Brief regering : Verslag van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 2 en 3 februari 2026
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 686
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2026
Op 2 en 3 februari 2026 vond de informele Raad voor Concurrentievermogen plaats in
Nicosia, Cyprus. Deze Raad stond in het teken van de onderdelen interne markt & industrie.
Met deze brief stuur ik u het verslag van de Raad.
Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om de motie Van Campen en Oostenbrink1 af te doen, over het inzetten van middelen van de Europese Investeringsbank voor
grote projecten en investeringen in communicatiesystemen, satellieten en infrastructuur.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans
Inleiding
De informele Raad voor Concurrentievermogen (hierna: Raad) op 2 en 3 februari 2026
stond in het teken van het onderdeel interne markt en industrie.
Versterken van de Europese defensie-industrie (beleidsdebat)
Tijdens dit beleidsdebat legde het Cypriotisch Raadsvoorzitterschap (hierna: het voorzitterschap)
aan de lidstaten de vraag voor hoe financiering van de Europese defensie-industrie
effectiever vorm te geven, onder andere via het Europees Concurrentievermogenfonds
(hierna: ECF). In het bijzonder vroeg het voorzitterschap de lidstaten hoe de positie
van het mkb in de defensie-industrie versterkt kan worden.
De discussie werd ingeleid door de Europese Commissie (hierna: de Commissie). De Commissie
gaf aan dat alleen meer financiering van de defensie-industrie niet voldoende is om
deze effectief te kunnen versterken. Dit moet volgens de Commissie hand in hand gaan
met een versterkte inzet om de opschaling van productiecapaciteit te vergemakkelijken.
Om financiering effectief te laten zijn, is het volgens de Commissie ook nodig de
randvoorwaarden goed in te richten, zoals harmonisering van standaarden en certificering,
investeringstoetsing van ongewenste overnames in de sector en vraagbundeling. Om de
positie van het mkb in de defensie-industrie te versterken, moeten dual-use toepassingen
goed in het ECF verankerd worden.
Een brede groep lidstaten, waaronder Nederland, benadrukte de noodzaak de Europese
Defensie Industrie te versterken en het belang daarbij van grensoverschrijdende samenwerking
en het benutten van verschillende financieringsinstrumenten. Enkele lidstaten benoemden
daarbij dat dit voor de gehele cyclus van projecten nodig is. Een aantal lidstaten,
waaronder Nederland, sprak zich uit voor het behoud van openheid van Europese financieringsinstrumenten
voor derde landen, waar een andere lidstaat deze openheid juist liever beperkt zag.
Veel lidstaten onderschreven daarbij dat voor Oekraïne toegang tot financiering onder
de verschillende instrumenten behouden moet blijven.
EU-kompas voor concurrentievermogen – een jaar later (beleidsdebat)
Dit beleidsdebat stond in het teken van de voortgang van de verschillende initiatieven
die een jaar geleden in het EU-kompas voor concurrentievermogen (hierna: kompas) door
de Commissie zijn aangekondigd. Hierbij vroeg het voorzitterschap in het bijzonder
aandacht voor het mkb en start-ups.
De Commissie schetste een pessimistisch beeld van het concurrentievermogen van de
Unie: de voortgang op de doelstellingen van het kompas blijft achter, de intra-EU
handel in goederen is teruggelopen en de integratie van de interne markt voor diensten
stokt. Een oplossing hiervoor zei de Commissie te zien in het beschermen van de vraagzijde
via een Europees voorkeursprincipe in aankomende initiatieven. De vraag die de Commissie
daarbij centraal stelt, is hoe de ruimte in de partnerschappen met derde landen beter
te benutten is om dit principe in te kunnen passen.
Om het concurrentievermogen te versterken wees een groot aantal lidstaten, waaronder
Nederland, op het belang van verdergaande vereenvoudiging en vermindering van de regeldruk.
Verschillende lidstaten riepen daarbij op tot het beter tegen het licht houden van
bestaande wetgeving en om ook in de ontwikkelingsfase beter op regeldruk te toetsen.
Ook de aanpak van belemmeringen op de interne markt moet verder versterkt worden,
in het bijzonder voor het elektronisch meldformulier grensoverschrijdende detacheringen.
Waar verschillende lidstaten zich bij de ontwikkeling van een voorkeursprincipe uitspraken
voor conformiteit met internationale partnerschappen, benadrukte een andere lidstaat
het belang van een strikt Europees voorkeursprincipe met brede toepassing.
Naar 2030: een sterkere, eerlijkere, en veiligere interne markt voor Europese consumenten
(lunchdebat)
Het voorzitterschap vroeg de lidstaten naar hun prioriteiten uit de recent gepubliceerde
Consumentenagenda 2030, in het bijzonder voor verbeterde consumentenbescherming in
het digitale domein. Dit jaar verwacht de Commissie in dit kader de Digital Fairness
Act te publiceren.
Een grote groep lidstaten, waaronder Nederland, benadrukte aan de ene kant het belang
van verbeterde consumentenbescherming in het digitale domein, maar wees aan de andere
kant ook op het voorkomen van aanvullende regeldruk.
Diversenpunten
Middels dit verslag doe ik ook de motie Van Campen en Oostenbrink2, over het inzetten van middelen van de Europese Investeringsbank voor grote projecten
en investeringen in communicatiesystemen, satellieten en infrastructuur. De motie
sluit goed aan bij het staande beleid en prioriteiten van de EIB en de recente intensivering
op het gebied van defensie en veiligheid.3 Enkele recente voorbeelden zijn een EIB-investering in Poolse aardobservatiesatellieten4 en het versterken van de militaire infrastructuur in Litouwen.5
De EIB investeert jaarlijks zo’n 3–4 miljard euro in veiligheid en defensie, waaronder
in communicatiesystemen, satellieten en infrastructuur. Het kabinet zet zich doorlopend
in voor EIB-investeringen op het terrein van defensie en veiligheid met als doel de
autonomie en veiligheid van Europa te versterken. Nederland riep bijvoorbeeld in de
EIB-Raad van Gouverneurs op om de mogelijkheden voor investeringen in veiligheid en
defensie te blijven verkennen6.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken