Brief regering : Reactie op het de uitkomsten van de evaluatie wet handhaving kraakverbod
35 296 Voorstel van wet van de leden Koerhuis en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het wijzigen van de rechterlijke procedure voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen van personen alsmede voorwerpen die daar worden aangetroffen (Wet handhaving kraakverbod)
Nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 februari 2026
Op 1 juli 2022 is de Wet handhaving kraakverbod in werking getreden.1 Het belangrijkste doel van de wetswijziging was om de doorlooptijd bij een strafrechtelijke
ontruiming van een kraakpand te verkorten. Waar krakers voorheen de mogelijkheid hadden
een kort geding aan te spannen tegen de voorgenomen ontruiming bij de voorzieningenrechter,
is het onder de nieuwe wet de rechter-commissaris die binnen drie dagen beslist over
de eis tot ontruiming. Daarnaast was de nieuwe wetgeving gericht op het voorkomen
van kraken als «woonmodel». Om de werking van deze wet goed en tijdig in beeld te
krijgen, is een vervroegde evaluatie na drie jaar bepaald.2 Om de situatie vóór de inwerkingtreding met de situatie na inwerkintreding te kunnen
vergelijken zijn in de afgelopen jaren drie onderzoeken uitgevoerd: een nulmeting,
die de situatie in het jaar voorafgaand aan de wetswijziging (2021) beschrijft, een
zogenaamde één-meting met 2023 als peiljaar en de onlangs afgeronde eindevaluatie
over het jaar 2024. Alle drie rapporten bied ik u hierbij met een beleidsreactie aan.
De Wet handhaving kraakverbod
De Wet handhaving kraakverbod betrof een initiatief uit 2019 van de Kamerleden Koerhuis
(VVD) en Van Toorenburg (CDA). Het wetsvoorstel strekte ertoe artikel 551a van het
Wetboek van Strafvordering (Sv) te wijzigen. Dit artikel beschrijft de procedure die
gevolgd moet worden in geval van een strafrechtelijke ontruiming vanwege overtreding
van artikel 138 (huisvredebreuk), 138a (kraken) of 139 (lokaalvredebreuk) van het
Wetboek van Strafrecht (Sr). Onder de nieuwe wetgeving kan deze pas plaatsvinden na
een door de rechter-commissaris gegeven machtiging. Voor de afgifte daarvan geldt
een termijn van in principe 72 uur na de vordering die door de officier van justitie
wordt gedaan. Het instellen van een rechtsmiddel tegen het bevel van de rechter-commissaris
heeft geen schorsende werking.
Uitkomsten van de evaluatie
De onderzoeksvraag die in de drie uitgevoerde onderzoeken centraal stond was in hoeverre
de wijziging van artikel 551a Sv heeft bijgedragen aan de doelmatige en effectieve
handhaving van het kraakverbod, onder instandhouding van rechtswaarborgen voor alle
betrokken partijen (eigenaren, bewoners, krakers). Immers, bij de ontruiming van een
gekraakt pand is behalve het eigendomsrecht potentieel ook het woonrecht in het geding.
Verder is bekeken wat de bedoelde en onbedoelde gevolgen van de wetswijziging zijn
geweest.
Een belangrijke vaststelling is dat de optie van strafrechtelijke ontruiming bestaat
naast alternatieve juridische routes van het civiel- en bestuursrecht.3 De schatting van de onderzoekers is dat uiteindelijk een kwart tot een derde van
de kraakzaken via artikel 551a Sv wordt aangepakt, waarbij bovendien sprake lijkt
te zijn van een dalende trend. Uit het onderzoek kan worden afgeleid dat, juist vanwege
de rechterlijke toetsing, de strafrechtelijke ontruimingsmogelijkheid zich niet goed
leent voor heterdaadontruimingen.4 Wel doen eigenaren vaker aangifte, vermoedelijk vanuit de verwachting dat sneller
kan worden ontruimd.
De onderzoekers hebben zich voor hun onderzoek naar het gebruik van artikel 551a Sv
gebaseerd op de gemiddeld iets meer dan 100 gevallen per jaar,5 die zij – na een flinke zoekslag – konden vinden. Deze deden zich hoofdzakelijk voor
in een beperkt aantal steden (Amsterdam in de eerste plaats, gevolgd door de steden
Den Haag, Rotterdam en Utrecht). De onderzoekers stellen dat er geen aanwijzingen
zijn dat de invoering van de Wet handhaving kraakverbod van invloed is geweest op
de aard van en het aantal kraakincidenten. Bovendien lijkt van een fenomeen van kraken
als woonmodel nauwelijks te bestaan, zodat geen verdere uitspraken gedaan worden over
een eventuele wisselwerking met de wetswijziging.
Uit de eindevaluatie blijkt dat de periode tussen aankondiging en ontruiming in de
onderzochte gevallen teruggebracht is van circa vijf à zes weken naar de wettelijk
voorgeschreven drie dagen. Ook de totale doorlooptijd daalde substantieel, van gemiddeld
79 naar 37 dagen. De discrepantie is vooral gelegen in de voorbereidingstijd voordat
een zaak aan de rechter-commissaris kan worden voorgelegd. Dit aspect is al in overweging
genomen bij de wetsbehandeling. Ook waar sprake is van door de krakers gevestigd huisrecht,
beslist de rechter-commissaris bijna in alle gevallen toch in het voordeel van de
eigenaar of rechtmatige bewoner/gebruiker (in het geval van huis- of lokaalvredebreuk).
De procedure kent neveneffecten, die al deels bij de parlementaire behandeling voorzien
zijn. Omdat na de wetswijziging, anders dan voorheen, een gang naar de rechter onderdeel
van de procedure geworden is, dient nu in alle gevallen een dossier te worden gemaakt
(voorheen gebeurde dat alleen als er een kort geding tegen een ontruimingsbevel werd
ingesteld). De werklast voor politie, het Openbaar Ministerie en rechtspraak is daarmee
verzwaard. Door de rechterlijke toetsing is de rechtspositie van de krakers versterkt
vergeleken met de situatie vóór de wetswijziging, toen alleen in geval van kort geding
een rechterlijke toetsing plaatsvond. Daar staat tegenover dat de voorbereidingstijd
die de advocaat van de krakers ter beschikking zou staan, juist door de tijdsdruk
die op de procedure bij de rechter-commissaris ligt, beperkt is.
Een juridisch vraagstuk is of – vanwege de bewoordingen van artikel 551a Sv – aan
een heterdaadontruiming ook een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag
dient te liggen. Vooralsnog lijkt dit vraagstuk voor de ontruimingspraktijk zelf geen
gevolgen te hebben. In voorkomende gevallen zal de rechter-commissaris in dergelijke
situaties gevraagd worden de machtiging spoedheidshalve mondeling af te geven (artikel
551a, lid 4 Sv).
Beleidsreactie
Uit de drie onderzoeken blijkt dat de belangrijkste doelstelling van de wetswijziging,
namelijk – daar waar een ontruiming gevorderd wordt – het verkorten van de doorlooptijd
tussen het moment dat en pand gekraakt wordt tot de daadwerkelijke ontruiming, behaald
is. Verdere versnelling van het proces acht ik niet reëel noch wenselijk, in het belang
van de zorgvuldigheid. De conclusie van de onderzoekers dat de procedure van artikel
551a Sv geen effect lijkt te hebben op de aard en omvang van het kraakfenomeen, vind
ik niet zorgelijk nu kraken relatief weinig voorkomt. De vraag wordt dan immers of
langs statistische weg aangetoond kan worden dat enkel de strafrechtelijke ontruimingsprocedure
effect heeft op een in werkelijkheid toch al weinig voorkomend maatschappelijk fenomeen.
Natuurlijk blijf ik wel in gesprek met de betrokken partijen over de strafrechtelijke
ontruiming en bijzonderheden rond de afhandeling ervan.
Uit het onderzoek kan niet worden afgeleid of, en zo ja in hoeverre eigenaren parallelle
of consecutieve routes volgen om weer de volle beschikkingsmacht over hun vastgoed
te krijgen. Echter, het voordeel van de strafrechtelijke ontruimingsmogelijkheid –
afgezet tegen de alternatieven via het civiel- of bestuursrecht – is dat een belangrijk
deel van de verantwoordelijkheid om de uiteindelijke ontruiming te effectueren bij
de overheid wordt gelaten. Toch lijkt er sprake te zijn van een dalende trend met
betrekking tot de route die artikel 551a Sv biedt. In het licht van de verhouding
tussen enerzijds het maatschappelijke belang om de norm te bevestigen dat kraken niet
mag lonen en anderzijds het particuliere belang van de eigenaar om zijn beschikkingsrecht
volledig te kunnen uitoefenen, ben ik van oordeel dat er geen beleidsmatige noodzaak
bestaat nader in te grijpen op het keuzepalet dat eigenaren ter beschikking staat.
Gezien het ontbreken van tegengeluiden, reflecteert het feit dat slechts in een minderheid
van de kraakzaken teruggegrepen wordt op de procedure van artikel 551a Sv, naar mijn
oordeel wat het afwegingskader van de eigenaar is: gekozen wordt voor de optie die
de eigenaar het beste voorkomt, wat overigens niet altijd ontruiming hoeft te zijn.
De optie van strafrechtelijke ontruiming geldt in die zin als stok achter de deur
als de alternatieven naar het oordeel van de eigenaar minder geëigend voorkomen of
te weinig soelaas bieden. De vraagtekens die de onderzoekers in dat verband zetten
bij de doelmatigheid en effectiviteit van de wet deel ik dan ook niet. De rechter-commissaris
geeft bovendien in vrijwel alle gevallen de machtiging af waar de officier van justitie
om vraagt en krakers die in een pand blijven zitten nadat een ontruimingsbevel van
kracht wordt, worden aangehouden en zo mogelijk vervolgd. In het belang van de normstelling
hecht ik er dan ook aan dat eigenaren van panden of rechtmatige bewoners en gebruikers
aangifte blijven doen van strafbare feiten, zoals overtreding van het kraakverbod
en bij huis- of lokaalvredebreuk.
De wetswijziging lijkt vanuit rechtsstatelijk perspectief, anders dan gevreesd, juist
extra garanties te geven aangezien nu elk ontruimingsverzoek ter toetsing aan de rechter-commissaris
wordt voorgelegd.
Alles overziend kom ik tot de conclusie dat de Wet handhaving kraakverbod naar behoren
werkt. De tijd tussen kraak en ontruiming is meer dan gehalveerd. Uit de 1-meting
en eindevaluatie blijkt dat partijen (advocaten, officieren van justitie en rechter-commissarissen)
met de nieuwe procedure uit de voeten kunnen. Signalen om verdere wijzigingen door
te voeren zijn er niet. Ook meer direct belanghebbende partijen zoals eigenaren en
krakers lijken zich aan de nieuwe situatie aangepast te hebben. Voor de eigenaren
geldt dat zij zich bewust zijn van de juridische alternatieven tot ontruiming en te
kiezen voor de optie die hen het meest effectief voorkomt. Krakers verlaten het kraakpand
veelal vrijwillig reeds voorafgaand aan of na de afgifte van de machtiging van de
rechter-commissaris.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid