Brief regering : Stand van zaken en voortgang gewasbeschermingsbeleid
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 741
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 februari 2026
Hierbij informeer ik u over de voortgang van enkele dossiers op het gebied van gewasbescherming.
Eerst licht ik kort de context toe van deze dossiers.
Gewasbescherming is nodig om te komen tot een economisch gezonde landbouwsector en
een voldoende en betaalbare voedselproductie. Daarbij wordt uitgegaan van de beginselen
van geïntegreerde gewasbescherming (Integrated Pest Management/IPM), waarbij eerst wordt gekeken naar niet-chemische maatregelen en het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk wordt beperkt tot situaties waarin andere
opties onvoldoende toereikend zijn.
De maatschappelijke zorgen over het gebruik van chemische middelen nemen toe. Het
gaat daarbij onder meer om blootstelling van omwonenden, natuur en water. Tegelijkertijd
nemen de zorgen vanuit de agrarische sector toe omdat er minder chemische middelen
beschikbaar zijn vanwege aangescherpte toelatingscriteria en alternatieven uitblijven.
Als gevolg daarvan nemen knelpunten in plaag- en ziektebeheersing toe.
Het gewasbeschermingsbeleid richt zich in essentie op twee beleidsdoelen:
1. het terugdringen van de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen door
onder meer de ontwikkeling en stimulering van alternatieve teeltsystemen en technieken
(middellange tot lange termijn);
2. het verkleinen van mogelijke risico’s en effecten van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen
door onder meer innovatieve toepassingstechnieken die gebruik en emissies terugdringen
(korte tot middellange termijn).
Het gewasbeschermingsbeleid wordt mede vormgegeven met diverse maatschappelijke partijen,
via het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming. Het jaarplan 2025 is
in april 2025 gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 27 858, nr. 706). Het jaarplan 2026 is in ontwikkeling en zal binnenkort worden vastgesteld en eveneens
worden gedeeld met uw Kamer.
Het tweede beleidsdoel, dat vooral gaat over gewasbeschermingsmiddelen, wordt gerealiseerd
via drie sporen: de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, de toepassing van deze toegelaten middelen en toezicht op het juiste gebruik ervan.
De huidige brief gaat vooral over een aantal acties met betrekking tot de toelating
en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Toelating van gewasbeschermingsmiddelen
Verduurzaming stimuleren
Het toelatingsbeleid is sterk EU geharmoniseerd en vastgelegd in een verordening (Verordening
(EG) 1107–2009). Die verordening is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel, biedt een
hoge mate van bescherming voor mens, dier en milieu en wordt wereldwijd als één van
de strengste gezien. Alleen stoffen en middelen waarvan vooraf is vastgesteld dat
een veilig gebruik mogelijk is, mogen worden toegelaten waarbij het gebruik in wettelijke
voorschriften is vastgelegd.
Desondanks is het wenselijk dat middelen met een hoog risicoprofiel zoveel mogelijk
worden vervangen met middelen met een laag risicoprofiel. Hoog risicomiddelen hebben
een grotere kans dat bij herbeoordeling de goedkeuring wordt ingetrokken of aangescherpt
en er zijn meer mitigerende maatregelen nodig met meer risico op onjuist gebruik.
Middelen met een werkzame stof van natuurlijke en biologische herkomst worden na beoordeling
vaker ingedeeld als een laag risico middel.
Biologische gewasbeschermingsmiddelen
Mijn beleid is gericht op het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van
biologische gewasbeschermingsmiddelen en op samenwerking met gelijkgestemde lidstaten
om de markttoegang van deze middelen te verbeteren. In dit kader verwelkomt Nederland
het voorstel van de Europese Commissie om de markttoegang van deze middelen te versnellen,
als onderdeel van een breder voorstel tot vereenvoudiging van regelgeving op het gebied
van voedsel- en diervoederveiligheid (simplificatie omnibus). Ik heb uw Kamer op 8 december
2025 geïnformeerd dat dit simplificatie voorstel aanstaande was (Kamerstuk 27 858, nr. 737). Het Omnibus pakket1 is inmiddels gepubliceerd en op 18 december 2025 is hierover door uw Kamer een motie
van Kamerleden Podt (D66) en Bromet (GL/PvdA) aangenomen (Kamerstuk 21 501–32 nr. 1744). In deze motie wordt de regering verzocht om een kopgroep van EU-lidstaten te vormen
om te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen,
maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische
en risicovolle middelen verzwakken.
Het kabinet is op dit moment het Europese Omnibus voorstel aan het bestuderen en zal
vervolgens zoals gebruikelijk en zo spoedig mogelijk een BNC fiche naar de Kamer sturen.
In het BNC fiche zal rekening worden gehouden met het verzoek in deze motie.
Met bovengenoemde inzet geef ik ook uitvoering aan de motie van het lid Holman c.s.
(Kamerstuk 27 858, nr. 660)2 en de motie van het lid Nijhof-Leeuw c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 726)3, die ik hiermee als afgedaan beschouw. Verder heeft uw Kamer bij motie verzocht (Motie
Van der Plas, Kamerstuk 27 858, nr. 720)4 specifiek te kijken naar pilots en praktijkonderzoek bij boeren. Hierover ben ik
in gesprek met de sector. Ik zal uw Kamer over de uitkomst hiervan informeren.
Toelatingskader van chemische stoffen actualiseren aan nieuwe wetenschappelijke inzichten
Glyfosaat eenzijdig versus tweezijdig statistisch toetsen op carcinogeniteit
De bepaling of een stof kankerverwekkende (carcinogene) eigenschappen heeft, is onderdeel
van het Europese proces om te komen tot een geharmoniseerde classificatie en etikettering
van stoffen. Dit is een zorgvuldig Europees proces waarin zowel een publieke consultatie
als raadpleging van deskundigen plaatsvindt. Het Europese agentschap voor chemische
stoffen (ECHA) bepaalt uiteindelijk of een stof kankerverwekkende (carcinogene) eigenschappen
heeft of niet.
Het Ctgb is met verschillende wetenschappers in gesprek gegaan over de wijze waarop
de statistische analyse van de resultaten van wetenschappelijke dierstudies met betrekking
tot carcinogene eigenschappen wordt uitgevoerd. (Kamerstuk 27 858, nr. 711). De tweezijdige toets is momenteel de internationale wetenschappelijke standaard
om de carcinogene eigenschappen van stoffen statistisch te beoordelen. Na het gesprek
is gezamenlijk geconcludeerd dat een eenzijdige statistische toets het uitgangspunt
zou moeten zijn bij de beoordeling van de resultaten en dat het Ctgb dit internationaal
aankaart. Diezelfde wetenschappers concludeerden tegelijkertijd dat bij de beoordeling
van een stof álle beschikbare wetenschappelijke informatie over de carcinogeniteit
van een stof moet worden gewogen («weight of evidence» benadering) en dat een andere
manier van statistisch toetsen niet automatisch tot een andere conclusie leidt.
Bij de toxicologische beoordeling van glyfosaat is (mogelijke) carcinogeniteit uitgebreid
beoordeeld met deze «weight of evidence» benadering, in het licht van het Europees
vastgestelde beoordelingskader. Dossier is opgesteld met EFSA, EChA en de lidstaten.
Hierin zijn naast statistische significantie ook factoren als dosis-respons relatie,
biologische betekenis, consistentie van (tumor)bevindingen tussen de verschillende
studies meegenomen. Er is in deze «weight of evidence» benadering zowel éénzijdig
als tweezijdig statistisch getoetst, waarbij eenzijdige toetsing niet heeft geleid
tot een andere conclusie met betrekking tot carcinogeniteit van de stof glyfosaat.
In deze zin is reeds voldaan aan de motie Podt om «alsnog eenzijdig te toetsen op
het risico van kanker» (Kamerstuk 27 858, nr. 723). Ik beschouw de motie daarmee als afgedaan.
Het opnieuw beoordelen van alle wetenschappelijke carcinogeniteitsstudies van glyfosaat
is een besluit dat alleen door de Europese Commissie kan worden genomen en is, conform
de Verordening (EC) 1107/2009), alleen mogelijk wanneer hier wetenschappelijke aanleiding
toe is. Deze wetenschappelijke aanleiding ontbreekt nu, terwijl de conclusie dat glyfosaat
niet carcinogeen is stevig overeind blijft.
Uitsluiten niet-nalevers voor vrijstelling
In het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen van 15 mei 2025 heb ik mijn zorgen
uitgesproken over de NVWA-bevindingen over het hoge percentage van telers dat de voorschriften
die bij een vrijstelling horen, niet naleeft. Deze voorschriften zijn er om een veilige
toepassing van het vrijgestelde gewasbeschermingsmiddel te garanderen. Met dit gedrag
stellen die telers de gehele sector in een kwaad daglicht en zorgen voor een ongelijk
speelveld tussen Nederlandse telers. Mede om deze reden heb ik in het vorige debat
aangegeven dat ik «de mogelijkheden tot het uitsluiten van telers voor een eventuele
vrijstelling het jaar daaropvolgend wegens het niet naleven van toepassingsvoorschriften»
wilde onderzoeken (TZ202505–070).
In samenspraak met de NVWA, ben ik tot de conclusie gekomen dat er zowel juridische
als praktische bezwaren zijn om telers die in overtreding gegaan zijn, uit te sluiten
in het daaropvolgende jaar. Ik heb verschillende mogelijkheden verkend om op een andere
manier invulling te geven aan mijn voornemen. Hieruit zijn twee mogelijke opties naar
voren gekomen die verdere uitwerking behoeven. Dit zijn het versterken van het instrument
van gecontroleerde distributie en het verhogen van boetes. Ik zal deze opties de komende
tijd verder uitwerken om te bezien of deze haalbaar en wenselijk zijn en uw Kamer
over de uitkomst informeren.
Toepassing/gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Algemeen
Evaluatie Nationaal Actie Plan Duurzaam gebruik 2022–2025
De Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden 2009/128/EG (hierna: Richtlijn) verplicht
lidstaten om nationale actieplannen aan te nemen en deze periodiek te evalueren. De
afgelopen tijd heeft een nieuwe evaluatie plaatsgevonden, over de jaren 2022–2025,
door het bureau KWINK Groep (hierna: het bureau). In deze evaluatie is gekeken naar
de effectiviteit van de invulling van de volgende maatregelen in de Richtlijn, te
weten (de toepassing van) geïntegreerde gewasbescherming, bescherming van de waterkwaliteit
en van drinkwater, vermindering van gebruik en risico’s in specifieke gebieden, voorlichting
bij verkoop, informeren van het bredere publiek en monitoring. Hierbij stuur ik u
het evaluatierapport toe.
Uit het rapport blijkt dat er in de periode 2022–2025 en ook al in de periode daarvoor
wetten, regels en beleid waren waarmee Nederland invulling heeft gegeven aan deze
maatregelen in de Richtlijn. Het bureau constateert tegelijkertijd dat de effectiviteit
ervan in veel gevallen lastig vast te stellen is, doordat de informatiepositie beperkt
is. Ook resulteert de evaluatie volgens het bureau in een gedeeld beeld, bij de gesprekspartners
met uiteenlopende perspectieven, dat op vrijwel alle onderzochte maatregelen in de
toekomst nog acties nodig zijn, om de effectiviteit (verder) te verbeteren. Hiervoor
identificeert het bureau diverse richtingen voor de toekomst. Gelet op de demissionaire
status van dit kabinet, laat ik het aan mijn opvolger om met deze uitkomsten het actieplan
te hernieuwen, mede in het licht van de mogelijke beleidsvoornemens van een nieuw
kabinet.
Bovenstaande betekent niet dat lopende ontwikkelingen om de afhankelijkheid en emissies
van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen, stil staan. Hierna informeer ik uw
Kamer over enkele lopende dossiers op dit terrein.
Verbeteren zorgvuldig gebruik
Informatiepunt omwonenden
Het Ministerie van LVVN heeft verkend welke vorm van een informatiepunt voor omwonenden
van agrarische percelen, waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, passend
en haalbaar is. Er zijn gesprekken gevoerd met o.a. de VNG, NVWA, enkele GGD’s en
het Ctgb, om te bespreken wat er nodig is binnen bestaande initiatieven en om vragen
van omwonenden goed te kunnen beantwoorden. Naar aanleiding van de gesprekken is er
besloten een periodiek structureel overleg in te richten, waarin partijen elk kwartaal
actuele ontwikkelingen en gezamenlijke vragen van omwonenden kunnen bespreken. Daarnaast
is er gebleken dat er behoefte bestaat aan een helder overzicht van de rollen en verantwoordelijkheden
van alle betrokken partijen, zodat omwonenden duidelijkheid hebben over bij wie zij
met hun vragen terecht kunnen. Dit overzicht wordt begin 2026 beschikbaar gesteld
op een centrale webpagina genoemd «bestrijdingsmiddelen» van de rijksoverheid. Met
de uitvoering van deze twee acties beschouw ik dit deel van toezegging TZ202412–010,
gedaan naar aanleiding van het verzoek van het lid Podt (D66) tijdens het commissiedebat
gewasbeschermingsmiddelen op 27 november 2024, afgedaan.
Terugdringen gebruik chemische gewasbeschermingsmiddelen
De Afdeling advisering van de Raad van State (Afdeling RvS) heeft op 13 augustus 2025
een advies uitgebracht5 over het wijzigingsvoorstel van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
waarin het mogelijk zou worden om alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen te
verplichten (Kamerstuk 27 858, nr. 683 en nr. 711). De Afdeling RvS heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert het
besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast. Zij adviseert het ontwerpbesluit na
aanpassing opnieuw voor advies aan haar voor te leggen.
De belangrijkste bezwaren van de Afdeling RvS betreffen de onderbouwing van de beoogde
maatregelen en het niveau van de regelgeving. Allereerst is volgens de Afdeling RvS
in de toelichting bij het ontwerpbesluit onvoldoende onderbouwd hoe de voorgestelde
verplichting kan bijdragen aan de doelstelling van bevordering van alternatieven zoals
opgenomen in de Europese Richtlijn duurzaam gebruik. Uit de toelichting blijkt namelijk
niet onder welke omstandigheden uitsluitend niet-chemische alternatieven adequate
bescherming bieden tegen ziekten, plagen en onkruiden. Daarmee is nog niet bekend
in hoeverre de grondslag in de praktijk kan worden toegepast. Verder wijst de Afdeling
RvS erop dat op basis van het ontwerpbesluit niet kan worden vastgesteld voor wie
de verplichting tot het gebruik van alternatieven geldt en voor welke toepassingen
en teelten. Dit zijn evenwel belangrijke elementen, die dan ook ten minste op het
niveau van een algemene maatregel van bestuur (het ontwerpbesluit) dienen te worden
vastgelegd. Voor zover hiervoor nog nader onderzoek nodig is, dient dit te worden
verricht voorafgaand aan het vaststellen van het ontwerpbesluit. Op die manier kunnen
de belangrijke elementen van een verplichte alternatieve methode op het juiste regelgevingsniveau
worden geregeld. Met het oog op het advies van de Raad van State laat ik verdere besluitvorming
in dit dossier over aan een volgend kabinet.
Innovatieve toepassingstechnieken
Innovaties in toepassingstechnieken bieden perspectief om gebruik en emissies van
gewasbeschermingsmiddelen sterk te reduceren. Denk daarbij aan pleksgewijze en zelfs
afzonderlijke plantgerichte behandelingen, al dan niet in combinatie met ziekte- en
onkruidherkenningssystemen. Met behulp van diverse sectororganisaties, NVWA, Ctgb
en betrokkenheid van de WUR, worden binnen het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie
Gewasbescherming stappen gezet om nieuwe technieken en voorwaarden voor markttoegang,
gebruik en toezicht beter op elkaar af te stemmen. Ik heb tijdens het Commissiedebat
van 15 mei 2025 toegezegd uw Kamer te informeren over het overleg met de sector over
het wegnemen van knelpunten voor de inzet van precisietechnieken (TZ 202505–068).
Dit vergt zorgvuldigheid en enige tijd. Ik zal uw Kamer in 2026 nader informeren over
de voortgang van dit project.
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen in waterwingebieden
Voor de kwaliteit van het drinkwater is het belangrijk dat grondwater, bestemd voor
drinkwaterwinning, geen normoverschrijdende verontreinigingen bevat van chemische
stoffen. Ter bescherming van drinkwaterbronnen hebben provincies waterwingebieden,
grondwaterbeschermingsbieden en boringsvrije zones aangewezen. Waterwingebieden zijn
de gebieden binnen de grondwaterbeschermingsgebieden waar het grondwater voor drinkwater
gewonnen wordt. Deze waterwingebieden zijn deels in eigendom en beheer van de drinkwaterbedrijven.
Uit meetgegevens van provincies en drinkwaterbedrijven blijkt echter dat er toch werkzame
stoffen en metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen in normoverschrijdende gehaltes
worden aangetroffen in het diepere grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden en
in drinkwaterputten. Ik heb u hier eerder over geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 712, mei 2025).
Mijn ministerie is, zoals aangekondigd in die brief, met het ministerie IenW in overleg
met IPO/provincies over opties om normoverschrijdingen in grondwaterbeschermingsgebieden
(en de daarbinnen gelegen waterwingebieden) in de toekomst tegen te gaan. Dit in het
licht van de motie Tjeerd de Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 587). De mogelijkheden worden nu ambtelijk verkend en zullen in een later stadium in
een bestuurlijk overleg tussen LVVN, IenW en IPO/provincies worden besproken. Ik verwacht
u in het voorjaar van 2026 daarover nader te kunnen informeren.
Vervolgacties op uitspraak Raad van State over provinciaal handhavingsbesluit
Op 12 mei jl. heb ik u geïnformeerd over de uitspraak van de Raad van State van 2 april
2025, betreffende een provinciaal handhavingsbesluit op grond van de Wet natuurbescherming
over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt in Drenthe (Kamerstuk
27 858, nr. 710). Hierbij wil ik u informeren over het onderzoek dat sindsdien is uitgezet bij WUR,
en de contacten die er zijn met IPO, provincies en sectorpartijen.
Naar aanleiding van deze uitspraak van de Raad van State heb ik WUR verzocht om ondersteunend
onderzoek te doen om provincies te helpen bij hun besluitvorming. In het onderzoek
wordt geïnventariseerd wat bekend is over de aanwezigheid van stoffen in Natura 2000-gebieden,
de verspreiding van stoffen naar die gebieden, welke maatregelen kunnen zorgen voor
een reductie van emissies naar Natura 2000 gebieden en wat er bekend is over het (ecologisch)
effect van die stoffen op Natura 2000 gebieden. Het onderzoek zou dit voorjaar de
eerste antwoorden moeten opleveren. Op basis hiervan zal de vraag worden beantwoord
welke informatie nog ontbreekt en wat mogelijke vervolgonderzoeksvragen zijn. Tenslotte
is de WUR gevraagd om aanbevelingen te doen over de monitoring van stoffen in Natura
2000-gebieden.
De provincies zijn bevoegd gezag voor Natura 2000-gebieden en daarmee ook voor de
handhavingsbesluiten inzake deze gebieden. Het IPO zorgt voor nauw overleg tussen
provincies en met het Ministerie van LVVN hierover. Verschillende provincies ontwikkelen
beleid om op provinciaal niveau met de gevolgen van de uitspraak van de Raad van State
om te gaan, en delen deze informatie met andere provincies en mijn ministerie.
Partijen uit de primaire sector hebben mij laten weten zich zorgen te maken over de
gevolgen van de uitspraak van de Raad van State, en hebben om overleg gevraagd. Dit
overleg met LVVN heeft plaats gevonden, in aanwezigheid van IPO en provincie Drenthe,
en zal opnieuw plaats vinden zodra de eerste (tussen) resultaten van het onderzoek
van de WUR bekend zullen zijn.
Overig
Rol Ctgb bij juridische procedures
In verschillende civiele rechtszaken hebben rechters uitspraken gedaan die ook raken
aan het Europese toelatingsbeleid en de nationale invulling daarvan door het Ctgb.
Rechters doen dan over het algemeen uitspraken op basis van door de civiele partijen
aangeleverde informatie (lijdelijkheid6). In algemene zin benadruk ik het goed benutten van het Ctgb als gerenommeerd en
erkend kennisinstituut op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, dus niet alleen
in rechtszaken en procedures. Ik ben van mening dat het goed is als het Ctgb als kennisinstituut
bij rechtszaken wordt betrokken, zeker in procedures die het toelatingskader voor
gewasbeschermingsmiddelen raken. Eén of beide civiele partijen kunnen overwegen om
de rechter te vragen om een onafhankelijk instituut, zoals het Ctgb, te raadplegen
of informatie te laten verstrekken. Het instituut levert dan geen informatie namens
de civiele partij maar onafhankelijk op verzoek van de rechter. Het daadwerkelijk
raadplegen van het Ctgb in een procedure betreft echter steeds een afweging van de
desbetreffende onafhankelijke rechter waar ik niet in kan of wil treden. Daarmee doe
ik de motie van lid Flach af (Kamerstuk 27 858, nr. 727) over bij geschillen over gewasbeschermingsmiddelen eerder het Ctgb als onafhankelijke
deskundige raadplegen.
Gewasbeschermingsknelpunten
Ik heb uw Kamer tijdens het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen van 15 mei 2025
toegezegd de lijst met actuele gewasbeschermingsknelpunten te voorzien van een nadere
toelichting (TZ202505–067). De sector is verzocht om aanvullend op de eerder door
haar geleverde lijst informatie per knelpunt aan te leveren. Uit het opgestelde overzicht
blijkt dat de knelpunten zich vooral concentreren op het gebied van onkruidbeheersing
en de beheersing van insecten. De knelpunten zijn volgens de sector vrijwel uitsluitend
ontstaan door het vervallen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. In een
aantal gevallen had de sector hier overigens wel eerder op kunnen anticiperen.
De sector zet breed in op onderzoek om tot oplossingen te komen van deze knelpunten.
Binnen het Uitvoeringsprogramma toekomstvisie gewasbescherming 2030 wordt hier regelmatig
over gesproken met als doel ervaringen uit te wisselen tussen sectoren, adviseurs,
distributeurs en beleidsmakers. Daarbij worden veel oplossingen gezocht rondom de
inzet van biologische bestrijding. Hierin ondersteun ik waar mogelijk de sector, bijvoorbeeld
door het (mede-)financieren van onderzoeken via publiek-private samenwerkingen (PPS).
In het geval dat het onderzoek op korte termijn geen oplossing kan bieden, kan de
sector bij een plantenziektekundige noodsituatie een aanvraag doen om een niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddel tijdelijk te mogen gebruiken, een zogeheten artikel 38 vrijstelling.
Als de NVWA en het Ctgb beiden positief adviseren over de aanvraag, zal ik er voor
kiezen de vrijstelling te verlenen. Waar nodig zal ik daarbij wel rekening houden
met de eerder in deze brief genoemde beperkte nalevingscijfers.
Bijlage 1 bevat de lijst met knelpunten (2025) met een toelichting van de sector,
opgesplitst in knelpunten voor voedselgewassen, gecombineerde knelpunten voor voedselgewassen
en sierteelt en knelpunten voor sierteelt en boomteelt.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Indieners
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur