Brief regering : Rapport “Het vlagregister en het woonlandbeginsel, economische en strategische waarde”
31 409 Zee- en binnenvaart
Nr. 496 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 februari 2026
Hierbij bied ik u het rapport «Het vlagregister en het woonlandbeginsel, economische
en strategische waarde» aan. Het rapport is door The Hague Centre for Strategic Studies
(HCSS) en Deloitte opgesteld in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat.
Ik voldoe hiermee aan de toezegging aan uw Kamer dat een onderzoek wordt uitgevoerd
naar de effecten voor de Nederlandse maritieme sector waarbij in kaart wordt gebracht
wat het loslaten van het woonlandbeginsel en de daarmee gepaard gaande daling van
het aantal zeeschepen in het Nederlandse vlagregister zou betekenen1. De aanleiding voor het onderzoek zijn recente oordelen van het College voor de Rechten
van de Mens (hierna: College)2 inzake klachten over beloning die waren ingediend door twee zeevarenden, woonachtig
in Indonesië en de Filipijnen, tegen hun Nederlandse werkgevers.
Deze brief geeft een korte weergave van de oordelen van het College en een beknopte
samenvatting van het rapport waarin de economische en strategische waarde van het
Nederlandse vlagregister wordt beschreven.
Verder wil ik uw Kamer, mede namens de Minister van SZW, melden dat de Stichting Equal
Justice Equal Pay, die de twee zeevarenden bij het College heeft ondersteund, de Staat
een sommatiebrief heeft gestuurd. De Staat wordt hierin aansprakelijk gesteld voor
de gevolgen van de ongelijke beloning en behandeling van alle Filipijnse en Indonesische
zeevarenden op Nederlands gevlagde schepen. De Stichting verzoekt de Staat het loon
van deze groep zeevarenden vanaf 15 december 2016 aan te vullen tot het loon dat Nederlandse
zeevarenden hebben ontvangen.
De KVNR (Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders) heeft laten weten dat zij
een gelijksoortige sommatiebrief heeft ontvangen, net als een groot deel van de in
Nederland gevestigde reders.
Oordelen College
In augustus 2025 heeft het College geoordeeld dat door de Nederlandse werkgevers van
de twee zeevarenden verboden onderscheid is gemaakt op grond van nationaliteit. De
twee zeevarenden waren werkzaam op Nederlands gevlagde zeeschepen maar woonachtig
in respectievelijk Indonesië en op de Filipijnen. Zij werden beloond volgens een cao
gesloten tussen de Nederlandse werkgeversvereniging, vakbonden in Nederland en het
woonland op basis van het prijspeil van hun woonland (het woonlandbeginsel).
In de mondiale arbeidsvoorwaarden in de zeevaart is het woonlandbeginsel een door
werkgeversorganisaties en vakbonden veelvuldig gebruikte systematiek. De wereldwijd
vastgestelde ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) minimum loonnorm3 wordt mede gebaseerd op basis van het prijspeil in woonlanden van zeevarenden. De
sociale partners in de internationale zeevaartsector respecteren de ILO minimum loonnorm
bij het afspreken van lonen in de cao’s voor zeevarenden.
In 1997 oordeelde de Commissie Gelijke Behandeling (de voorganger van het College)
dat toepassing van het woonlandbeginsel geen verboden onderscheid oplevert, maar het
College oordeelt hier in de recente zaken nu anders over.
Hoewel de oordelen niet bindend zijn, kan dit gevolgen hebben voor de Nederlands gevlagde
schepen die het woonlandbeginsel toepassen. Een mondiale standaard is voorwaardelijk
voor het behoud van een gelijk speelveld in de internationale zeevaart, die bij uitstek
een internationale bedrijfstak is.
Het College heeft in de recente oordelen aangegeven dat de maritieme sector niet hard
heeft gemaakt dat de zeevaartsector ten onder zou gaan bij het niet langer mogen toepassen
van het woonlandbeginsel. Het College weegt hierbij mee dat de sector hiernaar geen
onderzoek heeft gedaan.
Aangezien de oordelen van het College hebben geleid tot vragen over de toepasbaarheid
van het woonlandbeginsel, is opdracht gegeven tot onderzoek. In het onderzoek is ook
de mogelijke dreiging van uitvlaggen in kaart gebracht.
Samenvatting rapport
Het rapport ziet op de mogelijke effecten van het loslaten van het woonlandbeginsel
op het Nederlandse vlagregister. Het loslaten van het woonlandbeginsel betekent dat
alle zeevarenden op Nederlands gevlagde schepen, ongeacht hun woonland, worden beloond
als ware zij in Nederland woonachtig.
Op zowel economisch als strategisch gebied voorzien de onderzoekers grote cumulatieve
negatieve gevolgen van het loslaten van het woonlandbeginsel in de zeevaart. Dit begint
met een kostenstijging van lonen voor de reders en daarmee aantasting van de internationale
concurrentiepositie voor schepen onder Nederlandse vlag. De onderzoekers voorzien
een beweging van het uitvlaggen van schepen (verwachting 50% tot 70%), hetgeen een
forse verkleining van het vlagregister zou betekenen. Dit zou verder als gevolg hebben
een significante afname van werkgelegenheid in het bijzonder voor Nederlandse zeevarenden,
de verplaatsing van economische activiteiten buiten Nederland, verlies van vlootcapaciteit
en verminderde grip op nationale veiligheid en zelfredzaamheid. Het hele maritieme
cluster zal in dat geval in kracht en perspectief verliezen.
Het verlies van vlootcapaciteit betekent ook een verlies aan strategische waarde.
De onderzoekers geven aan dat Nederlands gevlagde schepen bijdragen aan de maritieme
veiligheid, de nationale veiligheid en strategische autonomie. De te voorziene reductie
van het aantal schepen in het Nederlands vlagregister zal leiden tot een afname van
de capaciteit om de eigen maritieme veiligheid en strategische autonomie te waarborgen.
In tijden van oorlog, crisis of handelsconflicten zal de regering minder middelen
ter beschikking hebben om een beroep te doen op Nederlands gevlagde schepen en bemanning
ter verdediging en bevoorrading van het land. Nederland heeft jurisdictie over Nederlands
gevlagde schepen, waardoor deze in noodsituaties door de regering kunnen worden ingezet.
Het belang is groot aangezien meer dan 80% van het internationale handelsverkeer over
zee wordt vervoerd.
De internationale zeevaart is een wereldwijde markt met een hoge mate van concurrentie.
De arbeidsvoorwaarden van zeevarenden vormen een belangrijk element. De beloning van
zeevarenden is gekoppeld aan het land waar de zeevarende woont, waardoor de hoogte
van het loon verschilt voor de in de Filipijnen of Indonesië woonachtige zeevarenden
ten opzichte van de zeevarenden die in Nederland wonen. De beloningsstructuur, gebaseerd
op het woonland van zeevarenden, wordt door veel landen toegepast op een soortgelijke
manier.
Opvolging rapport
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van het rapport. Het rapport geeft een
beeld van de economische en strategische waarde van het vlagregister en wat het loslaten
van het woonlandbeginsel zou betekenen voor de werkgelegenheid, economische activiteiten
en verlies aan vlootcapaciteit in Nederland en voor de nationale veiligheid en de
strategische autonomie van Nederland.
Het kabinet ziet, ook gelet op de uitkomsten van het onderzoek, het belang van het
hanteren van het woonlandbeginsel in de internationale zeevaart, zoals dat door de
maritieme sociale partners in hun cao’s wordt opgenomen. Het kabinet zal tegen deze
achtergrond verder onderzoek doen naar hetgeen nodig is voor het behoud van Nederlandse
gevlagde zeeschepen en de maritieme sector in Nederland.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman
Ondertekenaars
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat