Brief regering : Verslag Raad Buitenlandse Zaken d.d. 29 januari 2026
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3345
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2026
Hierbij bied ik u, mede namens de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp,
het verslag van de Raad van Buitenlandse Zaken op 29 januari 2026 aan.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
VERSLAG RAAD BUITENLANDSE ZAKEN VAN 29 JANUARI 2026
Op donderdag 29 januari jl. vond de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) plaats in Brussel.
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft deelgenomen. Op de agenda van de Raad stonden
de Russische agressie tegen Oekraïne, de situatie in het Midden-Oosten en de Grote
Meren-regio. Tijdens een informele lunch werd gesproken over mensenrechten met Volker
Türk, Hoge Commissaris voor mensenrechten bij de Verenigde Naties en Kajsa Ollongren,
EU speciaal gezant voor mensenrechten. Tevens heeft de Raad in een informele, vertrouwelijke
setting gesproken over de vooruitzichten voor 2026 in het licht van de huidige geopolitieke
ontwikkelingen. Verder wordt uw Kamer middels dit verslag geïnformeerd over de EU-Marokko
Associatieraad en de afhandeling van enkele moties en toezeggingen, inclusief de motie
Piri1 betreffende het overbrengen van voormalige Afghaanse ambassade- en defensiebewakers.
Russische agressie tegen Oekraïne
De Raad sprak over de voortdurende Russische agressieoorlog in Oekraïne en de ontwikkelingen
in het vredesproces. Bij het eerste gedeelte van de bijeenkomst sloot de Oekraïense
Minister van Buitenlandse Zaken Andrii Sybiha digitaal aan. Minister Sybiha deelde
de laatste ontwikkelingen aan het front, informatie over de energiesituatie en vredesbesprekingen.
Daarnaast bevestigde Minister Sybiha de Oekraïense toewijding aan hervorming in het
kader van het toetredingsproces tot de Unie.
De bijeenkomst vond plaats in de context van Russische aanvallen op Oekraïense energie
infrastructuur en bittere kou aldaar. Eurocommissaris voor EU-uitbreiding Marta Kos
kondigde energiesteun aan en wees op randvoorwaarden voor toekomstige welvaart van
Oekraïne bij een mogelijke vredesdeal. Een groot aantal lidstaten riep op tot meer
steun op het gebied van energie. Nederland noemde de EUR 23 miljoen energiesteun voor
Oekraïne zoals aangekondigd tijdens het bezoek van Staatssecretaris Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingshulp aan Oekraïne op 20 januari jl.2
De Raad sprak over de urgente noodzaak van financiële steun aan Oekraïne voor militaire
en niet-militaire doeleinden. Ook werd verwezen naar het voorstel voor een financieel
steunpakket aan Oekraïne van EUR 90 mld. aan leningen waarover de Europese Raad in
december een politiek akkoord bereikte.3 Uw Kamer ontvangt hierover een separate Kamerbrief. Lidstaten benadrukten tevens
het belang dat de EU bijdraagt aan veiligheidsgaranties.
Voorts sprak de Raad over een aanvullend sanctiepakket om de economische druk op Rusland
te verhogen, maar bereikte hierover nog geen akkoord. In de context van de onderhandelingen
voor een nieuw sanctiepakket pleit Nederland conform motie Van den Burg en Den Hollander4 onder andere voor verdere beperkende maatregelen op het gebied van kunstmest.
Situatie in het Midden-Oosten
Israël en Palestijnse Gebieden
De Raad verwelkomde de aankondiging van de tweede fase van het vredesplan van president
Trump voor het beëindigen van het conflict in de Gazastrook en benadrukte dat de inspanningen
van de EU erop gericht moeten blijven om de implementatie van het vredesplan te ondersteunen,
bijvoorbeeld op het gebied van stabiliteit, wederopbouw en steun voor de Palestijnse
Autoriteit en diens hervormingsagenda. De bestaande EU-missies EUBAM Rafah en EUPOL
COPPS staan klaar om een bijdrage te leveren. Tegen deze achtergrond onderstreepte
de Raad ook het belang dat de EU als constructieve partner blijft engageren met de
Board of Peace, met name met de Executive Boards en het Nationale Comité voor het bestuur van Gaza (NCAG).
Nederland onderstreepte dat Hamas de wapens moet neerleggen en pleitte tevens voor
het belang van meer en betere toegang voor de invoer en distributie van humanitaire
hulp. Daarbij werd aangegeven dat de Nederlandse diplomatieke inzet erop is gericht
om, conform motie-Bamenga c.s.5, Israël op te roepen humanitaire hulp ongehinderd toe te laten en de ngo-registratiewetgeving
te heroverwegen.
Syrië
De Raad stond stil bij de ontwikkelingen in Syrië en het geweld in het noordoosten.
Zorgen over de kampen en de impact op de regionale veiligheidssituatie werden breed
gedeeld, evenals het belang van contact met regionale partners. Daarnaast werd aandacht
gevraagd voor de positie van minderheden en een inclusieve transitie in Syrië. Nederland
benadrukte in dat kader, in lijn met de motie Ceder6, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen
te worden.
Iran
De Raad besprak de situatie in Iran en veroordeelde wederom de grootschalige mensenrechtenschendingen
tegen demonstranten. De Raad was het eens dat dit geweld niet onbeantwoord kan blijven
en dat de EU de druk op het Iraanse regime dient op te voeren. In dat kader nam de
Raad sancties aan gericht tegen vijftien personen en zes entiteiten die verantwoordelijk
zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen in Iran conform de motie Van Baarle7 en besloot tevens om het Islamitische Revolutionaire Gardekorps (IRGC) op de EU terrorisme-sanctielijst
te plaatsen, in lijn met de wens van de Kamer en het kabinet en conform de motie-Ceder/Stoffer8 en motie-Ceder/Boswijk.9 Ook nam de Raad sancties aan tegen vier personen en zes entiteiten in het kader van
de Iraanse militaire steun aan de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, alsook
aanvullende handelssancties, conform de motie-Erkens c.s.10 Nederland pleitte daarnaast, conform motie-Van de Werff,11 voor de oprichting van een EU sanctietaskforce tegen Iran. Daarnaast besprak de Raad
hoe de EU kan bijdragen aan de situatie, bijvoorbeeld door steun te verlenen aan maatschappelijke
organisaties, conform de motie-Dobbe.12
Grote Meren
Mede op verzoek van Nederland was de Grote Meren-regio geagendeerd voor deze Raad.
De Raad sprak over de verslechtering van de humanitaire situatie, schending van territoriale
integriteit, mensenrechtenschendingen en geweld tegen vrouwen. Nederland sprak zich
onder meer uit over de bescherming van burgers, respect voor internationaal recht
en humanitaire diplomatie. Uit de Raad kwam naar voren dat de EU een rol kan spelen
in het vredesproces door met Afrikaanse actoren samen te werken. Voorts sprak de Raad
over verbetering van humanitaire toegang, de noodzaak tot een inclusieve intra-Congolese
dialoog en de wijze waarop de EU de diplomatieke betrokkenheid bij de regio kan verbeteren.
Commissaris Lahbib is voornemens in februari een bezoek te brengen aan de Grote Meren
regio. Afhankelijk van de situatie kan de Raad daarna verder spreken over het inzetten
van verdere drukmiddelen op de partijen in het conflict.
Conform de motie Bamenga c.s.13 blijft Nederland zich in Europees verband en bilateraal krachtig uitspreken tegen
schendingen van het internationaal recht in het conflict, zowel door Rwanda als door
andere betrokken partijen. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Nederlandse
zorgen omtrent de steun van Rwanda aan de rebellengroep M23 benadrukt richting zijn
Rwandese ambtsgenoot tijdens een ontmoeting en marge van het World Economic Forum afgelopen januari. Ook heeft Nederland zich ingezet om de samenwerking met Rwanda
te herzien, bijvoorbeeld als het gaat om de opschorting van het Memorandum of Understanding tussen de EU en Rwanda op het gebied van duurzame kritieke grondstoffen en waardeketens.
Het onderdeel van de motie Bamenga c.s.14 over het in kaart brengen van wat nodig is op het gebied van humanitaire hulp in
het Grote Meren-gebied valt binnen het reguliere humanitaire hulpbeleid. Nederland
steunt het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (UNOCHA) dat ieder jaar de wereldwijde noden op landenniveau in kaart brengt. Op
basis hiervan wordt voor de landen met de grootste humanitaire crises, zoals DRC,15 een humanitair plan ontwikkeld waarin prioriteiten gesteld worden. De humanitaire
inzet van Nederlandse humanitaire partners, zoals VN organisaties en fondsen en de
Dutch Relief Alliance, valt onder dit humanitair plan.16 Ook steunt Nederland de VN vluchtelingenorganisatie UNHCR, die voor Burundi de humanitaire
noden in kaart brengt.17 Op het verzoek in de motie om succesvolle programma's in het Grote Merengebied zoveel
mogelijk voor te zetten, wordt later teruggekomen.
Gesprek over mensenrechten met Volker Türk en Kajsa Ollongren
De Raad sprak met VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Volker Türk en EU Speciaal
Vertegenwoordiger (EUSV) Mensenrechten Kajsa Ollongren over de mensenrechtensituatie
wereldwijd. Hoge Vertegenwoordiger Kallas onderstreepte het verband tussen mensenrechten,
accountability en de internationale veiligheidsbelangen van de EU en verwelkomde de door deze Raad
aangenomen Raadsconclusies inzake EU-prioriteiten in VN mensenrechtenfora 2026. Hoge
Commissaris Türk riep op tot respect voor internationaal humanitair recht en mensenrechten
in conflictsituaties en signaleerde wereldwijd een repressieve trend met wetgeving
in meerdere landen om oppositie te onderdrukken. Hij dankte de EU voor de steun aan
de VN en zijn Kantoor en riep de EU op om aanvallen op het VN-systeem te helpen afslaan.
Nederland drukte steun uit voor het werk van zowel de Hoge Commissaris als EUSV Ollongren.
Ook riep Nederland in het kader van de VN80-hervormingen en -bezuinigingen op om de
VN-mensenrechtenpilaar te blijven steunen, daarin gesteund door een grote groep lidstaten.
Voorts stond de Raad stil bij een aantal ernstige mensenrechtensituaties, waaronder
die in Oekraïne, Iran, Gaza, Belarus en Soedan.
EU-Marokko Associatieraad
En marge van de RBZ vond de 15e zitting van de EU-Marokko Associatieraad plaats waar de Minister van Buitenlandse
Zaken ook aan deelnam. Hij benoemde de sterke bilaterale relatie tussen Nederland
en Marokko, maar ook de mogelijkheden tot meer samenwerking via de EU. Ook stond de
Associatieraad stil bij de intentie om een strategisch partnerschap te sluiten met
Marokko, dat complementair zal zijn aan het EU Pact voor het Middellandse Zeegebied
(MedPact), het nieuwe beleidskader van de EU voor de Zuidelijk-Nabuurschapsregio.18 De EU is bereid om in de samenwerking met Marokko meer bij te dragen aan migratiemanagement,
economische ontwikkeling, groene transitie, infrastructuur, transport, watermanagement
en veiligheidssamenwerking (o.a. op het gebied van contraterrorisme en georganiseerde
misdaad). Een EU-partnerschap met Marokko zal de mogelijkheden in al deze sectoren
vergroten. In den brede blijft het kabinet inzetten op brede EU-partnerschappen, zoals
die bijvoorbeeld in 2025 werd gesloten tussen de EU en Jordanië, om Nederlandse belangen
op het gebied van veiligheid, stabiliteit, migratie en economische samenwerking in
strategisch belangrijke regio’s ook via de EU te behartigen.
Toezeggingen
Toezegging aan lid Kostić (TZ202512-029) over stappen tegen Nederlandse bedrijven,
banken, verzekeraars en pensioenfondsen die bijdragen aan illegale nederzettingen,
en toezegging aan lid Van der Werf (TZ202601-124) om ook diensten te betrekken bij
nationale maatregelen
Tijdens het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken, d.d. 11 december jl. heeft het
kabinet toegezegd de Kamer te informeren over welke stappen het kabinet neemt tegen
Nederlandse bedrijven, banken, verzekeraars en pensioenfondsen die bijdragen aan de
onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden.19
Zoals toegezegd gaat het kabinet onverminderd door met de voorbereiding van een nationale
maatregel om goederen uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette
gebieden te weren, en doet dit zo snel mogelijk. Tijdens het debat over de Begroting
Buitenlandse Zaken heeft het kabinet toegezegd terug te komen op de mogelijkheid om
diensten te betrekken bij deze maatregel.20 Voor nationale maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar
in het Unierecht, maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke
evidente grondslag nog niet gevonden. Om recht te doen aan de oproep vanuit uw Kamer
middels motie Paternotte c.s.21, motie Van Baarle22 en motie Piri23 om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk tot stand te laten komen, is niet verder
gewacht bij het opstellen van de nationale maatregel jegens goederen.
Daarnaast ontmoedigt het kabinet al jaren economische activiteiten van Nederlandse
bedrijven die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van onrechtmatige nederzettingen
in de door Israël bezette gebieden, of die de aanleg of instandhouding ervan direct
faciliteren. In het kader van het ontmoedigingsbeleid verleent de Nederlandse overheid
geen diensten aan Nederlandse bedrijven waar het gaat om activiteiten die zij ontplooien
in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezet gebied. Dit ontmoedigingsbeleid
wordt actief uitgedragen, onder andere via de websites van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) en de Nederlandse ambassade in Tel Aviv, alsook via diverse informatiesessies
voor het bedrijfsleven. Ook wordt verkend of de toepassing van het ontmoedigingsbeleid
kan worden uitgebreid naar bijvoorbeeld Nederlandse pensioenfondsen. De verkenning
richt zich op meerdere aspecten van het ontmoedigingsbeleid en de complexiteit van
het vraagstuk vergt een zorgvuldig proces en onderzoek. De Kamer zal nader geïnformeerd
worden wanneer de verkenning is afgerond.
Net als alle bedrijven hebben ook bijvoorbeeld pensioenfondsen, banken en verzekeraars
een eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren. In
algemene zin verwacht het kabinet van alle Nederlandse ondernemingen die internationaal
opereren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk
verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Volgens deze kaders dienen bedrijven risico’s, waaronder die op het gebied
van mensenrechten, in hun waardeketens te identificeren en waar nodig aan te pakken.
De Nederlandse overheid informeert en ondersteunt Nederlandse ondernemingen – waaronder
banken, verzekeraars en pensioenfondsen – hierbij. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid
van Nederlandse private partijen zelf om beslissingen te maken binnen de kaders van
de wet.
Toezegging aan Ceulemans (TZ202601-003) over de Iraanse oppositie
De Iraanse oppositie bestaat uit een divers palet van personen en bewegingen in Iran
zelf en in de diaspora. Er zijn een aantal nationale bewegingen en een aantal regionale
bewegingen.
De «Monarchisten» streven naar de terugkeer van Reza Pahlavi, de zoon van de laatste
Sjah van Iran. Pahlavi en zijn volgers zijn zichtbaar buiten Iran en zijn naam werd
tijdens de protesten in Iran veelvuldig gescandeerd. Het is desondanks moeilijk in
te schatten hoeveel steun hij geniet in Iran zelf. Een deel van de steun komt voort
uit het feit dat hij symbool staat voor het Iran van vóór de Islamitische Revolutie
van 1979. Pahlavi en zijn medestanders genieten meer steun in het «centrum» van Iran
dan in grensregio’s, waar meer etnische minderheden wonen.
In Iran bestaat er daarnaast een communistische arbeidersbeweging met een lange geschiedenis
en banden met o.a. vakbonden. De populariteit van deze beweging is eveneens moeilijk
te schatten, omdat deze beweging fungeert als uitlaatklep voor economische grieven.
Het Iraanse regime treedt in de regel minder hard op tegen economische protesten dan
tegen politieke protesten.
Verder zijn er de zgn. Volksmoedjahedien (MEK of MKO), een marxistisch-islamitische
verzetsbeweging onder leiding van Maryam Rajavi en gelieerd aan de National Council of Resistance of Iran (NCRI). Deze organisatie stond tot 2009 op de Europese terrorismelijst en is in Iran
impopulair vanwege betrokkenheid bij terroristische aanslagen in de jaren ’80 en omdat
de beweging tijdens de Iran-Irakoorlog vocht aan de kant van Irak en Saddam Hoessein.
Voorts zijn er verschillende kleinere groepen en netwerken gericht op het stichten
van een (meer) seculiere republiek.
Ten slotte zijn er verschillende regionale etnisch-culturele oppositiebewegingen van
onder andere Koerden, Azerbeidzjanen, Baloetjsjen en Ahwazi Arabieren die strijden
voor meer regionale autonomie of onafhankelijkheid en enkel lokale populariteit genieten.
Toezegging aan Boswijk (TZ202601-004) over de schaduwvloot
Het kabinet zet in op robuuster optreden binnen de Exclusieve Economische Zone (EEZ).
Daarmee heeft de regering interventies voor ogen naar het voorbeeld van recent optreden
door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Over de aanpak van de schaduwvloot en de
huidige stand van zaken daarvan heeft het kabinet uw Kamer middels een brief op 28 januari
geïnformeerd.24
Toezegging aan Van Baarle (TZ202601-006) over SIS signalering
Zoals toegezegd in het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 13 januari jl. en
in lijn met Motie Van Baarle25 kom ik terug op de mogelijkheden voor het kabinet om over te gaan tot een signalering
in het Schengen Informatie Systeem (SIS) in relatie tot gewelddadige kolonisten.
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 om zich in te spannen voor
een aantal maatregelen in te stellen om de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen.
Het besluit van het kabinet moet worden gezien in de context waarin de beslissing
is genomen. Er was sprake van extreme en aanhoudende ontberingen als gevolg van de
Israëlische humanitaire blokkade, aanhoudend geweld vanwege het uitblijven van een
staakt-het-vuren en een verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever. Een
van die maatregelen waar het kabinet toe besloot was om de Israëlische Ministers Smotrich
en Ben-Gvir tot persona non grata te verklaren en zich in te zetten om hen te registreren
als ongewenste vreemdelingen in het SIS. Dit omdat zij uit hoofde van hun functie
als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking
hebben aangewakkerd, zij voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleiten
en oproepen tot etnische zuivering in de Gazastrook. In het licht van de ernst van
deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor Europese sanctiemaatregelen
jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Europese Raad. In
september 2025 heeft het kabinet Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir daadwerkelijk
ongewenstverklaard op grond van de vreemdelingenwet wegens het gevaar dat zij vormen
voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen.
Deze ongewenstverklaring en SIS-registratie was een uitzonderlijke stap en de onderliggende
motivering gold ten aanzien van de specifieke situatie van deze twee Ministers en
de toen aanwezige omstandigheden. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van
andere situaties, waaronder die van gewelddadige kolonisten die aantoonbaar mensenrechtenschendingen
plegen. Het kabinet weegt in elke situatie of de omstandigheden nopen tot een dusdanig
vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu
mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden in de Vreemdelingenwet
staan.
Het kabinet zal dan ook actief blijven pleiten voor aanname van het derde pakket van
Europese sancties tegen gewelddadige kolonisten en organisaties. Plaatsing op de sanctielijst
omvat naast een tegoedenbevriezing en transactieverbod en voor individuen tevens een
inreisverbod. Europese sancties als politiek instrument zijn effectiever dan nationale
ongewenstverklaringen vanwege de reikwijdte, signaalwerking en economische impact.
Daarnaast werkt het kabinet in lijn met moties Paternotte c.s.26, Van Baarle27 en Piri28 aan nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen te weren.
Toezegging aan Piri (TZ202601-007) over de rol van Turkije in recente gebeurtenissen
Syrië
Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen
in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië
in de afgelopen weken. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië
kan het kabinet in dit kader niet bevestigen. In algemene zin is bekend dat de Syrische
overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten
de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training
en capaciteitsopbouw. Voor het kabinet is een inclusieve politieke transitie in Syrië,
waarbij de rechten en veiligheid van alle gemeenschappen, inclusief de Koerden, wordt
geborgd het uitgangspunt. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, zowel via bilaterale
contacten als via de EU, ook richting Turkije.
Toezegging aan Ceder (TZ202601-076) over gesprek met Frankrijk m.b.t. moslimbroederschap
De Minister heeft zijn Franse counterpart niet bilateraal kunnen spreken over de oproep
van het Franse parlement om de Moslimbroederschap op de EU-terrorismelijst te plaatsen.
De Minister zal proberen zijn Franse counterpart hierover te spreken tijdens de Veiligheidsconferentie
van München.
Moties
Grote Meren en Soedan
Zoals aangegeven in het RBZ verslag van 15 juli 2025 zou nog worden teruggekomen op
het laatste deel van de motie Hirsch/Bamenga29 omtrent het Europees sanctioneren van daders. Nederland spant zich binnen de EU in
voor het sanctioneren van entiteiten en individuen in DRC en Soedan die geweld plegen,
of hebben gepleegd tegen burgers, waaronder seksueel geweld. Een voorbeeld zijn de
sancties die tijdens de RBZ op 29 januari jl. zijn aangenomen tegen zeven Soedanese
individuen die betrokken zijn bij het geweld in Soedan.
Afghaanse bewakers
Op 2 december 2025 heeft uw Kamer motie Piri c.s., betreffende het verzoek aan het
kabinet de reeds gedane toezeggingen na te komen en de veilige overbrenging van Afghaanse
bewakers en hun gezinnen te realiseren, aangenomen.30 Parallel loopt er ook een juridisch proces omtrent 42 extern ingehuurde voormalige
Afghaanse ambassadebewakers. Naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof
Den Haag 4 november 2025 heeft deze groep bewakers op 30 december 2025 cassatie ingesteld.
Het kabinet heeft besloten om de motie hangende een uitspraak van de Hoge Raad in
beraad te houden.
Indieners
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken