Brief regering : Beantwoording vragen van de commissie Klimaat en Groene Groei over de begroting Klimaat en Groene Groei 2026
36 800 XXIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026
Nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Hierbij ontvangt de Kamer de beantwoording van de vragen die de leden van de vaste
commissie Klimaat en Groene Groei hebben gesteld over de begroting KGG 2026 (kenmerk
2026Z02344/2026D05311, ingezonden 4 februari 2026).
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.Th.M. Hermans
Beantwoording vragen over SDE++
1
Hoeveel nadeelcompensatie voor kolencentrales wordt betaald vanuit de SDE++-middelen?
Antwoord
Voor de nadeelcompensatie van de kolencentrales is € 497 miljoen gereserveerd binnen
de SDE++-middelen, gelijk aan het bedrag dat aan RWE en Uniper samen is toegekend1. Wel moet de Europese Commissie nog beoordelen of er geen sprake is van staatssteun.
Zonder instemming van de Europese Commissie kan de compensatie niet betaald worden.
Deze procedure loopt nog. Voor Onyx is besloten geen nadeelcompensatie toe te kennen2. Bezwaar en beroep door Onyx tegen dit besluit loopt nog.
2
Kunt u inzicht geven in de meerjarige uitgaven van de openstellingsronde van de SDE++
in 2025 en 2026?
Antwoord
Hieronder is een tabel opgenomen met daarin de verwachte kasuitgaven voor de SDE++-rondes
van 2025 en 2026 op basis van de meest recente cijfers uit de Klimaat- en Energieverkenning
van 16 september 2025.
Tabel: verwachte kasuitgaven voor de SDE++-rondes van 2025 en 2026 (in miljoenen euro's)
jaar
SDE++ 2025
SDE++ 2026
2026
0
–
2027
6
–
2028
24
–
2029
95
7
2030
175
85
2031
324
204
2032
349
289
2033
344
296
2034
341
286
2035
338
275
2036
336
264
2037
334
252
2038
332
240
2039
330
233
2040
327
230
2041
325
228
2042
311
223
2043
284
193
2044
244
184
2045
211
177
2046
63
105
2047
5
24
2048
–
2
Totaal
5098
3798
3
Kunt u schetsen wat de concrete gevolgen zijn van het leegboeken van de reserve duurzame
energie en klimaattransitie en het ontbreken van middelen voor openstellingen na 2026
voor projecten in de industrie en de elektriciteitssector?
Antwoord
De SDE++ is de grootste regeling voor duurzame energieproductie en CO2-reductie en is daarmee cruciaal voor het behalen van de klimaat- en energiedoelstellingen.
De SDE++ stimuleert verschillende technieken die bijdragen aan de verduurzaming van
de industrie en de elektriciteitssector. Zonder de SDE++ kan de verduurzaming in deze
sectoren vertragen of stil komen te vallen. De begrotingsreserve duurzame energie
en klimaattransitie is bedoeld om tegenvallers in de SDE-uitgaven op te vangen. Op
dit moment is de verwachting dat de reserve in 2029 volledig is uitgeput. Wanneer
er geen reserve is, dan moeten tegenvallers op een andere manier worden opgevangen.
4
Welke wijzigingen worden overwogen in de stimulering van CCS? In hoeverre wordt er
gewerkt aan contracts for difference als alternatief voor de SDE++? Wanneer kan de
Kamer hier meer duidelijkheid over krijgen (pagina 32/34)?
Antwoord
In de Kamerbrief van 21 november 2025 over de resultaten van het traject Toekomst
van de SDE++ is nader ingegaan op de passende stimulering van CCS3. In deze brief is aangegeven dat het in deze fase van de ontwikkeling van CCS niet
opportuun is om een meerjarig verrekenmechanisme, waarbij subsidie in jaren van lage
marktprijzen wordt verrekend met inkomsten in jaren van hoge marktprijzen, te introduceren.
Wel is in de brief opgenomen dat op het moment dat investeringsbesluiten over essentiële
infrastructuurprojecten zijn genomen en er grotere zekerheid over transport- en opslagkosten
bestaat, er over een meerjarig verrekeningsmechanisme voor CCS zal worden besloten
en dit mechanisme nader zal worden uitgewerkt. Tot die tijd worden CCS-beschikkingen
onderworpen aan de MSK-toets waarmee eventuele overstimulering achteraf, rekening
houdend met eventuele stijgende kosten voor de aanvrager, kan worden vastgesteld.
Op dit moment is er geen concrete uitwerking van contracts for difference als alternatief
voor de SDE++. Tegelijkertijd wordt gedurende de energie- en klimaattransitie het
instrumentarium voortdurend tegen het licht gehouden, zodat steeds kan worden bezien
welke vormen van ondersteuning het best aansluiten bij de opgaven en ontwikkelingen.
5
Wat betekenen de resultaten van de verkenning naar de toekomst van de SDE++ voor de
herziening van de SDE++-regeling?
Antwoord
In het kader van de toekomst van de SDE++ wordt naar verschillende aanpassingen gekeken.
Geen van deze aanpassing heeft naar verwachting nu al invloed op de SDE++-regeling
in 2026. Een concrete actie is dat de mogelijkheid om binnen de subsidiebeschikking
te corrigeren voor veranderingen in nettarieven nader wordt verkend. Ook het PBL is
inmiddels gevraagd om in 2026 te adviseren over hoe het stimuleren van geavanceerde
hernieuwbare brandstoffen voor internationale lucht- en zeevaart in de SDE++-systematiek
kan worden ingepast. Op basis van dit advies kan worden besloten of het wenselijk,
mogelijk, kosteneffectief en efficiënt is om deze technieken op deze wijze in de SDE++
op te nemen en of er aanpassingen in de wet- en regelgeving nodig zijn. De resultaten
van het traject toekomst-SDE++ hebben op dit moment naar verwachting geen significant
effect op de kasuitgaven voor de SDE++-regeling.
Beantwoording vragen over middelen voor het elektriciteitsnet
6
Huishoudens worden in verhouding harder worden geraakt door stijgende nettarieven
dan industriële bedrijven. Kan de Minister aangeven hoe dit aspect is meegewogen in
de keuzes die in de ontwerpbegroting 2026 zijn gemaakt?
Antwoord
Netbeheerders investeren fors in het versterken van de elektriciteitsnetten en maken
meer kosten voor congestiemaatregelen. Deze hogere kosten vertalen zich door in hogere
nettarieven voor huishoudens en bedrijven. In de afgelopen jaren zijn de nettarieven
voor beide groepen gestegen. Voor de komende jaren wordt een verdere stijging verwacht.
Het kabinet houdt daarom contact met de ACM en de netbeheerders om de tarieven tijdig
in beeld te brengen.
Dit jaar is het nettarief elektriciteit voor een huishouden beperkt gestegen met gemiddeld
10 euro (incl. btw) per jaar. Dit is een stijging van 2 procent. Wanneer een oplopende
energierekening voor consumenten in den brede leidt tot verminderde koopkracht, wordt
dit gewogen in de augustusbesluitvorming.
7
Waar is de verwachting dat het beter benutten van het net een besparing van € 10 tot
€ 20 miljard kan opleveren tussen 2025 en 2040 op gebaseerd?
Antwoord
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur
is berekend dat de noodzakelijke investeringen in deze infrastructuur tot en met 2040
cumulatief op € 195 miljard uitkomen.4 Daarnaast becijfert het IBO dat nadere keuzes om het net op land beter te benutten
de cumulatieve investeringsopgave kunnen dempen met € 3,5–22,5 miljard (op een totaal
van € 107 miljard voor het net op land) tot 2040.
In reactie op het IBO heeft het kabinet meerdere maatregelen geïntroduceerd die zijn
opgenomen en doorgerekend in het rapport.5 De verwachting van een potentiële besparing op de netkosten van € 10–20 miljard tussen
2025 en 2040 volgt het middenscenario voor netto reductie van de investeringsopgave
in het elektriciteitsnet uit het IBO.
8
Hoeveel middelen zijn naar verwachting de komende jaren nog nodig om de problemen
met het elektriciteitsnet (netcongestie, stijgende kosten) aan te pakken?
Antwoord
De netbeheerders investeren de komende jaren fors in uitbreiding van het elektriciteitsnet,
zo’n € 195 mld. tot 2040. Deze uitgaven dekken de netbeheerders uit de nettarieven
die bij gebruikers in rekening worden gebracht, en zijn dus geen onderdeel van de
Rijksbegroting. Zie de antwoorden op de vragen 6, 9 en 10 voor meer informatie over
de financiering en mogelijke verdeling van de stijgende kosten die netbeheerders moeten
maken.
De uitgaven vanuit de Rijksbegroting zijn van een andere orde. Het Landelijk Actieprogramma
Netcongestie (LAN) beschikt voor de generieke aanpak van netcongestie tot 2030 jaarlijks
ca. € 1,7 mln uit het begrotingshoofdstuk KGG. Deze middelen worden besteed aan onderzoeken
en verkenningen naar oplossingen om het net sneller uit te breiden en beter te benutten,
die vervolgens in samenwerking met de LAN-partners worden geïmplementeerd. Daarnaast
wordt een aantal acties en regelingen gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds:
− normeren en stimuleren van energie-intensieve apparaten (ca. € 12,5 mln.)
− gebiedsinvesteringen voor ruimtelijke inpassingen (ca. € 197 mln.)
− de vliegende brigade of MIEK-PEH expertpool (ca. € 22,5 mln.)
− pakket noodmaatregelen netcongestie (ca. € 13 mln.)
De Flex-e subsidieregeling (circa € 65 mln.) wordt deels gefinancierd uit reguliere
middelen en deels uit het Klimaat- en Energiefonds. Met deze regeling worden bedrijven
ondersteund bij het flexibel maken van hun netgebruik. In het formatierapport Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie6 wordt geadviseerd de Flex-e regeling ook na 2026 te verlengen en verbreden. Verder
verwijs ik u voor een totaalbeeld van ambtelijk geïnventariseerde beleidsopties voor
de aanpak van netcongestie naar de fiches nrs. 8 en 11 in Annex 1 bij dit rapport.
9
Waarom is er niet voor gekozen een kapitaalstorting te doen ten behoeve van investeringen
in het elektriciteitsnet?
Antwoord
Een kapitaalstorting helpt om het eigen vermogen van de netbeheerder te ondersteunen,
maar is niet nodig voor het financieren van de investeringen in het elektriciteitsnet.
De investeringen verdienen zich immers terug via de nettarieven van de aangeslotenen.
TenneT heeft sinds 2025 een staatsgarantie op de uitstaande en nieuwe leningen, een
kapitaalstorting ten behoeve van het eigen vermogen is daarom niet meer nodig. Met
deze garantie leent TenneT geld zodat het de investeringen kan voorfinancieren en
is de financiering van de investeringen in de netten geborgd.
10
Welke alternatieven voor amortisatie worden overwogen door het kabinet?
Antwoord
Omdat het vraagstuk van nettarieven urgent blijft, zijn in het onafhankelijke ambtelijke
rapport Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie alternatieve opties om de nettarieven te verlagen en de kosten anders te verdelen
(tussen burgers, bedrijven en generaties) verder uitgewerkt en toegelicht.7 Een voorbeeld hiervan is het verstrekken van een subsidie aan TenneT. Het rapport
geeft ook inzicht in manieren om de investeringszekerheid van elektrificerende bedrijven
te vergroten, bijvoorbeeld via verschillende mogelijkheden om de hoogte van elektriciteitskosten
te adresseren. Voorbeelden hiervan zijn stimulering via de SDE++, het verlagen van
de energiebelasting op elektriciteit, het verbreden van IKC-ETS, het tijdelijk steunen
van de elektriciteitsprijs voor bedrijven onder het Clean Industrial Deal State Aid
Framework (CISAF) en het introduceren van Contracts for Difference (CfD’s) aan de
vraagzijde. Het is aan het volgende kabinet om hier verdere besluiten over te nemen.
Beantwoording vragen over EU-fondsen
11
De overlegtafel CO2-heffing heeft een aantal pakketten ter vervanging van de CO2- heffing uitgewerkt. Gaat u een van deze pakketten kiezen als alternatief voor de
CO2-heffing, om daarmee het risico op een korting van de middelen uit de Herstel-en Veerkrachtfaciliteit
te minimaliseren?
Antwoord
In de uitvoering van de motie van het lid Van Dijk heeft het kabinet nauwkeurig gekeken
hoe het risico op een korting van de middelen uit het Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
voorkomen kan worden. De gekozen wijzigingen aan de CO2-heffing vallen binnen de geldende kaders waardoor er geen risico is op een korting
van de middelen. Dit is met uw Kamer gedeeld in de Kamerbrief Uitvoering Pakket Groene
Groei.8 De overlegtafel CO2-heffing, en het daaruit volgende rapport, had daarom ook niet te maken met de Nederlandse
afspraken in het Herstel en Veerkrachtplan. Dat neemt niet weg dat het rapport van
de overlegtafel CO2-heffing waardevolle inzichten en maatregelen bevat voor de verduurzaming van de industrie
en het dichterbij brengen van de klimaatafspraken. Het is echter aan het volgende
kabinet om eventueel opvolging te geven aan dit rapport.9
12
Hoeveel middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit kan Nederland in totaliteit
mislopen door vertragingen en beleidswijzigingen? Wat zijn de consequenties in dat
geval voor de middelen die waren bedoeld voor de klimaat- en energietransitie (pagina
33/34)?
Antwoord
Nederland kan in totaal aanspraak maken op € 5,4 mld aan Europees geld uit de Herstel-
en Veerkrachtfaciliteit. Betaalverzoeken 1 en 2, samen t.w.v. ongeveer € 2,5 mld,
zijn reeds uitbetaald. Deze week heeft de Europese Commissie ook het derde betaalverzoek
t.w.v. ongeveer € 0,5 mld voorlopig goedgekeurd. Het nog openstaande bedrag is na
uitkering van dat betaalverzoek ongeveer € 2,4 mld. De Kamer is per brief van 26 januari
2026 door de Minister van Financiën geïnformeerd10 over de resterende mijlpalen en doelstellingen, waarbij ook is ingegaan op de risico’s
dat enkele mijlpalen en doelstellingen niet tijdig worden behaald.
De middelen die vanuit het Herstel- en Veerkrachtplan voor de klimaat-en energietransitie
zijn uitgegeven zijn bestaand beleid, en daarmee reeds begroot. Wanneer mijlpalen
uit betaalverzoeken 1 en 2 niet worden gehaald, zal gekort worden op nog openstaande
betaalverzoeken. Een mogelijke korting kan per mijlpaal of doelstelling oplopen tot
ongeveer € 600 mln. Dit zal echter niet ten koste gaan van de betaalverzoeken die
al zijn overgeboekt. Hoe een dergelijk budgettaire probleem nationaal opgelost dient
te worden, zal dan – als het zich voordoet – t.z.t. moeten worden bekeken.
13
Wat is de stand van zaken van het Sociaal Klimaatplan en het proces van indiening?
Waarom is het plan nog niet ingediend bij de Europese Commissie?
Antwoord
De Nederlandse inzet voor de besteding van het Social Climate Fund is op 19 januari
jl. formeel ingediend bij de Europese Commissie. De Kamer is hierover geïnformeerd
door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.11
14
Wat betekent latere indiening van het plan voor de beschikbaarheid van middelen uit
het Sociaal Klimaatfonds?
Antwoord
Het plan is reeds ingediend bij de Europese Commissie. Er zijn daarmee geen consequenties
voorzien voor de beschikbaarheid van middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
15
Nederland gaat uit van toekenning van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds. Kunt
u aangeven wat de consequenties zijn als die middelen niet, gedeeltelijk of later
toegekend worden? Welke maatregelen lopen hierdoor vertraging op?
Antwoord
Het Sociaal Klimaatplan wordt integraal beoordeeld door de Europese Commissie. Om
middelen uit het SCF te ontvangen, dienen mijlpalen en doelstellingen voor de betreffende
maatregel te zijn behaald. Deze mijlpalen en doelstellingen zijn opgenomen in de Nederlandse
inzet voor de besteding van het Social Climate Fund. Na het behalen van deze mijlpalen
en doelen kan een betaalverzoek worden ingediend bij de Europese Commissie. Indien
een mijlpaal of doelstelling van een specifieke maatregel niet of niet tijdig behaald
wordt, heeft dit geen gevolgen voor de overige maatregelen. Voor het SCF geldt dat
lidstaten zelf 25% moeten cofinancieren uit nationale middelen. Voor de afzonderlijke
maatregelen hebben de betrokken departementen hier middelen voor gereserveerd, waaronder
uit het Klimaat- en Energiefonds, die reeds benut kunnen worden voor de implementatie.
Daarvoor moet worden voldaan aan de gestelde voorwaarden in het Klimaat- en energiefonds.
Beantwoording vragen over Klimaatfonds
16
Kunt u aangeven hoeveel middelen uit het fonds zijn toegekend aan maatregelen ten
behoeve van de verschillende sectoren: industrie, elektriciteit, mobiliteit, gebouwde
omgeving en landbouw (uitgesplitst per sector)?
Antwoord
Een overzicht van de toegekende (al dan niet onder voorwaarden) en gereserveerde middelen
uit het Klimaat- en Energiefonds (KEF) zijn in de afgelopen Meerjarenprogramma's (MJP)
weergegeven. Specifiek in hoofdstuk 9 van het MJP worden per maatregel de betreffende
sector en specifieke doelgroepen gespecificeerd12. Het gaat hierbij om de sectoren: industrie, elektriciteit, circulaire economie,
mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw (waaronder glastuinbouw). Aangezien het
effect van maatregelen soms op meerdere sectoren kan neerslaan of randvoorwaardelijk
kan zijn (bijvoorbeeld maatregelen gericht op het tegengaan van netcongestie of ter
bevordering van waterstof- en CCS-infrastructuur) is het niet mogelijk een sluitende
specifieke toerekening per sector te maken.
17
Wat betekent de stand van het Klimaatfonds voor de inspanningen die deze sectoren
nog moeten leveren om de sectorale emissiedoelen te halen?
Antwoord
Op dit moment resteert er € 13,6 mld aan vrije ruimte in het Klimaat- en Energiefonds.
Deze middelen vallen nagenoeg volledig onder het perceel kernenergie. In de overige
percelen bestaan diverse toekenningen onder voorwaarden en reserveringen. De inspanningen
die sectoren moeten leveren, hangen niet af van de stand van het fonds. De jaarlijkse
reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving geeft inzicht in de CO2-inschattingen van Klimaat- en energiefondsmaatregelen.13 Het CO2-effect van subsidiemaatregelen wordt geborgd door normerende en/of beprijzende maatregelen.
De CO2-effecten moeten daarom in gezamenlijkheid worden bezien.
18
Geeft de stand van het Klimaatfonds aanleiding tot een nieuwe verdeling van de middelen
in het fonds of andere keuzes? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Op dit moment geeft de stand van het Klimaat- en Energiefonds geen aanleiding tot
een nieuwe verdeling van de middelen in het fonds. De huidige verdeling is tot stand
gekomen door zorgvuldige beoordeling van ingediende voorstellen door het huidige demissionaire
en voorgaande kabinet. Daarbij heeft het kabinet ook oog gehad voor de totale balans
van het pakket, inclusief normerende en beprijzende maatregelen. Besluitvorming over
een volgende ronde maatregelen in het MJP 2027 is aan het nieuwe kabinet.
Beantwoording vragen over Strategische evaluatieagenda
19
De Algemene Rekenkamer stelt dat niet inzichtelijk is hoe de evaluaties in de strategische
evaluatieagenda de uitgaven afdekken. Kunt u dit inzicht in antwoord op deze brief
wel aan de Kamer verstrekken?
Antwoord
Om inzicht te geven in de dekking van de strategische evaluatieagenda (SEA) is in
afstemming met het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer in de Ontwerpbegroting
2026 van KGG een aparte tabel opgenomen waaruit blijkt dat voor elk begrotingsartikel
een Periodieke Rapportage staat ingepland. Deze tabel vindt u in de begroting KGG
terug onder het kopje Strategische Evaluatie Agenda. De begroting van KGG omvat één
begrotingsartikel en hiervoor staan twee Periodieke Rapportages op de planning (in
2029 over energietransitie en industrie en in 2031 over de herziening van het regelgevend
kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)). Daarnaast geldt voor alle subsidieregelingen
en significante uitgaven de wettelijke verplichting om deze periodiek te evalueren.
Een planning van deze evaluaties is opgenomen in de evaluatiebijlage bij de begroting
(zie bijlage 4: Uitwerking SEA). Deze evaluaties vormen de basis voor de later geplande
Periodieke Rapportages. Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE 2022)
wordt de onderzoeksopzet van een Periodieke Rapportage tenminste één jaar voor het
rapporteren aan de Kamer voorgelegd. De onderzoeksopzet bevat dan een meerjarig overzicht
van de relevante uitgaven op de begroting waar desbetreffende Periodieke Rapportage
over gaat.
20
Bent u voornemens om de beleidsevaluatie van de verduurzaming van de industrie naar
voren te halen, zoals de Algemene Rekenkamer adviseert?
Antwoord
In de strategische evaluatieagenda (SEA) is aangegeven dat het Nationaal Programma
Verduurzaming Industrie (NPVI) en de evaluatie van dit coördinatieorgaan deel zal
uitmaken van de periodieke rapportage «Energietransitie en industrie» in 2029. Dit
betreft niet een algehele beleidsdoorlichting van de verduurzaming van de industrie.
Een dergelijke doorlichting is niet voorzien. De beleidsinstrumenten die bijdragen
aan de verduurzaming van de industrie worden conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek
(RPE) periodiek geëvalueerd. In de SEA zijn deze evaluaties opgenomen. Hierbij gaat
het onder andere om de evaluatie van de Maatwerkafspraken (2027), de Indirecte kostencompensatie
ETS (2028) en de NIKI (2029), evenals de afgeronde evaluaties van de VEKI (2024) en
de Nationale CO2-heffing (2026).
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei