Brief regering : Fiche: Pakket Militaire Mobiliteit
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4266
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 7 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Pakket EU-netwerken (Kamerstuk 22 112, nr. 4260).
Fiche – Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22 112, nr. 4261).
Fiche – Mededeling herziening actieplan Europese Unie voor de Alpenregio (Kamerstuk
22 112, nr. 4262).
Fiche – Mededeling Routekaart voor kwaliteitsbanen (Kamerstuk 22 112, nr. 4263).
Fiche – Herziening precursorenwetgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 4264).
Fiche – Aanbeveling voor het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk
(VK) over deelname aan de interne elektriciteitsmarkt en een bijdrage van het VK aan
cohesiefondsen (Kamerstuk 22 112, nr. 4265).
Fiche – Pakket Militaire Mobiliteit.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Pakket Militaire Mobiliteit
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
− Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement over militaire mobiliteit
− Proposal for a Regulation on establishing a framework of measures to facilitate the
transport of military equipment, goods and personnel across the Union
b) Datum ontvangst Commissiedocument
19 november 2025
c) Nr. Commissiedocument
JOIN(2025) 846
COM(2025) 847
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52025JC0846…
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52025PC0847…
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Buitenlandse Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Defensie, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat
h) Rechtsbasis
Artikel 91 VWEU en artikel 100, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU)
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Op 19 november 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) het voorstel voor
het Militaire Mobiliteitspakket gepubliceerd. Dit pakket volgt uit het Witboek voor
Europese Defensiegereedheid 2030 en de Defensie Gereedheid Roadmap. Het pakket bestaat
uit een gezamenlijke mededeling van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van
de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna: HV) en een voorgestelde
verordening inzake het opzetten van een raamwerk van maatregelen ter bevordering van
vervoer van militair materieel, goederen en personeel in de EU (hierna: de verordening).
Doel van het pakket is om, gegeven de urgentie, huidige EU-wetgeving aan te passen
en nieuwe te introduceren via een verordening om voor eind 2027 een EU-breed Militair
Mobiliteitsgebied op te zetten en daarmee dichter tot een «Militair Schengen» te komen,
en om daarin voort te bouwen op bestaande initiatieven.1
In de gezamenlijke mededeling beschrijven de Commissie en de HV dat de huidige fragmentatie
in nationale regelgeving tot knelpunten, inefficiëntie en vertraging leidt. Daarom
wordt aangekondigd dat de «Verordening toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden
diensten» en de «Verordening ((EG) 1008/2008) inzake exploitatie van luchtdiensten»
in 2026 herzien zullen worden. Zodra deze voorstellen gepresenteerd zijn zullen deze
door het kabinet beoordeeld worden. Daarnaast zal de Commissie, in samenwerking met
het Europees Defensie Agentschap (EDA), Eurocontrol en het Agentschap van de Europese
Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), een netwerk bevorderen van geschikte
dual-use luchthavens, vooraf gedefinieerde grensoverschrijdende connectiviteitspunten
en een digitaal loket voor autorisatie. Ter ondersteuning hiervan zal in 2026 ook
de «Verordening (EG) 2150/2005 voor een flexibel gebruik van het luchtruim» worden
geëvalueerd. In aanvulling hierop wil de Commissie in 2026 in samenwerking met het
Europees Spoorwegbureau, de lidstaten en infrastructuurmanagers de fysieke beperkingen
beoordelen van de militaire corridors op het spoornetwerk om het vervoer van grote
en/of zware lading te vergemakkelijken. Ook verwacht de Commissie van de lidstaten
dat zij strijdkrachten toegang verlenen tot bestaande registers van wegvoertuigen
en spoorvoertuigen en stelt zij nieuwe regels voor om spoorvoertuigen voor dual-use
beter te kunnen identificeren. Daartoe heeft de Commissie wijzigingen aan de «Verordening
(EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het
Spoorwegbureau van de Europese Unie» (hierna: Spoorwegbureau-verordening) en de «Richtlijn
(EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de
interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie» (hierna Interoperabiliteitsrichtlijn)
voorgesteld.
Tevens stelt de mededeling dat significante investeringen noodzakelijk zijn om Europa’s
transport infrastructuur geschikt te maken voor dual-use doeleinden. Daartoe heeft
de Commissie via het voorstel voor een nieuw Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor
de periode 2028–2032 ingezet op € 17,65 miljard binnen de Connecting Europe Facility envelop, primair gericht op de door de lidstaten geïdentificeerde zogenoemde «500
hotspot projecten», waarvoor ook met de NAVO wordt geconsulteerd. Ook wordt opgeroepen
tot gebruik van het toekomstige European Competitiveness Fund en het volgende Horizon Europe Framework Programme voor dual-use acties en militaire mobiliteit infrastructuurprojecten.
Daarnaast wordt in de mededeling het verband gelegd met weerbaarheid, digitale veiligheid,
de Critical Entities Reslience (CER) Richtlijn en de NIS2 Richtlijn. De mededeling stelt voor een toolbox met weerbaarheidsmaatregelen
voor strategisch transport, energie en communicatie infrastructuur in te richten waar
lidstaten best practices kunnen uitwisselen. Gecoördineerde stresstestprocessen zullen voor 2029 worden ingevoerd
om de continuïteit van de werking van het spoorwegverkeersbeheersysteem te garanderen
in geval van sabotage of andere systeemstoringen. Daarnaast wordt gekeken naar de
beschikbaarheid van (duurzame) brandstoffen en energie infrastructuur in geval van
crisissituaties. Ook zal de Commissie in samenwerking met EDA, relevante EU-agentschappen
zoals de EASA, European Maritime Safety Agency en het Europees Spoorwegbureau opdragen om militaire standaarden te ontwikkelen voor
transportcapaciteiten om EU-interoperabiliteit en consistentie met NAVO-standaarden
te waarborgen. Vanwege het toenemende belang van drones, wil de Commissie een EU-netwerk
van civiel-militaire drone testcentra opzetten om innovatie te stimuleren en bestaande
initiatieven zoals opgenomen in de European Strategy on Research and Technology Infrastructures uit te voeren. Ook wil zij regulatory sandboxes creëren om innovatieve luchtvaartproducten, zoals drones, in een realistische omgeving
te kunnen ontwerpen, ontwikkelen en testen. De mededeling stelt dat zonder dergelijke
mogelijkheden de ontwikkeling en productie van dergelijke producten in de EU zal worden
belemmerd, waardoor men afhankelijk wordt van leveranciers uit derde landen. Het belang
van nauwe samenwerking met NAVO wordt tevens benadrukt, bijvoorbeeld op het gebied
van (douane-) formulieren, standaarden en wederzijdse oefeningen. Daarnaast voorziet
de Commissie voordelen voor Oekraïne die uit de verordening vloeien.
De verordening heeft als doel om belemmeringen voor militaire mobiliteit op het gebied
van regelgeving, infrastructuur en capaciteiten weg te nemen. Het probleem van het
huidige landschap op het gebied van militaire mobiliteit zit grotendeels op de fragmentatie
van nationale regelgeving en procedures. Dat probeert de verordening te ondervangen
door deze regelgeving te harmoniseren en bijbehorende bureaucratie te verminderen.
De harmonisering ziet daarbij voornamelijk op de vergunningen voor grensoverschrijdend
militair transport en de bijbehorende toestemmingsprocedures, transport van gevaarlijke
middelen en de uitzonderingsgronden op verkeersbeperkingen en cabotageregels, als
ook douane procedures.
Ten eerste betreft de verordening een harmonisering van toestemmingsprocedures en
regelgeving ten behoeve van grensoverschrijdend militair vervoer. De verordening behelst
een raamwerk voor vergunningverlening voor grensoverschrijdend militair transport
waarbij zowel permanente vergunningen als ad hoc vergunningen verleend kunnen worden.
De permanente vergunningen zijn geldig totdat deze expliciet worden geschorst of ingetrokken
door de ontvangende lidstaat in geval van overmacht of van een ernstige bedreiging
van de openbare orde of nationale veiligheid. Ook ziet dit raamwerk toe op uitzonderingsgronden
op verkeersbeperkingen2 en cabotageregels3 en gestroomlijnde (digitale) douane procedures.
Ten tweede bevat de verordening een raamwerk voor noodmaatregelen («European Military Mobility Enhanced Response System», hierna: EMERS). Het EMERS kan worden geactiveerd door de Raad van de Europese Unie
wanneer de Commissie een voorstel doet voor een uitvoeringshandeling, indien de Commissie
van oordeel is dat aan de voorwaarden is voldaan of op basis van een gemotiveerd verzoek
door tenminste één lidstaat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een
natuurramp, verslechtering in de veiligheidssituatie of door bedreigingen vanuit derde
landen het volume of de snelheid van militair transport toeneemt en dit niet kan worden
opgevangen door de normale transportregels of door de reguliere capaciteit van het
transportnetwerk.
Bij activatie van het EMERS kunnen tijdelijke, buitengewone maatregelen voor de gehele
Unie worden genomen om verbeterd grensoverschrijdend militair transport en prioritaire
toegang voor de strijdkrachten tot infrastructuur, transportmiddelen en essentiële
diensten te garanderen. Het raamwerk omvat uniforme regelgevingsprocedures en -regels,
gerichte afwijkingen en vrijstellingen (bijvoorbeeld omtrent rijd- en rusttijden,
gevaarlijke goederen en maximumgewicht), verbeterde paraatheids- en solidariteitsmaatregelen
en versterkte bescherming van strategische dual-use infrastructuur (SDI).
Ten derde richt de verordening zich op de weerbaarheid van transportinfrastructuur.
De Commissie zal in samenwerking met lidstaten gerichte korte termijn investeringen
identificeren die door de lidstaten met voorrang langs en op de militaire mobiliteitscorridors
moeten worden uitgevoerd. Vanwege het strategische belang van SDI dienen lidstaten
een lijst van SDI op te stellen zodat deze infrastructuur beschermd kan worden. Ook
kan de Commissie middels uitvoeringshandelingen maatregelen vaststellen voor de basisbescherming
en weerbaarheid van SDI. Daarnaast dienen lidstaten de Commissie en relevante lidstaten
op de militaire mobiliteit corridor te informeren in geval van incidenten bij SDI’s.
Ten vierde wordt onder de verordening een Solidariteitspool opgezet waarbij lidstaten
op vrijwillige basis transportcapaciteiten (rijtuigen, pontonbruggen etc.) kunnen
delen en onderling kunnen uitlenen. Ook moeten lidstaten een kader hebben waaronder
tijdelijke controle of het gebruiksrecht over een infrastructuur, activa of uitrusting
voor de uitvoering van militaire transportoperaties verkregen kan worden indien noodzakelijk.
Hiermee kan de tijdelijke controle of het gebruiksrecht verkregen worden over infrastructuur,
activa of uitrusting die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van militaire transportoperaties,
in gevallen waarin geen alternatieve oplossing kan worden bereikt in onderling overleg
of op grond van een bestaand contract binnen de vereiste termijn.
Ten vijfde bevat de verordening een aantal horizontale bepalingen. Zo stelt de Commissie
voor om een Militaire Mobiliteit Transportgroep op te zetten, bestaande uit vertegenwoordigers
van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), het EDA en de lidstaten.
Oekraïne, Moldavië en andere EU-toetredingslanden kunnen als waarnemer deelnemen.
Het hoofddoel van deze groep is het bewaken van voortgang en sturen op implementatie
van de verordening. Daarnaast moeten lidstaten binnen zes maanden na inwerkingtreding
van de verordening een National Coordinator for Cross-Border Military Transport met permanente beschikbaarheid aanleveren. Ook moeten lidstaten een jaarlijkse militaire
transport gereedheidscheck uitvoeren en kan de Commissie samen met lidstaten en relevante
EU-onderdelen een stresstest uitvoeren om de weerbaarheid van militair transport te
testen en evalueren.
Tot slot bevat de verordening een aantal aanpassingsvoorstellen aan bestaande transportwetgeving
waaronder de richtlijn inzake interoperabiliteit van het spoorwegsysteem, de verordening
inzake de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim en de verordening
inzake burgerluchtvaart.
b) Impact assessment Commissie
De Commissie geeft aan dat er voorafgaand aan publicatie van het militaire mobiliteitspakket
geen impact assessment uitgevoerd is vanwege de urgentie om versneld te komen tot
defensiegereedheid in 2030, gezien de acute en groeiende dreigingen waarmee Europa
wordt geconfronteerd. Het kabinet hecht er waarde aan dat Commissievoorstellen gepaard
gaan met een degelijk impact assessment. Zonder impact assessment ontbreekt een grondige
analyse van de gevolgen van de wijzigingen in wetgeving. Gelet op de geopolitieke
situatie kan het kabinet de Commissie volgen in haar keuze om in dit specifieke geval
geen formeel impact assessment op te stellen, maar wel een Staff Working Document te publiceren ter onderbouwing. Het kabinet zal zich tijdens de onderhandelingen
inspannen om de Commissie verder te laten uitleggen wat de impact is van dit pakket.
Dit moet geen afbreuk doen aan de snelheid waarmee het pakket behandeld wordt, wel
is het essentieel dat in kaart wordt gebracht wat de gevolgen en uitvoeringsconsequenties
zijn voor de lidstaten als gevolg van de bepalingen in deze verordening. Belangrijk
is dat daarbij specifiek financiële middelen, menskracht, materieel en milieuruimte
in acht worden genomen, alsook de praktische uitvoerbaarheid en de specificiteit van
de infrastructuur van lidstaten. Evaluatie vindt plaats binnen drie jaar na inwerkingtreding
van de Verordening, het is van belang dat de Commissie daarbij wel de impact van de
Verordening verder onderzoekt en in kaart brengt.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
De militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne heeft de terugkeer van oorlog op
het Europees continent gemarkeerd. Om de Nederlandse en Europese veiligheid te beschermen,
is het noodzakelijk dat Europa snel en krachtig investeert om meer bij te dragen aan
geloofwaardige afschrikking en collectieve verdediging via de NAVO. Daarvoor is het
essentieel om de Europese defensie op korte termijn te versterken.4 Het kabinet acht het essentieel om als onderdeel daarvan de militaire mobiliteit
binnen Europa te verbeteren. Het tijdig en effectief kunnen verplaatsen van militair
materieel en personeel is noodzakelijk voor een geloofwaardige afschrikking en verdediging
van het grondgebied van de lidstaten, ook in NAVO-verband. Nederland is een doorvoerland
met fijnmazige infrastructuurnetwerken en heeft als taak de NAVO, EU en de eigen krijgsmacht
te faciliteren. Daarnaast heeft Nederland diverse defensielocaties, zoals kazernes
en oefenterreinen, die goed bereikbaar moeten zijn van en naar de militaire corridors.
Daarvoor is het belangrijk om de bestaande (hoofd- en onderliggende) infrastructuur
met urgentie daar waar mogelijk te verbeteren om een tijdige verplaatsing van militair
materieel en personeel mogelijk te maken en tegelijkertijd de Nederlandse samenleving
door te laten draaien.5
Het kabinet benadrukt dat de EU een sleutelrol heeft in het verbeteren van militaire
mobiliteit onder andere door regeldruk te verminderen en doublures te voorkomen. Het
werken aan veerkrachtige militaire corridors binnen de EU vereist zowel investeringen
in infrastructuur en transportcapaciteiten op de militaire mobiliteitscorridors, als
harmonisatie van nationale regels en procedures, waaronder ook de samenhang met de
maatschappelijke weerbaarheid. EU-maatregelen zijn daarbij onmisbaar om efficiëntie
en samenhang te waarborgen mede vanwege het effect van militaire verplaatsingen op
de samenleving en het transport binnen de EU als geheel.6 Het is daarbij essentieel om de economie en industrieën van lidstaten ten tijde van
oorlog draaiende te kunnen houden. Het kabinet onderstreept daarom het belang van
de maatschappelijke weerbaarheid, door aandacht te blijven houden voor het logistieke
bedrijfsleven en effecten op de keten, opdat de maatschappij en economie zoveel mogelijk
door kan blijven draaien tijdens een militair conflict.
Het kabinet onderstreept al enkele jaren het belang van concrete, gezamenlijke stappen
onder andere ter harmonisatie van (toepassing van) regelgeving en ten behoeve van
aanpassing van de infrastructuur conform EU- en NAVO-standaarden. Het kabinet zet
zich in EU-verband in om militaire mobiliteit te verbeteren. Nederland is voorzitter
van het PESCO-project Militaire Mobiliteit waarin 26 EU-lidstaten en drie derde landen
(de Verenigde Staten, Canada en Noorwegen) samenwerken aan het verbeteren van grensoverschrijdend
militair vervoer in de EU. Ook neemt Nederland een voorstrekkersrol in als co-lead
met Duitsland en België van de EU militaire mobiliteit Priority Capability Area. Tot slot heeft Nederland onlangs een intentieverklaring ondertekend ter oprichting
van een Central Northern European Military Mobility Area met België, Duitsland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Slowakije en Tsjechië.7
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt het Militaire Mobiliteitspakket van de Commissie en staat achter
de prioriteit en urgentie om toe te werken naar een «militair Schengen».
Wel heeft het kabinet een aantal serieuze kanttekeningen bij de voorgestelde bevoegdheidsverdeling
tussen de Commissie en de lidstaten, met name waar het gaat om het EMERS. Het kabinet
onderschrijft de overkoepelende boodschap van de mededeling dat het huidige landschap
van nationale regelgeving en procedures nog te gefragmenteerd is en dat een EU-raamwerk
voor militaire mobiliteit noodzakelijk is in het licht van de toenemende dreiging
van verdere Russische agressie op het Europese continent. EU-lidstaten moeten in staat
zijn om hun troepen en militaire goederen naadloos, tijdig en op grote schaal binnen
de EU en het grondgebied van NAVO-bondgenoten te verplaatsen.
Het kabinet erkent de noodzaak voor effectieve investeringen in dual-use infrastructuur.
Gegeven de huidige veiligheidssituatie in Europa is het kabinet van mening dat het
EU-budget voor de aanleg van dual-use infrastructuurprojecten zo moet worden ingezet
dat de projecten die vanuit militair oogpunt het meest urgent zijn als eerste in aanmerking
komen voor Europese cofinanciering, zodat krijgsmachten zich tijdig en efficiënt kunnen
verplaatsen binnen Europa. Deze notie komt terug in de mededeling; zo worden EU-brede
delta-analyses gemaakt om te bezien waar investeringen het meest urgent zijn. Waar
de urgentie en noodzaak van dit pakket onbetwist zijn, vormen de financiële haalbaarheid
en uitvoerbaarheid van de verplichting om transportinfrastructuur te laten voldoen
aan de militaire vereisten, alsook het verplicht uitvoeren van de hotspots, een serieuze
uitdaging op de Rijksbegroting. Het kabinet begrijpt de noodzaak om de militaire vereisten
in alle lidstaten gelijk toe te passen; dit is essentieel voor het vergroten van de
weerbaarheid van de EU en Nederland. Het kabinet heeft daarom een positieve grondhouding
ten aanzien van het verplichtende karakter van de militaire vereisten. Eventuele budgettaire
gevolgen dienen te worden ingepast op de begrotingen van de beleidsverantwoordelijke
departementen. De verordening bevat geen voorstel voor een tijdspad van implementatietermijnen
van deze vereisten, behalve dat lidstaten de implementatie van de vereisten met voorrang
dienen te behandelen. Bij deze grondhouding zal het kabinet ook de positie van andere
lidstaten met belangstelling volgen en waar relevant, de eigen positie verfijnen.
Tevens is het van belang dat lidstaten voldoende ruimte behouden om te bepalen in
welke gevallen transportinfrastructuur daadwerkelijk geheel aangepast moet worden
aan de technische militaire vereisten, of wanneer andere noodzakelijke infrastructuur-opgaven
prioriteit moeten krijgen, die wellicht ook benut kunnen worden voor militaire transporten.8 Daarnaast geldt dat niet alle afwijkingen van de militaire technische vereisten in
de praktijk leiden tot grote knelpunten en soms zijn er andere geschikte oplossingen
mogelijk die minder kostbaar zijn. Het kabinet acht het wenselijk om hier op nationaal
niveau verstandige keuzes in te kunnen blijven maken. De Europese financiering onder
het nieuwe MFK zal waarschijnlijk niet toereikend zijn om alle transportinfrastructuur
te laten voldoen aan de militaire vereisten, in dat geval zal financiering ook uit
de Rijksbegroting moeten komen, dit is momenteel grotendeels niet voorzien. Het kabinet
onderschrijft de wens van de Commissie om de militaire vereisten aan infrastructuur
in samenwerking met de NAVO te evalueren.
Het kabinet steunt het voornemen tot verdere versterking en uitbreiding van partnerschappen
op het gebied van militaire mobiliteit, waaronder nauwere EU-NAVO samenwerking. Het
is daarbij van belang dat de EU in staat wordt gebracht om gecoördineerd, op basis
van civiele en militaire expertise en op gelijke voet samen te werken met NAVO. Hierbij
is het van belang om dubbelingen te voorkomen en de EU-inzet nauw af te stemmen op
de NAVO-plannen zoals rondom Host Nation Support en de reactiemaatregelen die de hoogste militair van de NAVO (SACEUR) van bondgenoten
kan vragen in aanloop naar en tijdens een crisis. Derhalve is het kabinet benieuwd
naar de praktische verdere uitwerking van deze samenwerking en verwelkomt het kabinet
gezamenlijke EU-NAVO-oefeningen.
Het kabinet onderkent de noodzaak van het versterken van de weerbaarheid van (strategische)
dual-use infrastructuur. Het opzetten van een toolbox over weerbaarheid en beveiligingsmaatregelen
en gecoördineerde stresstesten, waaronder op het niveau van de corridors, kunnen nuttige
instrumenten zijn om geleerde lessen en best practices in kaart te brengen. Verder verwelkomt het kabinet de aandacht voor het verder ontwikkelen
van drone- en counter-drone capaciteit en het streven om een EU netwerk van civiel-militaire
drone testcentra en juridische «sandboxes» op te zetten. Zo heeft Nederland momenteel al civiel-militaire testcentra die ook
naar drones kijken, waaronder SeaSEC9 en het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum.
Het kabinet is in beginsel positief over de maatregelen in de voorgestelde de verordening,
met als doel het vervoer van materieel, goederen en personeel voor militaire doeleinden
te vergemakkelijken en tegelijkertijd de impact van dergelijk transport op het civiele
vervoer tot een minimum te beperken en te verzachten. Het uitgangspunt is dat de economie
en industrie van lidstaten blijft draaien en dat de samenleving kan blijven functioneren.
Het kabinet is het ermee eens dat harmonisering en stroomlijnen van grensoverschrijdend
militair transport noodzakelijk is en verwelkomt de mogelijkheid voor doorlopende
vergunningen die niet jaarlijks hernieuwd hoeven te worden. Wel noteert het kabinet
dat de mogelijkheden voor het intrekken van doorlopende vergunningen beperkter zijn
dan noodzakelijk en dat het intrekken van de doorlopende vergunningen mogelijk moet
zijn maar enkel indien goed gemotiveerd en bij gegronde redenen. Het kabinet steunt
de uniforme templates (Annex II) voor ad hoc en doorlopende vergunningaanvragen, omdat
dit zorgt voor versimpeling en versnelling van aanvraagprocedures. Echter ondermijnt
het verplicht gebruik van Form B, Annex II, ter notificatie van grensoverschrijdend
militair transport mogelijk de versnelling en versimpeling die wordt beoogd met de
doorlopende vergunningverlening. Daarom zal het kabinet zich inzetten om ruimte te
houden voor de notificatie van grensoverschrijdend militair transport via plaatsvervangende
communicatie, bijvoorbeeld per mail of telefoon.
Het kabinet is in beginsel positief over de inrichting van een digitaal militaire
mobiliteit informatiesysteem omdat dit harmonisering en versnelling van procedures
kan bevorderen. Daarbij moet wel meer duidelijkheid komen over de ontwikkeling en
de verhouding tot bestaande nationale, EU- en internationale standaarden. Ook de digitalisering
van douaneformulier 302 voor grensoverschrijdend transport van militaire goederen
acht het kabinet cruciaal voor soepelere grensprocedures, daarbij is het van belang
dat digitalisering ook mogelijk wordt voor de NAVO 302-formulieren.
Ook is het kabinet in beginsel positief over de aandacht die er is voor brandstofzekerheid
en het kabinet onderstreept de noodzaak van de aangekondigde evaluatie van het energie
veiligheidsraamwerk, waaronder de Oil Stock Directive. Het is van belang er concreter over verdere maatregelen wordt nagedacht en gewerkt
binnen EU-verband. Het knelpunt is dat de EU geen geharmoniseerd, juridisch bindend
kader heeft om militaire brandstofzekerheid te waarborgen, waardoor bepaalde lidstaten
– vooral in Oost-Europa – kampen met tekorten, verouderde infrastructuur en weinig
strategische reserves. Door concrete maatregelen op het gebied van weerbaarheid van
toeleveringsketens te combineren, kan de EU een robuuste, EU-brede brandstofketen
creëren die zowel civiele als militaire behoeften veiligstelt, zelfs tijdens langdurige
crises of geopolitieke schokken.
Verder heeft het kabinet vragen over de noodzaak van de uitzonderingen die gelden
op de cabotage onder reguliere omstandigheden. In het geval van een crisissituatie
die door de Raad is aangemerkt als EMERS is die noodzaak duidelijker, maar het is
van belang om de verschillende scenario’s binnen EMERS duidelijk te definiëren. Dit
om maatregelen beter te beoordelen en de handhaafbaarheid ervan te borgen, en in beginsel
te streven naar een zo kort mogelijke doorlooptijd van deze uitzonderingen. Ten aanzien
van de rij- en rusttijden constateert het kabinet dat het al bestaande complexe stelsel
van rij- en rusttijden met de verordening verder gecompliceerd wordt en in potentie
een nieuw normenkader kan worden. Het kabinet is van mening dat de in het voorstel
genoemde verkeersveiligheid en welzijn gewaarborgd moeten blijven. Daarom zal het
kabinet de Commissie vragen dit voorstel van verdere motivatie te voorzien en de gevolgen
van deze uitzonderingen inzichtelijk te maken. Het is onder meer van belang te definiëren
in hoeverre, hoe en wanneer een transporteur onder deze uitzonderingen kan vallen
als de transporteur zowel militair als niet-militair vervoer verricht.
Het kabinet vraagt aandacht voor de samenhang tussen de bepalingen aangaande militaire
mobiliteit in de toekomstige Europese verordening voor gebruik van capaciteit op het
spoor en de bepalingen over spoorcapaciteit in dit voorliggende voorstel voor een
verordening, dit mede gezien de verschillen in reikwijdte. Graag ziet het kabinet
dat de Commissie verduidelijkt hoe de bepalingen in beide verordeningen zich tot elkaar
verhouden. Daarbij benadrukt het kabinet het belang van het kunnen faciliteren van
militaire transporten, ook buiten EMERS of een andersoortige crisissituatie. Juist
hierop zien de derogatiebepalingen in de verordening over capaciteitsmanagement spoor.
In lijn met deze derogatiebepalingen is bijvoorbeeld de voorgenomen wijziging van
het besluit capaciteitsverdeling, waarmee militaire mobiliteit over het spoor ook
buiten (dreigende) crises beter gefaciliteerd wordt.
Voor deze nationale regel moet ruimte blijven binnen deze verordening militaire mobiliteit.
Het kabinet ziet ook graag verduidelijking in de verhouding tot de basisverordening
2018/1139, waarin het regelgevend kader voor de civiele luchtvaart is vastgelegd.
Hier wordt de militaire luchtvaart expliciet uitgezonderd, terwijl in de hier behandelde
verordening een juridisch bindend kader geformuleerd wordt dat ook van toepassing
zal zijn op de militaire luchtvaart.
Daarnaast ziet het kabinet de meerwaarde van regelgeving om militair transport in
geval van noodsituaties te faciliteren en kijkt het met interesse naar het EMERS.
Wel heeft het kabinet daar nog vragen over. De huidige insteek in de verordening lijkt
nog teveel een aan-uit knop, waarbij bij activatie van het EMERS in alle omstandigheden
het geheel aan mogelijke instrumenten ingezet kan worden. Of het noodzakelijk is de
mogelijk te nemen maatregelen in te zetten is naar het oordeel van het kabinet afhankelijk
van de situatie die zich dan voordoet. Het kabinet acht heldere criteria voor activatie
daarom noodzakelijk.10 Ook is onvoldoende duidelijk of een EMERS voor de gehele EU of ook voor slechts enkele
lidstaten kan gelden. Het kabinet acht het verstandig dat in Europees verband, bijvoorbeeld
in de voorgestelde Militaire Mobiliteit Transportgroep, gewerkt wordt aan verschillende
scenario’s, die inzichtelijk maken welke maatregelen onder welke omstandigheden gewenst
of noodzakelijk zijn.
Het kabinet is positief over de mogelijkheid om onder het EMERS militair vervoer te
prioriteren, maar het zal de Commissie vragen nader uit te werken onder welke criteria
of omstandigheden dit proportioneel is, ook gelet op de mogelijke bedrijfseconomische
consequenties en de mate van impact op de verschillende civiele transportgebruikers.
Daarbij zal het kabinet zich inzetten om bestaande regelgeving11 omtrent situaties buiten EMERS met betrekking tot (nationale) voorrang en de toekomstige
Europese verordening over capaciteitsmanagement spoor niet te wijzigen of beperken.
Militaire spoorcapaciteit is namelijk niet alleen noodzakelijk in een crisissituatie,
maar ook in andere omstandigheden. Gezien de impact op de maatschappij en economie,
benadrukt het kabinet dat een goede afweging van militaire belangen met civiele belangen
en de vitale civiele sectoren en processen onder het EMERS noodzakelijk is. De mogelijkheid
om gezamenlijke oefeningen op het gebied van militaire mobiliteit uit te voeren –
ook met de NAVO – is hierbij van belang om de onderlinge gereedheid en coördinatie
te versterken en operationele, juridische en infrastructurele verbetermogelijkheden
te identificeren. De stresstests die worden voorgesteld onder de verordening geven
deze mogelijkheid, het kabinet steunt de mogelijkheden tot het uitvoeren van deze
stresstests. Wel zal het kabinet zich inzetten om vast te leggen dat een stresstest
alleen kan plaatsvinden met goede afstemming met de desbetreffende lidstaat. Tot slot,
heeft het kabinet vragen over het verloop van het proces van een de-activatie van
het EMERS.
Voor wat betreft de versterking van de weerbaarheid van dual-use transport infrastructuur,
onderschrijft het kabinet de noodzaak om hiertoe maatregelen te nemen en verwelkomt
het kabinet regelgeving die dit EU-breed bevordert. Daarnaast is de bescherming van
de vitale infrastructuur al langere tijd onderdeel van het kabinetsbeleid.12
Het kabinet steunt het voorstel om de identificatie van de SDI in samenhang te laten
plaatsvinden met de implementatie van de CER-richtlijn13 aangaande de weerbaarheid van kritieke infrastructuur. Ook in de CER-richtlijn vindt
een dergelijke identificatie plaats. Afwijking van of uiteenlopende identificatie
van kritieke infrastructuur en SDI brengt ongewenste risico’s met zich mee.
Het voorstel om een lijst van SDI te delen met de Commissie ter evaluatie staat op
gespannen voet met de nationale bevoegdheden van lidstaten op dit terrein, aangezien
deze gevoelige informatie over vitale infrastructuur de nationale veiligheid raakt.
De verplichting tot het delen van een lijst van kritieke infrastructuur met de Commissie
is niet opgenomen in de CER-richtlijn en het kabinet ziet geen belang om dat voor
de SDI anders te doen. Het huidige voorstel creëert verder onduidelijkheid qua verwachtingen
voor de entiteiten die zowel onder de CER- en NIS214-richtlijnen als onder deze verordening vallen. Het roept de vraag op of dit nog proportioneel
is ten opzichte van de verplichtingen die deze entiteiten al hebben als gevolg van
de CER- en NIS2-richtlijnen. Daarnaast brengen de dubbele aanwijzingen, meldplichten
en verantwoordelijkheden een risico van ongewenste dubbele administratielast met zich
mee voor zowel de lidstaten alsook de entiteiten onder de CER- en NIS2-richtlijnen,
wat in de ogen van het kabinet als onwenselijk wordt gezien.
Het kabinet zal benadrukken dat op het gebied van weerbaarheid van infrastructuur
goede afstemming met NAVO noodzakelijk is vanwege de Resilience Objectives (RO’s) van de NAVO aangaande de weerbaarheid van transport en dat eisen hierover
niet tegenstrijdig van aard moeten zijn. Het kabinet is in beginsel positief over
het identificeren van zogenoemde transport infrastructuur «hotspots» voor doelgerichte
korte termijn investeringen. Ook wordt gekeken naar het benutten van binnenhavens
met een zeehavenstatus om nationale zeehavens te ontlasten. Hiermee wordt de robuustheid
van het havennetwerk versterkt. Deze hotspot-projecten worden aangeleverd door de
lidstaten, waarna de Commissie in samenwerking met de EU Military Staff en de lidstaten de prioriteiten op de hotspot-lijst bepaalt.
Het kabinet kijkt met interesse naar de Solidariteitspool, het «poolen» van middelen
kan helpen om schaarste te ondervangen. Wel vindt het kabinet het van belang dat de
middelen uit de Solidariteitspool niet kruisen met de middelen uit de Civil Protection Pool (CPP) van het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming (UCPM). Het kabinet vraagt de
Commissie om bij het inrichten van een dergelijke pool te borgen dat deze pool geen
negatieve impact heeft op de beschikbaarheid van voldoende civiel materieel en personeel
om ook vitale processen in de samenleving te kunnen laten doordraaien in het geval
van een militair conflict.
Het kabinet is kritisch over artikel 38 van het wetsvoorstel over de instelling van
een nationaal kader waaronder tijdelijke controle of het gebruiksrecht over een infrastructuur,
activa of uitrusting voor de uitvoering van militaire transportoperaties verkregen
kan worden indien noodzakelijk.
Alhoewel het positief is dat er aandacht is voor de noodzakelijkheid van een kader
waaronder maatregelen van controle genomen kunnen worden, is het instellen van deze
maatregelen en de voorwaarden waar deze maatregelen aan moeten voldoen, aan de lidstaten
zelf vanwege de exclusieve bevoegdheid van lidstaten op het gebied van nationale veiligheid.
Met betrekking tot de Militaire Mobiliteit Transportgroep dient een goede samenwerking
en samenhang met het PESCO Militaire Mobiliteit project geborgd te worden om doublures
te voorkomen. Het kabinet zal dit benadrukken. Het kabinet is positief over de mogelijkheid
voor Oekraïne, Moldavië en de landen uit de Europese Economische Ruimte om als waarnemer
aan deze Transportgroep deel te nemen, en ziet ook graag een mogelijkheid hiertoe
voor andere partnerlanden die nu binnen PESCO vallen. Het kabinet heeft nog vragen
over de voorgestelde rolinvulling bij het voorstel dat iedere lidstaat een Nationale
Coördinator voor Militaire Grensoverschrijdende Transporten aanwijst, bijvoorbeeld
daar waar het gaat over het nemen van besluiten ter uitvoering van een EMERS-activatie.
Daar waar het gaat om centrale coördinatie en communicatie steunt het kabinet het
aanwijzen van een nationale coördinator.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Lidstaten zijn gezien de veranderingen in de geopolitieke situatie eensgezind over
de noodzaak tot het effectief kunnen verplaatsen van militair materieel en personeel
en verwelkomen voorstellen die daaraan bij kunnen dragen. Zo wordt militaire mobiliteit
in de Europese Raadsconclusies van 6 maart 2025 vastgelegd als een van de prioritaire
actiegebieden voor militaire capabilities op EU-niveau.15 Ook heeft Nederland in aanloop naar de publicatie van het Militaire Mobiliteit Pakket
een non-paper opgesteld met Duitsland, Polen, België en Litouwen. Het Europees Parlement
heeft de noodzaak van het verbeteren van militaire mobiliteit benadrukt en de publicatie
van het pakket verwelkomd.16
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Ten aanzien van de gezamenlijke mededeling is de grondhouding van het kabinet positief.
De mededeling heeft betrekking op grensoverschrijdend transportbeleid. Op het terrein
van vervoer is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op
grond van artikel 4, tweede lid, onder g, van het VWEU.
Ten aanzien van de voorgestelde verordening is het oordeel van het kabinet eveneens
positief. Het voorstel is gebaseerd op artikel 91 en artikel 100, tweede lid, van
het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
Op grond van artikel 91 VWEU heeft de EU de bevoegdheid om in het kader van een gemeenschappelijk
vervoerbeleid vast te stellen: a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer
vanuit of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van één of
meer lidstaten, b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot
nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn, c) de maatregelen
die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren en d) alle overige dienstige bepalingen.
Op grond van artikel 100, tweede lid VWEU is de EU bevoegd passende bepalingen vast
te stellen voor de zeevaart en de luchtvaart.
Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen. Op het terrein van vervoer
is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op grond van artikel
4, tweede lid, onder g, van het VWEU. Het kabinet ziet wel een aandachtspunt in artikel
38 van het voorstel, dat ziet op een verplichting voor lidstaten om een kader te treffen
dat tijdelijke controle over of gebruiksrecht op infrastructuur mogelijk maakt. Het
instellen van een dergelijk kader, inclusief de voorwaarden waar een dergelijk kader
aan moet voldoen, is aan de lidstaten zelf vanwege de exclusieve bevoegdheid van lidstaten
op het gebied van territoriale integriteit en nationale veiligheid.
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de gezamenlijke mededeling is positief.
De mededeling heeft, net als de voorgestelde verordening, tot doel om belemmeringen
te identificeren en weg te nemen om dichter tot een «Militair Schengen» te komen.
Door het grensoverschrijdend karakter van dit beleidsterrein kan dit onvoldoende door
de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom
is een EU-aanpak nodig. Door op EU-niveau een overkoepelend strategisch kader te schetsen
waarmee de mobiliteit van de strijdkrachten binnen de Unie efficiënter wordt gecoördineerd,
kunnen belemmeringen op het gebied van militaire mobiliteit weggenomen worden. Om
die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit van de voorgestelde
verordening is positief met kanttekening. De voorgestelde verordening heeft tot doel
om belemmeringen voor militaire mobiliteit op het gebied van regelgeving, infrastructuur
en capaciteiten weg te nemen. Gezien het grensoverschrijdend karakter van militaire
mobiliteit kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal
niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU aanpak nodig. Door op EU-niveau harmonisatie
van toestemmingsprocedures en regelgeving ten behoeve van grensoverschrijdend militair
vervoer voor te stellen, kunnen belemmeringen op het gebied van militaire mobiliteit,
weggenomen worden.
Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd. Het kabinet wijst
erop dat de voorgestelde verplichting voor lidstaten om een kader te treffen dat tijdelijke
de controle over of gebruiksrecht op infrastructuur mogelijk maakt uit artikel 38
van het voorstel, een aandachtspunt vormt. De voorgestelde kaders worden reeds door
lidstaten op centraal niveau verwezenlijkt. In deze context is optreden op het niveau
van de EU derhalve niet gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit van de gezamenlijke
mededeling is positief. De mededeling heeft, net als de voorgestelde verordening,
tot doel om belemmeringen te identificeren en weg te nemen om dichter tot een «Militair
Schengen» te komen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te
bereiken omdat de mededeling deze knelpunten identificeert en daartoe herzieningen
van verschillende instrumenten die betrekking hebben op mobiliteit, investeringen
en evaluaties aankondigt.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit van de verordening
is positief. De voorgestelde verordening heeft tot doel om belemmeringen voor militaire
mobiliteit op het gebied van regelgeving, infrastructuur en capaciteiten weg te nemen.
De voorgestelde verordening tast de soevereiniteit van de lidstaten niet aan om zelf
te blijven beslissen of zij hun strijdkrachten binnen de Unie verplaatsen en of zij
strijdkrachten van een andere lidstaten door hun grondgebied laten reizen. Wel ziet
het kabinet enkele aandachtspunten. Over de activatie en werking van het EMERS zal
het kabinet de Commissie om meer informatie vragen voor de beoordeling van de proportionaliteit.
Het gaat daarbij voornamelijk om de criteria van activatie en de-activatie en of een
EMERS voor de gehele EU of ook voor slechts enkele lidstaten kan gelden. Ook dient
nader gekeken te worden naar de voorgestelde verplichting om een lijst van SDI te
delen met de Commissie ter evaluatie en naar de verhouding met de nationale bevoegdheden
omdat dit ook de nationale veiligheid raakt. En dient er te worden gekeken naar mogelijke
dubbele aanwijzingen, meldplichten en verantwoordelijkheden die een risico van ongewenste
dubbele administratielasten met zich meebrengen voor zowel de lidstaten alsook de
entiteiten onder de CER- en NIS2-richtlijnen.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
Het kabinet is van mening dat de eventueel benodigde EU-middelen gevonden dienen te
worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027
en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Wat
betreft het volgende meerjarig financieel kader (MFK) acht het kabinet het positief
dat de Commissie de Europese veiligheid en defensie als prioriteit beschouwt, binnen
de algemene kaders dat de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het MFK in
verhouding moeten staan tot de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden
gesteld. Het kabinet wil nu nog niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen
na 2027.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/of medeoverheden
Medio 2025 heeft de Europese Commissie voorgesteld om het militaire mobiliteitsbudget
uit de Connecting Europe Facility (CEF) te vertienvoudigen voor het MFK voor de periode 2028–2032. Daarnaast is het
voorstel om Cohesiefondsen, ECF en Horizon Europe ook in te zetten voor defensie-gerelateerde
investeringen. Tot slot kan het SAFE-instrument worden gebruikt door lidstaten voor
dual-use en militaire mobiliteit infrastructurele projecten. Lidstaten zijn onder
de verordening verplicht de weerbaarheid van SDI te waarborgen. Indien maatregelen
genomen moeten worden om de weerbaarheid te versterken, kan dit financiële gevolgen
hebben. Eventuele budgettaire gevolgen dienen te worden ingepast op de begroting van
de beleidsverantwoordelijke departementen.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Het kabinet onderstreept het belang van regeldrukvermindering als een topprioriteit,
zoals neergelegd in het Actieprogramma Minder Druk Met Regels (9 december 2024). Het
ontbreken van een impact assessment bij dit voorstel is onwenselijk, temeer omdat
dit de inschatting van de regeldrukeffecten bemoeilijkt. Het kabinet is van mening
dat bij voorstellen met (mogelijke) regeldrukgevolgen altijd een impact assessment
uitgevoerd moet worden.
Het is moeilijk in te schatten of de potentie om regeldruk te verminderen voor militaire
mobiliteit optimaal is benut door de Commissie, noch of de voorstellen en interpretatieve
mededeling die ook echt vermindert. Eigenaars, exploitanten en beheerders van SDI
zijn onder de verordening verplicht de weerbaarheid van SDI te waarborgen. Indien
aanvullende maatregelen genomen moeten worden om de weerbaarheid te versterken, zal
dit financiële gevolgen hebben.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De verwachte economische effecten van het Militaire Mobiliteitspakket zijn overwegend
positief.
De Commissie verwacht meer economische bedrijvigheid door (overheids)investeringen
in (dual-use) bereikbaarheids- en mobiliteitsprojecten. Daarbij wel de kanttekening
dat o.a. beschikbaarheid van personeel en accommoderende wetgeving belangrijke randvoorwaarden
zijn om de economische effecten daadwerkelijk te realiseren. In het kader van toenemende
internationale spanningen en geopolitieke onzekerheid, draagt het pakket bij aan geloofwaardige
afschrikking en verdediging van het grondgebied van de lidstaten, ook in NAVO-verband.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
De lidstaten moeten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de verordening een
Nationale Coördinator voor Militaire Grensoverschrijdende Transporten met permanente
beschikbaarheid leveren. De wijzigingen in de Interoperabiliteitsrichtlijn leiden
tot wijzigingen in de Spoorwegwet.
Met de wijzigingen van de Interoperabiliteitsrichtlijn en van de Spoorwegbureauverordening
worden meer verantwoordelijkheden bij het Europees Spoorwegbureau neergelegd. De vraag
is of het Europees Spoorwegbureau hiervoor voldoende middelen heeft, ook met het extra
budget dat met dit pakket wordt toegewezen aan het Spoorwegbureau. Mogelijk dat in
de uitwerking van het voorstel ook het EU regelgevend kader voor spoorwegveiligheid
(EU) 2016/798 aanpassingen behoeft. Dit is nog niet opgenomen in het voorstel van
de Commissie.
Artikel 38 van de verordening vereist dat lidstaten beschikken over een kader om bindende
bevelen uit te kunnen vaardigen om, als uiterste middel, de tijdelijke controle of
het gebruiksrecht te verkrijgen over infrastructuur, activa of uitrusting die zich
op hun grondgebied bevinden en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van militaire
transportoperaties. In het voorstel wordt een termijn van één jaar aangewezen om dit
kader te realiseren. Niet alleen is het kabinet kritisch over het voorstel voor deze
bepaling, de gestelde termijn van één jaar is niet toereikend om een dergelijk kader
adequaat uit te werken.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel bevat een tweetal bevoegdheden voor de CIE om gedelegeerde handelingen
vast te stellen in artikel 5, tiende lid en artikel 8, tweede lid. Dit betreft de
bevoegdheid om Annex I en Annex II van de voorgestelde verordening te updaten. Het
toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen
van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk,
omdat het van belang is dat deze bijlages up-to-date zijn en voldoen aan nieuwe technologische
en operationele ontwikkelingen. Delegatie in plaats van uitvoering ligt hier het meest
voor de hand, omdat het hier gaat om de wijziging van de bijlage bij een EU-wetgevingsinstrument. Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend, en het Interinstitutioneel
Akkoord Beter Wetgeven wordt middels artikel 44 van het voorstel goed nageleefd.
De voorgestelde verordening bevat een bevoegdheid voor de Raad om een uitvoeringshandeling
vast te stellen in artikel 19, tweede lid. Dit betreft de bevoegdheid om EMERS te
activeren. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële
onderdelen van de basishandeling betreft. Het toekennen van deze bevoegdheden aan
de Raad is gerechtvaardigd op grond van artikel 291, lid 2, VWEU. De Commissie motiveert
dit naar behoren in overweging 25 van het voorstel, namelijk dat een uitvoeringshandeling
van de Raad op zijn plaats is vanwege de gevoelige aard van het besluit om EMERS te
activeren en de bijzondere aard van de noodmaatregelen die onder dat mechanisme van
toepassing zijn. Het kabinet acht het wenselijk dat deze bevoegdheden aan de Raad
worden toegekend, omdat de lidstaten zo direct invloed kunnen uitoefenen op het activeren
van deze noodfasen, waar grote beperkingen mee gepaard kunnen gaan. De keuze voor
uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om de uitvoering
van de verordening volgens eenvormige voorwaarden.
Het voorstel bevat tevens een viertal bevoegdheden voor de Commissie om uitvoeringshandelingen
vast te stellen. Dit betreft de volgende bevoegdheden:
• De bevoegdheid om een Military Mobility Digital Information System op te richten op grond van artikel 14, eerste lid van het voorstel. Het toekennen
van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling
betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, omdat dit flexibiliteit
geeft voor eventuele wijzigen aan het digitale systeem om het up-to-date te houden
zonder dat de wetgevingsprocedure belast wordt. De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie
ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige
voorwaarden.
• De bevoegdheid om de maatregelen vast te stellen voor de basisbescherming en weerbaarheid
van strategische dual-use infrastructuur op grond van artikel 34, vierde lid, van
het voorstel. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële
onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het
kabinet wenselijk om flexibiliteit en snelheid te behouden om maatregelen vast te
stellen n.a.v. (nieuw) driegingen zonder dat de wetgevingsprocedure belast wordt.
De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om
uitvoering van de verordening volgens eenvormige voorwaarden.
• De bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen voor het ontwikkelen van
standaarden voor militaire mobiliteit en om de categorieën van spoorvoertuigen te
bepalen die het meest geschikt zijn voor gebruik als onderdeel van een militair transport
op grond van op grond van artikel 37, eerste lid, van het voorstel. Het toekennen
van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet-essentiële onderdelen van de basishandeling
betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, omdat op deze
wijze de mogelijkheid wordt geboden om de standaarden en categorieën actueel te houden
zonder dat de wetgevingsprocedure belast wordt. De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie
ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige
voorwaarden.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als
bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier
volgens het kabinet op zijn plaats omdat de uitvoeringshandeling betrekking heeft
op de beveiliging en veiligheid, of de bescherming van de gezondheid of de veiligheid
van mensen, dieren of planten
• De bevoegdheid om de solidariteitspool die middels de verordening wordt opgericht,
in werking te stellen en hierbij aanvullende eisen te stellen omtrent procedures voor
toegang tot de pool en allocatie van gelden op grond van artikel 35, eerste lid van
het voorstel. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële
onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het
kabinet echter onwenselijk, omdat het om allocatie van militaire capaciteiten gaat.
Regels en procedures omtrent een EU pool die invulling geven aan allocatie van militaire
capaciteiten zouden uitsluitend door de Raad moeten worden vastgesteld. Het voorstel
voorziet niet in de toepassing van de raadplegings- of onderzoeksprocedure ter vaststelling
van de uitvoeringshandeling en laat dit geheel aan de Commissie.
Het kabinet is geen voorstander van het opnemen van een zelfstandige uitvoeringsbevoegdheid
voor de Commissie, omdat inspraak van de lidstaten met betrekking tot deze uitvoeringshandeling
wenselijk wordt geacht. Het kabinet acht het wenselijk dat er om meer duidelijkheid
wordt gevraagd omdat in dit geval de uitvoeringshandeling verstrekkende bepalingen
kan bevatten met betrekking tot procedures voor toegang toe en bekostiging van de
capaciteiten in de solidariteitspool. In dit geval lijkt het echter aangewezen om
deze uitvoeringshandeling door de Raad te laten vaststellen.
Naar het oordeel van het kabinet is dat gerechtvaardigd op grond van artikel 291 VWEU
omdat de uitvoeringshandeling verband houdt met de veiligheid van de Unie en het gemeenschappelijk
defensiebeleid.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Volgens het voorstel treedt de verordening in werking op de twintigste dag na de bekendmaking
ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het kabinet acht de voorgestelde
datum van inwerkingtreding haalbaar. Daarentegen acht het kabinet de uitvoeringstermijn
van één jaar na inwerkingtreding van de verordening die wordt gegeven voor artikel
38 van de verordening, niet haalbaar.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
De Commissie zal volgens het voorstel binnen drie jaar naar inwerkingtreding van de
verordening een evaluatie uitvoeren. Het kabinet acht dit wenselijk.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
De voorstellen zijn bedoeld om de huidige fragmentatie in nationale regelgeving tot
knelpunten, inefficiëntie en vertraging leiden tegen te gaan en effectieve verplaatsing
van militair materiaal en personeel te bevorderen. De wijzigingen zorgen volgens de
Commissie voor een efficiëntere en effectievere uitvoering. De wijzigingen aan de
Interoperabiliteitsrichtlijn en aan de Spoorwegbureauverordening leiden wel tot vragen
over de rolverdeling tussen de nationale veiligheidsinstanties en het Spoorwegbureau
ten aanzien van de registratie van voertuigen. Hier moet duidelijkheid over komen.
Deze wijzigingen leiden op het eerste blik niet tot de gewenste vereenvoudiging van
de regelgeving. Dit zou eventueel opgelost kunnen worden met de uitvoeringshandelingen
zoals genoemd in art. 37.
Ook is verduidelijkingwenselijk bij de wijziging van art. 3 van verordening 2018/1139.
In art. 49 van de Verordening Militaire Mobiliteit ziet op instelling van een regulatory sandbox, ter bevordering van innovatie en militaire mobiliteit, onder de supervisie van de
bevoegde autoriteit. Het toepassingsbereik van verordening 2018/1139 betreft echter
alleen de civiele luchtvaart waarbij de bevoegde autoriteit onder de basisverordening
in Nederland de ILT is (en niet de MLA). Het is nu nog onduidelijk of regulatory sandbox ingesteld moet worden voor innovatie in samenhang met militaire mobiliteit, of dat
het of innovatie of militaire mobiliteit kan zijn.
De verordening bevat een voorstel voor de wijziging van de Verordening (EU) 2024/2803
inzake de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim. Het doel
hiervan is om de werkingstermijn van enkele voorwaarden voor de aanbesteding door
aangewezen verleners van luchtverkeersdiensten van bijvoorbeeld communicatie-, navigatie-
en plaatsbepalingsdiensten uit te stellen met vijf tot acht jaar. Het kabinet steunt
dit uitstel, omdat hiermee de bestaande verleners van deze diensten voldoende tijd
wordt geboden zich aan te passen aan de betreffende voorwaarden en hun dienstverlening
in de tussentijd gecontinueerd kan worden.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Er zijn geen verwachte implicaties voor ontwikkelingslanden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken