Brief regering : Onderzoek Belastingdienst informatieverstrekking aan de rechter
31 066 Belastingdienst
Nr. 1527
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2026
Op 8 september 2025 heb ik de reactie van het kabinet op het rapport «Rechtsbescherming
in het geding: Onderzoek informatieverstrekking aan de rechter deel 2 (Casusonderzoek)»
van de Inspectie Belastingen, Toeslagen en Douane (IBTD) aan uw Kamer aangeboden.1 Het was mijn eerste brief als Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst
en Douane en het is mij dan ook niet ontgaan dat mijn laatste brief als Staatssecretaris
in dit kabinet zomaar over hetzelfde onderwerp zou kunnen gaan.
In het rapport heeft de IBTD onderzoek gedaan naar vijf casussen waarin de informatieverstrekking
van de Belastingdienst aan de rechter onderdeel was van (het geschil in) de (hoger)
beroepsprocedure. De uitspraken dateerden van vóór de publicatie van het eerdere onderzoek
van de IBTD naar artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de verbeteracties
die de Belastingdienst mede naar aanleiding van dat rapport heeft doorgevoerd. Daarom
heb ik in september 2025 besloten om een intern onderzoek in te stellen naar recente
casussen waarin de informatieverstrekking van de Belastingdienst aan de rechter onderdeel
was van het geschil. Het onderzoek moet uitwijzen of de verbeteracties die de Belastingdienst
naar aanleiding van het eerste onderzoek heeft doorgevoerd, voldoende hebben bijgedragen
aan het verbeteren van de informatieverstrekking aan de rechter.
Het tijdig en volledig verstrekken van stukken aan de rechter in (hoger) beroepszaken
is een belangrijke voorwaarde voor de rechtsbescherming van burgers en bedrijven.
Als zij een geschil hebben met de Belastingdienst, borgt de informatieverstrekking
aan de rechter, vastgelegd in art. 8:42 Awb, de gelijkwaardige procespositie van beide
partijen. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van dat onderzoek.
Ik geef een korte toelichting over de manier waarop dit onderzoek tot stand is gekomen
en ik ga in op de drie aanbevelingen die naar aanleiding van het onderzoek worden
gedaan. Deze aanbevelingen geven aanleiding voor aanvullende maatregelen om incidenten
waarbij stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt,
verder te voorkomen. Het rapport en de aanbevelingen bied ik bij dezen aan uw Kamer
aan.
Onderzoeksopzet en casusselectie
Gelet op de toezegging aan uw Kamer om onderzoek te doen naar meer recente casussen
om zo een actueel beeld te krijgen van de huidige praktijk, is gekozen voor een jurisprudentieonderzoek.
Het onderzoek bestaat grofweg uit twee delen: (1) een selectie van de casussen waarbij
een schending van art. 8:42 Awb werd geconstateerd; en (2) een analyse van die casussen
met als centrale vraag: in hoeverre zijn de verbeteracties in acht genomen en zijn
er (desondanks) nieuwe verbeteracties nodig?
Bij de opzet van de casusselectie is – voor zover mogelijk – aansluiting gezocht bij
het onderzoek van de IBTD. Het onderzoek richt zich op (eind)uitspraken van (fiscale)
rechtbanken en gerechtshoven waarin art. 8:42 Awb een rol speelde, met een uitspraakdatum
in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. Net als in het onderzoek
van de IBTD is gebruikgemaakt van de openbare bron «rechtspraak.nl». De zoekterm «8:42»
leverde 138 uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in belastingrechtszaken.2
In het jurisprudentieonderzoek zijn alle 138 uitspraken integraal bekeken. Per uitspraak
is beoordeeld of art. 8:42 Awb daadwerkelijk in geschil was en zo ja, of de rechtbank
of het gerechtshof tot het oordeel is gekomen dat de Belastingdienst het artikel heeft
geschonden. Deze selectiecriteria hebben tot in totaal zestig uitspraken geleid waarin
de informatieverstrekking aan de rechter in geschil was, waarvan in dertien zaken3 is geoordeeld dat art. 8:42 Awb daadwerkelijk was geschonden. In ongeveer de helft
van die gevallen heeft dit tot een vergoeding van de griffierechten en/of de proceskosten
geleid. In slechts één geval heeft de uitspraak van de rechter tot gevolg gehad dat
de door de belastingplichtige bestreden naheffingsaanslag werd vernietigd. In 45 rechtszaken
oordeelde de rechter dat er geen sprake was van een schending van art. 8:42 Awb.4 In geen enkel geval was er sprake van het al dan niet bewust achterhouden dan wel
niet verstrekken van stukken die (inhoudelijk) een ander licht op de zaak wierpen.
Vanwege het geringe aantal gerechtelijke procedures waar 8:42 Awb in geschil was (in
2025 zijn er ruim 2.000 uitspraken in belastingrechtszaken gepubliceerd), kunnen op
basis van het onderzoek geen conclusies worden getrokken over patronen of mechanismen
buiten de onderzochte casussen. Wel is geprobeerd om op basis van de uitspraken aanbevelingen
te doen om het aantal incidenten waarbij art. 8:42 Awb werd geschonden, verder terug
te dringen en de zorgvuldige procesvoering te borgen. Want incidenten waarbij stukken
niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt, moeten altijd worden voorkomen.
Bevindingen en aanbevelingen
In 2025 hebben de rechtbanken en gerechtshoven in dertien belastingzaken geoordeeld
dat sprake was van een schending van art. 8:42 Awb. De oorzaken hiervoor zijn grofweg
onder te verdelen in drie categorieën: (1) de informatiehuishouding bij de Belastingdienst;
(2) een verkeerde interpretatie van art. 8:42 Awb; en (3) het ten onrechte géén beroep
doen op art. 8:29 Awb, het artikel dat bepaalt dat de inspecteur zich kan beroepen
op geheimhouding van bepaalde stukken indien er sprake is van gewichtige redenen.
In één procedure was de schending van art. 8:42 Awb het gevolg van het per abuis insturen
van het verkeerde procesdossier. De rechtbank zag in deze schending reden om de bestreden
naheffingsaanslag te vernietigen.
Het op orde brengen van de informatiehuishouding
In het rapport «Rechtsbescherming in het geding», dat op 2 september 2025 is gepubliceerd,
noemt de IBTD de informatiehuishouding bij de Belastingdienst als één van de oorzaken
voor het ten onrechte niet of niet tijdig verstrekken van stukken aan de rechter in
(hoger) beroepszaken.5 Deze bevinding wordt in het jurisprudentieonderzoek van de Belastingdienst bevestigd.
De informatiehuishouding bij de Belastingdienst is een blijvend aandachtspunt. Hoewel
medewerkers het belang van een juiste en volledige informatiehuishouding onderschrijven,
is dit nog niet overal op orde. Daarom wordt de interne campagne «Bewust Bewaren»
in 2026 geïntensiveerd, met extra aandacht voor de manier waarop invulling wordt gegeven
aan de juiste omgang met informatie. Daarnaast heb ik uw Kamer in de kabinetsreactie
geïnformeerd over het generieke platform voor document- en archiefbeheer (GDA), dat
in augustus 2025 in gebruik is genomen. Dit jaar wordt GDA verder doorontwikkeld,
zodat de informatie intern (bijvoorbeeld voor medewerkers van de BelastingTelefoon)
en via de bestaande portalen beschikbaar kan worden gesteld. De Belastingdienst laat
de ontwikkelingen rondom informatiehuishouding regelmatig beoordelen en past zijn
processen daar waar nodig op aan.
De interpretatie van art. 8:42 Awb
Hoewel in jurisprudentie handvatten zijn gegeven voor wat wordt verstaan onder «op
de zaak betrekking hebbende stukken», blijft de invulling van deze open rechtsnorm
afhankelijk van de concrete omstandigheden bij elke specifieke casus. Net als mijn
ambtsvoorganger sta ik voor een ruimhartige verstrekking van processtukken die van
belang kunnen zijn voor de beslechting van geschilpunten. Desondanks kunnen verschillen
in interpretatie van art. 8:42 Awb tussen de belastingplichtige, de inspecteur en
de rechter niet altijd worden voorkomen.
Maar een open norm schept ook ruimte, bijvoorbeeld aan de inspecteur om maatwerk te
kunnen leveren waar dat bij een gesloten norm niet mogelijk is. Om binnen de kaders
te blijven die de rechter in jurisprudentie heeft vastgelegd, werkt de Belastingdienst
niet alleen met werkinstructies, die ik uw Kamer bij de kabinetsreactie in september
jl. heb meegestuurd, maar ook met deskundigen op het gebied van procesbegeleiding.
Deze medewerkers hebben kennis en/of ervaring over procesvoering, adviseren collega’s
bij de voorbereiding van (hoger) beroepszaken en staan ze bij tijdens rechtszittingen.
Van de dertien uitspraken waarin de rechter heeft geoordeeld dat er een schending
was van art. 8:42 Awb, bleek in zes gevallen sprake van het ten onrechte achterwege
laten van een bepaald stuk of van het lakken van stukken zonder een beroep te doen
op art. 8:29 Awb. Uit het onderzoek volgt dat er soms niet of te laat is onderkend
dat er een beroep op geheimhouding moet worden gedaan en wat de procedure daarvan
is. De onderzoekers adviseren daarom om de procesbegeleiders eerder in het proces
in te zetten. Dit advies neem ik over. Dit sluit ook aan bij de aanbeveling van de
IBTD dat de Belastingdienst aandacht blijft houden voor wat wordt verstaan onder «op
de zaak betrekking hebbende stukken» en voor een eenduidige interpretatie van artikel 8:42
Awb. Binnen de Belastingdienst vinden waar nodig gesprekken plaats over de wijze waarop
deskundigen worden ingezet, met name de tijdigheid van de inzet van deze deskundigen
in het licht van art. 8:42 en art. 8:29 Awb.
Aansluiting vaktechnische lijn
Van deze zes procedures hadden vier uitspraken betrekking op hetzelfde feitencomplex.
Er resteren drie unieke zaken, waarvan er twee afkomstig zijn van dezelfde afdeling.
Bij deze twee casussen is nagegaan of de inspecteur zich destijds bewust was van de
onjuiste informatieverstrekking aan de rechter en in hoeverre de vaktechnische lijn,
waaronder een eventuele procesdeskundige, vooraf bij de casussen waren betrokken.
Uit dit onderzoek blijkt dat de vaktechnische lijn onvoldoende is geraadpleegd. Daarnaast
komt naar voren dat het niet voor alle verweerders bij de afdeling duidelijk is hoe
de inzet van procesdeskundigen is geborgd. Hoewel het nog steeds om een beperkt aantal
zaken gaat, wordt op grond van de bevindingen aanbevolen om met de betreffende afdeling
in gesprek te gaan over: (1) de borging van de vaktechnische lijn en de inzet van
procesdeskundigen binnen de afdeling bij bezwaar en beroep; (2) de aansluiting van
het management op de vaktechnische lijn en de wijze waarop daarmee de sturing vanuit
het management verloopt; en (3) een inventarisatie onder medewerkers naar de behoefte
aan extra opleidingsinspanningen met betrekking tot de artikelen 8:42 en 8:29 Awb.
Dit advies sluit aan bij de aanbeveling van de IBTD over de aansluiting van het management
op de vaktechnische lijn en het bevorderen van de interne samenwerking.
Naast het jurisprudentieonderzoek naar de inhoud van de casuïstiek, beoordeelt en
betrekt de Belastingdienst de interactie met burgers en bedrijven doorlopend, zoals
via de Fiscale Monitor, het jaarlijkse belevingsonderzoek van de Belastingdienst.
Deze inzichten worden gebruikt om de publieke dienstverlening continu te verbeteren
en te optimaliseren. Daarnaast wordt in opleidingen, werkinstructies en werkoverleggen
voortdurend aandacht gevraagd en gegeven aan de interactie met burgers en bedrijven.
Tot slot
Met deze brief vertrouw ik erop uw Kamer afsluitend te hebben geïnformeerd over de
informatieverstrekking van de Belastingdienst aan de rechter. De Belastingdienst blijft
als lerende organisatie continu werken aan het verbeteren van de naleving van art.
8:42 Awb. Mede naar aanleiding van het eerste rapport van de IBTD, «Compleetheid van
dossiers die naar de rechter gaan», heeft de Belastingdienst de informatieverstrekking
aan de rechter in (hoger) beroepsprocedures kunnen verbeteren. Ik ben de IBTD dan
ook zeer erkentelijk voor de grote betrokkenheid die zij hebben getoond bij deze belangrijke
voorwaarde voor de rechtsbescherming van burgers en bedrijven.
Ik verwacht dat de opvolging van de onderzoeken over dit thema leiden tot verdere
verbetering van de informatieverstrekking aan de rechter. Want ieder incident waarbij
stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt, blijft er
één te veel. De Belastingdienst gaat daarom met deze aanbevelingen aan de slag. Zo
blijft de zorgvuldige procesvoering en daarmee de rechtsbescherming van burgers en
bedrijven gewaarborgd.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën