Brief regering : Elfde voortgangsrapportage van het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 1011 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2026
Bijgaand treft u de elfde voortgangsrapportage van het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek
van Strafvordering.1 In deze voortgangsrapportage gaan we in op de stand van zaken van dit wetgevingsprogramma.
Daarmee voldoen wij aan een verzoek van de Vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid
in de Tweede Kamer om periodiek ingelicht te worden over de stand van zaken van het
programma.2
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten
Elfde voortgangsrapportage wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering
1. Inleiding
Sinds 2014 wordt gewerkt aan de totstandkoming van een nieuw Wetboek van Strafvordering.
In het regeerprogramma is het nieuwe wetboek genoemd als nieuwe wetgeving ten behoeve
van de nationale veiligheid en is vermeld dat het kabinet actief regie voert op alle
noodzakelijke voorbereidingen van de betrokken organisaties met het oog op de geplande
inwerkingtreding van dit nieuwe wetboek op 1 april 2029.
Door middel van voortgangsrapportages worden de Tweede Kamer en de Eerste Kamer periodiek
ingelicht over dit wetgevingsprogramma. De vorige (tiende) voortgangsrapportage dateert
van 6 december 2024.3 Met deze elfde voortgangsrapportage informeren wij u over de laatste stand van zaken
van dit omvangrijke wetgevingsprogramma. Wij doen dit voordat de mondelinge behandeling
van de vaststellingswetgeving van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in de Eerste
Kamer (10 februari 2026).
Sinds de vorige voortgangsrapportage zijn belangrijke stappen gezet. Hierover wordt
u geïnformeerd in de volgende paragrafen:
2. Voortgang wetgeving, verslag van de inspanningen in 2025.
3. Structurele uitvoeringsconsequenties. Actuele stand van zaken.
4. Implementatie. De voorbereiding van de implementatie.
2. Voortgang wetgeving
2.1 Inleiding
Het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering is een omvangrijk programma,
waaraan wij met urgentie blijven werken.
Het programma kent een viertal sporen:
• innovatiespoor (paragraaf 2.4)
• vaststellingsspoor (paragraaf 2.2)
• aanvullingsspoor (paragraaf 2.3)
• invoeringsspoor (paragraaf 2.5)
De wetsvoorstellen binnen deze sporen vormen uiteindelijk samen het nieuwe Wetboek
van Strafvordering:
Elk wetsvoorstel doorloopt de wetgevingsprocedure en wordt na consultatie en advisering
door de Afdeling advisering van de Raad van State behandeld in de Tweede Kamer. Na
aanvaarding in de Tweede en Eerste Kamer en bekrachtiging door de Koning, wordt het
voorstel in het Staatsblad gepubliceerd. Na een implementatieperiode volgt op één
moment de inwerkingtreding van alle wetten die samen het nieuwe Wetboek van Strafvordering
vormen (zie over die implementatie meer in paragraaf 4).
Vaststellingsspoor (oranje) en aanvullingsspoor (groen)
De twee vaststellingswetten uit het vaststellingsspoor, die inmiddels in de wetgevingsprocedure
gelijk zijn gaan oplopen en beide sinds 1 april 2025 aanhangig zijn in de Eerste Kamer,
vormen samen het nieuwe wetboek (zie paragraaf 2.2). In de twee groene aanvullingswetten
worden aanvullende onderwerpen en wijzigingsvoorstellen van het nieuwe wetboek opgenomen,
die deel gaan uitmaken van het nieuwe wetboek (zie paragraaf 2.3).
Innovatiespoor (roze)
Op de afbeelding is ook het innovatiespoor met de Innovatiewet Strafvordering te zien.
Deze wet liep vooruit op het nieuwe wetboek met als doel ervaring op te doen met enkele
nieuwe onderdelen uit het nieuwe wetboek in de vorm van vijf pilots. Inmiddels zijn
de pilots geëvalueerd en zijn de evaluatierapporten in oktober 2024 aan de Eerste
en Tweede Kamer verstuurd. In juli 2025 is een wetsvoorstel tot verlenging van de
Innovatiewet Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. De Tweede Kamer heeft die
verlengingswet op 29 januari 2026 als hamerstuk aanvaard. In paragraaf 2.4 wordt nader
ingegaan op de Innovatiewet en het voorstel tot verlenging van die wet.
Invoeringsspoor (blauw)
Tot slot bevat de afbeelding de twee invoeringswetten uit het invoeringsspoor, waarin
het overgangsrecht en de aanpassing van andere wetgeving is opgenomen (zie paragraaf 2.5).
In de laatste paragraaf 2.7 wordt aandacht besteed aan de algemene maatregelen van
bestuur (AMvB)onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
2.2 Vaststellingswetgeving
De vaststellingswetgeving vormt de kern van het wetgevingsprogramma. De andere sporen
zijn daaraan dienstbaar. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering bestaat, evenals het
huidige wetboek, uit een eerste boek over strafvordering in het algemeen, en boeken
over de verschillende fasen van het strafproces regelen (opsporing, vervolging, berechting,
rechtsmiddelen en enkele bijzondere regelingen).
De nieuwe Boeken 1 tot en met 6 zijn opgenomen in de eerste vaststellingswet (Kamerstukken 36 327).
De schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel in de periode 2023–2024 werd afgesloten
met de nota naar aanleiding van de verslagen, die op 1 juli 2024 is ingediend bij
de Tweede Kamer.4 In de maanden daarna werd de mondelinge behandeling van de eerste vaststellingswet
voorbereid. Ook werd in die periode gewerkt aan de beantwoording van het verslag van
de Vaste Commissie van Justitie en Veiligheid over de tweede vaststellingswet.
De tweede vaststellingswet (Kamerstukken 36 636) bevat de nieuwe Boeken 7 en 8.
o Het huidige Boek 5 Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking wordt
in de toekomst Boek 8.
o Het huidige boek 6 Tenuitvoerlegging wordt in de toekomst Boek 7.
Deze huidige boeken zijn in 2017 herzien en zijn nu technisch omgezet naar het nieuwe
wetboek.
In de tijd volgde de tweede vaststellingswet in eerste instantie de eerste vaststellingswet
(zoals onderstaande afbeelding ook te zien is aan de data van de verschillende stappen
in het wetgevingsproces). De Tweede Kamer besloot eind 2024 echter om, na afronding
van de schriftelijke behandeling, de mondelinge behandeling van de tweede vaststellingswet
mee te nemen bij de plenaire behandeling van de eerste vaststellingswet in het voorjaar
van 2025.
Het jaar 2024 werd afgesloten met een technische briefing in de Tweede Kamer over
het nieuwe wetboek, verzorgd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid (10 december
2024). Die briefing ging over het proces en de verhouding van de wetsvoorstellen tot
elkaar, en diende ter voorbereiding van de plenaire behandeling in de Tweede Kamer.
Chronologisch in 2025 (data cursief)
In het eerste kwartaal van 2025 vond de plenaire behandeling van beide vaststellingswetten (en daarmee van de inhoud
van het gehele nieuwe wetboek) plaats in de Tweede Kamer. Onze ambtsvoorgangers werden
daarbij ondersteund door regeringscommissaris prof. mr. Geert Knigge.
In januari, februari en maart vonden vijf wetgevingsoverleggen plaats (WGO’s), waarbij de boeken afzonderlijk werden
behandeld. Er was uitgebreid aandacht voor vijf centrale thema’s:
(1) beginselen en verhouding met lagere regelgeving,
(2) het slachtoffer,
(3) de beweging naar voren,
(4) rechtsbijstand en
(5) het digitaal strafproces.
De mondelinge behandeling werd afgesloten met een plenair debat.
Op 25 maart 2025 werd gestemd over 25 amendementen bij de eerste en tweede vaststellingswet. Van de
ingediende amendementen zijn er 16 aangenomen. Een week later werd over beide vaststellingswetten
gestemd.
Beide vaststellingswetten zijn op 1 april 2025 met een ruime meerderheid aangenomen door de Tweede Kamer.
Beide wetsvoorstellen voor de vaststelling van het nieuwe wetboek zijn sindsdien aanhangig
bij de Eerste Kamer.5 De Eerste Kamer is in 2023 al begonnen met de voorbereidingen op de behandeling.
Op 19 december 2023 is door de commissie Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer gesproken over de
behandeling. Er is toen een voorbereidingsgroep ingesteld.
Op 11 februari 2025 vond in de Eerste Kamer een technische briefing van het Ministerie van Justitie en
Veiligheid plaats, gevolgd door voorlichting over het nieuwe wetboek van wetenschappers
van de Universiteit Leiden.
De commissie Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer organiseerde in september
2025 nog twee bijeenkomsten.
Op 9 september 2025 informeerden vertegenwoordigers van de Raad voor de rechtspraak de Eerste Kamer over
de rol van de rechter-commissaris in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Op 23 september 2025 vond vervolgens een deskundigenbijeenkomst plaats met vertegenwoordigers vanuit het
openbaar ministerie, de politie en de Raad voor de rechtspraak, over de impactanalyses
en de voorbereiding van diverse ICT-systemen op de implementatie van het nieuwe Wetboek
van Strafvordering.
Het verslag van de Eerste Kamer, met daarin de schriftelijke vragen over de beide
vaststellingswetten, is op 11 november 2025 vastgesteld.6 De nota naar aanleiding van het verslag is vervolgens op 8 december 2025 aan de Eerste Kamer gestuurd.7 We kijken ernaar uit om de komende tijd de mondelinge behandeling van het nieuwe
wetboek met de leden van de Eerste Kamer voort te zetten. De plenaire behandeling
vindt plaats op 10 februari 2026.
2.3 Aanvullingswetgeving
Het aanvullingsspoor van dit wetgevingsprogramma bestaat uit aanvullingswetten. De
functie van aanvullingswetten is dat nog in inhoudelijke aanvullingen en wijzigingen
in het nieuwe wetboek kan worden voorzien zonder dat de voortgang van de behandeling
van de twee vaststellingswetten vertraging oploopt.
Benodigde wijzigingen en aanvullingen in het nieuwe wetboek worden via het aanvullingsspoor
in aparte wetsvoorstellen in procedure gebracht. Het gaat om wetsvoorstellen waarvan
de inhoud op het moment van de inwerkingtreding in het nieuwe wetboek wordt verwerkt.
Het nieuwe wetboek is dan up-to-date bij inwerkingtreding. Een aanvullingswetsvoorstel
volgt de reguliere wetgevingsprocedure en wordt derhalve na consultatie en advisering
door de Afdeling advisering van de Raad van State door de Tweede en Eerste Kamer behandeld.
De gedachte is dat de parlementaire behandeling van de vaststellingswetten, die de
hoofdstructuur en systematische samenhang in het nieuwe wetboek bevatten, voortvarend
kan plaatsvinden. Hierdoor leiden aanpassingen in (afgezet tegen het geheel) betrekking
hebben op een beperkt onderdeel, niet tot vertraging in de parlementaire behandeling
van de vaststellingswetgeving als geheel te leiden.
Er kunnen meerdere aanleidingen zijn om een onderwerp mee te nemen in het aanvullingsspoor:
o «Gereserveerde onderdelen» in de eerste vaststellingswet kunnen worden ingevuld. Bijvoorbeeld
omdat uitkomsten van WODC-onderzoek bekend zijn en worden verwerkt. Dat is bijvoorbeeld
het geval bij de regeling van strafvordering op zee en in de lucht.
o In een aanvullingswet kan rekening worden gehouden met wensen vanuit de Tweede Kamer.
Zo hebben schriftelijke vragen van de Tweede Kamer in de verslagen over de eerste
vaststellingswet geleid tot wijzigingsvoorstellen in het voorstel voor de eerste aanvullingswet.
o Ook de wetgevingsoverleggen en de plenaire behandeling van de twee vaststellingswetten
in de Tweede Kamer hebben geleid tot voorstellen tot aanpassing. Deze komen later
in de tweede aanvullingswet.
o De aanvullingswetgeving wordt daarnaast benut om recente (Europese) rechtspraak en
recent aanvaarde wetgeving in het nieuwe wetboek te verwerken.
Eerste aanvullingswet
De eerste aanvullingswet is een omvangrijk wetsvoorstel met een achttal relatief grote
onderwerpen:
1. Regeling van procesafspraken
2. Strafvorderlijke gegevensverwerking
3. Aanpassingen van bepalingen over het onderzoek met betrekking tot het lichaam
4. Verbetering van de regeling van de buitengerechtelijke afdoening
5. Aanpassing van enkele onderdelen van de deskundigenregeling
6. Strafvordering op zee en in de lucht
7. Herstructurering van (bijzondere) voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan
8. Vormgeving van het vernietigen van gegevens als strafrechtelijke maatregel.
Daarnaast bevat de eerste aanvullingswet ook een viertal kleinere, meer technische
onderwerpen:
1. Aanpassing van artikel 1.1.1 in verband met de doorwerking van het internationaal
recht
2. Aanpassing van de regels met betrekking tot het bewaren van sporendragers
3. Introductie van een heimelijke bevoegdheid tot het inloggen met rechtmatig verkregen
gegevens op een elders aanwezig geautomatiseerd werk
4. Regels over het verstrekken van niet-strafbare gegevens na inbeslagneming.
Ook worden in de eerste aanvullingswet omissies uit de twee vaststellingswetten hersteld
en worden recente wijzigingen in het huidige Wetboek van Strafvordering doorgevoerd
in het nieuwe wetboek.
Ten tijde van de vorige voortgangsrapportage in december 2024 werd nog gewerkt aan
de verwerking van de ontvangen consultatieadviezen over de eerste aanvullingswet.
In 2025 zijn met de eerste aanvullingswet belangrijke stappen gezet. Nadat de consultatieadviezen
zijn verwerkt in het voorstel en de memorie van toelichting is het wetsvoorstel op 28 mei voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Het advies
van de Raad van State is vervolgens op 13 november vastgesteld (met een positief dictum B). Wij streven ernaar om het wetsvoorstel in
februari 2026 in te dienen bij de Tweede Kamer.
Tweede aanvullingswet
Na het voorleggen van de eerste aanvullingswet aan de Raad van State zijn de ambtelijke
voorbereidingen van de tweede aanvullingswet gestart. Dit voorstel wordt ten eerste
gebruikt voor de verwerking van de uitkomsten van de evaluatie van de Innovatiewet
Strafvordering in het nieuwe wetboek (zie nader in paragraaf 2.4).
Daarnaast wordt richtinggevende jurisprudentie over enkele belangrijke strafvorderlijke
onderwerpen verwerkt in het nieuwe wetboek. Zo hebben het Hof van Justitie van de
EU en de Hoge Raad uitspraken gedaan over het onderzoek in geautomatiseerde werken
en digitale-gegevensdragers.8 In deze zogeheten «Landeck-jurisprudentie» worden nadere regels gegeven over de voorafgaande
rechterlijke toets van de rechter-commissaris voor het onderzoek in bijvoorbeeld smartphones.
Deze jurisprudentie wordt door middel van de tweede aanvullingswet verwerkt in het
nieuwe wetboek. Een ander onderwerp is het functioneel verschoningsrecht, waarover
de Hoge Raad in maart 2024 een belangrijke beslissing heeft genomen.9 Ook deze jurisprudentie, waarnaar de rechtspraktijk sindsdien al handelt, zal via
de tweede aanvullingswet worden verwerkt in het nieuwe wetboek.
Ook zal door middel van de tweede aanvullingswet recent aangenomen wetgeving die het
huidige Wetboek van Strafvordering wijzigt, worden verwerkt in het nieuwe wetboek
en worden nog enkele omissies in de vaststellingswetgeving hersteld.
Tot slot vormen aangenomen moties tijdens de plenaire behandeling van de vaststellingswetgeving
van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (zie over die behandeling deelparagraaf 2.2)
aanleiding tot het doorvoeren van wijzigingen in dit wetboek door middel van de tweede
aanvullingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de motie van lid Ellian over de afdwingbaarheid
van slachtofferrechten10 en de motie van de leden Ellian en Sneller over de duidelijkere verankering van
de beweging naar voren in het nieuwe wetboek.11
Wij streven ernaar om de tweede aanvullingswet in het eerste kwartaal van 2026 in
formele consultatie te geven.
2.4 Innovatiewet en Verlengingswet
Op 1 oktober 2022 trad de Innovatiewet Strafvordering in werking. Deze wet bood de
mogelijkheid om een vijftal nieuwe onderwerpen alvast te beproeven in de praktijk.
Het gaat daarbij om mediation na aanvang van de berechting, de prejudiciële procedure
in strafzaken, uitbreiding van de bevoegdheden van de hulpofficier van justitie, een
aantal nieuwe digitale bevoegdheden na inbeslagneming van een digitale gegevensdrager
of geautomatiseerd werk, en ten slotte het gebruik van audiovisuele registraties als
alternatief voor een volledig proces-verbaal (AVR). Deze mogelijkheden uit de Innovatiewet
zijn opgenomen in Titel X van het Vierde Boek van het huidige Wetboek van Strafvordering (artikelen 553 t/m 574). Voor het merendeel van de onderwerpen
uit de Innovatiewet geldt dat zij ook al zijn opgenomen in de eerste vaststellingswet.
Chronologisch (data cursief)
De Innovatiewet zou eindigen op 30 september 2025. Er werd echter al rekening gehouden met een mogelijke wens tot verlenging. De zogeheten
horizonbepaling (Artikel IV) in de Innovatiewet bepaalt dat de werkingsduur van de
wet kan worden verlengd en stelt daarvoor als noodzakelijke voorwaarde dat een wetsvoorstel
daartoe uiterlijk 30 september 2025 bij de Tweede Kamer moet zijn ingediend. Met de
verlenging kunnen de wettelijke bepalingen die de Innovatiewet heeft geïntroduceerd
worden gecontinueerd tot de inwerkingtreding van (de corresponderende regelingen in)
het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Op 3 oktober 2024 is de evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering aan uw Kamer aangeboden. De evaluatie
heeft plaatsgevonden in twee deelonderzoeken.12 Een voorstel zou worden ingediend om bij wet de werkingsduur van het merendeel van
de bepalingen te verlengen tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek. In
de afgelopen periode is dit voorstel eerst in formele consultatie gegeven en daarna
voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State.
Vergezeld van het nader rapport en het bijbehorende advies van de Raad van State is
vervolgens het wetsvoorstel tot verlenging van de Innovatiewet op 7 juli 2025 ingediend bij de Tweede Kamer (36 784). Daarmee is aan de hierboven genoemde noodzakelijke voorwaarde voor behoud van de
bepalingen voldaan en kunnen deze hun werking tot aan de inwerkingtreding van het
nieuwe wetboek behouden.
Op 26 september 2025 heeft de Tweede Kamer het verslag over de verlengingswet vastgesteld. De nota naar
aanleiding van het verslag is op 15 december 2025 nog naar de Tweede Kamer gestuurd.13 Op 29 januari 2026 heeft de Tweede Kamer de Verlengingswet als hamerstuk aanvaard.
2.5 Invoeringswetten
Het invoeringsspoor van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt gevormd door de
invoeringswet en de invoeringsrijkswet. De invoeringswetgeving bestaat uit verschillende
onderdelen. Een belangrijk onderdeel wordt gevormd door het overgangsrecht. Het antwoord
op de vraag welk recht na inwerkingtreding van het nieuwe wetboek toepasselijk is
op een concrete proceshandeling of processituatie in lopende strafzaken – het nieuwe
of het oude recht – wordt bepaald door de regels van het overgangsrecht. Doordat het
nieuwe wetboek in één keer wordt ingevoerd, wordt de duur van het overgangsrecht zo
kort mogelijk gehouden. De in de invoeringswet op te nemen conceptbepalingen voor
het overgangsrecht van de Boeken 1 tot en met 8 zijn reeds met de betrokken ketenpartners
besproken. De invoeringswet regelt uiteindelijk het complete overgangsrecht voor alle
boeken van het nieuwe wetboek die zijn opgenomen in de vaststellingswetten. Ook de
aanvullingen en wijzigingen in het overgangsrecht die voortvloeien uit de eerste aanvullingswet
worden in de invoeringswet opgenomen.
Een tweede onderdeel van de invoeringswetgeving betreft de aanpassing van andere wetten
aan het nieuwe Wetboek van Strafvordering (aanpassingswetgeving). Het gaat om circa
130 andere wetten die worden gewijzigd, waaronder het Wetboek van Strafrecht, de Wet
wapens en munitie, de Wegenverkeerswet 1994 en de Opiumwet. In een aparte invoeringsrijkswet
worden de diverse wijzigingen in de rijkswetten doorgevoerd.
We streven ernaar de invoeringswet in het eerste kwartaal van 2026 in formele consultatie
te geven. De keuze om ook het overgangsrecht en de aanpassingswetgeving van de eerste
aanvullingswet op te nemen in de invoeringswet heeft ertoe geleid dat de formele consultatie
niet al in 2025 van start kon gaan. De formele consultatie van de invoeringsrijkswet
volgt later.
2.6 Planning wetgevingssporen
2.7 De algemene maatregelen van bestuur onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering
De eerste vaststellingswet bevat ruim 120 delegatiebepalingen. Ook in de tweede vaststellingswet
zijn diverse delegatiebepalingen opgenomen. Op basis hiervan moeten (nieuwe) algemene
maatregelen van bestuur worden opgesteld. De prioriteit ligt daarbij bij de uitvoeringsbesluiten
die voor de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek noodzakelijk zijn. Voor een aantal
delegatiebepalingen geldt, dat deze de mogelijkheid, en niet de verplichting, inhouden
om over een onderwerp nadere regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur. Voor een belangrijk deel betreft het omzetting en modernisering van bestaande
algemene maatregelen van bestuur onder het huidige wetboek.
In 2025 is verder gewerkt aan de concepten van deze algemene maatregelen van bestuur.
Het merendeel hiervan is al besproken met de betrokken ketenpartners. Een eerste tranche
met twaalf conceptbesluiten is op 31 oktober 2025 in formele consultatie gegeven.
Het gaat daarbij om de volgende conceptbesluiten:
• Kennisgeving van rechten in strafzaken;
• Slachtoffers van strafbare feiten;
• Algemene bepalingen van het opsporingsonderzoek;
• Aangifte en klacht;
• Inrichting en orde politieverhoor;
• Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens;
• Heimelijke bevoegdheden;
• Strafbeschikkingen;
• Oproepingsprocedure enkelvoudige kamer;
• Adviescommissie afgesloten strafzaken;
• Bevoegdheden van bijzondere aard;
• Aanwijzing Halt-feiten.
Wij streven ernaar om de tweede tranche met uitvoeringsbesluiten in mei 2026 gereed
te hebben voor formele consultatie. De noodzakelijke uitvoeringsbesluiten voor nieuwe
of aangepaste delegatiegrondslagen in de aanvullingswetten en de noodzakelijke invoeringsbesluiten
(waarin algemene maatregelen van bestuur die hun grondslag in andere wetten vinden
worden aangepast, en waarin zo nodig in overgangsrecht wordt voorzien) volgen zo spoedig
mogelijk daarna.
3. De structurele uitvoeringsconsequenties
Een nieuw Wetboek van Strafvordering heeft zowel structurele als incidentele effecten
in de praktijk. In deze paragraaf wordt ingegaan op de structurele uitvoeringsconsequenties
van het nieuwe wetboek die ontstaan na inwerkingtreding. De incidentele implementatiekosten
van het nieuwe wetboek komen in paragraaf 4 aan de orde.
De structurele werklasteffecten voor de strafrechtketenorganisaties van de wetsvoorstellen
worden in kaart gebracht in een ketenbrede werkgroep. Deze consequenties worden op
hoofdlijnen beschreven in de memories van toelichting bij de desbetreffende wetsvoorstellen.
In de memorie van toelichting bij de invoeringswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
wordt u geïnformeerd over het voorlopige beeld van de verwachte uitvoeringsconsequenties
van structurele aard. Dit beeld omvat de beide vaststellingswetten, de eerste aanvullingswet
en, voor zover mogelijk, de tweede aanvullingswet. De inhoud van de tweede aanvullingswet,
en daarmee ook de uitvoeringsconsequenties, kunnen op dat moment nog veranderen naar
aanleiding van de formele consultatie, het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State en de parlementaire behandeling.
Het onderzoek naar de effecten van het nieuwe wetboek wijst uit dat sprake zal zijn
van beperkte structurele meerkosten voor enkele organisaties, terwijl andere organisaties
rekening houden met meer- en minderkosten die per saldo op nul uitkomen. Dit beeld
zal de komende periode verder worden aangevuld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van
inzichten die voortvloeien uit de algemene maatregelen van bestuur en het uitwerken
van nieuwe werkprocessen.
Het bestaande beeld wordt jaarlijks herijkt.
Er zijn thans geen structurele middelen voor het nieuwe wetboek voorzien. Het uitgangspunt
is dat het nieuwe wetboek kansen biedt om (werk-)processen te stroomlijnen, efficiënter
te werken en gaat leiden tot kortere doorlooptijden van strafzaken. Hierdoor wordt
er vooralsnog vanuit gegaan dat het nieuwe wetboek budgetneutraal kan worden ingevoerd.
Mocht blijken dat er per saldo toch meerkosten gaan ontstaan, zullen keuzes gemaakt
moeten worden. Een van de maatregelen betreft het efficiënter inzetten van middelen
en de mogelijke aanpassing van de wetsvoorstellen op die onderdelen, zodat het nieuwe
wetboek per saldo zonder meerkosten kan worden ingevoerd. Hierover komt duidelijkheid
in de invoeringswet die naar verwachting in 2027 wordt ingediend bij de Tweede Kamer.
Voorafgaand aan de formele evaluatie van het nieuwe wetboek worden na inwerkingtreding
invoeringstoetsen ingezet om de werking van het nieuwe wetboek te monitoren en de
ervaringen in kaart te brengen die met het nieuwe wetboek worden opgedaan. De invoeringstoetsen
vinden 1 en 3 jaar na de inwerkingtreding plaats.
4. De implementatie
Begin 2024 is, na overleg tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de betrokken
ketenpartners, de streefdatum van inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
vastgesteld op 1 april 2029.14 In de voorgaande voortgangsrapportages is de organisatie beschreven waarmee de implementatie
wordt gerealiseerd. Hier wordt de huidige stand van zaken van de implementatiewerkzaamheden
aangegeven.
In 2024 hebben de organisaties hun (individuele) implementatieplannen opgesteld. Deze
zijn onderling uitgewisseld en besproken met het oog op de verdere samenwerking wat
betreft onderlinge afhankelijkheden. De organisaties hebben hun meerjarenbegrotingen
per 1 oktober 2025 geactualiseerd. Om zodoende de implementatieplannen met elkaar
te vergelijken en de samenhang scherper in beeld te krijgen. Een referentiekader,
dat samen met de Auditdienst is opgesteld, hielp bij deze uniformering. Op basis van
deze actualisatie zal het beschikbare budget in de komende jaren volledig benut worden.
Ten opzichte van het eindrapport van de commissie Letschert uit 2021 zijn echter veranderingen
ten aanzien van de implementatie opgetreden, zoals het verschuiven van de datum van
inwerkingtreding. Binnen het implementatieprogramma worden derhalve analyses uitgevoerd
en mogelijke passende maatregelen om de meerjarenbegrotingen ook in de toekomst in
balans te houden.
Mede op basis van de individuele plannen zijn een ketenplan en een ketenmijlpalenplanning
opgesteld. De fases die worden onderscheiden zijn:
o analyse,
o voorbereiding en realisatie,
o (centrale) implementatievoorbereiding, (lokale) implementatie en
o nazorg (na inwerkingtreding).
De organisaties zijn op dit moment vergevorderd in de analysefase. Zij inventariseren
welke aanpassingen in werkprocessen en systemen voor informatievoorziening moeten
worden uitgevoerd om voorbereid te zijn op het werken met het nieuwe wetboek. Na het
afronden van de analysefase in 2026 inventariseert het Ministerie van Justitie en
Veiligheid hoe de resterende middelen voor implementatie verdeeld worden over de ketenorganisaties
voor de komende jaren. Dit wordt verwerkt bij reguliere budgettaire besluitvormingsmomenten.
Uit adviesrapporten van de Adviescommissie ICT over het Business Informatieplan van
het Openbaar Ministerie (BIPOM) en het programma Basisplan Straf van de Rechtspraak
blijkt dat de totale veranderopgave op het terrein van informatievoorziening (IV)
in de strafrechtketen groot is. Deze IV-opgave zal in nauwe samenhang met het implementatietraject
van het nieuwe wetboek worden gerealiseerd. Als nieuwe systemen niet tijdig zijn ingevoerd,
zullen de huidige systemen moeten worden aangepast.
In de jaarlijkse voortgangsbrieven strafrechtketen15 is aangegeven dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid in de loop van 2024,
ter uitvoering van de motie Ellian c.s., stappen heeft gezet om de monitoring en coördinatie
vanuit het bestuursdepartement zowel intern als in relatie tot de strafrechtketen
te versterken. Het is van belang dat de ketendoelstellingen voor de strafrechtketen
voor alle organisaties transparant zijn in de jaaraanschrijvingen, én de bestuurlijke
afspraken tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de ketenorganisaties.
Op dit moment zijn de doelstellingen met betrekking tot de implementatie van het nieuwe
wetboek verwerkt in jaarplanaanschrijvingen, jaarplannen, kaderbrieven, subsidiebrieven
en bijdragebrieven aan ketenorganisaties. Voor de komende jaren wordt deze werkwijze
voortgezet en verbeterd.
De ketenorganisaties leggen via reguliere rapportages verantwoording af over de besteding
van toegekende middelen en de voortgang van de implementatie. Zo krijgen ketenorganisaties
en het ministerie knelpunten sneller in het vizier. Het ministerie biedt ondersteuning
en blijft tegelijkertijd de voortgang scherp monitoren.
De ketenorganisaties en het ministerie verschaffen zich ook met behulp van externe
expertise een beeld van de robuustheid van de gekozen aanpak voor en voortgang van
de implementatie van het nieuwe wetboek. De Auditdienst Rijk heeft daartoe geadviseerd
over de implementatie- en bestedingsplannen. Op aanvraag van de Eerste Kamer zal bovendien
advisering plaatsvinden door het Adviescollege ICT-toetsing. Daarbij wordt onder andere
de voorbereiding in de strafrechtketen op de noodzakelijke IT-aanpassingen beoordeeld
op slaagkans en risico’s. Naar aanleiding van de rapportage van dit adviescollege
in het voorjaar van 2026 wordt besloten of een aanvullende periodieke gateway review
noodzakelijk is. In volgende voortgangsrapportages informeren wij u over de inzichten
uit deze adviezen.
Eén van de randvoorwaarden voor implementatie van het nieuwe wetboek is dat een periode
van drie jaar nodig is na het stabiel worden van de wettekst om de noodzakelijke aanpassingen
te kunnen doorvoeren in systemen voor informatievoorziening en (keten)werkprocessen,
en om personeel op te leiden.
Mede aan de hand van de bevindingen van het Adviescollege ICT-toetsing wordt in het
voorjaar van 2026 een nieuwe inschatting omtrent tijdige gereedheid gemaakt.
Indieners
-
Indiener
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Medeindiener
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid