Brief regering : Toelichting op de uitvoering van de Motie van het lid Kostic c.s. over een onderbouwde visie en bijbehorend actieplan voor de toekomst van de Nederlandse industrie (Kamerstuk 29826-250)
29 826 Industriebeleid
Nr. 279
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft het verzoek gedaan om een nadere toelichting
te ontvangen op de uitvoering van de motie-Kostić c.s.1, in aanvulling op de toelichting in de Kamerbrief Industriebeleid met focus2 en de Kamerbrief Toekomstperspectief op de energie-intensieve industrie3 van de Minister van Klimaat en Groene Groei. Met deze brief licht ik – mede namens
de Minister van Klimaat en Groene Groei – nader toe hoe invulling wordt gegeven aan
de motie.
De motie Kostić dateert van 20 maart 2025 en verzoekt de regering om «(...) uiterlijk
in Q4 van 2025 met een onderbouwde visie en bijbehorend actieplan te komen voor de
toekomst van de Nederlandse industrie en daarbij een integrale afweging te maken in
het licht van Europese strategische autonomie, de Clean Industrial Deal, circulaire
doelen, gezondheid, schaarse ruimte, woonopgave, natuur, energie, water, arbeidsmarkt
en grondstoffen». De motie was ingediend naar aanleiding van de oproep van 13 economen
om «keuzes te maken over de toekomst van de Nederlandse industrie, met name de basisindustrie».
Met het nieuwe industriebeleid wordt een visie uitgezet voor de toekomst van de Nederlandse
industrie. Hierin maakt het kabinet scherpe keuzes ten aanzien van de economie, waaronder
de industrie. Het kabinet kiest voor een extra impuls voor zes markten die bijzonder
belangrijk zijn voor de economie van de toekomst. Bij deze selectie heeft het kabinet
een integrale afweging gemaakt op basis van de bijdrage aan (1) het Nederlandse verdienvermogen,
(2) onze weerbaarheid (waaronder strategische autonomie) en (3) het oplossen van maatschappelijke
uitdagingen. Dit is gedaan op basis van markt- en technologiestudies die de verschillende
schaarstes meewegen in de potentie van de Nederlandse positie in een markt. Daarnaast
vereist de verduurzamingsopgave van de basisindustrie speciale aandacht in het licht
van de wettelijke doelen die het kabinet heeft gesteld op dat gebied.
In deze brief geven we een overzicht van de verschillende acties die het kabinet heeft
aangekondigd. Allereerst ten aanzien van de economie in de brede en ten tweede ten
aanzien van de energie-intensieve basisindustrie.
Keuzes voor de brede economie
De huidige internationale economische en geopolitieke situatie vraagt om een actievere
rol van de overheid in de economie. Met het nieuwe industriebeleid maakt het kabinet
daarom keuzes voor markten die in sterke mate bijdragen aan drie centrale doelen:
het toekomstig verdienvermogen, de economische weerbaarheid en maatschappelijke uitdagingen.
Het nieuwe industriebeleid focust op zes markten, namelijk halfgeleiders, biotechnologie,
aan de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (DSII4) gerelateerde groeimarkten (in het bijzonder 6G, radar, lasersatellietcommunicatie,
kwantum), digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Op deze
markten worden integrale programma’s ontwikkeld, voortbordurend op bestaand beleid,
om deze markten te versterken.
De keuze voor deze markten is gebaseerd op markt- en technologiestudies, in het bijzonder
de groeimarktenanalyse.5 De groeimarktenanalyse onderzoekt in welke markten er wereldwijd toekomstige groei
wordt verwacht en in hoeverre Nederland daar een positie op kan verwerven gezien de
internationale concurrentie. Toekomstige groeiverwachtingen worden beïnvloed door
de maatschappelijke uitdagingen, zoals vergrijzing, klimaatverandering, grondstoffenschaarste
en geopolitieke spanningen. De mate waarin Nederland een positie op een markt kan
opbouwen heeft te maken met aanwezige schaarstes op het gebied van arbeid, ruimte,
(fossiele) energie en milieubelastbaarheid. Producten die bovengemiddeld van deze
schaarse factoren afhankelijk zijn, zijn in beginsel niet kansrijk als groeimarkt.
De onderbouwing voor de zes markten, aan de hand van de drie criteria (verdienvermogen,
weerbaarheid en maatschappelijke missies) is toegelicht per markt in de Kamerbrief.
Daarmee komen de keuzes uit het nieuwe industriebeleid voort uit een integrale afweging,
conform de motie Kostić c.s., door
• op bovenbeschreven wijze rekening te houden met de verschillende schaarstes genoemd
in de motie;
• de bijdrage aan verdienvermogen en weerbaarheid (aspect strategische autonomie) mee
te nemen als twee van de drie centrale afwegingscriteria;
• de bijdrage aan maatschappelijke opgaven rondom aspecten zoals verduurzaming, circulaire
doelen en gezondheid, mee te nemen als één van de drie centrale afwegingscriteria.
Door te focussen op het snijvlak van verdienvermogen, weerbaarheid en maatschappelijke
missies, kunnen de verschillende doelen elkaar versterken. Aanvullend op de gerichte
inzet, zorgt het kabinet met generiek en randvoorwaardelijk beleid voor een sterke
basis voor alle bedrijven in Nederland.
Met de keuzes in het nieuwe industriebeleid geeft het kabinet een integrale visie,
zonder een blauwdruk te geven van de transitie per bedrijfstak op lange termijn. Dat
is gezien de onzekerheden over onder meer technologische ontwikkelingen verstandig.
De energie-intensieve industrie
De energie-intensieve basisindustrie (EII) speelt een bijzonder belangrijke rol in
de verduurzamingopgave van Nederland. Ondanks zorgen over krimp of sluiting ziet het
kabinet reëel perspectief voor de energie-intensieve industrie in Nederland en Europa.
De huidige geopolitieke situatie laat niet toe dat ongewenste kwetsbaarheden in strategische
waardeketens blijven voortduren. Verduurzaming is de weg vooruit, gegeven de gestegen
fossiele energiekosten en het veranderde geopolitieke krachtenveld waarin de EU zich
bevindt. Goedkope hernieuwbare energiebronnen, biogrondstoffen en circulaire materiaalstromen
zullen de EU niet alleen duurzamer, maar ook weerbaarder maken. Nederland is nog steeds
een relatief gunstige locatie voor energie-intensieve industrie. Het kabinet houdt
daarom vast aan het bevorderen van investeringen in industriële verduurzaming in Nederland.
Verduurzamen vergt echter ook realisme: we moeten rekening houden met het tempo waarin
het Europese speelveld de transitie doormaakt (gelijk speelveld) gestimuleerd door
nieuwe Europese verduurzamingsmaatregelen. Ook moeten we realistisch zijn over het
tempo waarin onder meer energienetten kunnen worden versterkt. Daarnaast moeten we
realistische keuzes maken over de inrichting van de industrieclusters, want de opbouw
van nieuwe waardeketens op basis van hernieuwbare energie en circulair grondstofgebruik
zullen in de tijd gelijk opgaan met ombouw van bestaande installaties, wat de schaarste
aan arbeid en ruimte (tijdelijk) verergert. Bovendien moeten we er rekening mee houden
dat een deel van de energie-intensieve stappen in productieketens in de toekomst in
het buitenland zullen plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat daar de beschikbaarheid van
biogrondstoffen groter is.
Daarom neemt het kabinet verschillende, samenhangende stappen, zoals verder toegelicht
in de brief Toekomstperspectief op de energie-intensieve industrie. Hieronder valt
de Nederlandse beleidsinzet op hoofdlijnen voor de onderhandelingen over wetgeving
die voortkomt uit de Clean Industrial Deal, ook genoemd in de motie, waaronder een
kader voor effectieve vraagcreatie naar duurzame producten, inclusief bouwmaterialen.
De brief licht deze beleidslijnen toe en geeft aan wat er nog op stapel staat. Centrale
gedachte daarbij is samenhang en integraliteit gericht op de lange termijn, zoals
verzocht in de motie.
Tot slot
Met de uitvoering van deze motie zet het kabinet een nieuwe koers in het industriebeleid,
en in het specifiek voor de energie-intensieve industrie. Het onafhankelijke advies
van de heer Wennink onderstreept de noodzaak en urgentie van scherpe keuzes op basis
van maatschappelijke criteria, in het licht van schaarste.
Nederland kan zich in het huidige economische en geopolitieke klimaat geen afwachtende
houding veroorloven; niet kiezen is verliezen.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken