Brief regering : Fiche: Milieuomnibus
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4278 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 11 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Verordening en richtlijn op het gebied van Gezondheidsbiotechnologie (Kamerstuk
22 112, nr. 4268).
Fiche – Amendement Verordening medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor
in-vitro diagnostiek (Kamerstuk 22 112, nr. 4269).
Fiche – Mededeling EU-plan cardiovasculaire gezondheid (Kamerstuk 22 112, nr. 4270).
Fiche – Verduurzamen Zakelijke Voertuigen(Kamerstuk 22 112, nr. 4271).
Fiche – Automobiel Omnibus (Kamerstuk 22 112, nr. 4272).
Fiche – Verordening CO2-emissienormen en voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 112, nr. 4273).
Fiche – Mededeling Europees Plan voor Betaalbaar Wonen (Kamerstuk 22 112, nr. 4274).
Fiche – Mededeling Europese Strategie voor Woningbouw (Kamerstuk 22 112, nr. 4275).
Fiche – Wijziging verordening biologische productie en etikettering (Kamerstuk 22 112, nr. 4276).
Fiche – Mededeling Battery Booster Strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4277).
Fiche – Milieuomnibus.
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Fiche: Milieuomnibus
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
– Mededeling Vereenvoudiging voor duurzaam concurrentievermogen
– Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2023/1542 en Verordening (EU) 2024/1244
wat de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en de vermindering van administratieve
lasten betreft
– Verordening tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanstelling
van een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen
en afgedankte batterijen en verpakkingen en verpakkingsafval
– Richtlijn tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanwijzing van
gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalstoffen,
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en kunststofafval voor eenmalig
gebruik
– Verordening inzake het versnellen van milieubeoordelingen
– Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2007/2/EG met betrekking tot vereenvoudiging
van bepaalde voorschriften voor de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke
informatie in de Unie
– Richtlijn met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de
vermindering van administratieve lasten
b) Datum ontvangst Commissiedocument
10 december 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 980, COM(2025) 981, COM(2025) 982, COM(2025) 983, COM(2025) 984, COM(2025)
985, COM(2025) 986
d) EUR-lex
EUR-Lex - 52025DC0980 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0981 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0982 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0983 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0984 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0985 - NL - EUR-Lex
EUR-Lex - 52025PC0986 - NL - EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Algemene Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
h) Rechtsbasis
– Voorstel voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2023/1542 en Verordening
(EU) 2024/1244 wat de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en de vermindering
van administratieve lasten betreft: Artikelen 114 en 192, lid 1 van het Verdrag betreffende
de Werking van de Europese Unie (VWEU)
– Verordening tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanstelling
van een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen
en afgedankte batterijen en verpakkingen en verpakkingsafval: Artikelen 114 en 192,
lid 1 VWEU
– Voorstel voor een Richtlijn tot opschorting van de toepassing van de regels inzake
de aanwijzing van gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
voor afvalstoffen, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en kunststofafval
voor eenmalig gebruik: Artikel 192, lid 1 VWEU
– Voorstel voor een Verordening inzake het versnellen van milieubeoordelingen: Artikel 192,
lid 1 VWEU
– Voorstel voor een Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2007/2/EG met betrekking tot
vereenvoudiging van bepaalde voorschriften voor de oprichting van een infrastructuur
voor ruimtelijke informatie in de Unie: Artikel 192, lid 1 VWEU
– Voorstel voor een Richtlijn tot wijziging van de Rijchtlijnen 2008/98/EC, 2010/75/EU,
(EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde
verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten: Artikel 192, lid 1 VWEU
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Op 10 december 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) het milieuomnibuspakket
(hierna: milieuomnibus) gepubliceerd, met daarin voorstellen voor het vereenvoudigen
van milieuwetgeving. De milieuomnibus bevat een mededeling voor vereenvoudiging ten
behoeve van het duurzame concurrentievermogen (hierna: mededeling), voorstellen voor
gerichte vereenvoudiging op het gebied van circulaire economie (o.a. op het gebied
van afval, baterijen en Uitgebreide Productenverantwoordelijkheid (UPV)), milieudata
(hierna: INSPIRE), en industriële emissies, en een verordening voor het versnellen
en stroomlijnen van milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen (hierna:
verordening). Vanwege de sterke samenhang en verwevenheid tussen de verschillende
voorstellen worden deze in één BNC-fiche behandeld.
De mededeling is primair een toelichting op de voorliggende voorstellen. Met de milieuomnibus
beoogt de Commissie de implementatie van bestaande milieuwetgeving te faciliteren,
alsook de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen. Daarnaast schrijft
de Commissie dat het vasthouden aan milieudoelstellingen en wetgeving essentieel is
voor het concurrentievermogen van de Europese Unie (EU).
In de mededeling kondigt de Commissie daarnaast aan mogelijkheden voor vereenvoudiging
te onderzoeken – vaak via reeds aangekondigde – acties. Hierbij wijst zij bijvoorbeeld
naar aankomende initiatieven zoals de Circular Economy Act (CEA) en de REACH-herziening, de implementatie van bestaande wetgeving via gedelegeerde
en uitvoeringshandelingen, zoals de recente aanpassingen in de Kaderichtlijn Marien,
en reeds aangekondigde herzieningen en evaluaties van wetgeving, zoals de aankomende
evaluatie van de Single Use Plastics (SUP) richtlijn.
Voor de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) stelt de Commissie voor om administratieve
lasten te verlichten door de verschillende installaties van een bedrijf onder hetzelfde
Milieubeheerssysteem (environmental management system, EMS) te laten vallen, en de audits van het EMS te laten vervallen. Daarnaast vervalt
de verplichting tot het opstellen van een chemische inventarisatie en het chemische
management systeem in de context van het EMS. Ook indicatieve transformatieplannen
hoeven niet langer opgesteld te worden. Daarnaast valt biologisch pluimvee niet langer
onder de RIE en worden de conversiegetallen voor niet-gespeende biggen aangepast.
Met betrekking tot de Industrial Emissions Portal Richtlijn (IEPR) worden veehouderijen en aquacultuurbedrijven uitgezonderd van het
rapporteren op het gebruik van energie, water en relevante grondstoffen, als lidstaten
dit al doen. Lidstaten mogen namens de veehouders en aquacultuurbedrijven rapporteren
over off-site transfers van afval en verontreinigende stoffen in afvalwater, productievolume
en het aantal bedrijfsuren.
Op het gebied van circulaire economie stelt de Commissie verschillende gerichte vereenvoudigingen
voor op het gebied van afval, UPV en batterijen. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen
stelt de Commissie voor om de verplichting voor bedrijven om gegevens te leveren voor
de SCIP-database te beëindigen. SCIP is een openbare informatiedatabase met productonderdelen
en samengestelde producten die «substances of very high concern» (SVHC)1 bevatten, en heeft als doel om afvalverwerkers en recyclers te ondersteunen bij het
veilig verwerken van producten met gevaarlijke stoffen aan het einde van hun levenscyclus.
Sinds januari 2021 is de SCIP-meldingsplicht voor bedrijven van kracht.2
Ook wordt de bevoegdheid van de Commissie geschrapt om indicatoren vast te stellen
om de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen te meten, en om een gemeenschappelijke
methode voor verslaglegging te ontwikkelen over hergebruik van producten. De argumentatie
hiervoor is dat de toepassing van deze indicatoren niet verplicht is voor lidstaten,
lidstaten zelf al indicatoren hebben opgesteld en er reeds handreikingen en een raamwerk
zijn opgesteld door het Europees Milieuagentschap.
Ten aanzien van de UPV stelt de Commissie voor passages op te schorten in relatie
tot UPV-verplichtingen, zoals vastgelegd in EU-wetgeving voor batterijen, textiel,
elektrische en elektronische apparaten, verpakkingen, en kunststofproducten voor eenmalig
gebruik. Deze passages bepalen dat een producent met een vestiging in een lidstaat
in de EU, die ook dergelijke producten verhandelt in een andere lidstaat, verplicht
wordt om in deze andere lidstaat een gemandateerde vertegenwoordiger aan te wijzen.
De verplichting blijft wel bestaan voor producenten uit derde landen die géén vestiging
hebben in de EU. Deze verplichting maakt handhaving op deze producenten mogelijk,
aangezien toezichthoudende instanties zo kunnen toezien dat een producent zich houdt
aan de regels en voorwaarden voor UPV. De Commissie stelt voor deze verplichting op
te schorten voor in de EU gevestigde producenten. Voor producenten die zijn gevestigd
in derde landen blijft de verplichting bestaan om een gemachtigd vertegenwoordiger
aan te wijzen. Verder wordt het aantal rapportageverplichtingen verminderd tot maximaal
éénmaal per jaar.
Voor de Batterijverordening stelt de Commissie een aantal wijzigingen voor. Ten eerste
wordt de definitie van «producent» gewijzigd, waardoor alle producenten die zich in
derde landen of een andere lidstaat bevinden ook onder de definitie vallen. Eerder
besloeg de definitie alleen degene die batterijen verhandelt via «overeenkomsten op
afstand». Ten tweede wordt bepaald dat batterijen van lichte voertuigen op moduleniveau
verwijderbaar en vervangbaar moeten zijn in plaats van op celniveau. Op celniveau
kan de vervanging tot veiligheidsrisico’s leiden. Verder wordt niet langer verplicht
om op het etiket te vermelden welke zorgwekkende stoffen in een batterij zitten, maar
pas als deze concentratie gelijk aan of hoger dan 0,1% van het gewicht van de batterij
is. Tot slot, wordt voorgesteld de verplichting te schrappen die de Commissie verplicht
om iedere vier jaar te rapporteren over de kwaliteit van de data die lidstaten moeten
rapporteren over batterij-afval management.
Voor de INSPIRE-richtlijn3 beoogt de Commissie deze te moderniseren en te vereenvoudigen, waardoor de toegang
tot data, het delen en toepassen van data en de kwaliteit van data verbeteren. Daarnaast
worden verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn in lijn gebracht met horizontale
Europese datawetgeving. De wijziging leidt tot meer samenhang in de wetgeving en het
verminderen van uitvoeringslasten in lidstaten.
In de verordening stelt de Commissie verschillende aanpassingen voor ten aanzien van
milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen (hierna gezamenlijk: milieubeoordelingen)
die doorwerken in vergunningverlening. De Commissie ziet mogelijkheden voor het versnellen
en stroomlijnen van milieubeoordelingen door middel van het coördineren en gezamenlijk
uitvoeren ervan. Verder stelt de Commissie een maatregel voor over incidentele schade
aan beschermde vogels en andere soorten tijdens projectactiviteiten. Deze dient niet
als opzettelijk te worden beschouwd, mits passende en evenredige mitigerende maatregelen
worden genomen. Daarnaast wordt ingezet op digitalisering van het proces van milieubeoordelingen
en worden er maximale termijnen gesteld voor verschillende procedurestappen. Verder
wordt een centraal contactpunt ingesteld voor milieubeoordelingen. Ook wordt een gereedschapskist
voorgesteld met daarin mogelijke versnellingsopties waar strategische projecten of
sectoren uit kunnen putten. Tot slot heeft het voorstel suggesties voor wijzigingen
van bestaande projecten en beroepsgronden bij de rechter.
b) Impact assessment Commissie
De Commissie geeft aan dat er voorafgaand aan publicatie van het Omnibuspakket geen
impact assessment uitgevoerd is. De wijzigingen hebben volgens de Commissie geen significante
impact op het beleid, maar zorgen slechts voor een efficiëntere en effectievere uitvoering.
Om deze reden is een impact assessment volgens de Commissie overbodig. In het Staff
Working Document zet de Commissie uiteen welke activiteiten zij heeft ondernomen om
tot de verschillende desbetreffende voorstellen te komen. De (beleids)keuzes zijn
onder andere gebaseerd op de grote hoeveelheid reacties op de consultatie (call for evidence) voor de Milieuomnibus, en meerdere (sectorale) dialogen met verschillende stakeholders
over bestaand en nieuw beleid.
Het kabinet vindt het belangrijk dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijke
impact assessment en het kabinet zal daarom bij de Commissie vragen om een impact
assessment. Zonder impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de gevolgen
van de wijzigingen in wetgeving. In de huidige voorstellen biedt de Commissie dit
inzicht niet. Het is daarom noodzakelijk dat bij de aankomende (herzienings-)voorstellen,
zoals t.a.v. circulaire economie-wetgeving,4 wel een impact assessment uitgevoerd wordt.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het Nederlandse milieubeleid is grotendeels verankerd in Europese wetgeving. Milieuproblemen
houden zich niet aan grenzen, waardoor gezamenlijke EU-regels nodig zijn om lucht,
water, natuur, klimaat en volksgezondheid effectief te beschermen. Daarnaast zorgen
uniforme (milieu)standaarden binnen de EU-interne markt voor een gelijk speelveld
voor bedrijvigheid en dienstverlening. Hierdoor worden zowel milieudoelen als eerlijke
concurrentie beter gewaarborgd.
Het kabinet zet zich actief in om de regeldruk voor bedrijven en ondernemers te verminderen,
mede ter versterking van het Europese concurrentievermogen. Het kabinet werkt aan
de vermindering van regeldruk via verschillende nationale en Europese sporen, zoals
overeengekomen in het «Actieprogramma Minder Druk Met Regels»5. Vanuit een economisch perspectief is milieubeleid een belangrijke stimulans om de
groene en digitale transitie te realiseren. Het geeft aan bedrijven, maatschappelijke
instellingen en ondernemers heldere kaders en richting om langetermijninvesteringen
te kunnen doen, en innovatie aan te sporen. Daarmee is milieubeleid een katalysator
voor technologische vooruitgang en draagt het bij aan de ontwikkeling van nieuwe markten.
Daarnaast dragen Europese milieustandaarden bij aan een gelijk speelveld en zorgen
ze voor mogelijkheden tot opschaling voor (mkb) bedrijven. Ook vindt het kabinet dat
milieudoelstellingen en -standaarden noodzakelijk zijn voor het waarborgen van een
gezonde fysieke leefomgeving en de gezondheid van burgers. Deze standaarden komen
voort uit wetenschappelijk onderzoek, zoals in het geval van gezondheidseffecten van
een gezonde leefomgeving en bijbehorende economische besparingen. Het blijvend inzetten
op het behalen van milieustandaarden is daarmee ook belangrijk voor de volksgezondheid
en het voorkomen van onnodige externe kosten. Bovendien leidt het voorkómen van milieuschade
ook tot het vermijden van hoge(re) kosten elders en later. Op 9 september jl. heeft
het kabinet de wisselwerking tussen economie en milieu beschreven in een non-paper
Milieuomnibus.6
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt de milieuomnibus. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om
wet- en regelgeving te vereenvoudigingen om zodoende zowel de concurrentiekracht te
vergroten als de transitie naar een schone toekomstbestendige economie te versnellen.
De milieuomnibus sluit in grote lijnen aan bij de kabinetsinzet, zoals vastgelegd
in het eerdergenoemde non-paper. Verder is de Commissie dicht bij de oorspronkelijke
reikwijdte van de milieuomnibus gebleven. Dit wordt door het kabinet als positief
beoordeeld, aangezien zij van mening is dat vereenvoudiging het beste gerealiseerd
kan worden binnen de daartoe bestemde wetgevingsvoorstellen.
Het kabinet steunt de Commissie in de vereenvoudiging van bestaande wetgeving via
lopende en aangekondigde herzieningen en evaluaties. Het kabinet wijst hierbij naar
de mogelijkheid die bijvoorbeeld de evaluatie van de SUP-richtlijn en de aangekondigde
CEA hiervoor bieden. Het kabinet zal actief input leveren op deze trajecten7, en zal deze – net zoals voor de andere toekomstige voorstellen die de Commissie
verder aankondigt in de mededeling – op het moment van publicatie beoordelen. Voor
het kabinet staat voorop dat dit een afweging moet zijn tussen het verminderen van
regeldruk, het bieden van voldoende flexibiliteit en het behalen van de bestaande
doelen, en bijdragen aan alle maatschappelijk opgaven (o.a. defensiegereedheidstelling,
volksgezondheid, woningbouw, energie, landbouw, etc.). Goed uitgevoerde stresstests
kunnen bijdragen aan een realistische en werkbare implementatie van regelgeving, die
nodig is gelet op alle maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat.
In lijn met de eerder aangenomen motie van de Tweede Kamer,8 zal het kabinet Europees pleiten voor gedegen toetsing en de uitvoering van impact
assessments om te waarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgeving niet
ten koste zal gaan van milieubescherming.
Voor de RIE, steunt het kabinet het verlagen van de administratieve lasten voor bedrijven.
Vereenvoudiging binnen de Richtlijn Industriële Emissies kan bijdragen aan betere
uitvoerbaarheid en minder regeldruk, mits deze zorgvuldig wordt onderbouwd. Het ziet
echter een risico dat de huidige voorstellen leiden tot een lager niveau van bescherming
van (gezondheid van) mens en milieu. In de context van EMS, leidt het wegvallen van
de verplichting tot het opstellen van een chemische inventarisatie, risicobeoordeling
en analyse van de mogelijkheden voor veiligere alternatieven of vermindering van het
gebruik, emissies en het chemisch managementsysteem tot risico's. Zonder deze gerapporteerde
informatie is het lastig te bepalen welke maatregelen nodig zijn om tot een bepaald
beschermingsniveau van mens en milieu te komen en is het voor bevoegde gezagen moeilijk
om hun wettelijke toezichtstaken uit te oefenen. Het kabinet zal daarom aan de Commissie
vragen hoe zij dit beoordeelt en hoe zij tot deze voorstellen is gekomen. Deze lijken
namelijk in te gaan tegen haar eigen ambities. In het voorstel voor de RIE vervallen
een gedelegeerde handeling met betrekking tot transformatieplannen (omdat artikel 27
d vervalt) en een uitvoeringshandeling met betrekking tot het EMS (artikel 14a, vierde
lid, tweede alinea). De vervallen delegatiebevoegdheid van artikel 27d, vijfde lid,
had betrekking op de verplichting van lidstaten om transformatieplannen op te laten
stellen. Nu deze verplichting vervalt, heeft de delegatiebevoegdheid geen functie
meer. De vervallen uitvoeringsbehandeling uit artikel 14a, vierde lid, tweede alinea,
zag op de informatie (uit het EMS) die relevant is voor bekendmaking.
Wat betreft de SCIP-database, onderschrijft het kabinet de argumenten die de Commissie
aanvoert om de verplichting voor leveranciers om aanwezigheid van SVHC in hun producten
te melden aan het ECHA te beëindigen. Het kabinet kan zich erin vinden dat de Commissie
de SCIP-database wel behoudt. Onder de Europese Ecodesign wetgeving worden namelijk
verplichte digitale productpaspoorten (DPP’s) voorzien, met informatie over aanwezige
«Substances of Concern» in producten. Hiermee zal er alsnog betrouwbare informatie beschikbaar komen. Het
kabinet zal de Commissie oproepen om bij uitwerking van de DPP’s de geleerde lessen
van de SCIP mee te nemen.
Wat betreft het schrappen van de inzet om indicatoren te ontwikkelen voor afvalpreventiemaatregelen,
begrijpt het kabinet de redenatie van de Commissie, maar is hiermee terughoudend.
Het kabinet pleit al langer bij de Commissie voor Europese doelstellingen voor hergebruik
en preventie. Hiervoor zijn uniforme data en meetmethoden noodzakelijk. EU-brede indicatoren
dragen bij aan harmonisatie en uniformiteit, wat (toekomstig) beleid ten goede komt
en waardoor lidstaten ook onderling van elkaar kunnen leren. Daarom zou het kabinet
daarnaast liever zien dat dergelijke toekomstige indicatoren bindend worden. Indien
dit nu niet haalbaar blijkt, zal het kabinet hiervoor blijven pleiten in het kader
van de aankomende Circular Economy Act.
Het kabinet steunt het verminderen van het aantal rapportageverplichtingen onder de
UPV-regels. Dit draagt bij aan lastenverlichting voor bedrijven zonder de doelen van
de wetgeving te ondermijnen. Ten aanzien van de opschorting van de UPV-verplichting
voor producenten die gevestigd zijn in de EU om een gemachtigd vertegenwoordiger aan
te wijzen, is het kabinet kritisch. Met het verdwijnen van deze plicht wordt het voor
de handhaving moeilijker om producenten die vanuit andere lidstaten producten op de
Nederlandse markt brengen verantwoordelijk te houden voor hun UPV-verplichtingen.
Lidstaten hebben geen instrumentarium om zelf eisen te stellen aan deze producenten
en het wordt daarmee vrijwillig voor bedrijven om een gemachtigd vertegenwoordiger
aan te stellen. Hierdoor kunnen handhavende autoriteiten hun controlerende functie
vrijwel niet uitoefenen op producenten uit andere lidstaten. Dit zorgt voor een verhoogd
risico op een ongelijk speelveld, aangezien het vrijwillige karakter maakt dat op
de ene producent wel gehandhaafd kan worden en de ander beperkt tot niet. Door deze
beperkte handhaving vindt er lastenverschuiving plaats richting de samenleving, waar
eerder het uitgangspunt van de «vervuiler betaalt» werd gehanteerd. Het kabinet zal
verheldering vragen aan de Commissie hoe zij in die situatie aankijkt tegen de mogelijkheden
van lidstaten om adequaat toezicht te houden en handhavend op te treden en hoe het
Commissievoorstel doorwerkt op het gelijke speelveld.
Ten aanzien van de wijzigingen in de batterijenverordening is het kabinet positief
over de aanpassing van de definitie van producent en het schrappen van de genoemde
rapportage door de Commissie. Dit geeft meer duidelijkheid en verlicht de lasten.
Ten aanzien van de andere aanpassingen is het kabinet voorzichtiger. Het betreft aanpassingen
in de technische voorschriften van de verordening, waarvan de consequenties onduidelijk
zijn. Wanneer batterijen niet langer op celniveau, maar alleen op moduleniveau verwijderbaar
en vervangbaar zijn, kan dit de herfabricage (refurbishment) hiervan bemoeilijken. Zonder impact assessment is onduidelijk in hoeverre de aanpassing
het Europese refurbishers moeilijker maakt ten opzichte van producenten die zich (grotendeels) buiten de EU
bevinden. Onduidelijk is ook op welke veiligheidsrisico’s de Commissie doelt bij het
op celniveau werken. Het kabinet zal om verduidelijking vragen over deze twee punten
en zich bij een onbevredigend antwoord kritisch opstellen ten aanzien van deze aanpassing.
Het kabinet is kritisch over de voorgestelde wijziging ten aanzien van de etikettering
van batterijen. Het voorstel houdt in dat niet langer alle gevaarlijke stoffen in
alle relevante hoeveelheden vermeld dienen te worden, waaronder PFAS. Het kabinet
zal zich ervoor inzetten dat voldoende duidelijk blijft welke meest gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn in batterijen, inclusief relevante PFAS.
Ten aanzien van de wijzigingen voor de INSPIRE-richtlijn is het kabinet overwegend
positief, aangezien zij het belangrijk vindt dat deze infrastructuur vereenvoudigd
en gemoderniseerd wordt. De oorspronkelijke richtlijn was te prescriptief en rigide
op gedetailleerde technische specificaties. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke
last voor Nederlandse organisaties die aan de INSPIRE verplichtingen moeten voldoen.
Het kabinet is van mening dat de Commissie met de wijzigingen tegemoetkomt aan de
breed gedeelde wens tot vereenvoudiging en modernisering. Tegelijkertijd is het van
belang de toegang tot kwalitatief hoogwaardige milieudata te borgen en daarbij het
belang van interoperabiliteit (van naadloos data delen) niet uit het oog te verliezen.
De Europese INSPIRE community heeft op dit vlak de afgelopen twintig jaar goede resultaten
behaald. De vraag is hoe de goede punten van INSPIRE behouden kunnen blijven (afdwingen
technische, semantische en organisatorische interoperabiliteit, een sterke community
en governance). Overwogen zou kunnen worden internationale standaarden voor metadata
en het delen van data te verplichten. Het kabinet zal de Commissie vragen hierop te
reflecteren.
Ten aanzien van de verordening voor versnelling van de milieubeoordelingen, verwelkomt
het kabinet de intentie om milieubeoordelingen te versnellen ten behoeve van snellere
vergunningverlening. Het kabinet verwelkomt de bepaling inzake de aangepaste en afgebakende
beoordeling met betrekking tot wijzigingen van reeds bestaande projecten. Verder staat
het kabinet positief tegenover de maatregel voor het al dan niet opzettelijk doden
en/of verstoren van soorten (soortenbescherming). Deze maatregel is gebaseerd op een
soortgelijke bepaling uit REDIII in relatie tot hernieuwbare energieprojecten (artikel 16b).9 Het kabinet onderschrijft het belang van gedegen mitigerende maatregelen. Voor het
kabinet is het ook belangrijk dat een nieuwe benadering uitvoerbaar en betaalbaar
is, en daadwerkelijk bijdraagt aan de beoogde versnelling, zonder dat dit ten koste
gaat van andere Europese doelen.
Verder heeft het kabinet wel enkele aandachtspunten. Zo heeft het kabinet vragen over
de reikwijdte van de verordening en de toegevoegde waarde van een centraal contactpunt
dat alleen ziet op milieubeoordelingen. Het kabinet stelt voor om het centraal contactpunt
samen te voegen met de centraal contactpunten uit de CRMA, NZIA en REDIII, alsook
toekomstig aangekondigde centraal contactpunten. Het inrichten van een nieuw centraal
contactpunt is niet in lijn met het verminderen van de administratieve druk, en creëert
ook onduidelijkheid voor ondernemers indien meerdere contactpunten voor verschillende
vergunningverleningsonderdelen ingericht worden. Het kabinet vraagt zich af of het
huidige Nederlandse stelsel van één bevoegd gezag per omgevingsvergunning voldoet
aan het Commissievoorstel op dit punt en is tevens benieuwd of de Commissie bijdraagt
aan het voorzien in voldoende middelen voor het centraal contactpunt. Ook acht het
kabinet het van belang om in het kader van versnellen te blijven benadrukken dat de
kwaliteit van de milieubeoordeling gewaarborgd blijft. De voorgenomen vereenvoudigingen
in Europese wet- en regelgeving mogen niet leiden tot extra schade aan gezondheid,
natuur en milieu.
Daarnaast introduceert de verordening de mogelijkheid van een zogenaamde «grondentrechter»10 tussen de administratieve fase en de rechterlijke fase. Het kabinet is kritisch,
aangezien dit de rechtsbescherming beperkt en het Nederlandse systeem uitgaat van
een onderdelentrechter en geen grondentrechter tussen de administratieve fase en de
fase bij de rechter. Een grondentrechter kan daarentegen wel bijdragen aan een versnelling
van vergunningsprocedures, aangezien het tot een snellere rechterlijke uitspraak kan
leiden.
Voor het kabinet staat voorop dat versnelling van rechtspraak niet ten koste gaat
van de rechtsbescherming en dat de grondwettelijke scheiding der machten gewaarborgd
blijft. Om deze reden zal het kabinet duidelijkheid vragen aan de Commissie over hoe
een grondentrechter zich verhoudt tot de bepalingen over toegang tot de rechter in
milieuzaken uit het Verdrag van Aarhus.
Het kabinet heeft vragen over het stroomlijnen van verschillende soorten milieubeoordelingen.
Coördinatie tussen milieubeoordelingen is in Nederland niet formeel geregeld en zou
een grote ingreep betreffen. Het kabinet schat in dat dit in de Nederlandse situatie
praktische bezwaren zal opleveren, en voorziet dat de vrijheid om vergunningen apart
aan te vragen hiermee mogelijk wordt ingeperkt. De Commissie stelt enkele termijnen
voor onderdelen van het milieueffectrapportage proces, waarvan sommige in het huidige
Nederlandse stelsel nog niet bestaan. Het kabinet twijfelt over de haalbaarheid van
deze termijnen en vreest dat deze te kort zijn om tot een kwalitatief goede milieubeoordeling
te kunnen komen. Het kabinet zal de Commissie vragen hoe zij de praktische uitvoering
hiervan ziet, omdat initiatiefnemers naast versnelling ook gebaat zijn bij vergunningen
die voldoen aan natuur- en milieuwetgeving. Het is daarom van belang dat versnelling
hand in hand gaat met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid.
Het kabinet ziet een positieve ontwikkeling in de suggestie van de Commissie om informatie
meer digitaal toegankelijk te maken, alleen zijn dit soort veranderingen vaak ingrijpend
en zeer kostbaar. Zonder impact assessment of duidelijke toelichting is het de vraag
of dit voorstel financieel haalbaar en technisch uitvoerbaar is binnen de voorgestelde
termijn. Daarnaast biedt het voorstel onvoldoende duidelijkheid welke stappen in digitalisering
gezet moeten worden. Het kabinet zal de Commissie vragen hierop te reflecteren, aangezien
er wel zeker kansen liggen.
Het kabinet staat positief tegenover de gereedschapskist in de bijlage, zoals door
de Commissie voorgesteld, die ruimte biedt voor het aanmerken van strategische sectoren
of projecten als dwingende reden van groot openbaar belang. De Commissie heeft de
bevoegdheid voor het aanmerken van deze sectoren en projecten. Vergunningverlening
van rechtswege is mogelijk voor zover dit in het nationale recht bestaat en niet wanneer
een milieubeoordeling vereist is. Ook bestaat er een mogelijkheid voor versnelde juridische
trajecten voor zover deze in het nationale recht bestaat. Deze drie «gereedschappen»
onderschrijven ook het standpunt van het kabinet over deze onderwerpen, zoals ook
afgelopen jaren in verschillende onderhandelingen is uitgedragen. In artikel 14 worden
de strategische sectoren genoemd waar de gereedschapskist uit de bijlage op van toepassing
is. De Commissie benoemt dat dit tenminste gaat gelden voor strategische projecten
met betrekking tot de bouw en constructie van woningen inclusief de noodzakelijke
infrastructuur. Het kabinet ziet graag een verwijzing naar defensie als strategische
sector, in lijn met de reeds aangenomen Defensieomnibus.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Lidstaten zijn overwegend positief over de vereenvoudiging van Europese regelgeving,
aangezien dit kan bijdragen aan de verlichting van administratieve lasten. Er zijn
echter ook zorgen onder andere lidstaten over of de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk
bijdragen aan het vergroten van het concurrentievermogen. Veelal zullen lidstaten
hun positie hierop baseren. Voor de RIE en CE-voorstellen is het krachtenveld nog
onduidelijk. De verwachting is dat de verordening verschillend gewogen gaat worden
door lidstaten, gezien de MER in elke lidstaat anders geïmplementeerd wordt en daarmee
de voorgestelde vereenvoudiging verschillend zal uitwerken op lidstaatniveau. Over
het opschorten van de verplichting een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen,
hebben meerdere lidstaten zich kritisch uitgelaten, met name vanwege de (negatieve)
impact op de handhaving.
De positie van het Europees Parlement is nog onbekend.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toebedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de mededeling is positief. De mededeling
heeft betrekking op verschillende aspecten van EU-milieubeleid en de vereenvoudiging
hiervan voor het verhogen van het concurrentievermogen en het versterken van de interne
markt. Op de terreinen milieubeleid en de interne markt is sprake van een gedeelde
bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a en e, VWEU).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor het voorstel voor
de vereenvoudiging van de IEPR ((EU) 2024/1244; COM/2025/981) en batterijenverordening
((EU) 2023/1542; COM/2025/982) is positief. Deze voorstellen zijn gebaseerd op artikel 114
en 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van maatregelen die
de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Artikel 192, lid 1, VWEU
geeft de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen
om de EU-milieudoelstellingen zoals neergelegd in artikel 191 VWEU te verwezenlijken.
Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen. Op het terrein van milieubeleid
en de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten
(artikel 4, lid 2, sub a en e, VWEU).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor de voorstellen ter
wijziging van (i) de richtlijn tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke
informatie in de gemeenschap (INSPIRE [2007/2/EC]), (ii), de richtlijn industriële
emissies (2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785) en (iii) de Kaderrichtlijn
Afvalstoffen (2008/98/EG), (iv) de richtlijn betreffende afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur (AEEA [2012/19/EU]) en (v) de richtlijn betreffende de vermindering
van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu ((EU) 2019/904) is positief.
De grondslag voor deze voorstellen is artikel 192 (lid 1) van het VWEU. Dit artikel geeft
de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen om
de EU-milieudoelstellingen te verwezenlijken, zoals neergelegd in artikel 191 VWEU.
Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van milieubeleid
is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2,
onder e, VWEU).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor het voorstel voor
de verordening voor de versnelling van milieubeoordelingen is positief. Het voorstel
heeft als grondslag artikel 192 (lid 1) VWEU. Dit artikel geeft de EU de bevoegdheid
om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen om de EU-milieudoelstellingen
zoals neergelegd in artikel 191 VWEU te verwezenlijken. Het kabinet kan zich vinden
in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van milieubeleid is sprake van een gedeelde
bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, onder e, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
Ten aanzien van de mededeling is de grondhouding van het kabinet ten aanzien van de
subsidiariteit positief. De mededeling heeft tot doel milieuwetgeving te vereenvoudigen
ten behoeve van concurrentievermogen. Gezien de grensoverschrijdende aspecten van
milieubeleid en concurrentievermogen, kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal,
regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak nodig. Door
middel van de verduidelijkingen die in de mededeling worden geboden, wordt het gelijk
speelveld op het terrein van milieubeleid verbeterd en wordt de grensoverschrijdende
uitdaging om de milieudoelen te halen verbeterd. Om die redenen is optreden op het
niveau van de EU gerechtvaardigd.
Ten aanzien van alle wetgevende voorstellen op het gebied van circulaire economie,
INSPIRE, industriële emissies en de verordening voor vergunningsverlening voor milieubeoordeling,
is het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit positief. Deze voorstellen
hebben tot doel bestaande EU-milieuwetgeving te stroomlijnen, vereenvoudigen en waar
nodig aan te passen teneinde de effectiviteit van het milieubeleid te vergroten en
de uitvoerbaarheid voor lidstaten en betrokken partijen te verbeteren. Gezien het
grensoverschrijdende karakter van milieu en de samenhang met de interne markt kan
dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt,
daarom is een EU-aanpak wel nodig. Door het harmoniseren en vereenvoudigen van regelgeving
wordt het gelijk speelveld op het terrein van milieubescherming binnen de Unie verbeterd.
Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Ten aanzien van de mededeling is de grondhouding van het kabinet ten aanzien van de
proportionaliteit positief. De mededeling heeft tot doel milieuwetgeving te vereenvoudigen
ten behoeve van concurrentievermogen. Het voorgestelde optreden is wel geschikt om
deze doelstelling te bereiken, omdat gezien de grensoverschrijdende aspecten van milieubeleid
en concurrentievermogen, dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal
of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt. Daarom acht het kabinet het voorgestelde
optreden geschikt. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk,
omdat het voorgestelde optreden gericht is op het verbeteren van het gelijk speelveld
op het terrein van milieubeleid en het verbeteren van de grensoverschrijdende uitdaging
om de milieudoelen te halen. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU wel
geschikt.
Ten aanzien van de voorstellen op het gebied van circulaire economie11 en INSPIRE12, beoordeelt het kabinet de proportionaliteit positief. De voorstellen hebben tot
doel bestaande EU-milieuwetgeving te stroomlijnen, te vereenvoudigen en te actualiseren,
met als doel de effectiviteit van het milieubeleid te vergroten en de uitvoerbaarheid
en naleving door lidstaten en betrokken partijen te verbeteren. Het voorgestelde optreden
is wel geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat het zich richt op gerichte
aanpassingen van bestaande regelgeving, het verminderen van onnodige administratieve
lasten en het verduidelijken van verplichtingen, zonder de kern van de milieudoelstellingen
aan te tasten. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk,
omdat het ruimte laat voor nationale invulling waar passend en beperkt blijft tot
maatregelen die nodig zijn om een consistente en doeltreffende toepassing van EU-milieuregels
te waarborgen.
Ten aanzien van de proportionaliteit van de voorstellen voor de Richtlijn Industriële
Emissies (RIE) en de Industrial Emissions Portal Regulation (IEPR) met betrekking
tot het onderdeel EMS is het oordeel van het kabinet deels positief en deels negatief.
De voorstellen voor de RIE met betrekking tot het onderdeel EMS hebben tot doel administratieve
lasten te verlichten via het schrappen van emissierapportages door landbouw- en aquacultuurbedrijven
aan bevoegd gezagen. De aanpassing van conversiegetallen van niet-gespeende biggen,
en verlenging van de termijn voor het opstellen van een EMS beoordeelt het kabinet
positief, omdat dit zal leiden tot een aanzienlijke lastenverlichting. Het kabinet
steunt het doel van het verlagen van de administratieve lasten voor bedrijven, en
erkent dat met het schrappen van rapportageverplichtingen sprake hiervan is. Het kabinet
vraagt zich af waarom het voorstel van de Commissie is de biologische pluimveesector
niet langer onder de RIE te laten vallen. Zo zijn er in de biologische pluimveehouderij
ook emissies van onder andere ammoniak en fijnstof, en kunnen voor het biologisch
– net als voor het niet-biologisch houden – van legkippen, emissie reducerende technieken
en stalsystemen worden toegepast. Het voorgestelde optreden inzake EMS, zoals het
afschaffen van de inventarisatielijst van zorgwekkende chemische stoffen, is volgens
het kabinet niet geschikt om deze doelstelling te halen, omdat het leidt tot een informatietekort
bij de bevoegde gezagen bij de beoordeling van de gevolgen van installaties voor de
(leef)omgeving en het verder gaat dan noodzakelijk. De voorgestelde aanpassingen aan
het EMS verminderen onder de streep de werking, en daarmee het doelbereik van het
EMS. Hiermee leidt deze specifieke aanpassing naar verwachting tot doelverlaging.
Om inzicht te verkrijgen, zal het kabinet om een impact assessment bij de Commissie
vragen.
Ten aanzien van het voorstel voor een verordening voor de versnelling van milieubeoordelingen,
beoordeelt het kabinet de proportionaliteit positief, met kanttekeningen. Het voorstel
heeft tot doel milieubeoordelingen te versnellen ten behoeve van snellere vergunningverlening.
Het kabinet is van mening dat het voorstel geschikt is om het beoogde doel voor milieubeoordelingen
te bereiken, mede omdat de voorgestelde gereedschapskist snellere vergunningverlening
van strategische projecten kan faciliteren. De Commissies retoriek is om op deze manier
eenheid tussen de lidstaten te creëren. Echter, het kabinet merkt op dat mer-richtlijn
verschillend is geïmplementeerd in lidstaten, en dat daardoor harmonisatie in de praktijk
lastig kan zijn. Hiermee gaat de Commissie in tegen het principe van de mer-richtlijn,
waarbij lidstaten de bevoegdheid is gegeven om deze op eigen wijze te implementeren.
Het kabinet ziet hier een duidelijk spanningsveld tussen Europese integratie en nationale
flexibiliteit, maar erkent dat harmonisatie de Europese uitvoeringspraktijk ten goede
kan komen. Het doel van de Commissie had via minder ingrijpende maatregelen ook verwezenlijkt
kunnen, zoals via richtsnoeren.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
De milieuomnibus bevat gerichte aanpassingen van bestaande wet- en regelgeving voor
milieubeleid, en een verordening voor versnelling van milieubeoordelingen. Hier zijn
geen consequenties voor de EU-begroting aan verbonden. Het kabinet is van mening dat
de eventueel benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad
afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moeten passen
bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruit lopen
op de (uitkomst van) de onderhandelingen voor het volgende Meerjarig Financieel Kader
en de integrale afweging van middelen na 2027.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor Rijksoverheid en/ of medeoverheden
Het voorstel heeft vooral rondom milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen
financiële consequenties voor de Rijksoverheid en medeoverheden. Bij het inregelen
van centrale contactpunten en het digitaliseren van het totale proces van de milieueffectenrapportage
worden financiële consequenties voorzien. Het kabinet is kritisch op het ontbreken
van een financiële raming en impact assessment, aangezien digitalisering van een deel
van het proces naar verwachting niet tot het beoogde doel van dit voorstel gaat leiden.
Het kabinet zal daarom in de onderhandelingen vragen om een nadere duiding van deze
ontwikkeling en op welke manier de Commissie lidstaten gaat ondersteunen in het tijdelijk
en efficiënt realiseren van de gevraagde doorontwikkeling. Eventuele budgettaire gevolgen
voor de Rijksbegroting worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke
departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
Vereenvoudiging en modernisering van de INSPIRE-Richtlijn leidt tot lagere kosten
voor het Rijk (coördinatiekosten en ondersteuningskosten) en medeoverheden (implementatiekosten).
Als gebruikers zelf moeten zorgen voor interoperabiliteit, als dat niet meer verplicht
is, leidt dat wel tot hogere kosten.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
De milieuomnibus beoogt enerzijds administratieve lasten te verlichten en procedures
te vereenvoudigen voor het bedrijfsleven, en anderzijds hebben deze vooral invloed
op (decentrale) overheden. Doordat geen nieuwe of andere beoordelingskaders worden
geïntroduceerd schat het kabinet de financiële en regeldruk gevolgen voor het bedrijfsleven
positief in. Echter, het ontbreken van een impact assessment is dit moeilijk in te
schatten.
Het kabinet onderstreept het belang van regeldrukvermindering als een topprioriteit,
zoals neergelegd in het Actieprogramma Minder Druk Met Regels (9 december 2024). Het
ontbreken van een impact assessment bij dit voorstel is onwenselijk, temeer omdat
dit de inschatting van de regeldrukeffecten bemoeilijkt. Het kabinet is van mening
dat voorstellen met (mogelijke) regeldrukgevolgen altijd vergezeld moeten gaan van
een impact assessment.
Het kabinet benadrukt verder het belang van het tijdig en structureel betrekken van
relevante stakeholders bij de verdere uitwerking en implementatie van de voorgestelde
vereenvoudigingen. Dit is van belang om de uitvoerbaarheid te borgen en te voorkomen
dat vereenvoudiging in de praktijk leidt tot nieuwe of onvoorziene regeldrukeffecten.
De voorstellen op het gebied van circulaire economie dragen grotendeels bij aan het
verminderen van regeldruk voor het bedrijfsleven, specifiek waar het gaat om het opschorten
van de verplichting tot invullen van de SCIP-database en het verminderen van de rapportages
onder UPV-verplichtingen. Met o.a. het opschorten van de verplichting een gemachtigd
vertegenwoordiger aan te wijzen voor bepaalde UPV-verplichtingen, en daarmee de verwachte
lastigere handhaving, komen de kosten van vervuiling vooral bij de samenleving te
liggen, doordat het principe van «de vervuiler betaalt» niet langer gegarandeerd kan
worden.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De voorstellen komen voort uit het bredere plan om het concurrentievermogen van de
EU te versterken, zoals uiteengezet door Commissievoorzitter Von der Leyen in haar
politieke richtsnoeren voor de zittingsperiode 2024–2029 en het rapport «The Future of European Competitiveness» van Mario Draghi. De Commissie geeft aan, dat zoals benadrukt in het Draghi-rapport,
de opeenstapeling van regels soms een negatief effect heeft gehad op het concurrentievermogen.
Door de regeldruk van milieuregelgeving te verlagen zouden de voorstellen de concurrentiekracht
moeten versterken. In het kader van toenemende internationale spanningen en geopolitieke
onzekerheid, draagt het versterken van de concurrentiepositie bij aan de strategische
positie van de EU. Ook derde landen kunnen profijt hebben van de vereenvoudigingsvoorstellen,
aangezien deze van toepassing zijn op alle bedrijven die op de EU markt opereren,
dus ook op niet-Europese bedrijven.
Het kabinet waakt ervoor dat de voorstellen geen ongewenste negatieve effecten met
zich meebrengen. In dit kader is het kabinet terughoudend op de voorstellen t.a.v.
batterijen die mogelijk Europese refurbishers negatief beïnvloeden. Daarnaast zorgt mogelijk het schrappen van de verplichting
voor het aanwijzen van een gemachtigd vertegenwoordiger voor een verhoogd risico op
een ongelijk speelveld, aangezien het vrijwillige karakter maakt dat op de ene producent
wel gehandhaafd kan worden en de ander beperkt tot niet. Ook hecht het kabinet eraan
dat de EU bij de nadere uitwerking van de voorstellen in overeenstemming met de internationale
verplichtingen van de EU handelt, waaronder de akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie
(WTO) en bilaterale handelsakkoorden en eventuele negatieve externe effecten voor
handelspartners tot een minimum beperkt.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
De verordening heeft implicaties voor nationale en decentrale regelgeving, met name
op het terrein van milieueffectrapportage en vergunningverlening, hoewel vergunningverlening
formeel buiten de voorgestelde scope van de verordening valt. Door het stellen van
procedurele vereisten en termijnen voor milieubeoordelingen grijpt het voorstel indirect
in op bestaande nationale vergunningstelsels, waaronder het Nederlandse stelsel onder
de Omgevingswet.
Artikel 3 van de verordening introduceert de verplichting tot het aanwijzen van een
centraal contactpunt. Hoewel het voorstel ruimte laat om aan te sluiten bij bestaande
nationale structuren, lijkt het tegelijkertijd te sturen op de inrichting van een
aanvullend, specifiek contactpunt voor milieubeoordelingen. Dit roept vragen op over
de verhouding tussen dit contactpunt en reeds bestaande centrale loketten die voortvloeien
uit andere Europese instrumenten, zoals de CRMA, NZIA en REDIII. Het is onduidelijk
of en in hoeverre de huidige inrichting van het Nederlandse stelsel voldoet aan de
eisen van artikel 3 en welke aanpassingen noodzakelijk zouden zijn. Het kabinet is
voornemens hierover nadere verduidelijking te vragen aan de Commissie.
Daarnaast stelt de verordening termijnen voor verschillende onderdelen van het proces
om te komen tot een milieueffectrapportage. In het vierde en vijfde lid van het betreffende
artikel wordt echter bepaald dat deze termijnen buiten toepassing blijven indien zij
een eventueel bestaande kortere nationale termijn zouden overschrijden. Hierdoor ontstaat
onduidelijkheid over de praktische betekenis en toegevoegde waarde van de voorgestelde
termijnen, temeer daar het voorstel niet verduidelijkt in welke volgorde en op welke
wijze deze termijnen zich tot elkaar verhouden of kunnen worden ingekort.
Het kabinet wenst meer duidelijkheid te krijgen over het projectbegrip in het voorstel
voor de verordening voor versnelling van de milieubeoordelingen. In de verordening
– specifiek artikel 1 en artikel 2, eerste lid – lijkt geen onderscheid te worden
gemaakt tussen het projectbegrip in de zin van de SMB/MER-richtlijn enerzijds en de
Habitat- en Vogelrichtlijn anderzijds, wat niet in overeenstemming is met de rechtspraak
van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De verordening bevat voorts in de bijlage een zogenoemde «gereedschapskist», die lidstaten
ruimte biedt om bepaalde sectoren of projecten aan te merken als dwingende reden van
groot openbaar belang. Deze instrumenten sluiten aan bij het standpunt van het kabinet
zoals dat in eerdere Europese onderhandelingen is uitgedragen. Het kabinet is in beginsels
terughoudend ten aanzien van vergunningverlening van rechtswege (lex silencio positivo),
mede gelet op de vereisten van zorgvuldige besluitvorming, effectieve rechtsbescherming
en de noodzaak tot naleving van Europees milieurecht, waaronder de verplichtingen
voortvloeiend uit het Verdrag van Aarhus. De gereedschapskist bevat ook een bepaling
die ervoor zorgt dat projecten die vallen onder bepaalde strategische sectoren door
nationale rechtbanken met de hoogste spoed moeten worden behandeld. Het kabinet vraagt
aandacht voor de gevolgen hiervan voor de rechterlijke macht, en voor de vraag wat
het behandelen met hoogste spoed precies betekent. Het kabinet vindt het wenselijk
dat het aan de lidstaten is om voor deze aangewezen sectoren of projecten te bepalen
dat deze met spoed door de rechter moeten worden behandeld.
De INSPIRE-richtlijn is via de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke
informatie verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voorstel betekent dat deze wet
moet worden aangepast.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
In artikel 14, lid 1, van het voorstel voor een verordening inzake de versnelling
van milieubeoordelingen wordt aan de Commissie een uitvoeringsbevoegdheid toegekend
voor het identificeren van strategische projecten voor de bouw en renovatie van betaalbare
woongebouwen of sociale huisvesting en de benodigde infrastructuur voor die gebouwen
aan te wijzen. Het toekennen van deze bevoegdheid is wel mogelijk, omdat het geen
essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Het toekennen van deze uitvoeringsbevoegdheid
is wenselijk, omdat dit bijdraagt aan de gewenste flexibiliteit, met het oog op projecten
die nog niet in beeld zijn op het moment van vaststelling van de basishandelingprojecten.
De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld
in artikel 5 van de verordening 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens
het kabinet op zijn plaats omdat de uitvoeringshandelingen betrekking hebben op het
milieu (artikel 2, lid 2, sub b), onder iii) van verordening 182/2011). De keuze voor
uitvoering in plaats van delegatie ligt hier voor de hand, omdat het gaat om het uitvoeren
van een handeling volgens eenvormige voorwaarden.
In het voorstel voor de richtlijn ter wijziging van INSPIRE (2007/2/EG) wordt in artikel 1,
lid 2, sub b, van het voorstel voorgesteld de Commissie een delegatiebevoegdheid te
geven om de beschrijving van de bestaande categorieën gegevens in de bijlagen I, II
en III aan te passen aan de technologische en economische ontwikkelingen. Toekenning
van deze bevoegdheid is mogelijk, en daarom ook wenselijk geacht, omdat het gaat om
niet-essentiële onderdelen van de basishandeling. De keuze voor delegatie i.p.v. uitvoering
ligt hier voor de hand omdat het gaat om het wijzigen van de basishandeling (de bijlagen).
Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend. Het voorstel voor de richtlijn
ter wijziging van INSPIRE omvat verder geen aanvullende verschuivingen van bevoegdheid
t.a.v. gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Ten aanzien van de verordening acht het kabinet de voorgestelde termijnen voor de
inrichting van een centraal contactpunt en de ontwikkeling van een digitaal platform
niet haalbaar. Uit ervaringen met de implementatie van vergelijkbare Europese verplichtingen,
zoals onder RED, NZIA en CRMA, blijkt dat het opzetten en operationeel maken van dergelijke
structuren binnen zes maanden niet realistisch is.
Daarnaast acht het kabinet het onwaarschijnlijk dat een goed functionerend digitaal
platform binnen twee jaar kan worden gerealiseerd, mede gezien het ontbreken van een
duidelijk omlijnd doel, geharmoniseerde standaarden en concrete implementatie ondersteuning.
Ook is het niet duidelijk wat de Commissie van de landen verwacht, noch is er een
impact assessment gedeeld. Hierdoor kan het kabinet niet inschatten of twee jaar een
redelijke termijn is. Het kabinet zal in de onderhandelingen aandacht vragen voor
realistischere termijnen en voldoende flexibiliteit voor lidstaten.
Voor wat betreft de voorstellen op circulaire economie13 zijn de implementatietermijnen haalbaar. Deze richtlijnen treden in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese
Unie.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Niet van toepassing.
e) Constitutionele toets
Ten aanzien van de verordening, de introductie van een verplichte concentratie van
beroepsgronden («grondentrechter») roept vragen op over de verenigbaarheid met nationale
constitutionele beginselen, waaronder de rechtsbescherming, en met de verplichtingen
inzake toegang tot de rechter in milieuzaken op grond van het Verdrag van Aarhus.
Het kabinet zal de juridische houdbaarheid hiervan nader beoordelen.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
a) Uitvoerbaarheid
Ten aanzien van de verordening, de uitvoerbaarheid roept aanzienlijke vragen op. Zoals
ook in de Nederlandse positie is aangegeven, leidt met name de cumulatie van centrale
contactpunten, het ontbreken van duidelijke standaarden voor digitalisering en de
voorgestelde termijnen voor milieueffectrapportages tot uitvoeringsrisico’s voor bevoegde
gezagen op zowel rijks- als decentraal niveau.
De voorgestelde termijnen laten weinig ruimte voor maatwerk en kunnen, in combinatie
met ongewijzigde inhoudelijke vereisten uit bestaande milieu en natuurbeschermingswetgeving,
leiden tot knelpunten in de uitvoering. Het kabinet acht het van belang dat eventuele
versnelling hand in hand gaat met zorgvuldigheid, kwaliteit en juridische houdbaarheid
van milieubeoordelingen.
De voorgestelde wijzigingen in het EMS kunnen leiden tot handhavingsproblemen. De
omgevingsdiensten kunnen door het ontbreken van een goede inventarislijst van (zorgwekkende)
chemische stoffen die in het bedrijfsproces gebruikt en geproduceerd worden, niet
goed bepalen wat de effecten van mogelijke emissies zijn op de leefomgeving. Zowel
in de vergunningverlening als in de handhaving is dat problematisch. Deze informatietekorten
worden door omgevingsdiensten nu al geduid als problematisch. De vereisten van REACH
gelden nu al en vangen deze tekortkoming niet op.
b) Handhaafbaarheid
Ten aanzien van de verordening, is de handhaafbaarheid beperkt uitgewerkt. De procedurele
verplichtingen en termijnen vereisen intensieve monitoring en coördinatie tussen verschillende
bevoegde gezagen. Zonder nadere verduidelijking van verantwoordelijkheden en prioritering
bestaat het risico dat naleving moeilijk afdwingbaar is. Zoals hierboven reeds opgenomen,
is de inschatting dat de handhaafbaarheid van UPV-verplichtingen achteruitgaat als
bedrijven niet langer verplicht gebruik moeten maken van een gemachtigd vertegenwoordiger.
Daarnaast bestaat, vergelijkbaar met andere onderdelen van de milieuomnibus, het risico
dat versoepeling of schrapping van verplichtingen de handhaafbaarheid in grensoverschrijdende
situaties onder druk zet en kan leiden tot een ongelijk speelveld. Handhaving dreigt
daarmee in de praktijk vooral afhankelijk te worden van bestuurlijke afstemming en
beschikbare capaciteit, in plaats van formele handhavingsinstrumenten.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Er zijn geen verwachte implicaties voor ontwikkelingslanden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken