Brief regering : Digitalisering en Leermiddelen in het funderend onderwijs
32 034 Digitale leermiddelen
Nr. 72
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 februari 2026
Intelligente technologie zal onze economie en samenleving fundamenteel transformeren.
AI speelt nu al een steeds grotere rol in hoe we werken, leren en beslissingen nemen.
De strategische investeringen in de digitale fundamenten van onze samenleving zullen
onze toekomstige welvaart en weerbaarheid bepalen.1
Zoals de Onderwijsraad in 2022 al voorspelde, verandert intelligente technologie ook
het onderwijs fundamenteel.2 Nu, ruim drie jaar later, zien we dat AI is doorgedrongen in alle lagen van het onderwijs.
Leerlingen gebruiken generatieve AI voor huiswerk en toetsvoorbereiding. Ze krijgen
kennis en vaardigheden mee om zich optimaal te kunnen ontplooien in een innovatieve
economie en een sterke democratie. Intelligente technologie kan ook leerkrachten ondersteunen.
Leraren experimenteren met AI bij nakijken en lesontwerp. Daarmee kunnen lesmethodes
worden aangepast aan het tempo en de interesses van elk kind, zodat meer tijd overblijft
voorandere zaken.3
Structurele samenwerking vereist
Om de kansen van intelligente technologie voor beter onderwijs te benutten, is het
volgende nodig:
– Bestuurders moeten een visie hebben op de integratie van technologie in het onderwijs
die past bij onze waarden.
– Scholen moeten veilige (digitale) voorzieningen bieden.
– Leerkrachten moeten digitale vaardigheden hebben om intelligente technologie verantwoord
te benutten in de les.
De uitdaging om deze voorwaarden te realiseren is te belangrijk en te veelomvattend
om de onderwijspartners alleen in te laten staan. Scholen moeten kunnen bouwen op
een toekomstvaste infrastructuur van (publieke) voorzieningen en afspraken. Dit vraagt
om samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en wetenschap.
We zijn met Groeifondsprogramma’s als NOLAI, Edu-V en Impuls Open Leermateriaal op
de goede weg. Maar dit zijn tijdelijke investeringen en AI in het onderwijs is geen
tijdelijk experiment, maar een structurele transformatie. De vraag is niet óf technologie
het onderwijs verandert, maar onder welke voorwaarden. De komende periode staan we
voor een belangrijke keuze: nú richting geven of later noodgedwongen ingrijpen.
Naar een actieplan digitalisering funderend onderwijs
Ik wil met de onderwijspartners regie nemen. Het is mijn overtuiging dat een verstandige
inzet van technologie in het onderwijs onmisbaar is voor een innovatief en weerbaar
Nederland. Maar dan moeten we hier wel grip op houden. We moeten de kansen van technologie
benutten, zonder ons aan de macht van deze technologie te onderwerpen. Dit vraagt
structurele aandacht, samenwerking en ondersteuning.
Daarom heb ik opdracht gegeven om een actieplan digitalisering funderend onderwijs
op te stellen met het onderwijs, kennisinstellingen, expertorganisaties en private
partijen. Voor de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang.
Lopende acties
In de tussentijd hebben we al belangrijke stappen gezet om technologie in dienst te
stellen voor beter onderwijs. Hieronder informeer ik u over de volgende zaken:
– Kwaliteit en toegankelijkheid van leermiddelen
– Meer keuzevrijheid in aanbiedingsmodellen en een bewuster leermiddelenbeleid
– Leveringsbetrouwbaarheid van leermiddelen
– Versterking van schoolbesturen door samenwerking in SIVON
– Alternatieven voor Big Tech
– Kinderrechten Impact Assessments
Met deze brief probeer ik te voldoen aan een aantal moties en toezeggingen. Ze komen
uit het commissiedebat Digitalisering en leermiddelen van 3 april 2025 en het tweeminutendebat van 22 mei 2025.4 Ik kom hiermee tegemoet aan het verzoek van uw Kamer om u hierover voor de begrotingsbehandeling
te informeren. In de uitwerking heb ik goed gekeken naar het Leermiddelenmanifest5, waarin een brede coalitie van onderwijspartijen aandacht vraagt voor de urgente
problemen op de leermiddelenmarkt.
Kwaliteit van leermiddelen
Leermiddelen verschijnen steeds vaker in hybride combinaties van digitale en papieren
componenten. De kwaliteit daarvan is beperkt inzichtelijk. Met het nieuwe curriculum
voor de deur hebben leraren geactualiseerde leermiddelen nodig. Ik vind het belangrijk
dat iedereen die lesmateriaal maakt – leraren, uitgevers, of organisaties die open
materiaal ontwikkelen – handvatten krijgen om de kwaliteit daarvan inzichtelijk te
maken en te verhogen. Leraren worden hiermee in staat gesteld om het meest passende
lesmateriaal te kiezen en optimaal in te zetten voor hun leerlingen.
De afgelopen tijd zijn hierin belangrijke stappen gezet. Leraren gebruiken steeds
vaker eigen of open leermiddelen. Het is van belang dat leraren in staat worden gesteld
om open leermiddelen kwalitatief goed te ontwikkelen en effectief toe te passen. Daarom
ben ik verheugd te kunnen melden dat het Nationaal Groeifonds € 38 mln. heeft toegekend
aan OCW voor het programma Impuls Open Leermateriaal. Hiermee kan het project zich
onder andere richten op de ontwikkeling van leermateriaal voor specifieke doelgroepen,
zoals het gespecialiseerd onderwijs, het betrekken van meer scholen en professionele
ontwikkeling voor leraren in samenwerking met lerarenopleidingen.
In vervolg op het onafhankelijke adviesrapport van ABDTopConsult6, over de inrichting en governance van een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen,
heeft een brede coalitie van onderwijspartijen de handen ineengeslagen om deze alliantie
vorm te geven. Het doel is om de kwaliteit en toegankelijkheid van leermiddelen structureel
te verbeteren.
Daarnaast heb ik het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) en Stichting Leerplan
Ontwikkeling (SLO) de opdracht gegeven om in nauwe afstemming met deze alliantie een
landelijk kwaliteitskader voor leermiddelen te ontwikkelen. Dit kwaliteitskader ondersteunt
scholen bij het beoordelen, selecteren en ontwikkelen van leermiddelen en geeft inzicht
in de kwaliteit ervan.
Het generieke deel van het kwaliteitskader is vanaf het voorjaar van 2026 beschikbaar
voor leermiddelenmakers en scholen, zodat dit aansluit bij de vernieuwing van kerndoelen
en eindtermen. Daarna wordt het kwaliteitskader doorontwikkeld en waar nodig van vakspecifieke
aanvullingen voorzien. Te beginnen met taal en rekenen/wiskunde, gevolgd door digitale
geletterdheid (conform de toezegging aan uw Kamer) en burgerschap.
Parallel werken de partijen die betrokken zijn bij de kwaliteitsalliantie uit welke
maatregelen behulpzaam zijn bij de implementatie. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken
naar de gewenste mate van sturing en naar mogelijke aanvullende manieren om de toepassing
van het kader te bevorderen. Het gebruik van een keurmerk wordt hierin meegenomen,
waarmee ik invulling geef aan de toezegging aan uw Kamer.
Ik ondersteun partijen hierbij met raad en daad. Zo faciliteer ik de ontwikkeling
van de Open Keuzecatalogus. Deze maakt het volledige aanbod van leermiddelen inzichtelijk
met zowel bibliografische als onderwijskundige kenmerken en biedt ruimte voor beoordelingen
van docenten en vaksecties.7 Hiervoor heb ik € 1,4 mln. beschikbaar gesteld. Hiermee geef ik tevens invulling
aan de motie van het lid Oostenbrink.8
Met de inrichting van de kwaliteitsalliantie en de ontwikkeling van een landelijk
kwaliteitskader zetten we, met breed draagvlak in de onderwijssector, een belangrijke
stap richting meer grip en beter onderbouwde keuzes voor leermiddelen in het onderwijs.
Daarmee geef ik invulling aan de motie van het lid Kisteman9 en toezeggingen aan uw Kamer in dit kader.
Toegankelijkheid van leermiddelen
De kwaliteit van leermiddelen is nauw verbonden met de toegankelijkheid hiervan voor
alle leerlingen, ook voor degenen met een ondersteuningsbehoefte. Dit voorjaar worden
de uitkomsten verwacht van de nulmeting van de toegankelijkheid van leermiddelen.
Na afronding zal uw Kamer over de resultaten worden geïnformeerd, conform de gedane
toezegging.
De nulmeting wordt uitgevoerd door KBA Nijmegen in samenwerking met Expertisecentrum
Nederlands en Stichting Accessibility en brengt in kaart hoe toegankelijk de huidige
leermiddelen zijn, zowel digitaal als folio (papier), voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften
en welke vervolgstappen nodig zijn om eventuele knelpunten structureel op te lossen.
Op basis van deze bevindingen maak ik samen met de sector vervolgafspraken om de toegankelijkheid
van leermiddelen te verbeteren. Ook ben ik in gesprek met de deelnemers van de rondetafel
«Toegankelijk publiceren» over mogelijkheden om de toegankelijkheid van leermiddelen
ook op korte termijn te verbeteren, bijvoorbeeld door het delen van goede voorbeelden
onder uitgevers te stimuleren.10
Meer keuzevrijheid in aanbiedingsmodellen en een bewuster leermiddelenbeleid
De moties van de leden Rooderkerk en Soepboer11 Oostenbrink12, Haage13 en Soepboer en Rooderkerk14 verzoeken de regering om maatregelen te treffen ter verbetering van de marktwerking
in de leermiddelenmarkt. Uw Kamer wil voorkomen dat scholen verplicht raken om leermiddelen
uitsluitend via het LiFo-model15 af te nemen en vraagt alternatieve modellen te stimuleren, het gebruik van wegwerpboeken
drastisch te verminderen en duurzame alternatieven te stimuleren. Waar de markt niet
tot oplossingen komt, verzoekt uw Kamer tot regulering over te gaan.
Ik vind het van groot belang dat er meerdere aanbiedingsmodellen beschikbaar zijn,
zodat scholen goede, betaalbare en duurzame keuzes kunnen maken. Daarom verken ik
hoe de markt gereguleerd kan worden om een goede marktwerking te borgen. Samen met
mijn collega van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) laat ik onderzoek uitvoeren
naar de marktwerking en de instrumenten die beschikbaar zijn om deze te verbeteren.
Uw Kamer ontvangt de resultaten van dit onderzoek voor de zomer van 2026. De resultaten
worden gedeeld met de Autoriteit Consument en Markt (ACM), die parallel werkt aan
een onderzoek naar de leermiddelenmarkt.
Kennisnet, SIVON en de branchevereniging van educatieve uitgevers (MEVW) zijn met
elkaar in gesprek gegaan over aanbiedingsmodellen in het voortgezet onderwijs. Knelpunten
rond het nu gangbare LiFo-model en oplossingsrichtingen zijn in beeld gebracht met
scholen, aanbieders, experts, de VO-raad en OCW. SIVON en de MEVW hebben vervolgens
gewerkt aan een set aanbevelingen voor alle betrokken partijen. Zowel aanbieders als
scholen erkennen dat de sleutels voor verbetering zich aan beide zijden (vraag en
aanbod) bevinden. Ook de VO-raad schaart zich achter deze aanbevelingen en trekt samen
met SIVON en de MEVW op om deze in de praktijk te brengen.
Uitgevers hebben de ambitie om alleen in leermiddelen te voorzien die scholen daadwerkelijk gebruiken om goed onderwijs te bieden. Ongebruikte leermiddelen in de oud-papierbak,
niet-gebruikte licenties en overstapboetes horen daar niet bij. Daarom heeft de MEVW
haar leden aanbevolen om:
1. overstapboetes per 1 januari 2027 af te schaffen, wanneer scholen binnen de looptijd
van een contract willen overstappen op een andere methode;
2. desgevraagd meer flexibiliteit in het LiFo-model aan te bieden door componenten van
het LiFo-model ook in andere combinaties of los aan te bieden;
3. extra opties beschikbaar te stellen als scholen daarom vragen, bijvoorbeeld eenjaarslicenties
in aanvulling op de bestaande, langduriger contractvormen en meer variatiemogelijkheid
in de gebruiksduur van (papieren) lesmateriaal;
4. meer transparantie in kwaliteit, prijsopbouw, en marges te bieden.16
Meer keuzevrijheid biedt ook de kans om daar gebruik van te maken. Daarom beveelt
SIVON aan haar leden aan om:
1. langs een doordacht keuzeproces leermiddelen te kiezen en te werken aan curriculumbewustzijn;
2. te benutten wat gekocht is, uiteraard passend bij de lespraktijk. Om de mogelijkheden
van lesmateriaal optimaal te benutten is de aanbeveling om gebruik te maken van de
begeleidende en verklarende hulpmiddelen van de uitgever;
3. meer bewust aandacht te besteden aan de balans tussen papier en digitaal en het gebruik
van open materiaal;
4. het gebruik van leermiddelen regelmatig te evalueren en leerlingen te vragen zuinig
te zijn op hun boeken, zodat deze langer gebruikt kunnen worden.
Doordachte keuzes en een tijdige en voorspelbare vraag gaan helpen bij meer regie
van het onderwijs en een betere samenwerking met aanbieders. Op basis van de ervaringen
en gesprekken in het voortgezet onderwijs zijn SIVON en MEVW gestart met een vergelijkbare
serie gesprekken over het primair onderwijs. Ook voor het primair onderwijs is het
doel te komen tot een concrete set aanbevelingen, die met steun van de betrokken partijen
opgevolgd kunnen worden door leveranciers en scholen.
Het is goed en nodig dat uitgevers aan de slag gaan met deze aanbevelingen, ook in
het kader van de herziening van het curriculum. Ik reken erop dat uitgevers substantiële
verbeteringen in hun aanbiedingsmodellen doorvoeren, zodat scholen meer te kiezen
hebben uit geactualiseerd lesmateriaal zonder dat dit leidt tot onnodige kostenstijging.
En wanneer die mogelijkheden er zijn, verwacht ik dat scholen deze serieus overwegen
in hun doordachte keuzeproces. Hiermee geef ik invulling aan de toezegging aan uw
Kamer inzake de betaalbaarheid van leermiddelen in het kader van het vernieuwde curriculum.
Ik volg de ontwikkelingen op de voet en heb met de MEVW,SIVON, PO-Raad en de VO-Raad
afgesproken dat zij OCW jaarlijks inzicht geven in de voortgang en concrete resultaten,
die ik met uw Kamer zal delen. SIVON en de MEVW zullen onder hun leden daartoe informatie
verzamelen over de voortgang die besproken kan worden in het overleg. Op basis van
de vorderingen en de uitkomsten van het ACM-onderzoek besluit ik op welke wijze ik
verder ga met overheidsregulering.
Leveringsbetrouwbaarheid leermiddelen
De laatste jaren beschikten te veel leerlingen in het voortgezet onderwijs niet op
tijd over hun leermiddelen; een onwenselijke situatie. SIVON, MEVW en de Vereniging
van Educatieve Distributeurs Nederland (VEDN) hebben daarom een convenant afgesloten
met afspraken om de leveringsbetrouwbaarheid van leermiddelen te vergroten. Daarin
zijn maatregelen opgenomen zoals een leermiddelenkalender, afspraken over de bestel-
en levercyclus, inclusief het tijdig aanleveren van lijsten en het op orde hebben
van leerlingadministratiesystemen door scholen.
De afspraken werken goed. Ze zijn recent aangescherpt en met een jaar verlengd. De
betrokken partijen zijn tevreden met de afspraken en zien de werking ervan met vertrouwen
tegemoet. Ik heb uw Kamer toegezegd te bezien of het convenant zich leent om ook prijs
en transparantie hierin te betrekken. In het convenant zijn afspraken gemaakt over
een transparante bevoorschottingsystematiek, zodat scholen garanties hebben over de
voorschotten die zij betalen. Andere aspecten rond prijs en transparantie van leermiddelen
zijn ondergebracht in de hierboven beschreven acties rond kwaliteit en aanbiedingsmodellen,
waarmee de toezegging aan uw Kamer afgedaan is om het gesprek met SIVON en andere
partijen breder te trekken. Als het gaat om prijs en transparantie zijn afspraken
tussen scholen en uitgevers nodig. Deze worden door de betrokken partijen verder voorbereid
en uitgewerkt.
Versterking van schoolbesturen door samenwerking in SIVON
Met de toenemende digitale transitie in het onderwijs neemt de invloed van grote leveranciers
van leermiddelen en educatieve technologie op het onderwijs toe. Hiermee ontstaat
voor scholen en schoolbesturen een complex vraagstuk. De producten van deze leveranciers
kunnen het onderwijs op innovatieve wijze ondersteunen en verbeteren. Tegelijkertijd
roept het vragen voor scholen op, bijvoorbeeld hoe deze leveranciers omgaan met privacy,
controle over gegevens en de veiligheid van deze toepassingen. In bredere zin rijst
de vraag in hoeverre scholen voldoende regie hebben over het marktaanbod van digitalisering
en leermiddelen bezien vanuit de onderwijsbehoefte en publieke waarden.
Scholen willen meer zeggenschap hebben over het aanbod van marktpartijen, zowel wat
de inhoud en functionaliteiten van de producten betreft, als de voorwaarden ten aanzien
van prijs en kwaliteit waaronder deze geleverd worden. Als individueel schoolbestuur
is het lastig om hier invloed op uit te oefenen, of over te stappen naar een andere
leverancier. Daarom is het van groot belang dat schoolbesturen hierin samen optrekken.
Samenwerking in een coöperatie zou in mijn optiek dan ook een vanzelfsprekende zaak
voor schoolbesturen moeten zijn. De coöperatie SIVON behartigt de collectieve belangen
van de aangesloten schoolbesturen richting de leveranciers en zet zich in voor een
gezonde markt. Gezamenlijk kunnen schoolbesturen via SIVON hun functionele wensen
expliciet maken en publieke waarden vertalen naar concrete eisen.
Inmiddels is een substantieel deel van schoolbesturen lid: SIVON representeert nu
ruim 40% van schoolbesturen en zodoende 70% van alle leerlingen. Daarmee heeft SIVON
flinke slagkracht in de vraagarticulatie op de markt. De motie van het lid Haage17 roept de regering op om met SIVON en Kennisnet in gesprek te gaan over structurele
financiering van projecten zoals Veilig Internet en over wat er nodig is om scholen
standaard lid te maken van SIVON. Ik subsidieer de opbouw van de Dienst Veilig Internet
in ieder geval tot medio 2030.18 Bovendien kan SIVON op basis van het draagvlak in de sector ook activiteiten ontplooien
die ten goede komen aan álle schoolbesturen, zoals het uitvoeren van privacy- en gevensbeschermingstoetsen
(DPIA’s) namens de leden op producten van grote technologiebedrijven. Ik subsidieer
SIVON voor de periode 2026–2029 met € 8 mln. voor dergelijke activiteiten voor de
hele sector.19
Daarnaast voer ik regelmatig overleg met SIVON en Kennisnet waarbij de ondersteuningsbehoefte
van scholen bij het geven van goed digitaal onderwijs centraal staat. Ik vind het
belangrijk dat scholen optimaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van SIVON.
Lidmaatschap van een coöperatie is in essentie vrijwillig. Een sterk SIVON is gebaat
bij schoolbesturen die lid worden en actief participeren in de coöperatie vanuit de
overtuiging dat het lidmaatschap zowel de eigen scholen ten goede komt, als ook het
collectief versterkt en daardoor waarde heeft voor de hele sector. Daarom roep ik
alle nog niet aangesloten schoolbesturen op om lid te worden van SIVON. Het is mijn
stellige overtuiging dat organisaties als Kennisnet en SIVON de komende jaren van
groot belang zijn om de digitale transitie in goede banen te kunnen leiden.
Afhankelijkheden van grote techbedrijven
De producten van grote techbedrijven zoals Microsoft en Google worden in het onderwijs
veel gebruikt. Ze zijn gebruiksvriendelijk en gunstig geprijsd. Naarmate deze producten
steeds verder met het primaire proces van het onderwijs verweven raken, komen ook
de afhankelijkheden en risico’s nadrukkelijker naar voren.
Onderzoeksbureau Dialogic heeft de huidige stand van zaken ten aanzien van dienstverlening
door grote techbedrijven in het funderend onderwijs in kaart gebracht. Daarbij heeft
Dialogic scenario’s uitgewerkt om in de Nederlandse onderwijscontext de beschikbaarheid
en het gebruik van alternatieven voor bigtech-toepassingen te kunnen stimuleren. Dit
onderzoek «Alternatieven voor bigtech-toepassingen in het funderend onderwijs» is als bijlage bij deze brief meegestuurd. Dit onderzoek is een vervolg van een
eerste verkenning naar de afhankelijkheid van grote techbedrijven in het funderend
onderwijs, waarover uw Kamer met de brief van 22 november 2024 is geïnformeerd.20
De inventarisatie van it-toepassingen toont een dominante positie van dienstverlening
door grote techbedrijven in het funderend onderwijs. Publieke waarden zoals privacy
en autonomie komen in het gedrang en er ontstaan vendor- en data lock-ins. Netwerkeffecten
en schaalvoordelen leiden tot knelpunten rondom toetreding, keuzevrijheid en overstapmogelijkheden.
Er zijn vooral afhankelijkheden in het geval van gegevensopslag in de cloud en bij
platforms die het mogelijk maken om samen te werken en bestanden uit te wisselen.
Voor de totaaloplossingen die grote techbedrijven bieden, bestaan op dit moment geen
één-op-één alternatieven. De afhankelijkheden zijn complex en de oplossing hiervan
overstijgt de mogelijkheden van het funderend onderwijs alleen. Het vraagt samenwerking
tussen onderwijssectoren, op nationaal niveau en in EU-verband en handelingsperspectieven
op langere termijn vragen nieuw beleid en bijbehorende financiering.
Tegelijkertijd vind ik het van groot belang om nu al te doen wat mogelijk is. De eerste
belangrijke stappen op korte termijn liggen op het terrein van het stimuleren van
bewustwording over afhankelijkheden van grote techbedrijven en het stimuleren van
alternatieven. SIVON heeft in 2025 een pilot uitgevoerd met een zogenoemde Open Source
Program Office (OSPO).21 Dit OSPO ondersteunt schoolbesturen om bewuste keuzes te maken tussen alternatieven,
inzicht te krijgen in maatregelen die daarbij nodig zijn om continuïteit en privacy
te borgen, en zich bewust te worden van de gevolgen als producten van grote techbedrijven
niet meer beschikbaar zijn. In een context van toenemende geopolitieke onzekerheid
vind ik het van groot belang om hierop door te pakken. Daarom verleng ik de subsidie
voor het OSPO zodat het werk kan maken van de aanbevelingen van Dialogic. Het OSPO
zal bijdragen aan bewustwording van schoolbesturen, inkoopvoorwaarden aanscherpen
en aanvullende marktconsultaties doen. Schoolbesturen die aan de slag willen met alternatieven
voor grote techbedrijven, kunnen bij het OSPO terecht voor ondersteuning.
Voor een substantiële beweging naar het verminderen van afhankelijkheden en het vergroten
van aanbod en gebruik van alternatieven zijn structurele maatregelen en investeringen
nodig. Op dit moment loopt vervolgonderzoek van Dialogic naar afhankelijkheden van
grote techbedrijven in de andere OCW-sectoren. De uitkomsten hiervan komen naar verwachting
in het eerste kwartaal van 2026 beschikbaar. Voor de zomer van 2026 ontvangt uw Kamer
op basis hiervan een uitgebreidere OCW-visie op de handelingsperspectieven voor de
langere termijn ten aanzien van dit vraagstuk.
Kinderrechten Impact Assessments
Op 4 september 2025 heeft de Staatssecretaris van BZK een brief22 aan uw Kamer verzonden over de Kinderrechten Impact Assessments (KIA’s)23. BZK heeft het instrument achter de KIA doorontwikkeld en in de brief is een aantal
resultaten van het KIA met uw Kamer gedeeld. Ik heb met SIVON afgesproken om het instrument
ook toe te passen in de reeds bestaande processen voor het toetsen van digitale onderwijsproducten.
Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Ceder.24
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
Ondertekenaars
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap