Brief regering : Periodieke Rapportage artikel 4 Begrotingshoofdstuk IV Koninkrijksrelaties “Bevorderen sociaaleconomische structuur” over de periode 2016-2023
33 189 Beleidsdoorlichting Koninkrijksrelaties
Nr. 22
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 februari 2026
Onlangs is de Periodieke Rapportage artikel 4 Begrotingshoofdstuk IV Koninkrijksrelaties
«Bevorderen sociaaleconomische structuur» over de periode 2016–2023 opgeleverd. Hierbij
bied ik u het eindrapport van deze Periodieke Rapportage aan, dit is inclusief de
onderliggende evaluaties en het oordeel van de onafhankelijke deskundige. Over de
aanpak en voortgang van deze Periodieke Rapportage is uw Kamer eerder geïnformeerd
(Kamerstuk 33 189, nr. 19, Kamerstuk 36 410 IV, nr. 70, en Kamerstuk 36 410 IV, nr. 13).
Doel op opzet periodieke rapportage
De Periodieke Rapportage geeft inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van
het door mijn ministerie gevoerde beleid op het gebied van het bevorderen van de sociaaleconomische
structuur in de Caribische delen van het Koninkrijk. Met dit inzicht kan worden bepaald
in hoeverre de beleidsdoelstellingen van het beleidsartikel nog steeds actueel zijn
en zo nee, hoe deze kunnen worden aangescherpt. Om tot deze Periodieke Rapportage
te komen, hebben de onderzoekers eerst een aantal projecten op artikel 4 afzonderlijk
geëvalueerd. Daarnaast is er in de Periodieke Rapportage speciale aandacht voor de
coördinerende rol die mijn ministerie heeft ten aanzien van het rijksbeleid voor de
Caribische delen van het Koninkrijk, en de financieringsinstrumenten die gebruikt
worden voor Caribisch Nederland.
De Periodieke Rapportage is uitgevoerd door het onafhankelijke onderzoeksbureau DSP-Groep.
De onderzoekers hebben daarbij ook gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders
op Aruba, Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Het eindrapport
betreft een synthese met bevindingen die zijn gebaseerd op onderliggende evaluaties.
De Periodieke Rapportage voldoet aan de kwaliteitseisen die zijn opgenomen in de Regeling
Periodiek Evaluatieonderzoek.
Conclusies
Op pagina 13 van het rapport vatten de onderzoekers de belangrijkste conclusies samen.
Als eerste stellen de onderzoekers dat in de periode 2016–2023 de jaarlijkse uitgaven
op het onderzochte beleidsartikel sterk hebben gefluctueerd, vooral door incidentele
uitgaven voor acute crises zoals de coronapandemie. Slechts een klein deel van het
budget is structureel en kon op basis van eigen beleid van BZK worden besteed. Daarnaast
stellen de onderzoekers dat er een beperkte samenhang en beleidslogica is van het
artikel 4-beleid en dat een overkoepelende beleidslogica ontbreekt. Artikel 4 functioneert
in de praktijk vooral als restartikel: het stelt BZK in staat snel en flexibel te
reageren op urgente situaties en bij te springen waar nodig.
De onderzoekers concluderen verder dat het aantal evaluaties wat de onderzoekers konden
gebruiken beperkt was. Hierdoor moesten de onderzoekers aanvullend onderzoek doen
in deze Periodieke Rapportage.
Voor wat betreft doeltreffendheid constateren de onderzoekers dat het gevoerde beleid
wisselend is geweest. In een meerderheid van de onderzochte projecten werden de beoogde
resultaten door de inzet van het beleid gerealiseerd, maar de beoogde maatschappelijke
effecten op de langere termijn werden niet altijd behaald of konden nog niet worden
vastgesteld. Dat kwam vooral doordat veel projecten nog in uitvoering waren, en vanwege
vertragingen door beperkte uitvoeringscapaciteit van lokale overheden en als gevolg
van lokale politieke besluitvorming en bestuurswisselingen.
De doelmatigheid kon in veel gevallen niet worden beoordeeld, o.a. omdat de beoogde
effecten nog niet gerealiseerd waren. In die gevallen kon geen duidelijke relatie
gelegd worden tussen de bestede middelen en de behaalde resultaten. Waar dit wel mogelijk
was, werd doelmatigheid vaak positief beoordeeld omdat er voor het gestelde doel geen
ander middel beschikbaar was dan het ingezette beleid. Daarnaast verliep de uitvoering
van projecten vaak relatief efficiënt, met nog ruimte voor betering in de afstemming
met lokale partners en de inzet van de juiste expertise. Ook werd opgemerkt dat sommige
projecten vanuit het Ministerie van BZK werden geleid, terwijl het thema qua inhoud
onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries viel.
Ten aanzien van de coördineerde rol stelt de Periodieke Rapportage dat deze moeilijk
uitvoerbaar is vanwege een aantal systemische beperkingen. Hierbij zien de onderzoekers
het als een fundamenteel probleem dat een gezamenlijke rijksbrede toekomstvisie op
de relatie met Caribisch Nederland ontbreekt, waardoor het moeilijk is om prioriteiten
te stellen en andere departementen te verbinden aan integrale opgaven.
Voor het financieel bekostigen van taken van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba blijven de Bijzondere Uitkeringen hun meerwaarde houden. Wel wijzen de onderzoekers
op het knelpunt dat bijzondere uitkeringen vaak voor tijdelijke financiering van structurele
kosten worden ingezet.
Tenslotte concluderen de onderzoekers dat de huidige doelstelling en benaming van
artikel 4 niet passend zijn, omdat deze suggereren dat het Ministerie van BZK een
structurele, inhoudelijke verantwoordelijkheid heeft voor het bevorderen van de sociaaleconomische
structuur in de Caribische delen van het Koninkrijk. Veel van de uitgaven onder artikel
4 betreffen volgens de onderzoekers echter incidentele of historische verplichtingen,
of projecten die inhoudelijk thuishoren bij andere departementen.
Aanbevelingen
Op basis van de analyse komt DSP-Groep tot een aantal aanbevelingen, die hieronder
zijn gegroepeerd en samengevat.
Doeltreffendheid en doelmatigheid, beleidsdoelstellingen in perspectief
1. Probeer bij de (co)financiering, wanneer de te realiseren voorziening lokale beheerkosten
met zich meebrengt, altijd de begunstigde te committeren aan deze beheerkosten;
2. Maak samenhangende thema’s het uitgangspunt voor de Strategische Evaluatie Agenda
(SEA) en niet de begrotingsartikelen;
3. Maak een helder onderscheid tussen thema’s die qua inhoud wel en niet thuishoren bij
het departement en stel alleen een Periodieke Rapportage op voor de eerste categorie;
4. Stel naast thematische Periodieke Rapportages ook een Periodieke Rapportage op die
zich richt op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de faciliterende rol van het
departement;
5. Verleg de evaluatieplicht voor de geadopteerde projecten die in aanmerking komen voor
evaluatie naar het inhoudelijk verantwoordelijke departement;
6. Herformuleer de benaming en doelstelling van artikel 4, zodat deze beter aansluit
bij de inhoud;
7. Hevel alle beleidsarme en beleidsvrije verplichtingen over naar één van de niet-beleidsartikelen.
Coördinerende rol
8. Definieer de rol van het Ministerie van BZK in faciliterende termen;
9. Formuleer een visie voor DG Koninkrijksrelaties van het Ministerie van BZK;
10. Zet escalatie in als strategisch instrument om meer gedaan te krijgen;
11. Stationeer een deel van de beleidscapaciteit lokaal in de regio;
12. Werk een communicatiestrategie uit voor de afstemming met andere departementen;
13. Herijk de interdepartementale overlegstructuur;
14. Overweeg een meer dwingende consultatieplicht voor andere departementen.
Financieringsinstrumenten
15. Zie toe op systematische nalevingsplicht tot inwinnen van advies Toetsingscommissie
Bijzondere Uitkeringen (BU);
16. Voeg twee vragen toe aan het Toetsingsformulier BU BES 2022 met betrekking tot bijdrage
aan maatschappelijke opgave en afhankelijkheid van andere factoren;
17. Stel vast in welke gevallen een BU aangewezen is als financieringsinstrument en in
welke gevallen een alternatieve vorm van financiering is aangewezen;
18. Stel in de bestedingsvoorwaarden van een BU het «wat» centraal;
19. Aan de betreffende departementen: verstrek voor structurele kosten alleen structurele
financiering;
20. Breng de frequentie van voortgangsrapportages terug naar twee keer per jaar.
Vervolg
In de komende periode worden de uitkomsten van de Periodieke Rapportage nader bestudeerd
en besproken met betrokkenen, zoals de vakdepartementen in Den Haag en het bestuur
in Caribisch Nederland en de Caribische Landen. Het is aan een volgend Kabinet om
een kabinetsreactie op te stellen over de inhoud van deze Periodieke Rapportage.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
E. van Marum
Ondertekenaars
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties