Brief regering : Voortgang marktonderzoek paramedische zorg (deel 2)
33 578 Eerstelijnszorg
Nr. 170 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 februari 2026
Op 4 februari jl. heb ik van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het definitieve marktonderzoek
voor de sector fysiotherapie ontvangen. Met deze brief stuur ik u het rapport van
de NZa.
Ik concludeer dat mijn sturingsmogelijkheden als demissionair Staatssecretaris Langdurige
en Maatschappelijke Zorg (LMZ) op dit moment beperkt zijn. Een reactie op het rapport
en fundamentele keuzes over de positie van fysiotherapeuten in de beweging naar Passende zorg en de Visie op de eerstelijnszorg 2030 laat ik over aan een volgend kabinet.
Leeswijzer
Eerst beschrijf ik de belangrijkste resultaten uit het rapport. Daarna licht ik toe
hoe de NZa de komende periode het marktonderzoek vervolgt voor de andere paramedische
sectoren.
Samenvatting marktonderzoek fysiotherapie
In december 2024 heeft de voormalig Staatssecretaris LMZ de NZa gevraagd onderzoek
te doen naar het functioneren van de markt van paramedische zorg. Aanleiding voor
het onderzoek waren toenemende signalen over knelpunten in de paramedische zorg. Het
gaat bijvoorbeeld om lange wachtlijsten, hoge uitstroomcijfers onder zorgprofessionals,
onvrede over de hoogte van vergoedingen en het contracteerproces. Met het onderzoek
beoogde de Staatssecretaris LMZ signalen beter te duiden en (toekomstige) problemen
adequaat op te lossen.
De NZa voert dit onderzoek gefaseerd uit voor verschillende paramedische beroepsgroepen
(fysiotherapie, logopedie, ergotherapie, oefentherapie, diëtetiek1). De NZa is gestart met de fysiotherapeutische zorg. In juni 2025 heeft uw Kamer
al een eerste tussentijdse rapportage voor deze sector ontvangen2. De afgelopen periode heeft de NZa de resultaten aangescherpt met aanvullende bronnen
en input van veldpartijen. Ook heeft de NZa verschillende oplossingsrichtingen verkend,
zoals de invoering van minimumtarieven. Dat heeft geresulteerd in bijgevoegd rapport
voor de sector fysiotherapie. Hieronder beschrijf ik de meest relevante resultaten.
Op korte termijn geen toegankelijkheidsprobleem zichtbaar
Op basis van de beschikbare data constateert de NZa dat er geen duidelijk toegankelijkheidsprobleem
zichtbaar is op de korte termijn. Fysiotherapie is over het algemeen in elke regio
relatief dichtbij de patiënt beschikbaar en wachttijden zijn kort. Zo is in 2024 voor
99% van de inwoners in Nederland de dichtstbijzijnde praktijk binnen vijf minuten
of minder bereikbaar (met de auto). Daarnaast blijkt uit een steekproef naar wachttijden
dat de toegang tot reguliere fysiotherapie overwegend goed is (zie tabel 1). Het beeld
voor gespecialiseerde fysiotherapie is gemengder, met name bekkenfysiotherapie. Wachttijden
zijn langer en verschillen sterk per regio. Verder is op dit moment ook (nog) geen
sprake van alarmerende in- en uitstroomcijfers voor de opleiding en de sector als
geheel. Tegelijkertijd is onzeker hoe het beschikbare aanbod zich verhoudt tot de
(ontwikkeling van) de zorgvraag. Gegevens over zorggebruik zijn immers niet altijd
een goede afspiegeling van de daadwerkelijke zorgvraag, vanwege bijvoorbeeld ontbrekende
gegevens over zorgmijding en onverzekerde zorg.
Tabel 1. Steekproef wachttijden bij reguliere en gespecialiseerde fysiotherapie1
schouderklachten
kinderfysiotherapie
bekkenfysiotherapie
%praktijken toegang binnen 1 werkdag
42%
26%
5%
%praktijken toegang binnen 5 werkdagen
86%
92%
32%
spreiding wachttijden
1 tot 65 werkdagen2
1 tot 12 werkdagen
1 werkdag tot
≥3 maanden
X Noot
1
Zie voor een uitgebreide verantwoording voor de selectie van praktijken en meer gedetailleerde
informatie over regionale verschillen het marktonderzoek fysiotherapeutische zorg
van de NZa.
X Noot
2
De praktijken met >20 werkdagen wachttijd voor schouderklachten vormen uitzonderingen.
In 97% van de geselecteerde gemeenten is tenminste één fysiotherapiepraktijk beschikbaar
met een wachttijd van maximaal vijf werkdagen.
Situatie op middellange termijn minder zeker
Voor de middellange termijn voorziet de NZa risico’s voor de toegankelijkheid van
fysiotherapie. Op basis van een analyse naar de contractering en marktdynamiek signaleert
de NZa dat de financiële positie van praktijken in de eerstelijnszorg een wisselend
beeld laten zien. Bijvoorbeeld:
• Hogere personeelskosten drukken de winst, mede doordat meer fysiotherapeuten in loondienst
werken.
• De loonontwikkeling van fysiotherapeuten in de eerstelijnszorg blijft achter op die
van hun collega’s in de medisch-specialistische zorg (msz) en verpleging, verzorging
en thuiszorg (vvt), mede vanwege het ontbreken van een cao in de eerstelijnszorg.
• Gecontracteerde vergoedingen zijn niet in dezelfde mate gestegen als de kostenontwikkeling
op basis van NZa-indexaties bij gereguleerde tarieven in de zorg.
Dergelijke ontwikkelingen zouden op termijn ten koste kunnen gaan van aantrekkelijk
werkgeverschap en de toegankelijkheid en continuïteit van zorg onder druk zetten.
Zorgaanbieders en zorgverzekeraars verschillen echter van mening over de verklaringen
achter de financiële positie van praktijken. Aanbieders wijzen op tarieven die achterblijven
op de kostenontwikkeling, waarbij verzekeraars benadrukken dat verschillen in ondernemerschap
en efficiëntie eveneens bijdragen aan de variatie in financiële ervaren druk. Zorgverzekeraars
hoeven niet de NZa-indexaties te volgen. Daarbij wordt wel verwacht dat zorgverzekeraars
transparant maken welke indexaties zij hebben gehanteerd in hun contractvoorstel,
inclusief een deugdelijke toelichting3.
Transitie naar Passende zorg komt onvoldoende tot stand
De NZa eindigt haar analyse met een beschrijving van de positionering van fysiotherapie
in de beweging naar Passende zorg. Alle geïnterviewde partijen onderschrijven dat fysiotherapeuten een belangrijke
rol spelen in de beweging naar Passende zorg. Denk bijvoorbeeld aan ondersteuning in de wijk, het ontlasten van de huisarts en
de verbinding met het sociaal domein. Daarmee kunnen fysiotherapeuten de vitaliteit
en zelfredzaamheid van burgers vergroten en zwaarder zorggebruik voorkomen. De transitie
naar Passende zorg komt echter moeilijk van de grond door verdeeldheid binnen de beroepsgroep en beperkte
slagkracht als het gaat om het organiseren van regionale samenwerking. Ook de beperkte
aanspraak van fysiotherapie in het basispakket belemmert volgens de NZa het bevorderen
van multidisciplinaire samenwerking binnen de eerstelijnszorg en tussen de eerste-
en tweedelijnszorg. Daarnaast sluit de bekostiging gericht op productie niet altijd
aan bij beoogde doelen van samenwerking, preventie en ketenzorg4. Hierdoor wordt de beweging naar Passende zorg niet optimaal ondersteund.
Oplossingsrichtingen
De NZa adviseert allereerst veldpartijen structureel met elkaar in gesprek te blijven
en beter begrip te hebben voor elkaars positie. Brede en effectieve samenwerking gebaseerde
op een gedeelde visie is een noodzakelijke voorwaarde voor een toekomstbestendige
sector. Als partijen er onderling niet uitkomen, kan de NZa deze gesprekken eventueel
richting geven en faciliteren. Daarnaast doet de NZa de aanbeveling om inzicht te
verbeteren in de ontwikkeling van vraag en aanbod, wachttijden, de arbeidsmarkt en
de financiële positie van aanbieders. Door monitoring kan tijdig worden bijgestuurd
indien nodig. Ook benadrukt de NZa het belang van een stabiele (financiële) waardering
van zorgverleners.
De totstandkoming van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor fysiotherapeuten
in de eerstelijnszorg kan daaraan bijdragen. Op die manier wordt financiële ruimte
daadwerkelijk vertaald naar marktconforme lonen en arbeidsvoorwaarden. Dat is een
verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers, waarbij zorgverzekeraars de mogelijkheid
hebben financiële ruimte te creëren in de contractering. De overheid heeft geen rol
bij cao-onderhandelingen en mag zich daar ook niet in mengen op basis van internationale
verdragen.
Ten aanzien van wet- en regelgeving, beschrijft de NZa waarom zij op dit moment haar
formele instrumentarium beperkt inzet. Zo acht zij het ingrijpen in de vorm van tariefregulering
op dit moment niet proportioneel en noodzakelijk. De NZa beschouwt minimumtarieven
als een zwaar en uitzonderlijk beleidsinstrument, dat alleen kan worden ingezet bij
aantoonbaar marktfalen. Van dergelijk marktfalen is in de fysiotherapiesector op dit
moment geen sprake. De NZa is daarom ook terughoudend met het inzetten van andere
marktordeningsinstrumenten. Daarnaast kent ieder instrument zijn eigen inhoudelijke
beperkingen, bijvoorbeeld als het gaat om de beperkte reikwijdte van het instrument
in relatie tot de aanvullende verzekering.
Tot slot wijst de NZa op het spanningsveld tussen de brede maatschappelijke verwachting
van fysiotherapie en de (ervaren) beperkingen om die rol volwaardig te kunnen vervullen.
Zij wijst op de noodzaak van duidelijke stelselkeuzes door het Ministerie van VWS
en de landelijke politiek. Daarbij doelt de NZa onder andere op het realiseren van
een passende aanspraak in het basispakket, het beschikbaar stellen van financiële
middelen, en het ondersteunen van een kwaliteitskader en samenwerking op regionaal
niveau. Alleen op die manier kunnen fysiotherapeuten een serieuze en structurele rol
vervullen in de beweging naar Passende zorg.
Vervolg marktonderzoek paramedische zorg
De NZa is in de tussentijd ook gestart met het marktonderzoek voor de andere paramedische
sectoren. Zij beoogt na de zomer van 2026 het marktonderzoek voor de sectoren logopedie
en ergotherapie op te leveren, gevolgd door diëtetiek en oefentherapie in de winter
van 2026. De resultaten van de verschillende onderzoeken, inclusief de beleidsreacties,
worden rond publicatie van de rapporten met uw Kamer gedeeld.
Ik ben de NZa zeer erkentelijk voor dit marktonderzoek. Als vermeld, laat ik een reactie
op het rapport en fundamentele keuzes over de positie van fysiotherapeuten in de beweging
naar Passende zorg en de Visie op de eerstelijnszorg 2030 over aan een volgend kabinet.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, N.J.F. Pouw-Verweij
Ondertekenaars
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport