Brief regering : Landenbeleid Sudan
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3520
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2026
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 1 december 2025 datum een algemeen
ambtsbericht over Sudan gepubliceerd, dat verslag doet van de periode van mei 2024
tot en met 28 november 2025. Op basis van de actuele situatie en ontwikkelingen is
beoordeeld dat het landgebonden asielbeleid voor Sudan aanpassingen behoeft.
Ontwikkelingen in Sudan
Op 15 april 2023 brak in Sudan een gewapend conflict uit tussen de Sudanese Armed Forces (hierna: SAF) en de Rapid Support Forces (hierna: RSF). Dit conflict heeft verstrekkende gevolgen voor de humanitaire, mensenrechten-
en veiligheidssituatie. De strijdende partijen plegen grootschalig en zeer ernstig
oorlogsgeweld, zoals luchtaanvallen, artilleriebeschietingen, grootschalige buitengerechtelijke
executies, conflict-gerelateerd seksueel geweld zoals (groeps-)verkrachting, droneaanvallen
en brandstichting. Dit geweld was regelmatig expliciet gericht op burgers en burgerdoelen
zoals markten, ziekenhuizen, ontheemdenkampen, scholen en woonwijken. De SAF en de
RSF en hebben tot nu toe al tien- tot honderdduizenden mensen gedood. De veiligheidssituatie
is zeer precair en een einde van het conflict is op het moment van schrijven niet
in zicht.
15c beoordeling
Op basis van het ambtsbericht heb ik beoordeeld dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
in heel Sudan van toepassing is. Daarbij zullen de drie gradaties als volgt worden
toegepast:
• Er is in de staten Khartoum, Noord-Darfur, Zuid-Darfur, West-Darfur, Centraal-Darfur,
El Gezira en alle staten in Kordofan sprake van een uitzonderlijk niveau van willekeurig
geweld;
• Er is in de staten Oost-Darfur, Witte Nijl, Sennar en Blauwe Nijl sprake van een relatief
hoger niveau van willekeurig geweld;
• Er is in de overige staten, namelijk Abyei, Gedaref, Kassala, Noordelijke Staat, Nijl
en Rode Zee, sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
In Bijlage 1 (15c beoordeling per deelstaat Sudan) wordt de totstandkoming van bovenstaande
conclusies uitgebreid toegelicht.
Risicoprofielen en groepsvervolging
Naast willekeurig oorlogsgeweld is er in Sudan ook sprake van gericht, en in sommige
gevallen systematisch geweld jegens specifieke groepen burgers, die risico liepen
om te worden vermoord, verdreven, vervolgd en/of verkracht. Er is op grote schaal
seksueel geweld gepleegd als (etnisch gemotiveerde) oorlogsmethode, met als doel om
de bevolking schrik aan te jagen en de sociale cohesie te ontwrichten. De talloze
voorbeelden van gericht geweld leiden tot de conclusie dat de huidige risicoprofielen
onverminderd van toepassing zijn met inachtneming van onderstaande wijzigingen.
Eén van deze profielen, «leden van Emergency Response Rooms» is uitgebreid. Inmiddels
is er namelijk meer informatie over het risico dat andere hulpverleners lopen om door
de strijdende partijen tot doelwit gemaakt te worden, zoals medewerkers van professionele
hulporganisaties, medisch hulpverleners en vrijwilligers van andere burgerinitiatieven
zoals gaarkeukens. Om deze reden is het profiel nu breder geformuleerd als «humanitaire
hulpverleners». Afhankelijk van de individuele omstandigheden kan dit profiel, anders
dan eerder gesteld, ook tot een vergunning onder de a-grond leiden.
Het ambtsbericht beschrijft het recente geweld jegens de Kanabi. De Kanabi vormen
een sociaaleconomische «kaste», als afstammelingen van arbeidsmigranten die zich in
het verleden hebben gevestigd in El Gezira om in de landbouwsector te werken. In de
perceptie van de SAF zijn de Kanabi loyaal aan de RSF, en was dit de reden om wraakgeweld
te plegen nadat de SAF El Gezira heroverden. Dorpen van Kanabi werden geplunderd en
platgebrand en burgers werden met vuurwapens en messen aangevallen. Om deze reden
heb ik de Kanabi als nieuw risicoprofiel aangewezen.
Het ambtsbericht staat ook uitgebreid stil bij het etnisch-gemotiveerde en afrofobe
geweld door de RSF jegens Afrikaanse bevolkingsgroepen. De RSF en hun bondgenoten
spraken slachtoffers expliciet aan op hun zwarte huidskleur dan wel hun etniciteit
en pleegden op grote schaal ernstig geweld jegens hen. Uit het vorige ambtsbericht
bleek dat Masalit vaak expliciet om hun «Masalit-zijn» werden aangevallen en andere
Afrikaanse bevolkingsgroepen die géén Masalit waren soms ongemoeid konden worden gelaten.
Zodoende waren de Afrikaanse bevolkingsgroepen als risicoprofiel aangewezen en werd
alleen voor Masalit groepsvervolging aangenomen. Het huidige ambtsbericht, dat over
diverse ernstige geweldsplegingen jegens verschillende Afrikaanse bevolkingsgroepen
bericht, biedt onvoldoende aanknopingspunten om een dergelijk onderscheid te behouden.
Artsen zonder Grenzen concludeert dat de RSF en hun bondgenoten Afrikaanse bevolkingsgroepen
«systematisch» tot doelwit maken. Ook de VN-Mensenrechtenraad heeft vastgesteld dat
de RSF mogelijk misdaden tegen de menselijkheid heeft gepleegd, waaronder vervolging
op grond van etniciteit en uitroeiing. In dit verband stelde de VN-Mensenrechtenraad
vast dat de RSF gericht Afrikaanse bevolkingsgroepen tot doelwit van geweld maken,
in het bijzonder de Zaghawa, Fur, Masalit en Tunjur. Om deze reden heb ik besloten
om aan te nemen dat er voor alle Afrikaanse bevolkingsgroepen in RSF controlegebied
groepsvervolging wordt aangenomen. Daarmee komt het eerder gehanteerde risicoprofiel
«Afrikaanse bevolkingsgroepen» te vervallen.
Vervolg
Gezien de snel veranderende situatie in Sudan en het aanhoudende conflict, zal ik
het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzoeken om binnen afzienbare tijd opnieuw
een ambtsbericht uit te brengen en zal de situatie in Sudan ondertussen nauwgezet
in de gaten worden gehouden.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie