Brief regering : Tegengaan massadonatie en regulering gebruik buitenlands donorsperma
30 486 Evaluatie Embryowet
35 870
Wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting in verband met de tweede
evaluatie van de wet, het actieplan ter ondersteuning van donorkinderen en de omvorming
van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting tot publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan
Nr. 41
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2026
Het vervullen van een kinderwens met gebruik van donorsperma staat volop in de politieke
en maatschappelijke belangstelling. Deels is dat het gevolg van berichtgeving over
misstanden uit het verleden, maar ook recente ontwikkelingen rond donorconceptie met
behulp van buitenlands donorsperma roepen vragen op. Dit geldt in het bijzonder voor
«massadonatie»: het met het sperma van één donor verwekken van grote aantallen kinderen.
Deze kinderen moeten nu leren leven met de kennis dat ze een groot aantal – soms wel
honderden – halfzussen en halfbroers hebben. Het afstammen van «massadonoren»1 en het onderdeel zijn van een groot verwantschapsnetwerk wordt door hen soms ervaren
als een pijnlijke last. Om deze en andere redenen klinkt vanuit medisch-ethisch, juridisch
en politiek perspectief een steeds luidere roep om praktijken rond donorconceptie
te hervormen en beter te reguleren.2
In deze brief ga ik nader in op het begrip «massadonatie» en mogelijke (juridische)
maatregelen die de overheid hiertegen zou kunnen treffen, in aanvulling op de rol
en verantwoordelijkheid van beroepsgroepen, klinieken, spermabanken en wensouders.
Met de verkenning van mogelijke maatregelen in deze brief geef ik opvolging aan de
aangenomen motie van het lid Diederik van Dijk.3 Hieronder wordt eerst de achtergrond geschetst waartegen dit alles zich afspeelt:
de kinderwens en het tekort aan Nederlandse donoren.
Wensouders en het tekort aan donoren
Het gebruik van buitenlands donorsperma kan gezien worden als een probleem dat tegelijkertijd
een oplossing is voor een ander probleem: het tekort aan donoren in Nederland. De
wens of keuze van wensouders om (buitenlands) donorsperma te gebruiken is zeer invoelbaar.
Soms is het de enige mogelijkheid om een diepgevoelde kinderwens te vervullen. Het
recht van (wens)ouders op reproductieve vrijheid en het recht op privé en familieleven
(artikel 8 EVRM) dienen zoveel mogelijk te worden geëerbiedigd. Dit mag niet ten koste
gaan van de belangen en rechten van het kind.
Vanwege een gebrek aan Nederlandse spermadonoren hanteren Nederlandse fertiliteitsklinieken
wachttijden voor wensouders van soms langer dan twee jaar. Die tijd hebben hulpzoekende
wensouders vaak niet meer, vanwege door leeftijd afnemende vruchtbaarheid bij (met
name) de vrouw. Zij komen dan voor de keuze te staan om zich neer te leggen bij het
grote verdriet dat achter een onvervulde kinderwens kan schuilgaan, of om via andere
routes (zoals internetfora) naar een spermadonor te zoeken. Daarnaast bieden buitenlandse
spermabanken andere voordelen: ze bieden uitgebreide persoonlijke informatie over
donoren en een grotere keuzevrijheid van wensouders bij de selectie van een donor.
In dit licht bezien is het begrijpelijk dat met de komst van internationaal opererende
(commerciële) spermabanken het gebruik van donorsperma uit het buitenland sterk is
toegenomen. In 2004 werd er in 21 van de 319 behandelingen met donorsperma gebruik
gemaakt van een buitenlandse donor. In 2024 ging het om 1.120 buitenlandse donoren
op een totaal van 1.712 behandelingen. Het aandeel behandelingen met buitenlands donorsperma
ligt momenteel op ongeveer 65 procent.
Nadelen van gebruik van buitenlands donorsperma
Sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting
op 1 april 2025 (hierna: vernieuwde Wdkb)4 is er bij een behandeling in een fertiliteitskliniek in principe alleen nog risico
op massadonatie als er gebruik gemaakt wordt van buitenlands donorsperma. Voor het
gebruik van donorsperma door klinieken binnen Nederland geldt een limiet van 12 vrouwen
per donor. Hoewel veel andere landen ook een limiet hanteren, bijvoorbeeld voor het
aantal nakomelingen van één donor binnen dat land, kan het totaal aantal nakomelingen van die donor flink oplopen als zijn sperma in meerdere landen wordt
gebruikt. De (veelal Deense) internationaal opererende spermabanken zoals ESB, Cryos
of Born leveren sperma van een donor vaak aan meerdere klinieken in Europa of zelfs
wereldwijd. Born en ESB zeggen een wereldwijde limiet te hanteren van 75 gezinnen
per donor, Cryos hanteert geen limiet. Behandeling met donorsperma dat in meerdere
landen wordt gebruikt is de voornaamste reden dat «massadonatie» nog steeds mogelijk
is, ondanks de vernieuwde Wdkb en de nationale limiet van twaalf vrouwen per donor.
Wensouders worden over deze en andere aspecten geïnformeerd via de websites van het
Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC) en Fiom, gefinancierd met overheidssubsidie.
Massadonatie en het gebruik van buitenlands donorsperma kan verschillende negatieve
gevolgen hebben:
• Uitdagingen in het contact met donoren: Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen
wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen
daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Fiom begeleidt donorkinderen en hun ouders
bij afstammingsvragen, inclusief het vinden van een donor via de Fiom KID-DNA databank
en het voorbereiden en begeleiden van een eventuele ontmoeting. Als het gaat om een
buitenlandse donor is er echter geen betrouwbare manier om de van de donor bekende
contactgegevens op actualiteit te verifiëren, waardoor het in het geval van verouderde
gegevens lastig of onmogelijk kan zijn om met hem in contact te komen. Als het wel
lukt om contact te krijgen, is er vaak sprake van een taal- en cultuurbarrière, omdat
de donor uit het buitenland doorgaans geen Nederlands spreekt. Daarnaast neemt de
kans op daadwerkelijk contact of een ontmoeting af als de donor heel veel nakomelingen
heeft. Ook voor de donor geldt immers dat het ruimte maken voor contact of een ontmoeting
tijd en energie vergt.
• Sociaalpsychologische belasting van grote verwantschapsnetwerken: Uit sociaalwetenschappelijk onderzoek5 blijkt dat het aangaan en onderhouden van contact met halfbroers en halfzussen tijd
en emotionele energie kost. Net als in het contact met donoren kan er sprake zijn
van barrières door taal- en cultuurverschillen. De voortdurende uitbreiding van het
netwerk kan stress en onzekerheid met zich meebrengen, omdat bij elke nieuw gevonden
(DNA-)match (tussen donor en donorkinderen of tussen donorkinderen onderling) de groepsdynamiek
verandert. Donorkinderen moeten daarbij steeds opnieuw bepalen hoeveel ruimte zij
hebben voor nieuwe contacten en hoe zij omgaan met grenzen, nabijheid en afstand.
Het onderdeel uitmaken van een groot verwantschapsnetwerk kan een donorkind het gevoel
geven een product te zijn van commerciële belangen, wat van invloed is op de beleving
van zijn of haar ontstaansgeschiedenis.
• Risico op consanguïniteit: Als donorkinderen elkaar ontmoeten en niet weten dat ze erfelijk verwant zijn, levert
dat een verhoogd risico op erfelijke aandoeningen op als zij nageslacht krijgen. Dit
risico op consanguïniteit is vooral reëel als donorkinderen in dezelfde regio leven.
Het risico wordt minder groot als het verwantschapsnetwerk zich uitstrekt over de
hele wereld. Gelukkig achten experts het reële risico op consanguïniteit daarom klein.6 Voor donorkinderen speelt echter ook een psychologisch risico een rol. Als zij afstammen
van een donor uit het buitenland weten zij vaak niet hoe groot hun verwantschapsnetwerk
zich uitstrekt, en waar hun halfzussen en halfbroers wonen. Zij hebben bijvoorbeeld
het gevoel dat ze niet onbevreesd kunnen daten zonder vooraf een DNA-verwantschapstest
te doen.
Gelet op de hiervoor beschreven negatieve gevolgen vind ik het toenemende gebruik
van buitenlands donorsperma zorgwekkend. Het belang van het toekomstige (donor)kind
moet immers voorop staan. In het vervolg van deze brief bespreek ik drie op elkaar
aansluitende routes waarmee massadonatie als gevolg van het gebruik van buitenlands
donorsperma zou kunnen worden tegengegaan. Ik tref voorbereidingen voor alle drie
de routes.
Route 1 Regulering via de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal
Een verbod op grensoverschrijdend gebruik van donorsperma uit een EU-land zou een
inperking behelzen van de Europese interne markt en het vrij verkeer van goederen
(artikel 26 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; VWEU). Een verbod
op het gebruik van buitenlands donorsperma in Nederlandse klinieken zou mogelijk zijn
indien klinieken wettelijk zouden worden verplicht om een burgerservicenummer van
de donor te registreren. Donoren uit het buitenland hebben immers geen burgerservicenummer.
Feitelijk komt dit neer op een totaalverbod. Dit vergt een rechtvaardiging op basis
van artikel 36 VWEU (gezondheidsbescherming). Een belangrijke voorwaarde daarbij is
dat een maatregel proportioneel moet zijn. Daarvan is geen sprake wanneer het mogelijk
is om met een minder beperkende maatregel dezelfde bescherming te garanderen.
De Wdkb leent zich niet goed voor een verbod, omdat deze wet primair de registratie,
het beheer en de verstrekking van gegevens van donoren regelt. Het wetsvoorstel zeggenschap
lichaamsmateriaal (Wzl)7 dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt wellicht een goede
mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Het gebruik
van (donor)sperma voor fertiliteitsbehandelingen valt onder de reikwijdte van de Wzl.
Middels een algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen bepaalde gebruiksdoelen op
grond van artikel 5 Wzl onder voorwaarden worden verboden. Het moet dan gaan om gebruik
van lichaamsmateriaal dat gezien maatschappelijke, ethische of juridische aspecten
ongewenst is. Via een voorhangprocedure is parlementaire betrokkenheid bij totstandbrenging
van deze AMvB geborgd.
Een verbod zou zodanig ingericht kunnen worden dat het ontvangen of verstrekken van
donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in
bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd
bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt.8 De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de Wdkb en zal ook toezien
op naleving van de Wzl. De handhaving van een verbodsbepaling via de Wzl vergt nadere
doordenking. Nederlandse toezichthouders kunnen geen toezicht houden (op spermabanken)
in het buitenland.9 De handhaving zal zich daarom moeten richten op (documentatie bij) de Nederlandse
«beheerders» van donorsperma – fertiliteitsklinieken en spermabanken. Wellicht is
het mogelijk om daarnaast
bilaterale afspraken te maken met toezichtsinstanties in het buitenland (te beginnen
met Denemarken). Zo zouden afspraken over gegevensuitwisseling tussen inspectiediensten
kunnen bijdragen aan effectievere handhaving. Het Ministerie van VWS gaat graag in
gesprek met de IGJ, en ook met het College donorgegevens kunstmatige bevruchting (Cdkb)
en fertiliteitsklinieken, om de randvoorwaarden en implicaties van regulering via
de Wzl verder te verkennen.
Route 2 Europese afspraken en regelgeving
Nederland pleit op Europees niveau voor een centraal EU-register voor donorsperma
dat in klinieken wordt gebruikt, voor een limitering van het gebruik van donorsperma
bij fertiliteitsbehandelingen en voor een verbod op anonieme donatie.10 Ten tijde van de totstandkoming van de Europese Verordening lichaamsmateriaal (SoHO-verordening11) is het vanwege onvoldoende draagvlak helaas niet gelukt om EU-brede regels te stellen
voor limitering van het gebruik van donorsperma bij fertiliteitsbehandelingen. Wel
is in artikel 58, tiende lid, van de SoHO-verordening een bepaling opgenomen die (kortgezegd)
voorschrijft dat regels van lidstaten in acht worden genomen bij grensoverschrijdende
distributie van reproductieve cellen waaronder dus nationale limieten, zoals bijvoorbeeld
neergelegd in de Wdkb. Dit kan massadonatie echter niet voorkomen.
Onder invloed van recente misstanden rond donorconceptie lijkt Europese regulering
van de omvang van grensoverschrijdende donorconceptie steeds meer steun te krijgen.
Zo heeft Zweden bij de EU-gezondheidsraad12 op 20 juni 2025 gepleit voor een internationale limiet op het aantal kinderen per
gameetdonor (eicel- of zaadceldonor). Dit initiatief volgde op een gezamenlijke aanbeveling
van de nationale ethiekraden van Zweden, Denemarken, Finland en Noorwegen.13 De Europese Commissie heeft dit onderwerp geagendeerd bij de SoHO coordination board (SCB)14 om te onderzoeken of er genoeg draagvlak is voor het treffen van maatregelen op EU-niveau.
Bij de SCB heeft Zweden het pleidooi herhaald. De European Society of Human Reproduction
and Embryology (ESHRE) heeft daar eveneens een pleidooi gehouden voor de noodzaak
van het vaststellen van een maximumaantal nakomelingen per donor op EU-niveau. Het
zou in eerste instantie kunnen gaan om een maximum van 50, wat vervolgens naar bijvoorbeeld
15 wordt verlaagd. Er is draagvlak in de SCB om een Europees maximum vast te leggen
voor het gebruik van het sperma van één donor en tevens om te onderzoeken welke maatregelen
mogelijk en passend zijn. Zo wordt onder meer verkend of het mogelijk is om een Europees
donorregister voor geslachtscellen op te zetten, zodat een maximumaantal nakomelingen
effectief kan worden nageleefd. Recent is bij de SCB een werkgroep onder leiding van
België ingericht om de uitvoeringsaspecten (zoals privacy) te verkennen van mogelijke
regulering van het maximumaantal nakomelingen per donor op EU-niveau. Nederland neemt
deel aan deze werkgroep. De Europese Commissie zal daarnaast een verkenning uitvoeren
naar de juridische mogelijkheden van regulering via een mogelijke aanpassing van de
SoHO-verordening.
Route 3 Samenwerkingstraject gericht op verantwoorde donorconceptie
De verantwoordelijkheid voor verantwoorde donorconceptie ligt niet alleen bij de overheid,
maar ook bij wensouders, klinieken, spermabanken en behandelaren. Ontwikkeling van
wet- en regelgeving kan niet alle problemen oplossen en vergt hoe dan ook een lange
adem. Op kortere termijn valt wellicht meer te verwachten van zelfregulering, afspraken
tussen partijen en gezamenlijke initiatieven. Het Ministerie van VWS is graag bereid
een faciliterende rol te vervullen bij een samenwerkingstraject ter verbetering van de praktijken rond grensoverschrijdende donorconceptie. Hiertoe zal het Ministerie van VWS binnenkort de volgende partijen uitnodigen om
vanuit ieders rol en verantwoordelijkheid de handen ineen te slaan: de Nederlandse
Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), fertiliteitsklinieken, spermabanken,
Fiom, POINT (beroepsgroep counselors), het Cdkb, de IGJ, en belangenvertegenwoordigers
als Stichting Donorkind, Priamos, Freya en Meer dan Gewenst.
Binnen dit traject kan mogelijke aanpassing van wet- en regelgeving (regulering via
de Wzl, en/of Europese regelgeving) in gezamenlijkheid worden voorbereid. Ook zouden
de partijen een gedeelde «agenda grensoverschrijdende donorconceptie» kunnen opstellen.
Onderdelen van die agenda kunnen dan worden uitgewerkt door partijen die er de verantwoordelijkheid
voor dragen. Denk hierbij aan het volgende:
• Voorbereiding van mogelijke aanpassing van wet- en regelgeving onder regie van het
Ministerie van VWS.
• Het maken van aanvullende afspraken door fertiliteitsklinieken met buitenlandse spermabanken.
Bijvoorbeeld over een maximumaantal vrouwen dat met het sperma van één donor wereldwijd
behandeld mag worden, of de eis dat spermabanken verplicht zijn zich in te spannen
om actuele contactgegevens van donoren bij te houden.
• Door het Ministerie van VWS wordt momenteel verkend welke aanvullende donorgegevens
geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een
e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft
gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden
vergroot.15
• Een initiatief van de NVOG ten behoeve van gezamenlijke werving van donoren en centralisatie
van processen, waaronder de administratie en screening van spermadonoren en het beschikbaar
stellen van donorgegevens. Het Ministerie van VWS is van harte bereid om mee te denken
over de logistieke aspecten, en eventuele aansluiting op het register van het Cdkb.
Donorconceptie in de toekomst
De praktijk van donorconceptie in Nederland is de afgelopen jaren sterk veranderd.
De herziene Wdkb en de nauwkeurige registratie van behandelingen met donorsperma door
het Cdkb biedt donorkinderen, wensouders en donoren meer zekerheid en duidelijkheid.
Dit laat zien dat vooruitgang mogelijk is. De opkomst van het gebruik van buitenlandse
spermabanken toont echter aan dat het werk nog niet af is. Gelukkig voelen velen de
noodzaak om te werken aan een toekomst waarin donorsperma uit het buitenland niet
of veel minder wordt gebruikt, of in ieder geval onder dezelfde waarborgen die in
Nederland gelden. De tijd is rijp voor hernieuwde inspanningen van de overheid en
andere partijen om massadonatie en de ongewenste effecten van gebruik van buitenlands
donorsperma tegen te gaan. De drie in deze brief besproken routes – regulering via
de Wzl, Europese regulering, en een breed samenwerkingstraject – kunnen bijdragen
aan het realiseren van meer verantwoorde donorconceptie in de toekomst. Voor aanpassing
van nationale wet- en regelgeving is het nieuwe kabinet aan zet.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport