Brief regering : Ontwikkelingen over collectieve Warmte
36 576 Regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)
Nr. 119
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Op 10 oktober 2025 is de Tweede Kamer door het kabinet geïnformeerd over de ontwikkelingen
die spelen bij collectieve warmte1. Het kabinet geeft graag opnieuw inzicht in de belangrijkste ontwikkelingen. Deze
brief heeft twee hoofdonderwerpen: de (gefaseerde) inwerkingtreding van de Wet collectieve
warmte en de betaalbaarheid van de (collectieve) warmtetransitie, waaronder de kostenontwikkelingen
van WarmtelinQ2.
Met deze Kamerbrief geeft het kabinet bovendien opvolging aan de twee moties van Flach/Kröger3,
4 over 1) de mogelijkheid om ook een warmtebedrijf met een meerderheidsbelang van een
warmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelang aan te kunnen wijzen en 2) de ontwikkeling
van een faciliterend kader voor warmtegemeenschappen, waaronder de mogelijkheden van
de Garantieregeling Warmtenetten voor warmtegemeenschappen. Ook geeft het kabinet
de voortgang weer op de toezegging5 om te onderzoeken hoe ongewenste overlap van subsidies voor warmtepompen in warmtenetwijken
voorkomen kan worden.
Tenslotte stuurt het kabinet met deze brief twee afgeronde onderzoeken toe op gebied
van 1) de plaatsing van energiemeters bij zeer-lage-temperatuur-netten (onder het
hoofdstuk Wet collectieve warmte) en 2) data governance in de (collectieve) warmtetransitie.
Wet collectieve warmte
Planning Wcw
De Wet collectieve warmte (hierna: Wcw) is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer
aangenomen en inmiddels gepubliceerd in het Staatsblad6. In de Wcw zijn regels gesteld die noodzakelijk zijn in het belang van een betrouwbare,
betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening. Deze wet treedt gefaseerd in
werking. Voor de meeste artikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden
als ook het Besluit collectieve warmte (hierna: Bcw) en de ministeriële regeling zijn
afgerond en in werking kunnen treden. In de kamerbrief van 10 oktober 2025 is aangekondigd
dat een beperkt aantal artikelen eerder in werking zal treden. Voor de inwerkingtreding
van deze artikelen zal deze maand een koninklijk besluit in het Staatsblad worden
geplaatst. Met dit besluit treden de artikelen in werking ten aanzien van de vaststelling
van de methode voor de gestandaardiseerde activawaarde, de extra mogelijkheden voor
infrastructuurbedrijven om warmteactiviteiten te kunnen uitvoeren, en de bevoegdheid
voor de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: KGG) om een nationale deelneming
warmte aan te wijzen.
De regels die op grond van de Wcw zullen gelden worden verder uitgewerkt in het Bcw
en een ministeriële regeling. Op 23 januari 2026 is het concept-Bcw aan de Autoriteit
Consument en Markt (hierna: ACM) voorgelegd voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets.7 De Wcw, Bcw en ministeriële regeling liggen dus op schema om op 1 januari 2027 in
werking te kunnen treden.
Aanwijzing nationale deelneming warmte
Het kabinet zal direct na inwerkingtreding van artikel 12.7 uit de Wcw een hiertoe
opgerichte dochter van Energiebeheer Nederland (hierna: EBN) aanwijzen als nationale
deelneming warmte. Dit voornemen was reeds gemeld in de Kamerbrief van 10 oktober
2025. Via deze nationale deelneming warmte kan het Rijk participeren in warmtebedrijven
en medeoverheden ondersteunen bij de oprichting en aansturing van deze bedrijven.
Later dit voorjaar zijn de eerste samenwerkingsovereenkomsten met medeoverheden en
infrastructuurbedrijven voorzien, waarmee de oprichting van publieke regionale warmtebedrijven
wordt voorbereid.
Moties warmtegemeenschappen
In een motie8 van de leden Flach en Kröger wordt het kabinet verzocht om opnieuw onderzoek te doen
naar de mogelijkheid dat ook een warmtebedrijf met een meerderheidsbelang van een
warmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelang wordt aangewezen voor een warmtekavel.
In artikel 2.5 van de Wcw is de aanwijzingsprocedure opgenomen op grond waarvan gemeenten
warmtegemeenschappen en warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang kunnen
aanwijzen. Artikel 2.5 van de Wcw maakt het niet mogelijk dat een warmtebedrijf met
een meerderheidsbelang van een warmtegemeenschap én een publiek minderheidsbelang
aangewezen wordt voor een warmtekavel. Het kabinet heeft eerder een spoedadvies gevraagd
van de Landsadvocaat of het Europeesrechtelijk mogelijk is om een dergelijk warmtebedrijf
aan te wijzen.9
Het kabinet heeft ter uitvoering van deze motie een zienswijze van de koepel van warmtegemeenschappen,
Energie Samen, over dit vraagstuk gevraagd en de Landsadvocaat verzocht om met open
vizier opnieuw het kabinet over dit vraagstuk te adviseren en daarbij de zienswijze
te betrekken. Bij deze advisering is Energie Samen betrokken. Naar verwachting zal
de Landsadvocaat het nieuwe advies op korte termijn afronden. Het vraagstuk zal daarna
worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De uitkomsten en de eventuele gevolgen
hiervan voor de regelgeving zullen met de Kamer worden gedeeld.
Daarnaast kijkt het kabinet specifiek naar het faciliterend kader voor warmtegemeenschappen,
waar het lid Kröger in een motie om heeft gevraagd10. Collectieve warmteprojecten zijn technisch, financieel en sociaal-maatschappelijk
vaak complexer dan projecten voor het opwekken of leveren van elektriciteit. Daarom
is Topsector Energie een onderzoek gestart naar de belemmeringen waar warmtegemeenschappen
tegenaan lopen. De resultaten hiervan volgen uiterlijk in het begin van het tweede
kwartaal van 2026. Dit kan het volgende kabinet gebruiken om te komen tot een actieplan
om invulling te geven aan het faciliterend kader voor warmtegemeenschappen.
Garantieregeling Warmtenetten
Er zijn zorgen over het gebrek aan financiering bij de realisatie van warmtenetten.
Om dit te ondervangen is in de begroting voor 2026 € 174,5 miljoen opgenomen ten behoeve
van de Garantieregeling Warmtenetten (hierna: GRW). Momenteel wordt de GRW uitgewerkt
in samenwerking met Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om tot een vormgeving
te komen die doeltreffend is en door maatwerk voldoende aansluit bij de individuele
eigenschappen van warmteprojecten, maar tevens de risico’s voor de Rijksbegroting
voldoende beheerst.
Ook moet nog duidelijk worden hoe de regeling efficiënt kan aansluiten op de kavelsystematiek
beschreven in de Wcw en op de risicobeoordeling door banken en aandeelhouders. Om
hier voldoende tijd voor te hebben wordt ernaar gestreefd om de regeling tegelijk
met de inwerkingtreding van de Wcw op 1 januari 2027 open te stellen.
Naar verwachting zal komende zomer een internetconsultatie plaatsvinden van de regelingstekst.
Tot die tijd vindt nauwe afstemming plaats over de vormgeving, voorwaarden en werkwijze
met (sector-) banken en (toekomstige) aandeelhouders van aangewezen warmtebedrijven
(EBN en infrastructuurbedrijven). Gemeenten en warmtegemeenschappen worden betrokken
via de Vereniging Nederlandse Gemeenten en EnergieSamen.
ZLT-onderzoek
In de Wcw is bepaald dat in de Bcw eisen worden opgenomen aan de meters bij zeer-lage-temperatuur-netten
(hierna: ZLT-netten). Het bureau Stroomversnelling heeft in opdracht van het Ministerie
van KGG een advies opgesteld over de invulling van deze vereisten. Het adviesrapport
is een bijlage bij deze brief. In het Bcw zal opgenomen worden dat er een temperatuur-
en een debietmeter bij het overdrachtspunt tussen het ZLT-net en de binneninstallatie
wordt geplaatst.
Betaalbaarheid collectieve warmte en het bijbehorende subsidielandschap
Onderzoek kostenontwikkeling WarmtelinQ
Op 21 februari 202511 en 13 mei 202512 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de financiële tegenvaller van project
WarmtelinQ (hierna: WLQ). Het kabinet heeft Fakton Energy (hierna: Fakton) gevraagd
om een validatie uit te voeren van de kosten en de businesscase van WLQ en een inschatting
te maken van de mogelijke impact van deze tegenvaller op de benodigde subsidiemiddelen.
Het rapport is een bijlage bij deze brief, vergezeld van de reactie van WarmtelinQ
Transport Services (WTS) op het onderzoeksrapport.
Fakton acht de kosten die WTS rapporteert op vrijwel alle onderdelen marktconform.
Ook constateert Fakton dat de hogere investeringskosten marktconform zijn, deze zijn
het gevolg van hogere personeel- en materiaalkosten en krapte op de markt. Het onderzoek
toont aan dat er nog veel risico’s en onduidelijkheden zijn voor de toekomstige exploitatie
van WarmtelinQ. Daarnaast concludeert het rapport dat WTS rekening houdt met een redelijk
rendement. De onderzoekers geven wel aan dat een deel van de operationele kosten nog
te laag ingeschat wordt en achten het marktconform dat deze kosten circa € 66 miljoen
(inclusief indexatie) hoger uit kunnen vallen dan door WTS geraamd. Sinds 2021 is
€ 427 miljoen gereserveerd voor de exploitatiesubsidie. Gelet op voornoemde kostenstijgingen
is Fakton gevraagd wat benodigd zou zijn om 15 jaar lang een transporttarief voor
WLQ te bekostigen zodat die niet hoger wordt dan 70% van de groothandelsprijs voor
aardgas (TTF-prijs). Dit creëert een gelijk speelveld met duurzame bronnen (zoals
geothermie of aquathermie) die een SDE++-beschikking hebben ontvangen. Fakton heeft
de benodigde subsidie voor operationele kosten voor een 15-jarige periode ingeschat
op circa € 994 miljoen, met een bandbreedte van € 401 miljoen in het meest gunstige
scenario en € 1.089 miljoen in het slechtste scenario.
De geschetste bandbreedte heeft te maken met diverse factoren die invloed hebben op
het benodigde subsidiebedrag.
− Allereerst de snelheid waarop Gasunie nieuwe afnemers kan contracteren. Met meer afname
kunnen de kosten per geleverde gigajoule warmte substantieel dalen.
− Ook de kosten van de warmtebron zijn relevant voor de subsidiebehoefte maar nog zeer
onzeker.
− Ten slotte is het correctiebedrag van belang. De bijmengverplichting voor groen gas
en de emissiehandel voor de gebouwde omgeving, wegvervoer en de overige industrie
(ETS2) zijn beleidsmatige ontwikkelingen die de gasprijs verhogen. Hiermee wordt het
kostenverschil tussen duurzame warmte en aardgas kleiner, wat de subsidiebehoefte
van WLQ verlaagd.
In alle scenario’s concluderen de onderzoekers dat ook na 15 jaar een subsidiebehoefte
blijft bestaan als het correctiebedrag gelijkgesteld wordt aan 70% van de groothandelsprijs
van aardgas. Daarbij geeft Fakton aan dat het voor de hand ligt dat de gasreferentie
het correctiebedrag met de komst van de Wcw en de (verplichte) overstap naar een duurzaam
alternatief op termijn wordt vervangen om een gelijk speelveld te borgen. Dit zou
de onrendabele top en daarmee de subsidiebehoefte van WLQ verlagen. Fakton doet tot
slot een aantal aanbevelingen voor de inrichting van de exploitatiesubsidie om de
subsidiebehoefte te verlagen, met als effect dat deze hoge volloop en lage bronkosten
stimuleert.
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport en de omvangrijke financiële problematiek
waar het project mee kampt. WLQ is een ambitieus en uniek project dat een brug kan
slaan tussen het overschot aan duurzame warmte in het Rotterdamse havengebied en de
warmtevraag in Zuid-Holland. Het belang van het benutten van de restwarmte in dit
deel van de Randstad is groot omdat er veel vraag is en het aanbod van andere duurzame
bronnen voor hoge- en midden temperatuur warmtenetten beperkt is. Met WLQ kan de verduurzaming
van de gebouwde omgeving sneller gerealiseerd worden, met minder netverzwaringen van
het elektriciteitsnet. Daarmee is het project van groot belang voor de Nederlandse
energietransitie als geheel en de transitie in de provincie Zuid-Holland in het bijzonder.
Het kabinet laat daarom na het bijgevoegde Fakton onderzoek aanvullend onderzoek doen
om vast te kunnen stellen of WLQ, gelet op de kostentoename en blijvende financiële
risico’s, nog steeds het meest duurzame alternatief met de laagste nationale kosten
is en of er alternatieven zijn die financieel aantrekkelijker en technisch en ruimtelijk
haalbaar zijn. Hierbij is de huidige situatie van WLQ het uitgangspunt, dat wil zeggen
dat het project al grotendeels is aangelegd, het deel Rijswijk–Leiden in aanbouw is,
inclusief de gemelde kostentoename en blijvende financiële risico’s en de verstrekte
subsidies. De uitkomst hiervan zal worden betrokken bij de discussie over de verdeling
van de rekening tussen Rijk, Gasunie/WTS, warmtebedrijven en eindklanten. Het aankomend
kabinet komt hierop terug bij de voorjaarsbesluitvorming.
Warmtenetten Investeringssubsidie
De Warmtenetten Investeringssubsidie (hierna: WIS) kan gebruikt worden voor de investeringen
in de aanleg van warmtenetten. De investeringen in warmtenetten zijn echter vertraagd.
De oorzaken hiervan zijn ook geschetst in de Kamerbrief van 7 oktober 2024.
Hoewel de in genoemde Kamerbrief genoemde randvoorwaarden nog nadere invulling behoeven,
biedt de WIS voor sommige warmteprojecten al wel voldoende mogelijkheden om nieuwe
subsidieaanvragen in te dienen. De laatste openstellingsronde van de WIS liep tot
16 januari 2026. Het kabinet heeft besloten deze te verlengen tot 30 augustus 2026.
Gedurende deze langere openstellingsperiode wordt de regeling door RVO en het Ministerie
van KGG aangepast op de nieuwe realiteit die de Wcw introduceert, zodat bij toekomstige
openstellingsrondes meer projecten gebruik gaan maken van de WIS. Op 3 februari zijn
diverse warmtebedrijven informeel geconsulteerd over verbeterpunten in de regeling.
Clusterdeals
Het kabinet heeft AT Osborne en Rebel gevraagd om te onderzoeken hoe een clusteraanpak
voor collectieve warmte vormgegeven kan worden. Het onderzoek richt zich op grote,
vaak gemeente overstijgende warmtesystemen waar veel potentie is om in korte tijd
grote aantallen woningen en gebouwen aan te sluiten. Onderzocht wordt of voor deze
clusters een dealaanpak versnellend zou kunnen werken. In zo’n aanpak worden integrale
bestuurlijke afspraken gemaakt met aan de ene kant afspraken over de opgave, ieders
taken en verantwoordelijkheden daarin, commitment op het aantal aansluitingen en op
de planning; en aan de andere kant afspraken over een integrale subsidie waarmee ook
de betaalbaarheid voor eindgebruikers wordt geborgd. Er wordt beoogd dat deze set
aan afspraken vervolgens landt in een deal tussen de gebiedspartijen en het Rijk.
Met dit onderzoek wordt gekeken of deze aanpak kan leiden tot een betere aansluiting
van praktijk met het subsidie-instrumentarium. Dit onderzoek sluit aan bij de motie
van de leden Rooderkerk en Erkens om de subsidiëring voor de warmtetransitie integraal
te bekijken en te versimpelen.13
In het onderzoek wordt ook gekeken of het wenselijk en mogelijk is dat het warmtebedrijf
en eventueel de gebouweigenaren worden gecompenseerd voor hun activiteiten als een
Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). De Bank Nederlandse Gemeentes (BNG)
en advocatenkantoor AKD brachten hierover een notitie uit,14 waarin wordt uitgelegd dat gemeenten dit kader kunnen gebruiken voor de realisatie
en exploitatie van collectieve warmtevoorzieningen. Vergoedingen via deze route moeten
goed bekeken worden in samenhang met andere financiering in de afweging of dit voor
de clusteraanpak versnellend werkt. Het onderzoek loopt tot in de eerste helft van
2026 en wordt in nauwe samenwerking met RVO en het Ministerie van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (VRO) en KGG uitgevoerd.
Toezegging aan het lid Grinwis over warmtepompen
Het kabinet heeft eerder toegezegd15 te onderzoeken hoe ongewenste overlap van subsidies voor warmtepompen in warmtenetwijken
voorkomen kan worden, mits dat op een uitvoerbare en juridisch houdbare manier geïmplementeerd
kan worden. In de Kamerbrief van 10 oktober 2025 is hier al een update over gegeven.
Een brede groep aan belanghebbenden is sinds die tijd geconsulteerd, op basis waarvan
een goede belangenafweging gemaakt kan worden. Een volgend kabinet zal hier een besluit
over nemen.
Informatievoorziening en data governance
Onlangs heeft Berenschot een haalbaarheidsstudie naar een centraal aansluitingenregister
voor warmtenetten afgerond. Deze treft u als bijlage bij deze brief aan. Dit onderzoek,
dat is uitgevoerd binnen het programma Verbetering Informatievoorziening Energietransitie
(VIVET), heeft als doel te identificeren of een register zou bijdragen aan de efficiënte
uitvoering van (met name) de Wcw, en wat er nodig zou zijn voor de realisatie ervan.
Uit het eindrapport blijkt dat een aansluitingenregister voor warmtenetten een duidelijke
behoefte vervult, waarin kan worden voorzien door slechts een beperkt aantal gegevens
van elke aansluiting centraal vast te leggen. Hoewel er geen sprake is van fundamentele
barrières, vereist de ontwikkeling van een register afstemming tussen overheidsinstanties
en warmtebedrijven. Het advies van Berenschot is om een procesbegeleider aan te stellen
die de samenwerking tussen alle betrokken partijen kan coördineren, en (concept) mandaat
kan opstellen voor de registerbeheerder en een gedetailleerde budgetraming kan maken.
Besluitvorming over het daadwerkelijk aanwijzen van een procesbegeleider, registerbeheerder
en de financiering is aan het nieuwe kabinet.
Met de in deze brief genoemde maatregelen geeft het kabinet verder invulling aan de
randvoorwaarden welke nodig zijn voor het opschalen van collectieve warmte.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.Th.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei