Brief regering : Reactie op de brief van de Dierencoalitie en de Dierenbescherming over gevolgen van stikstofbeleid voor dierenwelzijn
28 286 Dierenwelzijn
35 334
Problematiek rondom stikstof en PFAS
Nr. 1428
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 februari 2026
Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur om een reactie op de brief van de Dierencoalitie en de Dierenbescherming
te Den Haag d.d. 7 januari 2026 over «Reactie Dierencoalitie en Dierenbescherming
m.b.t. gevolgen van stikstofbeleid voor dierenwelzijn» (kenmerk 2026Z00134/2026D02670), ontvangt u deze Kamerbrief.
De Dierencoalitie en de Dierenbescherming dringen in hun brief aan op een toetsing
van de stikstofmaatregelen gericht op óf, en in hoeverre, deze bijdragen aan dierwaardigheid,
ook in relatie tot de aangenomen motie-Kostić/Koekkoek (Kamerstuk 35 334, nr. 391). Zij geven aan dat met het oog op de wettelijke deadline van een dierwaardige veehouderij
in 2040 alleen maatregelen zouden moeten worden getroffen die én stikstof reduceren
én het dierenwelzijn verbeteren. In hun brief geven de Dierencoalitie en de Dierenbescherming
ook aan dat er moet worden ingezet op win-win maatregelen in plaats van op win-verlies
maatregelen.
Uiteraard hebben win-win maatregelen ook mijn voorkeur. Het beleid en verschillende
maatregelen die voor verschillende opgaven wordt gemaakt, wordt daarom zoveel mogelijk
integraal aangevlogen. Immers, het komt allemaal samen op het boerenerf. Zo wil ik
zo veel mogelijk voorkomen dat beleid gericht op de ene opgave ingaat tegen andere
opgaven waar agrarische ondernemers ook aan werken en dat maatregelen elkaar juist
zo veel mogelijk versterken.
De Dierencoalitie en de Dierenbescherming uiten hun zorg naar aanleiding van een artikel
in de Volkskrant over het voeren van minder eiwit aan melkkoeien. Het verlagen van
het ruw-eiwitgehalte in het rantsoen voor melkvee is een beleidsinitiatief waarbij
de overheid nauw samenwerkt met de melkveesector. Dit gebeurt vanuit de gezamenlijke
ambitie om de stikstofuitstoot te verminderen, maar waar duidelijk ook gesteld is
dat dit niet ten koste mag gaan van de diergezondheid en het dierenwelzijn. Juist
omdat veehouders hun zorg voor diergezondheid hebben uitgesproken aan het begin van
dit beleidsinitiatief is veel aandacht besteed aan het monitoren van mogelijke effecten
van aanpassingen in het voer. Daarom is uit voorzorg de afgelopen jaren veel aandacht
besteed aan de relatie ruw eiwitgehalte en diergezondheid, bovenop de gebruikelijke
diergezondheidsmonitoring die op elk bedrijf gebeurt onder toezicht van de dierenarts.
Een belangrijk onderdeel hiervan is de pilot Koe en Eiwit, waarin praktijkervaringen
en onderzoeksresultaten worden verzameld en geanalyseerd. Maar ook andere signalen
zijn hier belangrijk.
Het artikel in de Volkskrant gaat in op zo’n signaal, namelijk de inwendige vervetting
bij melkkoeien die is geconstateerd in de sectiezaal van Royal GD. Het is belangrijk
om dit in de goede context te plaatsen. De dieren die in de sectiezaal terechtkomen,
worden ingestuurd vanwege gezondheidsproblemen en vormen daarom geen representatieve
afspiegeling van de totale melkveepopulatie. Deze bevindingen kunnen daarom niet zonder
meer worden geëxtrapoleerd naar de hele sector. Bovendien zijn er meerdere factoren
die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van inwendige vervetting. GD heeft inwendige
vervetting verder onderzocht door middel van verschillende pilotstudies. Dit heeft
veel waardevolle informatie opgeleverd, maar vooralsnog kan men geen conclusie trekken
over de oorzaak van de inwendige vervetting. Er wordt nagedacht over vervolgonderzoek
om de verschillende hypotheses te toetsen en als Minister volg ik dit op de voet.
De sectorafspraken over ruw eiwitgehalte zijn tot nu toe steeds gebaseerd op vrijwillige
deelname en een sectorgemiddeld streefdoel. Zo behouden veehouders keuzevrijheid en
is er ruimte om in te spelen om bedrijfsspecifieke omstandigheden. Het huidige sectordoel
is 158 gr RE/kg DS in 2026. Bij het vaststellen van een dergelijk doel is rekening
gehouden met een veiligheidsmarge en de ervaringen uit de Koe en Eiwit pilot. Binnen
de pilot Koe en Eiwit heeft bijvoorbeeld een deelonderzoek uitgewezen dat het verlagen
van het ruw eiwitgehalte in het rantsoen geen negatieve effecten had op de diergezondheid1. De deelnemers van deze pilot zaten in 2024 op een gemiddeld eiwitgehalte van 156
gr RE/kg DS2. Daarnaast is op de Dairy Campus onder gecontroleerde omstandigheden onderzocht wat
verschillende, relatief lage eiwitniveaus voor gevolgen hebben op de diergezondheid.
De eindrapportage hiervan wordt voor de zomer verwacht. Tot nu toe heb ik van de betrokken
onderzoekers geen signalen ontvangen dat er zorgen zijn over de diergezondheid ten
gevolge van eiwitgehaltes die in het onderzoek worden gehanteerd. Gezien de aard van
de sectorafspraak en de vele onderzoeken die lopen, acht ik de diergezondheid in relatie
tot deze afspraak hiermee geborgd. En uiteraard blijf ik bij beleidsinitiatieven die
ingrijpen op de levensomstandigheden van dieren, de gevolgen op diergezondheid en
dierenwelzijn meewegen.
Ook uiten de Dierencoalitie en Dierenbescherming zorgen over het beleid op technologische
innovaties. Mijn eerder ingezette innovatiebeleid, met ondersteuning via de Sbv-regeling,
is gericht op brongerichte en integrale emissiereductie. Ontwikkeling van dergelijke
technieken kost tijd en wordt bemoeilijkt door verschillende factoren, zoals de stilliggende
natuurvergunningverlening. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 26 juni 2023 (Kamerstuk
30 175, nr. 447) is een belangrijk aandachtspunt daarbij dat nageschakelde technieken (zoals luchtwassers)
een verdergaande emissiereductie van verschillende emissies, waaronder fijnstof, geur
en ammoniak, kunnen opleveren in vergelijking met de brongerichte technieken die op
dit moment beschikbaar zijn. Het grotere potentieel van nageschakelde technieken is
relevant, omdat hiermee meer emissiereductie te behalen is. Tegelijkertijd kleven
aan bepaalde nageschakelde technieken nadelen, voor bijvoorbeeld brandveiligheid of
inderdaad dierenwelzijn.
Dit leidt tot het dilemma dat de meest effectieve technieken voor emissiereductie
uit stallen voor bepaalde diercategorieën vanuit andere oogpunten juist minder gewenst
zijn. De brongerichte aanpak verschilt van nageschakelde technieken, waarbij de emissies
eerst ontstaan en de stalruimte bereiken, en vervolgens uit de lucht worden verwijderd
voordat de lucht de stal verlaat. Bij een brongerichte techniek wordt de uitstoot
van verschillende emissies zoveel mogelijk voorkomen, door emissies bij de bron aan
te pakken. Voor zover een techniek nadelen heeft voor bijvoorbeeld brandveiligheid
of dierenwelzijn, kunnen mitigerende maatregelen worden genomen. Ik deel daarom niet
de gedachte dat deze innovaties win-verlies oplossingen zijn.
Ook geldt het andersom en kunnen sommige maatregelen ten behoeve van dierwaardigheid
effecten hebben op de stikstofopgaven en breder op emissies van broeikasgassen, fijnstof
en geur. Samen met partijen van het convenant dierwaardige veehouderij zullen onderzoek
en pilots worden ingezet om tot oplossingen hiervoor te komen. Hiermee beschouw ik
ook de motie Kostić/Koekkoek over stikstofmaatregelen toetsen op dierwaardigheid als
afgedaan3.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Indieners
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur