Brief regering : Rapportage Internationale Misdrijven 2024-2025
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 132
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2026
Hierbij zenden wij uw Kamer de rapportagebrief over de Nederlandse aanpak van internationale
misdrijven in 2024–2025.1 Naast de vele aandacht die er is voor de internationale aanpak van internationale
misdrijven, hebben landen ook een belangrijke rol om binnen de eigen landgrenzen op
te treden. De primaire verantwoordelijkheid voor opsporing en vervolging van internationale
misdrijven ligt op grond van het complementariteitsbeginsel als vervat in het Statuut
van Rome voor het Internationaal Strafhof namelijk bij nationale overheden. De nationale
strijd tegen straffeloosheid voor deze zeer ernstige misdrijven is dan ook sinds jaar
en dag een belangrijk onderwerp voor het kabinet. Nederland wil geen veilige haven
zijn voor plegers van internationale misdrijven. Hier wordt actief op ingezet, met
zowel een strafrechtelijke als een vreemdelingrechtelijke aanpak. Daarmee wordt jaarlijks
voorkomen dat plegers van internationale misdrijven ten onrechte aanspraak kunnen
maken op bescherming in Nederland. Tegelijkertijd worden verdachten van vermeende
internationale misdrijven strafrechtelijk vervolgd, soms resulterend in levenslange
gevangenisstraffen.
De toename van gewapende conflicten wereldwijd is ook in de keten te merken. De inspanningen
die door de keten worden verricht zijn intensief en omvangrijk. In deze brief zullen
wij enkele aspecten uitlichten. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet alle inspanningen
van de keten direct zichtbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Zo is de opsporing en
vervolging van internationale misdrijven complex en tijdrovend en kan vaak pas informatie
over een zaak worden gedeeld als er voldoende bewijs voorhanden is voor een aanhouding.
2. De bijdrage van de keten aan het tegengaan van straffeloosheid
2.1 Verdachten voor de rechter: opsporing en vervolging
De afgelopen jaren neemt het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar internationale
misdrijven die resulteren in berechting toe. Waar er in 2014 slechts één zaak voor
de rechter werd gebracht, werden in 2024 en 2025 dertien verdachten vervolgd en waren
er in totaal achttien lopende strafrechtelijke onderzoeken.2 In enkele gevallen gaat het om de vervolging van verdachten voor misdrijven die nog
voor de eeuwwisseling hebben plaatsgevonden, in Rwanda of in Afghanistan. Het merendeel
van de vervolgingen ziet echter op recentere situaties, met betrekking tot Islamitische
Staat (IS) of andere strijdende partijen in het Midden-Oosten. In die zaken is dan
ook naast vervolging voor internationale misdrijven soms ook sprake van vervolging
voor terroristische misdrijven.
Zo is op 11 december 2024 de verdachte Hasna A. door de rechtbank Den Haag veroordeeld
tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor vier misdrijven.3 Ze is veroordeeld voor aansluiting bij de terroristische organisatie IS, deelname
en bevordering van terroristische misdrijven van IS, en voorts voor het in hulpeloze
toestand brengen en houden van haar toen 4-jarige zoontje dat ze meenam toen ze begin
2015 afreisde naar het zogeheten «kalifaat» van IS in Syrië. Het zwaarste misdrijf
waar Hasna A. voor is veroordeeld, is het internationale misdrijf slavernij gepleegd
tegen een tot slaaf gemaakte Jezidi-vrouw. Slavernij van gevangengenomen Jezidi vrouwen
en meisjes was onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval die de IS uitvoerde
op de Jezidi’s in Noord-Irak (burgerbevolking). De rechtbank overwoog in het vonnis
dat Hasna A. van de aanval afwist en de slavernij als onderdeel daarvan pleegde, zodat
dit een misdrijf tegen de menselijkheid oplevert. De rechtbank benoemde nadrukkelijk:
«Misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder begrepen slavernij, behoren tot de ernstigste
internationale misdrijven en vervullen de gehele internationale gemeenschap met zorg.
Het verbod op slavernij is een regel die als zo fundamenteel voor de internationale
rechtsorde wordt beschouwd, dat afwijking van deze regel niet toelaatbaar is. De aanval
van IS op de jezidi gemeenschap waarbij vrouwen en meisjes tot slaaf werden gemaakt,
heeft op grote schaal internationale verontwaardiging en verontrusting gewekt.»
De behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag zal naar verwachting
in februari 2026 plaatsvinden.
In 2024 is ook verdachte Ayada K. aangehouden, na terugkomst uit Syrië. Zij wordt
verdacht van deelname aan de terroristische organisatie IS, het achterlaten van een
hulpbehoevende, het treffen van voorbereidingshandelingen van een misdrijf met een
terroristisch oogmerk, het onttrekken van haar kinderen aan het gezag van hun vader
en als internationaal misdrijf medeplichtigheid aan het inzetten van haar toen 14-jarige
zoon voor de strijdkrachten van IS. Uniek aan deze zaak is dat voor het eerst in Nederland
vervolging plaatsvindt voor het inzetten van een kindsoldaat als oorlogsmisdrijf.
Het onderzoek naar de feiten loopt en de behandeling bij de rechtbank Den Haag zal
plaatsvinden op 27 maart 2026.
Daarnaast is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een verdachte voor de rechter
gebracht die aan de kant van het Syrische regime stond.4 Mustafa A. kreeg in hoger beroep een gevangenisstraf van 13 jaar opgelegd voor het
medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving
en voor medeplichtigheid aan de daaropvolgende foltering en marteling. Daarnaast werd
Mustafa A. veroordeeld voor zijn deelname aan de criminele organisatie Liwa al-Quds,
een militie die het Syrische regime steunde, die tot oogmerk het plegen van oorlogsmisdrijven
en misdrijven tegen de menselijkheid heeft. Er is cassatie ingesteld door de verdediging,
dus de zaak is nog niet afgerond.
De tweede regimezaak die op dit moment loopt, betreft de zaak van de Syriër Rafik
A. Hij is op 8 december 2023 aangehouden in Nederland, waar hij reeds enkele jaren
woonde. Hij wordt ervan verdacht als verhoorder werkzaam te zijn geweest in Syrische
detentiecentra en zich in die hoedanigheid schuldig te hebben gemaakt aan foltering,
marteling als misdrijf tegen de menselijkheid en seksuele delicten als misdrijven
tegen de menselijkheid. Deze verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis en de
zaak zal in april 2026 worden behandeld bij de rechtbank Den Haag.
Deze zaken geven een beeld van de resultaten van de inspanningen van de strafrechtketen
in 2024–2025. Daarnaast tonen ze het belang van erkenning van de ernst en strafwaardigheid
voor de bredere gemeenschap die te lijden heeft gehad onder de misdrijven waar het
om gaat, bijvoorbeeld als het gaat om de misdrijven tegen de Jezidi’s zoals de wereldwijde
aandacht vanuit de Jezidi gemeenschap voor de zaak tegen Hasna A. laat zien.
Naast de vervolgingen die in 2024–2025 hebben plaatsgevonden, worden er diverse andere
opsporingsonderzoeken verricht. Ook worden vele aangiften, meldingen en andere indicaties
over internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft onderzocht, zowel
met betrekking tot oudere als recentere situaties. De afgelopen jaren is sprake van
een toename van aangiftes met betrekking tot internationale misdrijven gepleegd in
Gaza. Deze aangiftes worden door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie
zorgvuldig beoordeeld volgens de Instructie afdoening aangiften Wet Internationale
Misdrijven.
2.2 Voorkomen van een veilige haven: het 1F beleid in de praktijk
De bescherming die het Nederlandse asielbeleid biedt, kent een duidelijke grens: een
vreemdeling die zelf betrokken is bij ernstige misdrijven, zoals oorlogsmisdrijven,
foltering, maar ook zware geweldsdelicten, kan hier geen bescherming krijgen. Dat
is verankerd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vlv).
Wanneer tijdens of na de asielprocedure signalen naar voren komen dat een vreemdeling
mogelijk betrokken is bij dergelijke misdrijven (bijvoorbeeld uit eigen verklaringen
of andere aanwijzingen) neemt de gespecialiseerde Unit 1F het onderzoek over. De Unit
1F gaat daarbij zorgvuldig te werk: openbare bronnen worden geraadpleegd, sociale
media geanalyseerd en indien nodig worden aanvullende gehoren gehouden.
Indien wordt geconcludeerd dat artikel 1F Vlv van toepassing is, volgt geen verblijfsrecht.
De bewijslast ligt bij de IND: er moeten serieuze aanwijzingen zijn dat de vreemdeling
bewust heeft deelgenomen aan een ernstig misdrijf. Dit criterium is lichter dan in
het strafrecht, maar wordt zorgvuldig toegepast.
Een vreemdeling kan zo’n besluit altijd voorleggen aan de rechter. Wordt artikel 1F
Vlv tegengeworpen, dan volgt meestal ook een terugkeerbesluit (de plicht om de Europese
Unie te verlaten), een inreisverbod (tien jaar lang geen toegang tot de Europese Unie)
en een signalering in het Schengen Informatiesysteem, zodat andere lidstaten weten
dat deze vreemdeling het grondgebied van de Europese Unie niet mag inreizen op grond
van openbare orde (inreisverbod).
In de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2023 werd uw Kamer reeds bericht dat
het Europees Hof van Justitie in juli 2023 heeft bepaald dat een terugkeerbesluit
niet mag worden opgelegd als iemand vanwege het verbod op foltering of onmenselijke
behandeling zoals neergelegd in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens (EVRM) niet kan worden uitgezet.5 In dat geval kan er dus ook geen inreisverbod volgen, al blijft signalering in het
Schengen-systeem wel mogelijk. Daarbij is destijds aangegeven dat bij de bestudering
van de gevolgen van dit arrest voor de uitvoering de IND tijdelijk zaken heeft aangehouden.
Hieronder bevonden zich ook 1F-zaken. De destijds verwachte toename in de 1F-cijfers
van 2024 heeft zich gerealiseerd.
Verder zijn in 2024–2025 meerdere rechterlijke uitspraken geweest in zaken waarin
de IND artikel 1F Vlv heeft tegengeworpen vanwege seksuele handelingen tussen meerderjarige
Syrische mannen en minderjarige meisjes binnen zogenoemde kindhuwelijken (ook wel
aangeduid met traditionele huwelijken). Hierbij gaat het nadrukkelijk niet om het
huwelijk zelf, maar om de seksuele handelingen met een minderjarige, die zowel in
Syrië als in Nederland strafbaar zijn en internationaal als ernstig misdrijf worden
aangemerkt.
Zo oordeelden de rechtbanken Haarlem6 en Den Bosch7 dat de betrokken vreemdelingen wisten of hadden moeten weten dat zij een ernstig
misdrijf pleegden. De beoordeling werd uitgevoerd aan de hand van de factoren uit
het handboek van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) en de Vreemdelingencirculaire,
waaronder de aard en gevolgen van het misdrijf, de strafmaat, internationale consensus
en de gevolgde strafprocedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
zal naar verwachting begin 2026 uitspraak doen in het hoger beroep in deze zaken,
van belang is voor de verdere interpretatie en toepassing van artikel 1F Vlv.
Vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen zijn verplicht de Europese Unie
en dus ook Nederland te verlaten. De DTenV zet zich actief in om dit te realiseren.
In 2024–2025 zijn er 54 1F-ers aantoonbaar vertrokken.
In de praktijk blijkt terugkeer vaak complex door factoren zoals een 3 EVRM-beletsel,
medische omstandigheden of beperkte medewerking van het land van herkomst bij gedwongen
terugkeer. De DTenV blijft zich ook onder deze omstandigheden voortdurend inzetten
om vertrek te realiseren, om zo te waarborgen dat Nederland geen veilige haven biedt
aan personen die met ernstige misdrijven in verband worden gebracht.
2.3 Internationale samenwerking als sleutel
Nederland is uiteraard niet het enige land dat zich inzet om te voorkomen dat plegers
van internationale misdrijven ten onrechte een beroep kunnen doen op bescherming en
opsporing en vervolging proberen te ontlopen. Internationale samenwerkingen met landen
die onze doelstellingen delen is van grote toegevoegde waarde, zowel om van elkaar
te kunnen leren als ten behoeve van concrete casussen.
De keten heeft daarom ook in 2024 deelgenomen aan gremia die zich hierop richten,
zoals het European Union Agency for Asylum (het «EU Exclusion Network»), het European
Network for investigation and prosecution of genocide, crimes against humanity and
war crimes (het «Genocide Prosecution Network»), en het Analysis Project – Core International
Crimes bij Europol (AP-CIC). Dat dergelijke samenwerkingen tot concrete resultaten
kunnen leiden wordt goed geïllustreerd door de resultaten van voormeld AP-CIC. Mede
dankzij de door het Team Internationale Misdrijven van de politie gedeelde kennis,
expertise en operationele inzet in dit gremium, konden namelijk acht ontvoerde Oekraïense
kinderen worden gelokaliseerd achter de frontlinie van de Russische Federatie. Er
wordt bovendien actief aansluiting gezocht bij gremia die zich richten op het tegengaan
van straffeloosheid van misdrijven in concrete situaties. Dit gebeurt bijvoorbeeld
middels het Joint Investigation Team (JIT) inzake misdrijven tegen de Jezidi’s in
Syrië en Irak en de – recentelijk met een jaar verlengde – OSINT Operational Taskfore
(OTF) Ukraine, waarover uw Kamer al eerder werd geïnformeerd.8
Ter verdere bevordering van nationale opsporing en vervolging heeft Nederland zich
de afgelopen jaren ingespannen voor de totstandkoming van het Verdrag van Ljubljana-Den Haag.9 Dit multilaterale Verdrag voorziet in een kader voor onder meer rechtshulp en uitlevering
voor internationale misdrijven. Het zal landen de mogelijkheid bieden om elkaar assistentie
te verlenen bij deze vaak complexe strafzaken. Uw Kamer is de afgelopen jaren meermalen
geïnformeerd over dit Verdrag. In februari 2024 is het verdrag door Nederland en 34
andere landen ondertekend en thans staat de teller op 40. Na ondertekening is gestart
met het proces voor ratificatie en er wordt momenteel hard gewerkt aan uitvoeringswetgeving.
Deze zal op termijn aan uw Kamer worden aangeboden.
3. Innovatie en ontwikkelingen
3.1 Technologische innovatie
In de strafrechtelijke onderzoeken naar misdrijven die decennia geleden zijn gepleegd,
wordt het bewijsmateriaal voornamelijk gezocht en gevonden in de vorm van getuigenverklaringen.
In de strafrechtelijke onderzoeken naar meer recent gepleegde misdrijven spelen daarentegen
andere categorieën van bewijsmateriaal een steeds grotere rol. Daarbij kan worden
gedacht aan bijvoorbeeld video’s die op social media worden gepost. Onderzoeksmethoden
zoals Open Source Intelligence (OSINT) worden daarom steeds belangrijker. Binnen de
politie is hier de afgelopen jaren de nodige expertise op verkregen. Die expertise
wordt aangewend ten behoeve van de eigen nationale onderzoeken. Gezien de schaarse
OSINT-capaciteit en expertise bundelt de Nederlandse politie de krachten ook op Europees
niveau, bijvoorbeeld via het hiervoor genoemde AP-CIC. In de reeds genoemde zaak jegens
Mustafa A. werd veel door OSINT-onderzoek verkregen informatie als bewijsmateriaal
gepresenteerd. De rechtbank Den Haag accepteerde dit als bewijs en verdachte werd
onder meer op basis van dit OSINT-bewijs veroordeeld. Daarnaast heeft in 2024 een
zogenoemde Hackathon plaatsgevonden, uitgevoerd door het Team Internationale Misdrijven
in nauwe samenwerking met onder andere Europol, waarbij uiteindelijk succesvol een
aantal vermiste Oekraïense kinderen zijn gelokaliseerd in de Russische Federatie en
Belarus.10 Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende digitale opsporingsmethoden. Wegens
dit succes is er ook in 2025 een Hackathon georganiseerd, ditmaal met als doel om
voormalige functionarissen van het Assad-regime te lokaliseren die verdacht worden
van betrokkenheid bij internationale misdrijven.
Ook bij de IND kan in voorkomend geval, in aanvulling op dossieronderzoek en gehoren,
online-onderzoek een rol spelen. Verdergaande vormen van OSINT-activiteiten passen
niet bij de opdracht en de bevoegdheden van deze organisatie. Dit betekent dat naast
eigen verklaringen van de betrokken persoon, rapporten van internationale organisaties,
ambtsberichten, soms ook diepgaand online-onderzoek wordt gebruikt ter onderbouwing
van een 1F-tegenwerping. Dit wordt alleen gedaan in de gevallen dat de zaak daar aanleiding
toe geeft en wordt ook door de vreemdelingenrechter geaccepteerd.
3.2 Juridische ontwikkelingen
De opsporing en vervolging van internationale misdrijven is zeer complex: het bewijs
van de strafbare feiten bevindt zich geregeld in het buitenland, er is specialistische
kennis nodig voor het verkrijgen en analyseren van dit soort bewijs en rechtshulp
met deze landen waar de internationale misdrijven hebben plaatsgevonden is niet altijd
mogelijk. Vanwege deze complicerende factoren en de ernst van de internationale misdrijven,
komt het steeds vaker voor dat de VN onderzoeksorganisaties instelt voor (onder andere)
het verzamelen, analyseren, bewaren en verstrekken van bewijsmateriaal van internationale
misdrijven ten behoeve van opsporing en vervolging door staten of internationale gerechten.
Deze worden veelal aangeduid als bewijsvergaringsmechanismen. Om de mogelijkheden
tot strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en dergelijke bewijsvergaringsmechanismen
te verbeteren wordt op dit moment gewerkt aan een wettelijke regeling. Uw kamer zal
hier te zijner tijd verder over worden geïnformeerd.
Ook het eerder al genoemde Verdrag van Ljubljana-Den Haag is uiteraard een belangrijke
juridische ontwikkeling.
Voor wat betreft belangrijke juridische ontwikkelingen in het vreemdelingenrecht wordt
onder meer verwezen naar de gevolgen van de hiervoor genoemde uitspraak van het Europees
Hof van Justitie van 22 juli 2023, aangaande inreisverboden.
3.3 Versterking ketensamenwerking
Binnen de strafrechtketen wordt vanuit het Team Internationale Misdrijven van de politie
en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie ingezet op een versterkte samenwerking
met andere onderdelen van de politie en het Openbaar Ministerie. Zo wordt met meer
aandacht gekeken naar het terrein van financieel-economische misdrijven, omdat bedrijven
of ondernemers zich ook kunnen gedragen als facilitators van internationale misdrijven en daarmee de internationale rechtsorde ondermijnen.
Ook bestaat er samenhang en raakvlak tussen het aandachtsgebied Internationale Misdrijven
en het aandachtsgebied Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER). Nauwere
samenwerking tussen deze aandachtsgebieden leidt tot een sterkere informatiepositie
en succesvollere opsporing en vervolging, zoals ook de zaken tegen Hasna A. en Ayada
K. tonen.
Die samenhang tussen enerzijds CTER en anderzijds internationale misdrijven is ook
te zien in de vreemdelingenketen. Dit signaal wordt herkend bij de doelgroep nationale
veiligheid waarbij ook sprake is van 1F Vlv in combinatie met een strafrechtelijke
veroordeling voor een terroristisch misdrijf gepleegd in o.a. het land van herkomst.
3.4 Overige ontwikkelingen
In de voorgaande Rapportagebrief Internationale Misdrijven is aandacht besteed aan
de inzet van het Openbaar Ministerie en de politie ten aanzien van de positie van
slachtoffers van internationale misdrijven in het strafproces.11 Inmiddels is een slachtofferprotocol ontwikkeld en is binnen het Team internationale
misdrijven van de politie een Victim Support Unit (VSU), specifiek gericht op slachtoffers
van internationale misdrijven, operationeel. In het slachtofferprotocol, dat is opgesteld
ten behoeve van het werk van het Team Internationale Misdrijven, staat beschreven
welke specifieke rechten slachtoffers van internationale misdrijven hebben en waar
rekening mee moet worden gehouden in strafrechtelijke onderzoeken waarin deze slachtoffers
een rol spelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het periodiek informeren van slachtoffers
over de voortgang van een (vaak langdurig) strafrechtelijk onderzoek waarin zij een
verklaring hebben afgelegd. Een en ander wordt gecoördineerd en periodiek geëvalueerd
door medewerkers van de VSU.
4. Uitdagingen en toekomstperspectief
4.1 Huidige uitdagingen
Hoewel de opsporing en vervolging van internationale misdrijven complex en tijdrovend
is, moet berechting plaatsvinden om recht te doen aan het leed dat veroorzaakt is
bij de vele slachtoffers.
Nederland hanteert over het algemeen het uitgangspunt dat opsporing en vervolging
van deze misdrijven zo veel mogelijk moet plaatsvinden in het land waar deze misdrijven
zijn gepleegd: hier bevindt zich het meeste bewijsmateriaal en zijn de procesdeelnemers
ingevoerd in de taal, cultuur en achtergronden van de gebeurtenissen. Echter, indien
een verdachte zich op Nederlands grondgebied bevindt en niet kan worden uitgeleverd
aan het land waar de misdrijven zijn gepleegd, kan worden gekeken of opsporing en
vervolging in Nederland opportuun is. Hierbij bestaan echter verschillende complicerende
factoren voor het vervolgen van internationale misdrijven, zoals de gebrekkige mogelijkheden
voor het vergaren van bewijsmateriaal in diverse conflictgebieden. Zoals eerder in
deze brief uiteen is gezet is daarom de afgelopen jaren het belang van VN-bewijsvergaringsmechanismen
toegenomen. Zo is er de afgelopen jaren in diverse strafzaken, onder meer in voornoemde
zaak tegen Hasna A., gebruik gemaakt van bewijsmateriaal dat is vergaard door het
United Nations Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by
Da’esh/ISIL (UNITAD). In september 2024 is echter het mandaat van UNITAD tot een einde
gekomen. Het bewijsmateriaal dat jarenlang door UNITAD is verzameld en geanalyseerd
is daardoor niet langer beschikbaar. Nederland spant zich samen met gelijkgezinde
landen in om ervoor te zorgen dat het bewijsmateriaal weer beschikbaar wordt voor
nationale en internationale berechting.
Indien bij het tegenwerpen van artikel 1F Vlv ook wordt aangenomen dat er sprake is
van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst,
kan de DTenV de vreemdeling niet gedwongen uitzetten. In deze gevallen is de ketensamenwerking
van groot belang, zodat er geen sprake is van straffeloosheid, indien en voor zover
er daar aanleiding toe is. Tegenover het aantal 1F-tegenwerpingen staat echter een
(veel) lager aantal strafrechtelijke onderzoeken, laat staan strafrechtelijke uitspraken
door een rechter. Dat komt onder meer omdat de veronderstelling dat artikel 1F Vlv
van toepassing is niet bewezen hoeft te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde
bewijsmaatstaf. Daarnaast geldt dat veel 1F-zaken betrekking hebben op internationale
misdrijven die lange tijd geleden zijn gepleegd, waarbij in sommige gevallen nog geen
sprake was van strafbaarstelling in Nederland.12 Strafrechtelijke vervolging is in die gevallen dan ook niet mogelijk, terwijl een
1F-tegenwerping door de IND wel kan.
Dat neemt niet weg dat de informatie die de IND heeft over de vreemdeling in veel
gevallen van grote waarde kan zijn voor de opsporing en vervolging van internationale
misdrijven. Het Openbaar Ministerie kan – mits er sprake is van een verdachte, en
dus een op bekende concrete feiten en omstandigheden gestoelde verdenking – IND-dossiers
vorderen met een machtiging van de rechter-commissaris. De informatie uit dergelijke
dossiers kan het Openbaar Ministerie en de politie helpen om een goed beeld te vormen
van waar een verdachte op welk moment geweest is, of waar diegene werkzaam is geweest,
en in welke rol. Dit kan belangrijke aanknopingspunten opleveren voor verder strafrechtelijke
onderzoek. Zonder concrete verdenking bestaat er momenteel echter geen grondslag voor
deze informatiedeling. Het is van groot belang dat dit mogelijk wordt, ter verbetering
van de informatiepositie van het Openbaar Ministerie en de politie en gelet op positieve
verdragsrechtelijke verplichtingen. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd loopt er
om die reden een wetgevingstraject om te realiseren dat relevante informatie uit 1F-dossiers
zonder machtiging van de rechter-commissaris kunnen worden gedeeld met het Openbaar
Ministerie.
4.2 Vooruitblik
Nederland zal haar strijd tegen het voorkomen van straffeloosheid voor internationale
misdrijven voortzetten door de Nederlandse strafrecht- en vreemdelingenketen daar
waar nodig is in te zetten. Juist in de huidige tijd, waar er sprake is van vele conflicten
wereldwijd, is een krachtige nationale aanpak van essentieel belang.
Eén van de ontwikkelingen op het internationale podium, die het belang van een sterke
nationale aanpak onderstreept, is de val van het regime van Bashar al-Assad in Syrië
op 8 december 2024. Jarenlang zijn Syrische burgers onderworpen geweest aan een schrikbewind,
jihadistische groeperingen oorlog. De val van het Assad-regime met zich dat getuigen,
die eerder uit angst niet bereid waren om te getuigen tegen in Nederland verblijvende
verdachten van internationale misdrijven, nu wellicht wel hiertoe bereid zullen zijn.
Een bijkomend obstakel is echter dat getuigen, die al hebben verklaard, kunnen terugkeren
naar Syrië. Dit kan een effect hebben op het verloop van het strafproces. Een andere
uitdaging betreft bewijsvergaring in Syrië. Bewijs van internationale misdrijven is
door de val van het regime toegankelijker geworden, maar dient ook zorgvuldig en goed
gecoördineerd verzameld te worden. Voor het succes van de Nederlandse opsporing en
vervolging van Syrische regime-aanhangers en IS-strijders is de effectiviteit van
bewijs vergarende internationale organisaties van groot belang. De Nederlandse strafrechtketen
zal zich in de aankomende jaren onder andere bezighouden met deze ontwikkelingen.
De val van het Assad-regime brengt ook ontwikkelingen voor de vreemdelingenketen met
zich mee. De verwachting is dat personen, die eerder deel uitmaakten van of steun
gaven aan het Assad-regime, uit Syrië zullen vluchten, nu er een nieuwe regering is
ingesteld. Er zal daarom de komende jaren aandacht worden besteed aan de mogelijkheid
dat deze personen een asielaanvraag zouden kunnen indienen in Nederland. Hierdoor
kan de IM-keten op tijd ingrijpen. Ook hebben deze ontwikkelingen gevolgen voor de
mogelijkheden van zelfstandig vertrek van Syrische vreemdelingen naar hun land van
herkomst. Dit geldt ook voor Syriërs aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen.
DTenV kan ook deze doelgroep faciliteren in vertrek indien zij duurzaam willen terugkeren
naar Syrië. Daarnaast kan de inzet om over te gaan tot het beoordelen van aanvragen
en het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen aan Syriërs zodra dat
kan, eveneens gevolgen hebben voor een eerder aangenomen 3 EVRM beletsel in Syrische
1F-zaken.
Onder meer op deze wijze blijft Nederland zich sterk maken voor de strijd tegen straffeloosheid
en voorkomt zij dat Nederland een veilige haven zal worden voor misdadigers van internationale
misdrijven.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
BIJLAGE 1: STRAFRECHTELIJKE CIJFERS
Strafrechtelijke onderzoeken
2024
2025
In de onderzoeksfase
3
5
Onder de rechter
– in eerste aanleg
7
6
– in hoger beroep
2
3
– in cassatie
4
4
Totaal
16
18
Uitleveringsprocedures
2024
2025
Onder de uitleveringsrechter
– in eerste aanleg
0
0
– in cassatie
0
0
Onder de Minister van Justitie en Veiligheid (om te beschikken)
0
0
Onder de civiele rechter
– in eerste aanleg
0
0
– In hoger beroep
0
0
– in cassatie
2
0
Afgerond
– uitgeleverd
0
0
– afgewezen
0
2
Totaal
2
2
BIJLAGE 2: VREEMDELINGRECHTELIJKE CIJFERS
1F Vlv onderzoeken (IND)
2024
2025
1F Vlv tegengengeworpen
38
38
1F Vlv niet tegengeworpen
112
64
Totaal
150
102
1F Vlv dossiers (DT&V)
2024
2025
1F Vlv dossiers met artikel 3 EVRM beletsel
79
69
1F Vlv dossiers zonder artikel 3 EVRM beletsel
32
60
Totaal
111
129
Uitstroom 1F Vlv vreemdelingen (DT&V)
2024
2025
Gedwongen vertrek
1
1
Zelfstandig vertrek
– zelfstandig vertrek met toezicht
4
11
– zelfstandig vertrek zonder toezicht
20
17
Totaal
25
29
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie