Brief regering : Reactie op verzoek commissie over meerzorg
34 104 Langdurige zorg
Nr. 465
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2026
1. Inleiding
Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging aan uw Kamer om u te informeren
over meerzorg thuis. Dit heb ik toegezegd tijdens het debat meerzorg thuis van 11 december
2025. In deze brief ga ik in op de landelijk uniforme werkwijze die alle zorgkantoren
per 1 maart a.s. zullen gaan toepassen voor het beoordelen van een aanvraag voor meerzorg
thuis. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) geeft aan dat alle zorgkantoren dit gezamenlijk
op 3 februari jl. hebben besloten. De zorgkantoren zijn voornemens om hun uniforme
werkwijze te publiceren in de Staatscourant. Daarnaast ga ik in deze brief in op de
manier waarop zorgkantoren invulling hebben gegeven aan de persoonlijke benadering
van cliënten met een afwijzing van hun aanvraag voor meerzorg. Ook schets ik het tijdpad
dat past bij mijn streven om de regelgeving over meerzorg thuis met ingang van 1 januari
2027 te wijzigen en ga ik in op de moties van Kamerlid Tijmstra (mogelijkheden voor
een onafhankelijke indicatiestelling) en de Kamerleden Vervuurt en Westerveld (monitoring)1.
2. Landelijk uniforme beoordeling van meerzorg
Zorgkantoren hebben zich de laatste maanden ingespannen om te komen tot een landelijk
uniforme beoordeling van meerzorg thuis met een pgb. Aan het einde van deze maand
zullen de zorgkantoren gezamenlijk het beleidskader Meerzorg pgb 2026 vaststellen.
Alle zorgkantoren gaan dit beleidskader hanteren bij een aanvraag voor meerzorg op
basis van een pgb. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet naar gelijkgericht beoordelen.
Ik vind dat van groot belang voor de cliënten die meerzorg nodig hebben om invulling
te geven aan hun zorgbehoefte.
ZN heeft aangegeven dat de zorgkantoren in het door hen ontwikkelde beleidskader onderstaande
stapsgewijze beoordeling zullen opnemen:
1. Is sprake van het best passende zorgprofiel?
Allereerst bekijkt het zorgkantoor of het geïndiceerde zorgprofiel nog wel het best
passend is bij de zorgbehoefte van de cliënt. Zo nodig wordt de cliënt doorverwezen
naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor een herindicatie. Dit is een gebruikelijke
stap in de procedure en niet nieuw.
2. Is er sprake van een zorgprofiel met recht op meerzorg?
Vervolgens beziet het zorgkantoor of de cliënt een zorgprofiel of kenmerken heeft
die toegang geeft tot meerzorg. Alleen cliënten met een in artikel 2.2, eerste en
tweede lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) genoemd zorgprofiel en/of kenmerk(en)
hebben toegang tot meerzorg2.
3. Zijn andere toeslagen dan meerzorg van toepassing?
Voordat de aanvraag voor meerzorg verder wordt beoordeeld, beziet het zorgkantoor
of er andere toeslagen van toepassing zijn waardoor men extra budget kan toekennen.
Deze toeslagen beschouwt het zorgkantoor als voorliggend op meerzorg en zijn genoemd
in artikel 5.1a tot en met artikel 5.1d van de Rlz. Het betreft Extra kosten thuis
(EKT) en diverse toeslagen voor specifieke situaties. Dit extra budget komt bovenop
het maximum beschikbare (basis)bedrag van elk best passend zorgprofiel. Zorgkantoren
bekijken of op deze manier is te voorzien in de zorgbehoefte, zoals omschreven in
de aanvraag van de cliënt. Uit de praktijk blijkt dat dit voor een deel van de aanvragen
mogelijk is. De cliënt ontvangt in dit geval een pgb dat passend is bij de zorgbehoefte.
4. Is er sprake van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte?
Het zorgkantoor voert een medisch inhoudelijke zorgbeoordeling uit op basis van de
ingediende informatie door de cliënt en beoordeelt of de zorgbehoefte naar aard en
omvang uitstijgt boven het geïndiceerde zorgprofiel en daarmee sprake is van een bijzondere
zorgbehoefte. Zorgkantoren baseren hun beoordeling voor meerzorg mede op een huisbezoek
en een door de cliëntvertegenwoordiger ingevuld aanvraagformulier voor meerzorg.
5a. Overstijgt de zorgbehoefte de aan het zorgprofiel verbonden bekostigingsuren met 25%?
Wanneer bij stap vier een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte is vastgesteld dan
beoordeelt het zorgkantoor of de in uren uitgedrukte zorgbehoefte ook voldoet aan
de volumegrens die de wetgever in artikel 2.2, lid 3 van de Rlz heeft gesteld. Wanneer
de benodigde zorguren minimaal 25% hoger zijn dan de bekostigingsuren die zijn verbonden
aan het geldende zorgprofiel, dan heeft de cliënt toegang tot meerzorg.
5b. Is meerzorg noodzakelijk in verband met een bijzondere situatie?
Op basis van casuïstiek hebben zorgkantoren situaties in beeld gebracht waarbij de
gevraagde zorg nodig is om te kunnen voorzien in de zorgbehoefte gelet op de specifieke
woon- en gezinssituatie van de cliënt. Dit is het sluitstuk van de stapsgewijze beoordeling
van de meerzorgaanvraag. Zorgkantoren kunnen voor deze situaties maatwerk realiseren.
De zorgkantoren hebben aangegeven dat zij hun beleidskader uitwerken in richtlijnen
en zullen nagaan wat deze werkwijze betekent voor hun werkprocessen. ZN geeft aan
dat alle zorgkantoren vanaf 1 maart a.s. hun werkwijze hierop zullen hebben aangepast.
Ik heb grote waardering voor de inzet van de zorgkantoren en ZN op dit dossier en
waardeer het dat zij gezamenlijk tot een uniform beleidskader zijn gekomen. Ik vind
het belangrijk dat zorgkantoren oog hebben voor specifieke omstandigheden van hun
cliënten en daar in het beleidskader invulling aan gaan geven. Met ruimte voor maatwerk
waar dit nodig is voor de betreffende thuiswonende cliënten om te kunnen voorzien
in de zorgbehoefte. Deze werkwijze sluit tevens goed aan bij de bedoeling van motie
Westerveld om zorgkantoren meer ruimte te bieden voor maatwerk3.
3. Persoonlijke benadering van zorgkantoren
Tijdens het debat met uw Kamer van 11 december 2025 is de wens naar voren gebracht
om cliënten persoonlijk te benaderen van wie de aanvraag voor meerzorg is afgewezen
in de periode voordat zorgkantoren ertoe zijn overgegaan om, in afwachting van het
nieuwe beleidskader, aanvragen met coulance af te handelen. Inzet van deze persoonlijke
benadering is om degene wiens meerzorgaanvraag is afgewezen vóór de uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1517) op een vergelijkbare
wijze te behandelen als de cliënten waarvan de aanvragen nadien tijdelijk zijn gehonoreerd
of verlengd.
Deze wens is besproken met de zorgkantoren. De uitkomst hiervan is dat zorgkantoren
alle cliënten die vanaf 1 januari 2025 een afwijzing op een meerzorgaanvraag hebben
ontvangen, persoonlijk zullen benaderen indien er een redelijke aanname is dat de
cliënt op grond van het nieuwe beleidskader wel voor meerzorg in aanmerking zou kunnen
komen. De verwachting van de zorgkantoren is dat deze actie voor 1 maart a.s. zal
zijn afgerond. Dit is later dan in het debat van 11 december 2025 is gecommuniceerd.
Dat komt vooral omdat zorgkantoren het wenselijk vonden om eerst overeenstemming te
bereiken over het gezamenlijke beleidskader. Nu de contouren daarvan vaststaan, kan
het zorgkantoor een selectie maken van de te benaderen cliënten en hen de juiste informatie
verschaffen over de nieuwe procedure.
De benaderde cliënten kunnen na contact een nieuwe aanvraag doen, waarbij ook ruimte
wordt geboden voor aanpassingen in de aanvraag ten opzichte van de eerder ingediende
aanvraag als zich wijzigingen in de zorgbehoefte en/of zorginzet hebben voorgedaan.
Omdat het zorgkantoor al beschikt over het dossier en op huisbezoek is geweest, is
de verwachting dat het zorgkantoor de meeste aanvragen vlot zal kunnen afhandelen.
Voor de cliënten die alsnog in aanmerking komen voor meerzorg, zal het zorgkantoor
zich tevens inspannen om een passende overbrugging te realiseren, zoals ook voor cliënten
is gedaan in afwachting van een nieuw beleidskader. Cliënten worden niet benaderd
als voor het zorgkantoor evident is dat men ook na toepassing van het nieuwe beleidskader
niet in aanmerking zal komen voor meerzorg. Dit om geen onjuiste verwachtingen te
wekken. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin de gevraagde zorg geen onderdeel
is van de zorg die wordt geleverd op grond van de Wet langdurige zorg (bijvoorbeeld
extra zorg voor een vakantie) en een cliënt op deze gronden eerder een afwijzing heeft
ontvangen.
Uiteraard kunnen alle cliënten en vertegenwoordigers, ook als zij niet door het zorgkantoor
zijn benaderd, te allen tijde uit eigen beweging een nieuwe aanvraag voor meerzorg
indienen. Het zorgkantoor zal deze nieuwe aanvraag vervolgens in behandeling nemen.
4. Tijdpad wijziging van de Regeling langdurige zorg per 1 januari 2027
Zoals ik eerder heb aangegeven, is het wenselijk de huidige regelgeving ten aanzien
van meerzorg te verduidelijken. Onder meer het Zorginstituut Nederland (hierna: het
Zorginstituut) en de Centrale Raad van Beroep hebben mij hierop gewezen. Mijn streven
is erop gericht om dit per 1 januari 2027 te realiseren. Dit doe ik de komende maanden
in overleg met professionals, vertegenwoordigers van cliënten, zorgkantoren en het
Zorginstituut. Een belangrijk aandachtspunt is hierbij de keuze voor het referentiepunt
wanneer er sprake is van een bijzondere zorgbehoefte. Hierbij zijn verschillende opties
denkbaar. Het Zorginstituut heeft geadviseerd om aan te sluiten bij de aard en omvang
van het zorgprofiel. Alternatieven zijn om uit te gaan van het aantal zorguren, een
kostengrens of een combinatie van de verschillende referentiepunten. In overleg met
de genoemde partijen maak ik een keuze die het beste aansluit bij de beoogde doelstelling
van meerzorg en recht doet aan de benodigde zorg en kwaliteit van leven van cliënten
in de thuissituatie en die voor de zorgkantoren ook uitvoerbaar is. Uiteraard zullen
zorgkantoren beoordelen of deze aanpassing gevolgen heeft voor hun gezamenlijke beleidskader.
Naar verwachting kan ik u voor het zomerreces van 2026 hierover nader informeren.
Mijn streven is om tegelijkertijd de internetconsultatie voor de wijziging van de
Regeling langdurige zorg te starten.
5. Moties over meerzorg
De motie Tijmstra verzoekt de mogelijkheden voor onafhankelijke indicatiestelling
bij de meerzorgregeling uit te werken en de Kamer bij de begrotingsbehandeling VWS 2026
te informeren over de opties. Ik zou hier langer de tijd voor willen nemen en uw Kamer
hierover voor het zomerreces willen informeren. Reden hiervoor is dat ik dit wil bezien
in de opgave om de regelgeving te verduidelijken en vereenvoudigen op basis van een
keuze voor een van de hierboven genoemde referentiepunten voor meerzorg. Ik ben reeds
in gesprek met het CIZ en verken hoe zij naar dit onderwerp kijkt.
Bij alle opties geldt overigens dat deze beoordeling, ongeacht welke instantie die
uitvoert, op dezelfde manier zal plaatsvinden. Voorkomen moet worden dat de cliënt
wordt geconfronteerd met een ongewenste stapeling van procedures bij verschillende
instanties. Dit laatste sluit aan bij de motie van Kamerlid Westerveld c.s.4 In dit licht wil ik uw Kamer wijzen op de adviesrol van het Zorginstituut bij een
beslissing op bezwaar. Het Zorginstituut heeft hierin reeds een onafhankelijke taak
die eerder nog niet is belicht in een debat met uw Kamer. Indien een cliënt het niet
eens is met het besluit van het zorgkantoor over een meerzorgaanvraag, kan men in
bezwaar gaan bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor kijkt dan opnieuw naar de situatie
en de argumenten van de cliënt. Als het zorgkantoor voornemens is om het bezwaar niet
te honoreren, is het zorgkantoor op grond van artikel 10.3.1, eerste lid, van de Wet
langdurige zorg (Wlz), verplicht om advies te vragen bij het Zorginstituut alvorens
een beslissing te nemen op het bezwaar. Het Zorginstituut adviseert vervolgens om
de gevraagde meerzorg geheel of gedeeltelijk toe te kennen of af te wijzen. Ik hecht
belang aan deze rol van het Zorginstituut en zie dit als een belangrijk element in
de procedure.
Motie Vervuurt en Westerveld5 verzoekt het aantal ingediende, toegewezen en afgewezen meerzorgaanvragen per zorgkantoor,
de doorlooptijden van beoordelingen en signalen van cliënten en professionals te monitoren,
op voldoende aggregatieniveau om individuele privacy te waarborgen, tot ten minste
het jaar 2027, en de Kamer hierover regelmatig te informeren. Hieronder deel ik met
uw Kamer de gegevens waarover ik op dit moment beschik. Deze geven nog niet het volledige
beeld. Uw Kamer zal tweemaal per jaar de gevraagde monitoringsinformatie ontvangen,
zoals ik heb toegezegd, zodat uw Kamer een goed beeld krijgt van de ontwikkelingen.
Ik verwacht u eind juni van dit jaar en eind 2026 deze info te kunnen toesturen.
Onderstaande tabel vermeldt enkele gegevens van zorgkantoren die ik van ZN heb ontvangen.
Het betreft het aantal beschikkingen op jaarbasis voor meerzorg op basis van de leveringsvorm
pgb en/of modulair pakket thuis (mpt) in het jaar 2025.
Tabel 1. Aantal beschikkingen voor meerzorg op basis van pgb en/of mpt (op 5-tallen
afgerond)
2025
Volledig toegekende aanvragen
6651
Deels toegekende of afgewezen aanvragen2
110
Afgehandelde bezwaren (gegrond en niet gegrond)
1353
X Noot
1
Van één zorgkantoor is alleen het totaal aantal volledig toegekende aanvragen over
twee jaren bekend en is de verhouding 2024/2025 ingeschat op basis van die verhouding
bij de overige zorgkantoren.
X Noot
2
Hieronder vallen ook aanvragen, waarbij de aanvraag is afgehandeld door de gevraagde
extra kosten toe te kennen op basis van Extra kosten thuis of een van de overige toeslagen.
X Noot
3
Exclusief de opgave van één zorgkantoor. Van één ander zorgkantoor is alleen het totaal
aantal afgehandelde bezwaren over twee jaren bekend en de verhouding 2024/2025 ingeschat
op basis van die verhouding bij de overige zorgkantoren. Het aantal bevat ook bezwaren
die in 2024 zijn ingediend en in 2025 zijn afgehandeld.
Vanuit het Zorginstituut is gemeld dat vanaf 1 oktober 2024 58 adviezen zijn uitgebracht
over meerzorg, in het licht van de reeds hierboven beschreven procedure. De geschillen
waarover het Zorginstituut adviseerde, hadden vrijwel allemaal betrekking op meerzorg
met leveringsvorm pgb of meerzorg met een combinatie van de leveringsvormen pgb/mpt.
In een enkel geval betrof het een geschil meerzorg op basis van verblijf of volledig
pakket thuis (vpt). Ongeveer de helft van de adviezen betrof cliënten met een indicatie
VG8. Het algemene beeld is dat het Zorginstituut in veel gevallen de lijn volgt van
de zorgkantoren. De cijfers moeten met de nodige voorzichtigheid worden gelezen: het
is niet bekend of de meerzorggeschillen die aan het Zorginstituut worden voorgelegd
een representatieve afspiegeling zijn van het totaal aantal geschillen over meerzorg.
Metgezel heeft opnieuw een enquête uitgezet onder de gespecialiseerde cliëntondersteuners
over de ervaringen van cliënten en hun naasten. Deze enquête gaat met name over de
ervaringen in de afgelopen periode. De uitkomsten van de enquête worden in februari
verwacht. Deze zal ik bespreken met de zorgkantoren. Het is mij ook bekend dat enkele
zorgkantoren contact onderhouden met Metgezel om ervaringen uit te wisselen. Ook dat
kan in mijn ogen bijdragen om maatwerk voor cliënten te concretiseren.
6. Tot slot
In deze brief heb ik de stand van zaken ten aanzien van meerzorg thuis toegelicht.
Zorgkantoren hebben een uniforme handelwijze opgesteld die ruimte biedt voor maatwerk.
Ik waardeer de wijze waarop de zorgkantoren het beleidskader gezamenlijk hebben ontwikkeld.
Uiteraard blijf ik vinger aan de pols houden en blijf ik in gesprek met ZN en de zorgkantoren.
Tevens richt ik de aandacht de komende periode op de geplande wijziging van de regelgeving
met 1 januari 2027 als streefdatum voor de inwerkingtreding van een aangepaste regeling.
Daarbij zal ik ook, zoals eerder aangegeven, de inbreng van professionals, zorgkantoren
en vertegenwoordigers van cliënten betrekken.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij
Indieners
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.