Brief regering : Rapport 'De meldplicht en metaaldetectie'
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 565
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 februari 2026
Hierbij stuur ik u het rapport De meldplicht en metaaldetectie, dat is opgesteld door
de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de Inspectie). Het betreft een
onderzoek naar het functioneren van de meldplicht die sinds 2016 geldt voor vondsten
gedaan door metaaldetectoramateurs. Middels deze brief geef ik u tevens mijn beleidsreactie
op dit rapport.
Achtergrond
Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016 werd een uitzondering op het opgravingsverbod
ingevoerd voor het zoeken naar (archeologische) vondsten met een metaaldetector. Hiermee
werd een bestaande praktijk voorzien van een juridische basis. Aan de uitzondering
werden voorwaarden verbonden, waaronder de plicht om archeologische metaalvondsten
(tijdig) te melden bij de Minister van OCW.1
Het doel en de verwachting van het op deze manier reguleren van metaaldetectie was
dat er minder vondsten in de illegaliteit zouden verdwijnen, meer vondsten gemeld
zouden worden en de informatie over deze gemelde vondsten toegankelijk(er) zou worden
voor onderzoek en publicatie.
Conclusies en aanbevelingen van de Inspectie
De Inspectie heeft onderzocht of de meldingsplicht voldoende functioneert en of de
doelen behaald worden. Ze stelt vast dat er sinds 2016 meer vondsten worden gemeld
en dat het aantal melders jaarlijks groeit. De Inspectie constateert echter ook dat
het aantal gemelde vondsten achterblijft bij het (geschatte) aantal metaaldetectoramateurs
en verwacht dat dit – zonder ingrijpen – de komende jaren zo zal blijven.
Op basis van deze bevindingen concludeert de Inspectie dat de meldplicht onvoldoende
functioneert. De Inspectie stelt dat het noodzakelijk is om hier verandering in aan
te brengen en adviseert mij daarom om:
• te komen tot inzet op het informeren van metaaldetectoramateurs over hun rechten en
plichten, in samenspraak met partners;
• organisaties zoals Portable Antiquities of the Netherlands (PAN) en DDA Nederlandse
Vereniging voor Metaaldetectie te betrekken en ondersteunen, omdat zij een belangrijk
rol hebben gespeeld bij bewustwording van het belang van melden en (daarmee) in het
vergroten van het aantal meldingen;
• te zoeken naar beleidsmatige of wettelijke mogelijkheden om de meldplicht te stimuleren
of desnoods strenger af te dwingen;
• te laten onderzoeken waarom vondsten niet (tijdig) worden gemeld.
Beleidsreactie
Het verleden is van ons allemaal. Door metaaldetectie onder voorwaarden toe te staan,
kan een grote groep mensen (vrijwillig) een bijdrage leveren aan de bestudering van
dat verleden. Het melden van detectievondsten is sinds 2016 duidelijk toegenomen en
diverse goede voorbeelden getuigen van de meerwaarde van deze verplichting. Denk hierbij
aan de vondst van ruim 400 gouden en zilveren munten in Bunnik uit het begin van de
jaartelling, die in het najaar van 2023 werd gemeld door twee metaaldetectoramateurs.2 Experts constateerden dat deze schatvondst het belang toont van de Neder-Germaanse
limes voor de Romeinse veroveringen in Britannia. De munten hebben inmiddels een prominente
plek gekregen in het Rijksmuseum van Oudheden.
Het stemt bovendien hoopvol dat het aantal melders jaarlijks toeneemt. Tegelijkertijd
laat het rapport van de Inspectie zien dat we er nog niet zijn. Met elke vondst die
niet gemeld wordt, verdwijnt immers een stukje kennis over ons gedeelde verleden.
Ik sluit mij dan ook aan bij de conclusie van de Inspectie dat hier verandering in
moet worden gebracht. Voor een deel ben ik hier al mee aan de slag.
Inzet op het informeren van detectoramateurs over rechten en plichten
De Inspectie raadt mij aan om inzet te plegen op het informeren van detectoramateurs
over hun rechten en plichten. Eind 2024 werd uw Kamer geïnformeerd over het traject
om te komen tot verbetering van de Erfgoedwet.3 In deze brief wordt reeds aangekondigd dat ik inzet op voorlichting om het melden
van vondsten te stimuleren en dat ik hierbij nauw samenwerk met netwerken van vrijwilligers
en beroepsarcheologen, zoals Archeohotspots en PAN.
Via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) ben ik doorlopend in gesprek met
leden van de «zoekersgemeenschap». Ik vraag de RCE om – samen met hen – te verkennen
hoe niet-melders beter kunnen worden bereikt, betrokken en geïnformeerd. Het is van
belang om hier ook gemeenten en provincies bij te betrekken, vanwege hun kennis van
de lokale situatie en eventuele aanvullende regelgeving.
Betrekken en ondersteunen van organisaties zoals Portable Antiquities of the Netherlands
(PAN) en de DDA
Vrijwilligers zijn ontzettend belangrijk voor de bestudering en instandhouding van
archeologisch erfgoed. Ik span mij er daarom sinds 2023 in het bijzonder voor in om
hun positie binnen het bestel te versterken, onder meer door het verlenen van subsidies
om verenigingen te versterken en door meer samenwerking binnen het werkveld te stimuleren.
Tegen de achtergrond van de ratificatie van het verdrag van Faro vindt bovendien tussen
de RCE en diverse organisaties veel kennisuitwisseling plaats ten aanzien van de rechten,
plichten en wensen van vrijwillige erfgoedbeoefenaars, onder andere via projecten
die ik heb gefinancierd vanuit de Uitvoeringsagenda Faro.4 Daarbij is ook aandacht voor metaaldetectie.5
Sinds de start van PAN in 2016 is dit initiatief uitgegroeid tot een stabiel netwerk
van zoekers, wetenschappers, erfgoedprofessionals, amateurarcheologen en (lokale)
musea, waarbinnen veel metaalvondsten worden gemeld. PAN vervult daarmee een belangrijke
brugfunctie tussen vrijwillige en professionele archeologiebeoefenaars. Ik hecht er
veel waarde aan dat dit netwerk een duurzame toekomst heeft.
Mede naar aanleiding van een motie van uw Kamer uit 2019, wordt PAN daarom sinds 2022
door OCW gefinancierd middels een subsidie van € 500.000 per jaar.6 OCW draagt bovendien jaarlijks € 65.000 bij aan de beheerskosten van het achterliggende
digitale systeem. Daarnaast investeer ik in de doorontwikkeling van PAN, zowel op
technisch als wetenschappelijk vlak. Zo heb ik eind 2025 subsidies verstrekt voor
groot onderhoud aan het systeem (€ 314.000) en voor de integratie van het zogenaamde
Deventersysteem in PAN, waarmee aardewerk uit scheepswrakken kan worden gemeld en
geregistreerd (€ 98.000). In 2022 werd reeds een subsidie verleend voor de inzet van
maritieme expertise binnen PAN (€ 70.065).
In de Kamerbrief met betrekking tot het verbeteren van de Erfgoedwet, is reeds aangekondigd
dat ik in de wet nader ga duiden welke rol de diverse digitale archeologische systemen
en platforms vervullen binnen het archeologiebestel. Het via deze weg verduidelijken
van de rol die PAN vervult binnen de meldingsplicht zal ook bijdragen aan de verdere
bestendiging van het netwerk.
Aanpassing beleidskader of wettelijke mogelijkheden
De aanbeveling om te zoeken naar beleidsmatige of wettelijke mogelijkheden om de meldplicht
te stimuleren of af te dwingen, betrek ik bij het traject om te komen tot verbetering
van de Erfgoedwet. In de genoemde Kamerbrief is reeds aangekondigd dat ik in ieder
geval de eigendomssituatie van toevalsvondsten zal gaan verduidelijken, omdat ik verwacht
dat dit een positieve bijdrage zal leveren aan naleving van de meldplicht. Ik ga binnen
dit traject verkennen wat er nog meer wenselijk en/of mogelijk is.
Onderzoek redenen voor niet (tijdig) melden
Om binnen het hierboven genoemde traject goede afwegingen te kunnen maken, is het
van belang om te weten waarom een deel van de vondsten niet (tijdig) wordt gemeld.
Ik probeer hier meer zicht op te krijgen, binnen het traject om te komen tot verbetering
van de Erfgoedwet.
Tot slot
Ik ben er trots op dat we in Nederland voortdurend kijken hoe we ruimte kunnen bieden
aan iedereen die een rol wil spelen in het opsporen, behouden en bestuderen van cultureel
erfgoed, waaronder detectoramateurs. Het is daarvoor wel van het grootste belang dat
zij zich houden aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de uitzondering waaronder
dit mogelijk is en hun archeologische vondsten melden. Ik ben er van overtuigd dat
de maatregelen in deze brief hier een positief effect op zullen hebben.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap