaan op het binnengekomen
verzoek van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport om een reflectie
te geven op het misstandenboek kraamzorg van Bureau Clara Wichmann.
Het kabinet hecht eraan om te benadrukken dat kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars
de afgelopen tijd belangrijke stappen hebben gezet om de duurzame toegankelijkheid
van kraamzorg voor iedereen die haar nodig heeft te verbeteren. Hieraan werken zij
samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde
daarvan heeft de sector een transformatieplan3 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen transformatiemiddelen zijn toegekend.
Daarnaast zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt om het
arbeidsmarkttekort af te wenden en de zorg gelijkwaardiger, toegankelijk en beter
bereikbaar te maken. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten
voor de kraamzorgsector, bijvoorbeeld via het verstevigen van de inzet op opleiding
en scholing (B3) en het leveren van een eerlijke bijdrage door iedereen (E4).
1. De motie Dobbe en Dijk over maatregelen om de kraamzorg in Nederland te behouden,
waaronder het zorgdragen voor toereikende tarieven.
In de motie Dobbe en Dijk verzoekt de Kamer de regering om maatregelen te treffen
om de kraamzorg in Nederland te behouden, en hiervoor voor het debat over de VWS-begroting
voorstellen naar de Kamer te sturen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor
toereikende tarieven voor de kraamzorg. Door in te gaan op achtereenvolgens de versnelling
indicatiestelling, instroom en behoud van kraamverzorgenden, tarieven en werkgeverschap
en vervolgonderzoek wordt uitvoering gegeven aan deze motie. Aanvullende maatregelen
die in het kader van deze motie getroffen worden, worden onderstaand beschreven.
Voor de uitvoering van de motie Dobbe en Dijk is, zoals toegezegd, onder andere gesproken
met kraamverzorgenden en de initiatiefnemers4 van het Manifest behoud van kraamzorg. Dit zal het kabinet blijven doen, zodat de
stem van alle betrokkenen goed meegenomen worden in beleid en uitvoering.
1.1 Versnelling indicatiestelling
Passende kraamzorg, fysiek en digitaal, is een belangrijke sleutel. Dit is nodig om
de schaarse capaciteit eerlijker te verdelen en beter te prioriteren waar de zorgbehoefte
het grootst is. In het coalitieakkoord5 is vastgesteld dat passende zorg de norm wordt. Het kabinet wil dit afdwingen door
strengere eisen te stellen aan de voorwaarden, kwaliteit en totstandkoming van de
beroepsrichtlijnen.
Van 2020 tot en met 2024 heeft de kraamzorgsector aan de eerste stap richting passende
kraamzorg gewerkt, met de ontwikkeling van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek.
Hiervoor heeft de sector gedurende deze periode ruim € 400.000 aan subsidie ontvangen
van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze methodiek heeft als
doel om zowel de omvang als inhoud van zorg op maat te bieden. Vanaf het tweede kwartaal
van dit jaar starten zeven voorloperorganisaties met het testen van de nieuwe systematiek
in de praktijk, tegelijkertijd wordt er aan doorontwikkeling gewerkt.
Het kabinet vindt dat de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek
niet snel genoeg gaat. Het kabinet verwacht dan ook van Bo Geboortezorg, Zorgverzekeraars
Nederland en de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen dat zij, samen
met cliënten en kraamverzorgenden, in 2026 aantoonbare stappen zetten in de implementatie
van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek.
Het kabinet zal de Kamer begin 2027 schriftelijk informeren over de voortgang en de
mate waarin de implementatie daadwerkelijk van de grond is gekomen.
In aanvulling daarop volgt uit de lopende onderzoeken van het Zorginstituut Nederland
en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) (zie bijlage 1) dat de
verschillen in kraamzorggebruik vragen oproepen over de daadwerkelijke behoefte van
kraamgezinnen. Die behoefte is belangrijk om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Daarom zal VWS hier in afstemming met het Zorginstituut Nederland een vervolgonderzoek
op laten doen. Over dit onderzoek en de uitkomsten daarvan zal het kabinet de Kamer
eveneens begin 2027 informeren.
1.2 Instroom en behoud van kraamverzorgenden
De huidige instroom van kraamverzorgenden is onvoldoende om de structurele uitstroom
te compenseren. Uit de gevoerde gesprekken volgt dat de instroom van nieuwe kraamverzorgenden
vanuit de reguliere mbo-opleiding beperkt is en dat de meeste instroom bestaat uit
zij-instromers via de branche-erkende opleiding.
Het kabinet zal zich in de komende maanden buigen over de vraag of en hoe verbeteringen
in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom. De Kamer zal
hierover op een later moment worden geïnformeerd.
Naast maatregelen gericht op instroom zijn ook maatregelen nodig die bijdragen aan
behoud en de aantrekkelijkheid van het beroep, zoals een werkbare inrichting van wachtdiensten
en een goede werk-privébalans. Dit vraagt blijvende aandacht van werkgevers. Het kabinet
vraagt Bo Geboortezorg daarom om hier, samen met haar achterban en kraamverzorgenden,
structureel op in te blijven zetten. Daarbij verwacht het kabinet dat werkgevers die
zich niet aan de cao-afspraken houden, hierop door hun branchegenoten worden aangesproken.
1.3 Tarieven en werkgeverschap
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding zijn de rollen
en verantwoordelijkheden helder. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt kostendekkende
maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn
er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%)
en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa
weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari
2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar,
via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen
de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is vervolgens aan de werkgever om
passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten
in de cao.
1.4 Vervolgonderzoek beweegredenen afzien kraamzorg
Ondanks diverse onderzoeken, te vinden in bijlage 1, is nog niet duidelijk waarom
gezinnen in kwetsbare situaties geen gebruik maken van kraamzorg. Het RIVM gaat daarom
onderzoeken wat de redenen zijn waarom gezinnen in een kwetsbare situatie geen of
minder kraamzorg ontvangen en welke gerichte gedragsinterventies binnen de doelgroep
toegepast kunnen worden.
2. De motie Stoffer en Dijk over de eigen bijdragen kraamzorg en poliklinische bevalling
In de motie heeft de Kamer de regering verzocht om scenario’s en (financiële) effecten
in kaart te brengen van het afschaffen van de eigen bijdragen voor de kraamzorg en
de poliklinische bevalling.
De kosten van geboortezorg zijn vrijgesteld van het eigen risico. Zowel de eigen bijdrage
in de kraamzorg als de eigen bijdrage voor de poliklinische bevalling6 kan via een aanvullende zorgverzekering worden meeverzekerd. Zorgverzekeraars bieden
daarvoor verschillende mogelijkheden.
Afschaffing van de eigen bijdragen leidt tot een verschuiving van private naar collectieve
uitgaven en daarmee naar verwachting tot een stijging van de premie.
Daarbij geldt dat een hogere zorgvraag, gegeven de bestaande personeelstekorten, kan
leiden tot verdere druk op de toegankelijkheid van kraamzorg.
Hieronder wordt eerst ingegaan op de eigen bijdrage en financiële effecten in de kraamzorg
(2.1) en daarna op de eigen bijdrage en financiële effecten bij poliklinische bevalling
(2.2). Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie.
2.1 Kraamzorg
Voor 2026 is de eigen bijdrage kraamzorg vastgesteld op € 5,70 per uur. Gemiddeld
namen gezinnen in de periode 2022–2024 ruim 28 uur kraamzorg af.
De indicatie van het aantal uur kraamzorg dat een gezin ontvangt wordt gedaan aan
de hand van het Landelijk Indicatie Protocol en is standaard 49 uur, waarbij het minimum
24 uur en het maximum 80 uur bedraagt. De standaardindicatie van 49 uur wordt echter
veelal niet geleverd, vanwege de tekorten in de kraamzorg.
Een eventuele afschaffing van de eigen bijdrage leidt naar verwachting tot een toename
van de vraag naar kraamzorg. Als wordt uitgegaan van een stijging van het gemiddeld
gebruik van 28 uur naar 49 uur, dan zou dit een toename van de zorgkosten van structureel
€ 270 miljoen7 betekenen. Als wordt uitgegaan van een lagere stijging naar gemiddeld 39 uur, dan
zou dit een toename van structureel € 151 miljoen8 betekenen.
Afschaffing van de eigen bijdrage kan ertoe leiden dat gezinnen die nu geen of minder
kraamzorg afnemen vanwege financiële overwegingen, na afschaffing wel (meer) kraamzorg
afnemen. Tegelijkertijd kan de toegankelijkheid verder onder druk komen te staan door
een toegenomen zorgvraag die slechts beperkt kan worden opgevangen binnen de huidige
arbeidsmarktcapaciteit.
2.2 Poliklinische bevalling
De poliklinische bevalling betreft een bevalling onder begeleiding van een eerstelijns
verloskundige op een centrale bevallocatie. Poliklinische bevallingen kunnen in een
ziekenhuis plaatsvinden, maar ook in een eerstelijns geboortecentrum.
Indien sprake is van verblijf op verzoek van de zwangere, terwijl daarvoor geen medische
noodzaak bestaat, geldt een eigen bijdrage. Bij medisch noodzakelijk verblijf worden
de kosten vergoed vanuit de zorgverzekering.
In 2021 waren er ongeveer 22.000 poliklinische bevallingen9. Bij een gelijkblijvend percentage vrouwen dat kiest voor een poliklinische bevalling
zou het afschaffen van de eigen bijdrage voor de poliklinische bevalling naar verwachting
€ 13 tot € 16 miljoen in 2026 kosten. Een groot deel hiervan, € 11 miljoen, is afkomstig
van de derving van de eigen bijdrage-ontvangsten. De rest is het gevolg van de toename
in vraag naar poliklinische bevallingen.
Indien de eigen bijdrage wordt afgeschaft, zal de vraag naar poliklinische bevallingen
naar verwachting toenemen. Daarbij zijn enkele remmende factoren van belang. Ten eerste
kiest een deel van de vrouwen bewust voor een thuisbevalling; verloskundige zorg thuis
heeft in Nederland een lange historie en is van hoge kwaliteit. Ten tweede spelen
capaciteitsproblemen een rol: vrouwen kunnen niet altijd bevallen in het ziekenhuis
of geboortecentrum van hun voorkeur. Ten derde is poliklinisch bevallen niet altijd
mogelijk door omstandigheden, bijvoorbeeld bij een snel verlopende bevalling. Tot
slot vindt tijdens de bevalling soms overdracht naar de tweede lijn plaats, bijvoorbeeld
vanwege een verzoek om pijnstilling of een medische complicatie.
Als wordt uitgegaan van een scenario waarin 10% van de bevallingen die nu thuis plaatsvinden
na afschaffing van de eigen bijdrage poliklinisch plaatsvindt, zorgt dit voor een
extra kostenstijging van € 2 miljoen, waardoor de totale kosten neerkomen op € 13
miljoen. Bij een sterkere toename van 25% van de bevallingen die nu thuis plaatsvinden,
zorgt dit voor een kostenstijging van € 5 miljoen. De totale kosten bedragen dan € 16
miljoen per jaar.
Tot slot
Er zijn al veel acties in gang gezet om de kraamzorg toekomstbestendig te maken. Tegelijkertijd
is verdere versnelling noodzakelijk. Het kabinet zet de komende periode in op versnelling
van passende kraamzorg, met prioriteit voor de implementatie van de nieuwe indicatiemethodiek.
En ook vanuit de Kamer worden nieuwe voorstellen gedaan. Het kabinet heeft kennisgenomen
van de het manifest «Zorg voor een sterke start» van de ChristenUnie en deelt de oproep
voor het behoud en de toegankelijkheid van kraamzorg. Daarnaast gaat het kabinet aan
de slag met het versterken van de samenwerking tussen het sociale en medische domein
via de structurele aanpak Kansrijke Start en is er extra aandacht voor vrijwilligers
en maatschappelijke organisaties. Het kabinet gaat graag met de Kamer in gesprek over
het manifest of andere voorstellen.
Kraamzorg maakt onderdeel uit van de integrale geboortezorg. Zoals eerder aangegeven
zal het kabinet de Kamer binnenkort informeren over de laatste stand van zaken van
de geboortezorg als geheel.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport