Brief regering : Voortgang uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal 2025
33 118 Omgevingsrecht
Nr. 318
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2026
In deze voortgangsbrief bied ik u een terugblik op het afgelopen kwartaal. In lijn
met mijn voorgangers, sta ik eerst stil bij de huidige stand van zaken rond de verdere
uitvoering van de Omgevingswet met de belangrijkste ontwikkelingen. Daarna sta ik
stil bij een aantal overige ontwikkelingen die het afgelopen kwartaal hebben plaatsgevonden.
In bijlage 1 vindt u vervolgens een tussentijdse cijfermatige stand van zaken over
het vierde kwartaal van 2025. In deze bijlage vindt u ook de cijfers sinds de inwerkingtreding.
Deze voortgangsbrief betreft de laatste brief in de reeks van brieven die uw Kamer
ieder kwartaal ontving over de voortgang van de uitvoering van de Omgevingswet. Met
de ingerichte monitoring inmiddels in volle werking, is gebleken dat ieder kwartaal
een voortgangsbrief opstellen niet meer hetzelfde effect heeft als voorheen en steeds
minder van toegevoegde waarde is. Zoals mijn voorganger in de vorige voortgangsbrieven
heeft aangekondigd, zal ik uw Kamer daarom vanaf 2026 in een lagere frequentie informeren
over de uitvoering van de Omgevingswet.1 Voorafgaand aan de start van ieder kalenderjaar ontvangt u een brief waarin vooral
vooruitgekeken wordt naar belangrijke ontwikkelingen voor het komende jaar. Dit houdt
in dat u de brief met vooruitblik op 2027 in het vierde kwartaal van 2026 ontvangt.
Daarnaast blijft u halverwege ieder jaar de uitkomsten van de jaarlijkse Monitor Werking
Omgevingswet ontvangen, waarin juist wordt gereflecteerd op het voorgaande jaar. Aanvullend
hierop blijft u uiteraard ook de bevindingen van de onafhankelijke Evaluatiecommissie
Omgevingswet ontvangen. Als er gedurende het jaar urgente ontwikkelingen zijn met
betrekking tot de uitvoering van de Omgevingswet, dan zal ik u hierover uiteraard
eerder (separaat) informeren.
Huidige fase
Net als in het derde kwartaal van 2025 lag ook in het laatste kwartaal van 2025 de
focus voor een belangrijk deel op:
– het functioneren van de planketen, met extra aandacht voor:
° het kunnen en leren werken in de planketen via het hoofdspoor (STOP/TPOD)2;
° het uitfaseren van de Tijdelijke alternatieve maatregelen (hierna: TAM) per 1 januari
2026;
° het (verder) benutten van de mogelijkheden die de (kern)instrumenten hebben onder
de Omgevingswet;
– de voorbereiding op de gefaseerde implementatie van STOP 1.4.
Ik neem uw Kamer graag mee in de voortgang en laatste stand van zaken van/met betrekking
tot deze onderwerpen. Onderwerpen die onderling met elkaar samenhangen en gericht
zijn op het werken met de (kern)instrumenten via het hoofdspoor en volgens de bedoeling
van de Omgevingswet.
Het functioneren van de planketen
In lijn met de vorige voortgangsbrief3 neemt het kennisniveau onder de bevoegde gezagen ten aanzien van het werken met de
(kern)instrumenten in de planketen over de volle breedte steeds meer toe. Bevoegde
gezagen hebben wederom, allemaal in hun eigen tempo, goede stappen gezet in hun eigen
transitie- en veranderopgave. Vanzelfsprekend blijven daarbij verschillen te zien
in de manier waarop de opgave wordt doorlopen en waar de focus ligt. Het toenemende
kennisniveau vertaalt zich ook in een toename van de toepassing van het hoofdspoor
bij veel van de (kern)instrumenten het afgelopen kwartaal (zie bijlage 1). Steeds
meer unieke bevoegde gezagen kunnen en hebben inmiddels één of meerdere procedures
via het hoofdspoor doorlopen.
Tegelijkertijd laten de cijfers over het vierde kwartaal van 2025 zien dat er door
gemeenten bij het werken aan omgevingsplanwijzigingen nog veel gebruik gemaakt werd
van de TAM. Deze piek in het gebruik van TAM-IMRO bij ontwerpomgevingsplanwijzigingen
(zie bijlage 1) is niet onverwacht. Met het oog op het definitief uitfaseren van de
TAM per 1 januari 2026 en de mogelijkheid om procedures waarvan het ontwerp vóór 1 januari
2026 ter inzage is gelegd, na 1 januari 2026 nog af te ronden met TAM-IMRO4, was een dergelijke piek te verwachten. Deze situatie is vergelijkbaar met de piek
van ontwerpbestemmingsplannen richting de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Inmiddels zijn alle gemeenten wel in staat om in technische zin te werken via het
hoofdspoor (STOP 1.3-standaard). Daarmee zijn de TAM overbodig geworden. Dit laat
onverlet dat er nog functionaliteiten in ontwikkeling zijn voor de gehele DSO-keten.
Het ontbreken van bepaalde functionaliteiten, waaronder het parallel kunnen publiceren
van omgevingsplanwijzigingen als onderdeel van de STOP 1.4-standaard, vormt echter
geen (technische) belemmering om te kunnen werken via het hoofdspoor met de STOP 1.3-standaard.5 Werkende techniek alleen is echter niet voldoende. Gemeenten dienen ook over voldoende
kennis te beschikken; kennis over enerzijds het (kunnen) werken met de nieuwe techniek
(DSO) en anderzijds kennis over de Omgevingswet.6 Omdat vanaf 1 januari 2026 alle bevoegde gezagen geen gebruik meer kunnen maken van
de TAM bij nieuwe procedures en vanaf nu allemaal het hoofdspoor moeten gebruiken,
was een groot deel van de uitvoeringsondersteuning het afgelopen kwartaal gericht
op het vergroten van deze kennis. De inzet van de ondersteuning was om alle gemeenten
tijdig in staat te stellen om te kunnen werken via het hoofdspoor. De uitvoeringsondersteuning
richtte zich specifiek op gemeenten, omdat alle provincies, waterschappen en rijkspartijen
al geruime tijd volledig via het hoofdspoor kunnen werken en dat ook in bijna alle
gevallen doen. Gelet op het feit dat de TAM per 1 januari 2026 definitief zijn uitgefaseerd,
beschouw ik alle toezeggingen aan de Eerste Kamer aangaande de TAM als voldaan.7
Hoewel het aantal vragen van gemeenten over het uitfaseren van de TAM dat is binnengekomen
bij de VNG en het IPLO beperkt is gebleven, is het mogelijk dat gemeenten de komende
periode toch extra vragen hebben over het werken via het hoofdspoor. Om gemeenten
waar nodig te ondersteunen bij het werken via het hoofdspoor bij omgevingsplanwijzigingen
blijft vanuit de uitvoeringsondersteuning, in samenwerking met de VNG, ondersteuning
beschikbaar. De komende periode worden net als in 2025 door de VNG, in samenwerking
met mijn ministerie, verschillende netwerksessies georganiseerd waarin de aandacht
ligt op het werken aan het omgevingsplan via het hoofdspoor. Ook (stedenbouwkundige)adviesbureaus
zijn welkom bij deze sessies. Daarnaast worden de regionale werkplaatsen «Gebiedsontwikkeling
in STOP/TPOD» in de eerste helft van 2026 voortgezet.
Naast de specifieke uitvoeringsondersteuning, gericht op het werken aan omgevingsplanwijzigingen
via het hoofdspoor, blijf ik samen met de (inter)bestuurlijke partijen ook op overige
onderdelen uitvoeringsondersteuning bieden aan de bevoegde gezagen, en loopt in ieder
geval conform de toezegging aan de Eerste Kamer nog drie jaar door.8 Ondersteuning die erop gericht is om de bevoegde gezagen op weg én verder te helpen
in het doorlopen van hun eigen transitie- en veranderopgave. Daarbij ligt de focus
op het zo optimaal mogelijk benutten van de (kern)instrumenten en de kansen die de
Omgevingswet biedt. De ondersteuning op dit gebied vanuit de VNG vindt in toenemende
mate plaats in regionale trajecten, zoals SPRONG.9 Daarnaast worden de veldlabs van Geonovum over het annoteren van activiteiten gecontinueerd
in 2026. Deze veldlabs dragen bij aan het verbeteren van de gebruiksvriendelijkheid
van het Omgevingsloket. Daarbij merk ik dat er vanuit de uitvoeringspraktijk veel
waardering is voor de ondersteuning die wordt geboden, waarbij met name de combinatie
van theorie en praktijk als positief wordt ervaren.
Naast het bieden van uitvoeringsondersteuning helpt ook de toenemende ervaring met
het gebruik van de kerninstrumenten en het onderling delen van deze ervaringen. Kennis
en ervaringen die worden gedeeld in (regionale) sessies, dan wel online via de DSO-community10 of op andere wijze. Via de DSO-community worden bijvoorbeeld ook best practices beschikbaar
gesteld. Dit alles maakt dat de kennis over en ervaring met het werken met de Omgevingswet
en volgens de bedoeling van de wet stap voor stap toeneemt. Dit stemt mij positief
over het vervolg in 2026 en verder, waarin bevoegde gezagen verder aan de slag gaan
met het toepassen van de (kern)instrumenten van de Omgevingswet. De(inter)bestuurlijke
partijen en ik moedigen dit aan en blijven de komende periode ondersteunen.11
Roadmap en gefaseerde implementatie van STOP 1.4-standaard
In de vorige brief is genoemd dat, voor een duurzaam gebruik van het hoofdspoor, het
op een verantwoorde, doch zo snel mogelijke wijze het implementeren van de nieuwe
STOP 1.4-standaard van belang is. Deze standaard bevat verschillende complexe mutatiescenario’s,
zoals het parallel kunnen publiceren van omgevingsplanwijzigingen door gemeenten in
de planketen. Bevoegde gezagen hebben de nieuwe STOP 1.4-standaard nodig voor het
volledig parallel kunnen werken in de planketen. Het implementeren van de verschillende
mutatiescenario’s in de STOP 1.4-standaard gebeurt, zoals eerder al is gemeld, stapsgewijs
op basis van een interbestuurlijke roadmap.12 Het afgelopen kwartaal is deze roadmap interbestuurlijk besproken en vastgesteld.
Aan de hand van deze roadmap is begin 2026 gestart met de gefaseerde implementatie
van de STOP 1.4-standaard. Hiermee is een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling
van de laatste functionaliteiten die behoren tot het interbestuurlijke afgesproken
basisniveau voor het DSO-LV (afbouw).13 Tegelijkertijd is de ontwikkeling van STOP 1.5-standaard in gang gezet om de functionaliteit
van omgevingsdocumenten verder te verbeteren. De gehele implementatie van de STOP
1.4 en STOP 1.5-standaarden is uiterlijk in 2028 voorzien.
Overige ontwikkelingen vierde kwartaal 2025
Naast voorgaande ontwikkelingen neem ik uw Kamer mee in de laatste stand van zaken
over:
– de gebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket;
– ontwikkelingen in het DSO;
– financiën;
– motie Nooren c.s.;
– wetgeving; en
– monitoring en evaluatie.
De gebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket
Het afgelopen kwartaal is verder gewerkt aan het verbeteren van de gebruiksvriendelijkheid
van het Omgevingsloket. In dit kader zijn in het Omgevingsloket weer verschillende
technische en inhoudelijke verbeteringen doorgevoerd. Vanuit de opzet van het Omgevingsloket
raakt de ontwikkeling aan de grenzen van wat technisch mogelijk is. De meeste technische
oplossingen zijn onderliggend al doorgevoerd en beginnen zich te tonen in functionaliteiten
waar burgers en bedrijven gebruik van maken. De grootste verbeteringen zitten in de
hoek van de inhoudelijke informatie die alle overheden gezamenlijk via het DSO ontsluiten.
In dit kader wordt doorgewerkt aan meer specifieke landingspagina’s in het Omgevingsloket.
Dit zijn pagina’s waar specifieke doelgroepen de voor hen van belang zijnde informatie
gemakkelijk kunnen raadplegen. Met de komst van de landingspagina’s is het voor bevoegde
gezagen mogelijk om bijvoorbeeld themagericht hun website in te richten en rechtstreeks
naar de Omgevingsloketfunctionaliteiten te gaan. Om te achterhalen welke (informatie)behoefte
leeft bij de verschillende doelgroepen worden onder andere gebruikerstesten uitgevoerd
en vindt constructief overleg plaats met verschillende brancheorganisaties en -verenigingen.
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan een specifieke landingspagina voor het
bedrijfsleven. Deze landingspagina is met name bedoeld voor nieuwe gebruikers van
het Omgevingsloket. Het doel hiervan is om ondernemers beter te begeleiden bij hun
eerste gebruikerservaringen. De verwachting is dat deze pagina’s in het eerste kwartaal
van 2026 operationeel zijn. Parallel hieraan worden in thematische werkgroepen specifieke
verbeterpunten verder uitgewerkt, zoals op het gebied van brandveilig gebruik en bodemactiviteiten.
Uit de eerder genoemde gebruikerstesten blijkt onder andere dat burgers en bedrijven
behoefte hebben aan zekerheid of iets wel of niet mag. Hoe concreter een bevoegd gezag
definieert voor wie en waar een regel of een norm bedoeld is, hoe beter het Omgevingsloket
hierover uitsluitsel kan geven. Dit levert voordelen op voor initiatiefnemers én voor
het bevoegd gezag zelf. Met name voor gemeenten kan dit bijdragen aan snellere afhandeling
van vergunningaanvragen met minder capaciteit. Om dit te bewerkstelligen blijft het
onverminderd van belang dat alle bevoegde gezagen hun (juridische) regels goed toepasbaar
maken en hun omgevingsdocumenten annoteren. Het stelsel aanvullen met de juiste content
is cruciaal voor de werking van het stelsel. Ik zie dat het aantal regelanalisten
stijgt en ook het kennisniveau over regelbeheer en de noodzaak van goed annoteren
toeneemt. Niettemin blijf ik alle bevoegde gezagen oproepen om hierop in te zetten.
Ook blijf ik de bevoegde gezagen hierin, samen met de (inter)bestuurlijke partijen,
ondersteunen.
Naast de eerder al aangehaalde veldlabs, georganiseerd door Geonovum, werpen inmiddels
ook de annotatierichtlijn en de werkwijzer toepasbare regels hun vruchten af.14 Beide worden steeds vaker toegepast. Daarnaast zijn door het Informatiepunt Leefomgeving
(IPLO) twee «vodcast» (video+podcast) opgeleverd over toepasbare regels15 en volgen er komend jaar meer. Deze vodcasts nodigen regelanalisten, juristen en
beleidsmakers uit om vanuit de wereld van burgers en bedrijven te denken en geven
uitleg hoe zij goede en begrijpelijke toepasbare regels kunnen opstellen. Toepasbare
regels – die door TR-experts vanuit mijn ministerie en een aantal betrokken (inter)bestuurlijke
partijen – worden geëvalueerd, waarbij gekeken wordt of de juiste koppelingen worden
gelegd tussen werkzaamheden (die gebruikt worden bij de Vergunningcheck) en (juridische)
activiteiten. Deze uitkomsten vormen vervolgens weer waardevolle input voor de uitvoeringsondersteuning,
maar ook voor beleidsmakers die zo beter zicht krijgen op de werking van hun beleid.
Tot slot kunnen bevoegde gezagen gebruik maken van een digitaal inloopspreekuur voor
vragen over toepasbare regels en worden ook in dit kader de best practices en opgedane
ervaringen gedeeld via de DSO-community.
Tegelijkertijd blijf ik alle bevoegde gezagen aanmoedigen om ook met hun eigen websites,
waar nodig, aan de slag te gaan. De klantreis van een gebruiker en daarmee ook de
gebruikerservaring start immers vaak op de website van een bevoegd gezag, waarna de
gebruiker vervolgens in het Omgevingsloket terechtkomt. Beide, de website van het
bevoegd gezag en het Omgevingsloket, zijn dan ook van invloed op de algehele gebruikerservaring
van een gebruiker en de één loket gedachte.
Ontwikkelingen in het DSO
Actualisatie Visie op het DSO
De huidige interbestuurlijke visie «Digitaal Stelsel Omgevingswet 2024» is onderdeel
van een aantal sturingsdocumenten die richting geven aan de afbouw, doorontwikkeling
en uitbouw van het DSO.16 De huidige visie op het DSO heeft hieraan in de afgelopen jaren dan ook een belangrijke
bijdrage geleverd. Desondanks ben ik – samen met de interbestuurlijke partijen – van
mening dat de huidige visie aan een actualisatie toe is. Hiervoor is een aantal redenen
aan te voeren: de door alle betrokkenen opgedane kennis en ervaring in het werken
met het DSO sinds de inwerkintreding, nieuwe technologische ontwikkelingen en de ontwikkelingen
binnen de e-overheid (waaronder AI en de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS)17). In afstemming met de interbestuurlijke partners is dan ook het afgelopen kwartaal
gestart met de actualisatie van de huidige visie. Bij de actualisatie worden diverse
stakeholders – binnen en buiten het DSO – gevraagd om hun inzichten, wensen en belangen
in te brengen. Op basis van al deze input werk ik met de betrokken partijen toe naar
een (geactualiseerde) toekomstbestendige visie voor het DSO. Op basis van de huidige
planning verwacht ik deze – interbestuurlijk afgestemde – nieuwe toekomstbestendige
visie voor de zomer met uw Kamer te kunnen delen. Indien de nieuwe visie aanleiding
geeft tot mogelijke wijzigingen in de – interbestuurlijk afgestemde – Uitbouwagenda
DSO-LV, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Integraal testbeleid DSO
Om de kwaliteit en betrouwbaarheid van het DSO te blijven waarborgen worden continu
testen uitgevoerd. Zowel op de landelijke voorziening van het DSO, de Landelijke Voorziening
Bekendmaken en Beschikbaar (LVBB) stellen, als op het decentrale deel van het DSO
(door bevoegde gezagen en haar softwareleveranciers). Om de kwaliteit en betrouwbaarheid
van dit stelsel als geheel te blijven waarborgen, zijn de integrale testactiviteiten
recent vastgelegd in het «Integraal testbeleid DSO».18 Dit beleid beschrijft hoe alle betrokken partijen de komende jaren blijven samenwerken
om het DSO continu te testen en te verbeteren.
Financiën
In november is de begroting voor beheer en doorontwikkeling van de DSO-LV voor het
jaar 2026 door de interbestuurlijke partners goedgekeurd, binnen de daarvoor beschikbare
interbestuurlijke middelen. Dit betekent dat de beheerpartijen voor de start van het
boekjaar een definitieve opdrachtverstrekking hebben ontvangen. Onderdeel van deze
begroting is ook een meerjarenbeheerperspectief tot en met 2030 waarin onder andere
rekening wordt gehouden met de beheerlast van nog te ontwikkelen functionaliteiten,
life-cycle management en eventuele op te vangen tegenvallers. Dit perspectief laat
zien dat de kosten voor beheer en doorontwikkeling van de DSO-LV naar verwachting
in balans zijn met de beschikbare middelen, bij ongewijzigde omstandigheden. Daarbij
is de verwachting dat dit meerjarenbeheerperspectief de beheerpartijen voldoende zekerheid
geeft om het beheer de komende jaren gedegen en stabiel uit te voeren. Met dit meerjarenperspectief
is ook invulling gegeven aan de laatste openstaande punten van de motie Kluit c.s.19, respectievelijk de toezegging aan de Eerste Kamer rondom de financiële afspraken
ten aanzien van het beheer en onderhoud van het DSO20, welke ik dan ook beide als uitgevoerd/voldaan beschouw. Daarnaast zijn er in de
voorjaarnota 202521 middelen gereserveerd voor de ontwikkeling van de DSO-LV en de LVBB, passende bij
de eerder genoemde roadmap voor de implementatie van de nieuwe STOP-standaard(en).
Motie Nooren c.s.
Uit openbare data blijkt dat op dit moment ruim 90% van de gemeenten beschikt over
een vorm van participatiebeleid, zoals visiedocumenten, nota’s of verordeningen. Een
klein deel maakt nog gebruik van een (verouderde) inspraakverordening en een deel
is bezig met het op- en vaststellen van dergelijk participatiebeleid. Deze ontwikkeling
toont aan dat participatie steeds meer en structureel is, dan wel wordt verankerd
door gemeenten, waarmee ik de motie Nooren c.s.22 als uitgevoerd beschouw.
Wetgeving
Vanuit de beleidsverantwoordelijkheid van verschillende bewindspersonen zijn in 2025
in totaal 38 wijzigingen van het stelsel bekendgemaakt (3 wetswijzigingen, 14 AMvB-wijzigingen
en 21 wijzigingen van de Omgevingsregeling). Sommige wijzigingen implementeren Europees
recht en bij een aantal gaat het om technische aanpassingen, zoals een verzamelwet.
Die aantallen vertonen een lichte toename ten opzichte van de wijzigingen die werden
gepubliceerd in de jaren voor de inwerkingtreding van het stelsel en het eerste jaar
van inwerkingtreding (2022: 25, 2023: 33, 2024: 27). Het gaat vooral om een toename
in losse wijzigingen van de Omgevingsregeling. Daarnaast is in het afgelopen jaar
een zogenaamde stelselcheck uitgevoerd op 56 wijzigingen van het stelsel die in voorbereiding
of in consultatie waren. Die tussenstap vormt een waarborg van de uitgangspunten en
de wetgevingskwaliteit voor regelgevingsvoornemens van het Rijk die betrekking hebben
op het stelsel van de Omgevingswet, ook als die worden getrokken door andere ministeries.
De regeringscommissaris Omgevingswet heeft het afgelopen jaar een tweede advies gegeven.
Dat ging over de consultatieversie van het voorstel van de Wet op de defensiegereedheid.
Het advies is na de aanbieding van het voorstel voor advisering aan de Raad van State
gepubliceerd.23
Monitoring en evaluatie Omgevingswet
In 2026 kan uw Kamer vanuit de ingerichte monitoring en evaluatie de volgende informatie
ten aanzien van de Omgevingswet verwachten:
– het tweede reflectierapport van de onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet
over 2025;
– de (jaarlijkse) rapportage over 2025 vanuit de Monitor Werking Omgevingswet; en
– de eerste integrale financiële monitoringrapportage vanuit de ingerichte financiële
monitoring Omgevingswet (inclusief Wkb).
Invoeringstoets Omgevingswet
Naast bovenstaande rapportages wordt op dit moment hard gewerkt aan de invoeringstoets
Omgevingswet. Deze toets is bedoeld om vroegtijdig inzicht te krijgen in eventuele
knelpunten en onbedoelde effecten. In de vorige voortgangsbrief is uw Kamer geïnformeerd
dat de resultaten hopelijk in het eerste kwartaal van 2026 konden worden gepubliceerd.
De uitvoering van de invoeringstoets blijkt echter complexer dan aanvankelijk voorzien.
Dit maakt dat meer tijd nodig is voor een zorgvuldige afronding. De resultaten zullen
daarom naar verwachting pas rond de zomer gereed zijn en met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een mooie slag gemaakt in de vereenvoudiging
van het Omgevingsrecht. Zowel gemeenten, waterschappen, provincies, rijkspartijen
als ketenpartners zetten goede stappen in hun eigen transitie- en veranderopgave.
Het kennisniveau neemt verder toe, als ook het gebruik van de (kern)instrumenten.
Ik kijk met vertrouwen naar het vervolg in 2026 en verder waarin ik de bevoegde gezagen,
samen met de (inter)bestuurlijke partijen, blijf aanmoedigen en ondersteunen. Ondersteuning
die erop gericht is om de bevoegde gezagen op weg én verder te helpen in het doorlopen
van hun eigen transitie- en veranderopgave. Met de focus op het zo optimaal mogelijk
benutten van de (kern)instrumenten en de kansen die de Omgevingswet biedt.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O’Sullivan
Indieners
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening