Brief regering : Knellende wet- en regelgeving voor de multifunctionele landbouw
30 252 Toekomstvisie agrarische sector
Nr. 213
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer mede namens de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS), de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg en
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) over de uitvoering
van de motie van Campen en Grinwis1 en doe ik daarmee deze motie af. Deze motie verzoekt de regering om in samenwerking
met VWS in kaart te brengen hoe knellende wet- en regelgeving voor zorgboeren en andere,
soortgelijke multifunctionele landbouwbedrijven weggenomen kan worden.
Om opvolging te geven aan deze motie heb ik in Q4 2025 een inventarisatie gedaan bij
sectorpartijen van de huidige knellende wet- en regelgeving in den brede en deze besproken
met de Ministeries van VWS en SZW. Tevens bied ik het onderzoek aan van Berenschot
en BügelHajema over belemmeringen voor de multifunctionele landbouw (MFL) in de Omgevingswetprocedure
binnen gemeenten. Daarmee geef ik invulling aan de toezegging in mijn Kamerbrief van
19 maart 20242 om een verdiepend onderzoek naar de regeldrukervaring van MFL ondernemers uit te
zetten.
De rol van multifunctionele landbouw
Met een totale omzet van € 1,68 miljard in 2023 levert multifunctionele landbouw een
belangrijke bijdrage aan het verdienvermogen van de landbouw3. 37% van de agrarische ondernemers heeft via verbreding of verdieping één of meerdere
neventakken op het boerenerf opgezet, dit zijn 18.770 bedrijven. Hiervan bieden 1.300
bedrijven activiteiten in de zorg aan en 226 bedrijven zijn actief in de agrarische
kinderopvang. Andere voorbeelden van multifunctionele activiteiten zijn boerderijverkoop,
recreatie, natuurbeheer en educatie. Met deze vormen van verbreding kunnen boeren
meerwaarde creëren op het eigen bedrijf, waardoor zij een extra verdienmodel toevoegen.
Een meervoudig verdienmodel reduceert de afhankelijkheid van één inkomensbron en daarmee
de kwetsbaarheid van de onderneming. Op deze wijze vormt MFL een essentieel pad voor
doorontwikkeling van de landbouw. Ook leveren MFL-ondernemingen een positieve bijdrage
aan de leefbaarheid van en werkgelegenheid op het platteland. Zowel het landelijk
gebied als de klanten, cliënten en consumenten profiteren van het MFL-aanbod. Het
versterkt de band tussen boer en burger, en tussen stad en platteland. Dit komt ten
goede aan het draagvlak en de toekomstbestendigheid voor de gehele agrarische sector.
Regeldruk voor multifunctionele landbouw in de ruimtelijke ordening
Het merendeel van de uitdagingen van MFL-ondernemers heeft te maken met het vergunningverlenings-traject
in de ruimtelijke ordening, zo laat het rapport van de Kamer van Koophandel over regeldrukervaringen
van MFL-ondernemers zien waarover ik u in mijn Kamerbrief van 19 maart 20244 heb geïnformeerd. Daarom heb ik na het uitkomen van dit rapport een verdiepend onderzoek
uitgezet, naar de Omgevingswetprocedure in relatie tot MFL. In opdracht van mijn ministerie
en het Ministerie van Economische Zaken en in afstemming met het Interprovinciaal
Overleg, de Verenging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Land- en Tuinbouworganisatie
(LTO) onderzocht Berenschot in samenwerking met BügelHajema wat gemeenten belemmert
om MFL-omgevingsvergunningen binnen gestelde termijnen af te geven en hoe deze belemmeringen weggenomen
kunnen worden.
Het onderzoek concludeert dat er voor MFL aanvragen door hun uniciteit vaak nog geen
beleidskaders zijn om de aanvraag op te beoordelen. Daarom is er al snel een uitgebreide
Omgevingswetprocedure nodig. Wel kan door gemeenten beleid voor MFL worden opgesteld
met een eenduidige definitie die past bij het gebied om de afweging voor gemeenten
te vergemakkelijken en ondernemers op voorhand meer duidelijkheid te geven. Daarnaast
is goede communicatie tussen de gemeente en de MFL-ondernemer van groot belang. Succesfactoren
hiervoor zijn een goed georganiseerde interdisciplinaire afstemming binnen gemeenten
en tussen medeoverheden en vroegtijdig informeel overleg met de aanvrager.
Het onderzoek geeft als handreiking voor dit proces diverse tips, vertaald in een
praatplaat. De praatplaat kan zowel gemeenten als ondernemers ondersteunen in de vergunningverlening
voor MFL-bedrijven. In samenwerking met de VNG zullen de resultaten verder worden
verspreid, om zo vergunningverleningsprocedures te verbeteren. Daarnaast hebben er
in samenwerking met de VNG en LTO webinars5 en workshops plaatsgevonden voor ondernemers en gemeenteambtenaren om samen MFL te
stimuleren en te integreren in het omgevingsplan. Regeldruk door ruimtelijke ordening
heeft mijn continue aandacht en ik zal op dit onderwerp in gesprek blijven met medeoverheden.
Regeldruk voor MFL in branchespecifieke wet- en regelgeving
In Q4 2025 heb ik een inventarisatieronde gedaan langs de Vakgroep MFL van de LTO,
de Vakgroep Agrarische Kinderopvang en de Federatie Landbouw en Zorg (FLZ) om huidige
knellende wet- en regelgeving in kaart te brengen. De inventarisatie signaleerde naast
voornoemde uitdagingen in de ruimtelijke ordening ook branchespecifieke wet- en regelgeving
voor zorgboeren en agrarische kinderopvang.
De genoemde knelpunten zijn de volgende:
• Zorgboeren houden graag hun niet zorg gerelateerde inkomsten buiten de Jaarverantwoording
Zorg, mede doordat concurrentiegevoelige informatie openbaar wordt.
• Ook is er onduidelijkheid of ook vrijwilligers gelden als zorgverleners in relatie
tot het instellen van een cliëntenraad.
• Daarnaast kan de regeldruk verminderen wanneer de eis voor het instellen van intern
toezicht versoepeld wordt bij het aanbieden van begeleiding als vorm van zorg.
• Ook leven er sinds het indienen van het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering
zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) zorgen omtrent het winstuitkeringsverbod en is
er behoefte aan een eenduidige definitie van de wettelijke normen ter voorkoming van
tegenstrijdige belangen, opdat ondernemers goede handvatten krijgen hoe hierover te
rapporteren.
• Aanbieders van agrarische kinderopvang brachten naar voren dat het aanmerken van kinderopvang
als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) mogelijk tot een toename van regeldruk
kan leiden.
Voor de overige vormen van multifunctionele landbouw (boerderijverkoop, natuurbeheer,
educatie en recreatie) zijn nu geen branchespecifieke knellende wet- en regelgeving
voorgedragen. Hieronder zal ik ingaan op de inzet van het kabinet op deze genoemde
knelpunten.
Regeldruk voor zorgboeren
Het is bekend dat zorgboeren administratieve lasten ervaren. Hierover hebben zorgboeren
de afgelopen jaren meerdere gesprekken gevoerd met het Ministerie van VWS. Waar mogelijk
wordt ingezet op meer synergie in wet- en regelgeving van het Ministerie van VWS en
het terugdringen van administratieve lasten. Daarbij is het met het oog op de kwaliteit
van zorg voor cliënten belangrijk dat aan verschillende waarborgen wordt voldaan en
dat voor alle zorgorganisaties dezelfde eisen gelden om zorg te leveren. Verder werkt
het Ministerie van VWS aan regeldrukvermindering in de gehele zorgsector, onder andere
via samenwerking met de Regiegroep Aanpak Regeldruk en de afspraken uit het Aanvullend
Zorg- en Welzijnsakkoord.
Jaarverantwoording Zorg
Vanaf 1 januari 2025 zijn alle type zorgaanbieders verplicht om een jaarverantwoording
bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) openbaar te maken.
De jaarverantwoording is een maatschappelijke verantwoording over de besteding van
collectieve middelen. Daarnaast wordt de jaarverantwoording ook gebruikt onder andere
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voor het risico-gestuurde toezicht op zorgaanbieders.
Zorgboeren verrichten vaak naast de zorgverlening ook andere activiteiten, zoals agrarische
productie, detailhandel, recreatie, horeca en wonen. Deze categorie zorgaanbieders
verzoekt om de niet-zorggerelateerde opbrengsten en kosten buiten de jaarverantwoording
te laten. De zorgboeren stellen dat de niet-zorg gerelateerde opbrengsten en kosten
tot een vertekend beeld van de financiële bedrijfsvoering of het resultaat kunnen
leiden. Daarnaast zien zij het risico dat er met de openbare jaarverantwoording Zorg
concurrentiegevoelige informatie openbaar wordt. Verder zouden zij willen dat het
agrarisch deel niet meetelt voor de groottecriteria, zodat zij aanspraak kunnen maken
op meer vrijstellingen.
In het rapport «Vergelijking opties maatschappelijke jaarverantwoording» van het onafhankelijke
onderzoeksbureau Improven is in 2023 onderzocht wat de gevolgen zijn van een maatschappelijke
verantwoording over uitsluitend de besteding van collectieve middelen. Dit alternatief
leidt volgens Improven tot uitvoeringsproblemen, omdat de toerekening van de door
de zorgaanbieders gemaakte kosten aan collectieve en private middelen enerzijds een
subjectief karakter kent (en daardoor niet per definitie tot een getrouw beeld van
de financiële verantwoording en de toelichting daarop) en anderzijds tot hogere administratieve
lasten voor de zorgaanbieder zal leiden.
Daarnaast is om eenheid in de Nederlandse jaarrekeningenrechtwetgeving te bevorderen
ook aangesloten bij de groottecriteria van het BW en de EU-Richtlijn jaarrekening.
Dit verlicht wederom de regeldruk voor alle type zorgaanbieders, omdat er geen verschil
zit tussen de groottecriteria voor de vrijstellingen ten aanzien van de omvang van
de jaarverslaggeving in de zorgwetgeving en het BW. Een zorgaanbieder kan daarmee
volstaan met in principe één jaarverslaggeving.
Daarom sluit de jaarverantwoording zoveel mogelijk aan bij bestaande regels in het
Burgerlijk Wetboek. Deze regels gaan uit van verantwoording over de hele financiële
bedrijfsvoering, dus inclusief alle activiteiten binnen één organisatie. Dit is nodig
om goed zicht te krijgen op de financiële gezondheid en de continuïteit van de zorg.
Dit geldt voor middelgrote en grote zorgaanbieders. Kleine zorgaanbieders mogen zelf
kiezen om in de toelichting bij de jaarverantwoording een uitsplitsing naar bedrijfstak
te maken, als dat volgens hen een beter beeld geeft.
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018
De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) bepaalt dat een
cliëntenraad noodzakelijk is wanneer in de regel tien of meer natuurlijke personen
bij een zorginstelling zorg verlenen. Hieronder vallen ook natuurlijke personen die
geen beroepsmatige zorg verlenen, zoals vrijwilligers. De Wmcz heeft als belangrijkste
doel om de positie van cliëntenraden ten opzichte van zorginstellingen en jeugdhulpaanbieders
te versterken.
Zorgboeren hebben bij de Minister van LVVN de wens geuit om de status van vrijwilligers
in deze bepaling te evalueren en hen ofwel buiten de bepaling te houden, ofwel een
duidelijke grond aan te dragen waarom vrijwilligers ook meegenomen dienen te worden
als natuurlijke personen die zorg verlenen in deze bepaling. De Wmcz 2018 is kort
geleden geëvalueerd. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg heeft
het rapport met de bevindingen eind 2025 aan de Staten-Generaal toegezonden6. Uit de wetsevaluatie blijkt dat de Wmcz 2018 voldoet. De wet hoeft volgens de onderzoekers
niet aangepast te worden. De onderzoekers adviseren wel om te verduidelijken wanneer
de Wmcz 2018 van toepassing is. Als voorbeeld hiervan wordt in het rapport genoemd
om te verduidelijken dat vrijwilligers ook natuurlijke personen zijn die zorg verlenen.
De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg heeft in haar brief van 27 november
2025 aangegeven dat zij eerst gesprekken gaat voeren met het veld om te komen tot
de vervolgstappen naar aanleiding van de conclusies van dit rapport7. Voor de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over deze vervolgstappen.
Intern toezicht
Diverse zorginstellingen dienen een intern toezichthouder te hebben sinds de inwerkingtreding
van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) per 1 januari 2022. Deze wet heeft tot
doel de bewustwording ten aanzien van eisen aan kwaliteit van zorg te versterken en
het bevorderen van een transparante en ordelijke bestuursstructuur en bedrijfsvoering.
Ook kan hier met de Wtza beter toezicht op worden gehouden.
Sinds 1 juli 2025 is er een uitzondering gemaakt voor kleinere zorginstellingen in
de eerstelijns- en kleinschalige zorg. Zij hebben pas een intern toezichthouder nodig
bij meer dan 50 zorgverleners, in plaats van de oorspronkelijke grens van meer dan
25 zorgverleners. Aanleiding is dat deze eis disproportioneel werd geacht voor deze
specifieke groep kleinere zorginstellingen. De grens van meer dan tien zorgverleners
is gebleven voor instellingen waar cliënten gedurende ten minste een etmaal verblijven
of die zorg (doen) verlenen waarbij sprake is van medisch specialistische zorg, persoonlijke
verzorging, begeleiding of verpleging.
De FLZ en de LTO geven aan begrip te hebben voor de afwegingen om de norm niet te
verhogen voor bepaalde sectoren gezien de risico’s op ernstige schade bij cliënten
en de impact die de zorg heeft op het dagelijks leven van cliënten vanwege afhankelijkheid
of zorgbehoefte. Om administratieve lasten terug te dringen verzoeken de FLZ en LTO
om de verhoging van de norm wel van toepassing te laten zijn op instellingen waarbij
sprake is van begeleiding.
De Minister van VWS deelt echter niet de zienswijze van FLZ dat ook begeleiding onder
voornoemde uitzondering kan vallen en acht het instellen van intern toezicht bij meer
dan 10 zorgverleners ook voor begeleiding noodzakelijk. De eisen aan de bestuursstructuur
zijn passend door de risico’s op ernstige schade bij cliënten en de impact die de
zorg heeft op het dagelijks leven van cliënten bij onvoldoende kwaliteit van de begeleiding.
Gelet op de grote gevolgen voor patiënten bij onvoldoende kwaliteit van de begeleiding
is de omvangsgrens voor deze vorm van zorg behouden.
Wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
Januari 2025 is het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
naar uw Kamer gezonden. Dit wetsvoorstel stelt verplichtingen en randvoorwaarden ten
aanzien van de bedrijfsvoering, met als doel integere bedrijfsvoering te bevorderen
en partijen die uit zijn op persoonlijk gewin zoveel mogelijk te weren. Het Ministerie
van VWS heeft over het wetsvoorstel diverse gesprekken gevoerd met brancheorganisaties
die zorgboeren vertegenwoordigen, waaronder FLZ, LTO en de branchevereniging kleinschalige
zorg (BVKZ). De aandachtspunten omtrent de Wibz die bij de Minister van LVVN zijn
gemeld betreffen het winstuitkeringsverbod en een eenduidige definitie van de wettelijke
normen ter voorkoming van tegenstrijdige belangen, opdat ondernemers goede handvatten
krijgen hoe hierover te rapporteren.
Naar aanleiding van reacties op de internetconsultatie, diverse toetsen, gesprekken
met veldpartijen en het advies van de Raad van State heeft de Minister van VWS verschillende
wijzigingen doorgevoerd in het wetsvoorstel, waaronder:
• De brede open norm voor integere bedrijfsvoering is vervangen door een meer proportionele
norm voor van betekenis zijnde transacties.
• De voorwaarden aan winstuitkering worden op wetsniveau geregeld in plaats van in lagere
regelgeving. Dit komt tegemoet aan de kritiek dat het regelen van de voorwaarden voor
winstuitkering in lagere regelgeving leidt tot rechtsonzekerheid.
• Bepalingen van winstuitkering zijn niet van toepassing in situaties waarin een winstuitkering
gelijk te stellen is met de inkomsten uit arbeid, of waarin dat onderscheid niet goed
kan worden gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan een natuurlijk persoon die zorg of jeugdhulp
verleent in de vorm van een eenmanszaak of door middel van een persoonlijke BV zonder
personeel. Of aan een situatie waarin er geen sprake is van externe investeerders
die eigen vermogen verschaffen en er geen goed onderscheid gemaakt kan worden tussen
het loon en de winstuitkering, zoals bij maatschappen of vennootschappen onder firma
(vof). Dit betekent dat de winstverdeling binnen een maatschap van bijvoorbeeld medisch
specialisten meestal buiten beschouwing blijft. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor
zorgboerderijen als zij als rechtsvorm een vof of een eenmanszaak hebben.
Overigens heeft de Minister van VWS de Tweede Kamer op 11 december jl. geïnformeerd
dat hij zich naar aanleiding van vragen en opmerkingen vanuit de Kamer herbezint op
de inhoud van het wetsvoorstel Wibz8. Daarbij onderzoekt de Minister van VWS waar aanscherpingen kunnen plaatsvinden en
hoe risico’s ten aanzien van bijvoorbeeld de administratieve lasten en continuïteit
van zorg en jeugdhulp ondervangen kunnen worden.
Regeldruk voor agrarische kinderopvang
Om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen heeft het nieuwe kabinet besloten om in
het stelsel voor kinderopvang de dienst kinderopvang aan te merken als dienst van
algemeen economisch belang9. Dit voornemen is opgenomen en toegelicht in het conceptwetsvoorstel financiering
kinderopvang wat in oktober en november van 2025 open heeft gestaan voor internetconsultatie10.
Bij aanbieders van agrarische kinderopvang leeft de zorg dat deze nieuwe wet- en regelgeving
tot een toename van de regeldruk zal leiden. Bij het uitwerken van de DAEB, die op
dit moment nog gaande is, staat voorop dat ondernemen mogelijk moet blijven en dat
de diversiteit in het aanbod behouden moet blijven. Kleinschalige en agrarische kinderopvangondernemers
zijn belangrijk voor de sector. Hun aanbod komt tegemoet aan een specifieke behoefte
die ouders kunnen hebben voor een bepaalde vorm van kinderopvang. Om de vormgeving
van de DAEB zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de specifieke kenmerken en behoeften
vanuit de sector, wordt de verdere uitwerking van de DAEB samen met de sector opgepakt.
Daarbij is uiteraard aandacht voor het zo veel mogelijk beperken van de regeldruk
en administratieve last voor organisaties.
Vervolg
Knellende wet- en regelgeving blijft een punt van aandacht voor MFL. De primaire verantwoordelijkheid
voor branchespecifieke wet- en regelgeving zoals zorg en kinderopvang ligt bij mijn
collega bewindspersonen. Mijn departement staat in nauw contact met deze verantwoordelijk
bewindspersonen en blijft knelpunten en signalen op dit terrein met hen bespreken.
Daarbij ben ik blij dat ook de sector aangeeft goed contact te hebben gehad met LVVN,
VWS en SZW in 2025. Afgelopen jaar waren er openingen om de Wibz en de Wtza passender
te maken voor zorgboeren waar de Minister van VWS gebruik van heeft gemaakt. Ik zie
nu dat er voornamelijk winst te behalen is voor MFL in de gemeentelijke en provinciale
aanpak van ruimtelijke ordening. De resultaten van het onderzoek en de praatplaat
van Berenschot en Bügelhajema leveren daarvoor een waardevolle handreiking. In samenwerking
met de VNG zullen de resultaten verder worden verspreid, om zo de mogelijkheden van
multifunctionele landbouw als toekomstbestendig verdienmodel te verbeteren.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur