Brief regering : Kabinetsreactie rapport ‘Levensduurverlenging loont’
32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid
Nr. 398
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 februari 2026
CE Delft heeft in april 2025, in opdracht van Natuur en Milieu, het onderzoek «Levensduurverlenging
loont» gepubliceerd, met daarin aanbevelingen over de levensduurverlenging van consumentenelektronica.1 De Kamer heeft gevraagd om een beleidsreactie op het rapport2. Met deze brief wordt die toezegging afgedaan.
Natuur en Milieu vindt dat het huidige circulaire economiebeleid zich met name richt
op recycling en te weinig inzet op reparatie en refurbishment. Om deze reden heeft Natuur en Milieu CE Delft de opdracht gegeven om de socio-economische
effecten te beoordelen van een nationaal beleidspakket dat bijdraagt aan levensduurverlenging
van consumentenelektronica. Het rapport stelt dat er door de inwerkingtreding van
de Europese Ecodesign Verordening3 en de Reparatie-richtlijn4 nieuwe kansen ontstaan om levensduurverlenging van consumentenelektronica op te schalen.
In het rapport worden zes maatregelen behandeld die als kansrijk worden gezien en
daarom zijn doorgerekend.
In deze brief wordt eerst de bredere context geschetst waarbinnen de aanbevelingen
worden gedaan. Daartoe ga ik in op het bestaande beleid voor elektrische en elektronische
apparaten, één van de prioritaire productgroepen in het kader van het Nationaal Programma
Circulaire Economie (NPCE). Bij de aanpak in dit kader speelt levensduurverlenging
namelijk een belangrijke rol. Daarbij wordt ingezet op het bevorderen van hogere circulariteitsstrategieën
zoals reparatie en refurbishment. Vervolgens verduidelijk ik de Nederlandse garantiewetgeving,
omdat het rapport op dat vlak enige nuancering behoeft. Tot slot reageer ik op de
individuele aanbevelingen uit het CE Delft rapport voor een beleidspakket om de levensduur
van consumentenelektronica te verlengen.
Huidige beleidsinzet levensduurverlenging
Levensduurverlenging, het langer meegaan van producten en onderdelen en het intensiever
gebruik van producten door hergebruik en reparatie, is een van de vier «knoppen» uit
het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2023–20305, waaraan gedraaid kan worden om tot een meer circulaire economie te komen. Levensduurverlenging
is essentieel in een economie waarin producten en materialen meer circulair worden
gebruikt en draagt daarmee in belangrijke mate bij aan de gestelde doelen voor circulaire
economie, zowel nationaal als internationaal.
De afgelopen jaren zijn er verschillende brieven met de Kamer gedeeld over de kabinetsinzet
op reparatie en refurbishment, waarin de beleidsinitiatieven zijn opgenomen voor het
stimuleren van reparatie en het verlengen van de levensduur van apparaten. Deze brief
gaat in op het beleidspakket zoals voorgesteld in het rapport van CE Delft maar zal
niet alle lopende en toekomstige initiatieven benoemen die in eerdere Kamerbrieven6 zijn beschreven.
In algemene zin geldt dat beleid voor levensduurverlenging op EU niveau het meest
efficiënt is: er worden eisen gesteld aan alle producten die op de EU-markt worden
verkocht. Dit garandeert een gelijk speelveld en harmoniseert de Europese interne
markt. Europese maatregelen hebben natuurlijk ook in Nederland hun doorwerking. De
effecten van de Ecodesign wetgeving en de Reparatie-richtlijn zullen naar verwachting
significant zijn voor levensduurverlenging van mobiele telefoons, de productgroep
waar het rapport van CE Delft op ingaat (zie hieronder).
Ecodesign Verordening
De Kaderverordening Ecodesign voor Duurzame Producten7 maakt het mogelijk om voor vrijwel alle fysieke producten circulariteitseisen te
stellen. De Kaderverordening is in juli 2024 van kracht geworden en vervangt de Ecodesign-richtlijn.
In de Kaderverordening is bepaald welke ontwerpeisen kunnen worden gesteld. Zo kunnen
bijvoorbeeld eisen gesteld worden aan de repareerbaarheid, recyclebaarheid of herbruikbaarheid
van producten. De Europese Commissie legt per productgroep in een gedelegeerde handeling
vast welke minimale vereisten daadwerkelijk van toepassing zijn voor een specifieke
productgroep. Het verschilt namelijk per productgroep welke eisen relevant en noodzakelijk
zijn om de productketen effectief te verduurzamen.
Voor het verlengen van de levensduur van elektronica zijn eisen op Europees niveau
onder de Ecodesign wetgeving essentieel. Dergelijke Ecodesign-eisen zijn nu al van
toepassing op bepaalde elektrische en elektronische apparaten, zoals stofzuigers,
wasmachines, smartphones en tablets. De Ecodesign-eisen voor smartphones en tablets8 die sinds 20 juni jl. van kracht zijn, bevatten bijvoorbeeld ook repareerbaarheidseisen.
Daarbij moeten essentiële reserveonderdelen voor een bepaalde tijd en voor verschillende
reparateurs (professioneel of niet-professioneel) beschikbaar zijn. Ook software-updates
moeten voor een bepaalde periode beschikbaar zijn, zodat een apparaat langer mee kan
gaan. Op het bijbehorende Energielabel moet een repareerbaarheidsscore worden weergegeven
zodat de consument kan kiezen voor (beter) repareerbare producten9. Alle mobiele telefoons die binnen de EU worden verkocht, moeten aan de gestelde
ontwerpeisen voldoen. Het daadwerkelijke effect van de maatregelen op de levensduur
van mobiele telefoons zal in de komende jaren duidelijk worden.
Het kabinet blijft zich op Europees niveau sterk inzetten voor vergelijkbare Ecodesign-eisen
voor andere groepen elektrische en elektronische apparaten, inclusief repareerbaarheidseisen,
zodat een steeds groter aantal apparaten kan worden gerepareerd. Daarnaast is in het
Ecodesign werkplan 2025–203010 opgenomen dat de Commissie gaat werken aan een horizontale repareerbaarheidseis en
repareerbaarheidsindex, die op meerdere productgroepen tegelijk van toepassing is,
bijvoorbeeld op consumentenelektronica en kleine huishoudelijke apparaten. Het kabinet
zet ook in dat traject in op ambitieuze eisen die bijdragen aan levensduurverlenging.
Reparatie-richtlijn
De Europese Reparatie-richtlijn11 vult aan op de Ecodesign- en garantiewetgeving. De Richtlijn wordt momenteel omgezet
in nationale wetgeving en treedt op 31 juli 2026 in werking. De Richtlijn is van toepassing
op productgroepen waarvoor op EU-niveau, zoals onder de Ecodesign wetgeving, repareerbaarheidseisen
gelden. Voor deze productgroepen geldt dat consumenten na de garantietermijn de fabrikant
kunnen verzoeken het product kosteloos of voor een redelijke prijs12 te repareren. Dit is een aanvulling op de reeds bestaande garantiewetgeving, waarbij
verkopers tijdens de garantietermijn moeten zorgen voor een functionerend product
door het defecte product te repareren of te vervangen. Fabrikanten worden door de
nieuwe Richtlijn ook verplicht om consumenten over de geldende reparatieverplichting
en over de beschikbare reparatiediensten te informeren. Wanneer consumenten een non-conform
product tijdens de garantieperiode laten repareren, wordt de garantietermijn van dat
product met twaalf maanden verlengd.
Onder de Richtlijn worden lidstaten verplicht om een nationaal reparateursregister
op te zetten. In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft
Techniek Nederland al een Nederlands nationaal reparateursregister ontwikkeld.13 Het register is al in gebruik en wordt de komende jaren doorontwikkeld. Het register
draagt eraan bij dat consumenten gemakkelijk een betrouwbare reparateur van consumentenelektronica
in de buurt kunnen vinden.
Nederlandse garantiewetgeving
In Nederland hebben consumenten recht op kosteloos herstel of vervanging van een niet-conform
product op basis van de garantiewetgeving. Er geldt geen vaste garantieperiode, maar
er is sprake van een open norm. In het rapport wordt gesteld dat de wettelijke garantietermijn
in Nederland slechts een halfjaar is, met een verlengde garantie die zo lang zou moeten
gelden als het product redelijkerwijs mee moet gaan. Dit behoeft nuancering. De open
norm betekent dat het artikel zo lang moet mee gaan als de consument dat redelijkerwijs
mag verwachten. Als het artikel eerder kapot gaat, heeft de consument recht op gratis
herstel of vervanging. Het gaat dan om schade die niet komt door verkeerd gebruik
of normale slijtage. In het eerste jaar na aankoop hoeft de consument dat niet aan
te tonen, maar is dat aan de verkoper. Na het eerste jaar draait de bewijslast om:
als er dan sprake is van een gebrek, zal de consument richting de verkoper moeten
aantonen dat het gebrek niet door verkeerd gebruik of normale slijtage is ontstaan.
Met deze invulling van de garantieregelgeving voldoet Nederland aan de Europese eisen
op dit punt. Deze regelgeving is, zoals het rapport ook vermeldt, niet altijd eenvoudig
toe te passen in de praktijk. Het zorgt er wel voor dat consumenten vaak langer recht
hebben op garantie dan bij een garantiestelstel met een vaststaande garantieperiode.
Reactie op aanbevelingen uit het rapport «Levensduurverlenging loont»
In het rapport wordt een beleidspakket voorgesteld om de levensduur van consumentenelektronica
in Nederland te verlengen. Er is gekeken naar snel circulerende consumentenproducten
op basis van de casus mobiele telefoons. Er wordt gesteld dat de voorgestelde maatregelen
ook op andere snel circulerende consumentenelektronica toegepast kunnen worden. Het
rapport stelt dat er op EU-niveau maatregelen zijn genomen voor de levensduurverlenging
van producten, maar dat nationale maatregelen ontbreken.
Hieronder wordt een reflectie gedeeld op de zes maatregelen van het voorgestelde beleidspakket
uit het rapport.
1) Verplicht aandeel tweedehands of refurbished goederen verkoop door de retail (omzet)
Er is in 2024 een verkenning uitgevoerd naar de juridische mogelijkheden om het aanbieden
van tweedehands producten te verplichten. Het onderzoek «Verplichting verkoop gebruikte goederen, een verkenning»
14 van Copper8, in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, toont
aan dat het juridisch mogelijk is om deze maatregel te nemen. Er is echter verdergaand
onderzoek nodig om na te gaan of de maatregel aan alle criteria van het evenredigheidsbeginsel
voldoet en of een wettelijke verplichting noodzakelijk is om het gestelde doel te
bereiken. De onderzoekers geven aan dat het handhaven van een verplicht aandeel tweedehands
of refurbished goederen een uitdaging zou vormen door het gebrek aan data. Ook is
een risico van de maatregel dat consumenten juist meer gaan consumeren.
In 2024 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, als opvolging van het
onderzoek van Copper8, een verkenning laten uitvoeren naar de verwachte gedragseffecten
bij het verplichten van tweedehands kleding naast nieuwe kleding in winkels.15 Hierin is verkend of een verplichting om tweedehands kleding aan te bieden ook leidt
tot de verkoop van zowel meer tweedehands als nieuwe kleding in de winkel. Daarnaast
is geïnventariseerd wat goede manieren zijn om tweedehands aan te bieden, en of een
tweedehands kledingstuk in plaats van nieuwe kleding zou worden gekocht. De maatregel
wordt kansrijk en aantrekkelijk geacht door winkeliers en consumenten. Tegelijkertijd
staat het aanbod van tweedehands nog in de kinderschoenen, waardoor het nog geen serieus,
structureel alternatief is voor de aankoop van nieuwe producten. Er zijn nog weinig
winkels waar zowel tweedehands als nieuwe kleding wordt aangeboden, waardoor gedragseffecten
bij consumenten niet goed kunnen worden ingeschat.
Er is aanvullend onderzoek nodig om te onderzoeken of een maatregel die het aanbieden
van gerepareerde en refurbished producten verplicht, proportioneel, effectief en werkbaar
is. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen of dit vervolgonderzoek wordt gedaan.
2) Hanteer een verlaagd btw-tarief voor gerepareerde of refurbished goederen: een
verlaagd btw-tarief op gerepareerde producten kan hier goed ondersteunend zijn aan
een verplicht aanbod van tweedehands en refurbished producten, omdat deze maatregel
de prijs van gerepareerde producten doet dalen. Hiermee worden tweedehandsproducten
relatief goedkoper en aantrekkelijker ten opzichte van nieuwe producten.
De Europese btw-richtlijn16 bevat een limitatieve lijst waarop de goederen en diensten staan waar een verlaagd
btw-tarief op kan worden toegepast. Daaruit volgt dat lidstaten een verlaagd btw-tarief
kunnen toepassen op bepaalde reparatiediensten. Het gaat om het verrichten van reparatiediensten met betrekking tot huishoudapparaten, schoeisel
en lederwaren, kleding en huishoudlinnen (ook verstellen en vermaken).
17 Dit ziet uitsluitend op reparatiediensten. Van deze mogelijkheid maakt Nederland
al grotendeels gebruik: zo geldt een verlaagd tarief voor de reparatie van fietsen,
schoeisel, lederwaren en kleding. Voor de levering van gerepareerde of refurbished
goederen biedt de richtlijn geen (algemene) mogelijkheid om een verlaagd tarief te
hanteren. Dit zou een wijziging van de Europese richtlijn vragen.
In de Kamerbrief «Reparatie in de circulaire economie»18 is het bestaande algemene beleid ter bevordering van reparatie uiteengezet. Kort
gezegd komt het erop neer dat het kabinet inzet op 1) beter productontwerp door het
stellen van Europese Ecodesign-eisen; 2) versterking van de reparatie-infrastructuur
en vakmanschap en 3) stimuleren dat consumenten hun producten (laten) repareren. Daarbij
is ook toegelicht waarom de uitbreiding van het verlaagde btw-tarief naar de bestaande
mogelijkheid voor huishoudelijke apparaten niet voor de hand ligt. In een Kamerbrief
van de Staatssecretaris Fiscaliteit waarin de uitkomsten van het onderzoek naar de
mogelijkheden voor een verlaagd btw-tarief op reparatiediensten van huishoudelijke
apparaten worden gepresenteerd19, is aangegeven dat uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief door Dialogic &
Significant Public blijkt dat verlaagde tarieven in algemene zin deels doeltreffend,
maar over het algemeen geen doelmatig instrument zijn om het beoogde doel te bereiken.20 Een van de redenen is dat btw-verlaging in de praktijk niet altijd tot lagere prijzen
leidt voor consumenten. Dat maakt zo’n maatregel ongericht. Die ongerichtheid wordt
nog versterkt doordat een btw-verlaging breed zou werken, dus ook in situaties die
niet gestimuleerd hoeven te worden. Die ongerichtheid maakt een btw-verlaging duur
in vergelijking met het effect dat het oplevert.
De conclusie uit genoemde brieven is onverkort relevant: andere maatregelen dan een
verlaagd btw-tarief zijn passender om reparatie en refurbishment te stimuleren.
Er loopt momenteel wel een ander btw-traject op Europees niveau. Op 26 februari jl.
publiceerde de Europese Commissie de Clean Industrial Deal. Daarin is opgenomen dat de Commissie een Green VAT initiative, een Groen btw initiatief, zal uitwerken. Dit zal naar verwachting in het vierde
kwartaal van 2026 worden gepubliceerd. Hierin wil de Commissie de regelgeving voor
gebruikte goederen (de zogenaamde margeregeling) herzien in het kader van een vergroening
van de btw. In het BNC-fiche over de Clean Industrial Deal
21 is door het kabinet gereageerd op dit voornemen. Het Commissievoorstel voor een Green VAT initiative zal door het volgende kabinet worden beoordeeld.
3) Fonds in combinatie met een subsidie of voucher voor reparatie en refurbishment:
deze maatregel richt zich niet zozeer op een verhoogd aandeel tweedehands producten
in de winkel, maar stimuleert consumenten om producten te repareren in plaats van
af te danken. Hiermee wordt (grootschalige) reparatie en refurbishment gestimuleerd
en kan daarmee bijdragen aan opschaling van de reparatie-sector in Nederland. Deze
maatregel is ook al ingevoerd in Oostenrijk en Frankrijk en succesvol gebleken.
Een reparatiebonus wordt vaak aangeprezen als instrument om de prijs van reparatie
te drukken. De motie Bamenga (D66) c.s. verzoekt om de invoering van een nationale
reparatiebonus te verkennen.22 Dit onderzoek naar een reparatiebonus is gaande. In het onderzoek worden verschillende
bestaande reparatiebonussystemen, o.a. de systemen van Oostenrijk en Frankrijk, met
elkaar vergeleken. Er wordt gelet op verschillende elementen van de bonussen, zoals
de productgroepen die eronder vallen, de doelgroep van de bonus en de financiering
van de kosten. Ook is er aandacht voor de gedragseffecten bij consumenten en reparateurs
op zowel korte als lange termijn. De kosten en baten van de verschillende typen systemen
worden in kaart gebracht. Op basis van die vergelijking van systemen worden één of
meer voorstellen gedaan voor een bonussysteem dat in Nederland zou kunnen werken.
Het onderzoeksrapport zal voorjaar 2026 met de Kamer worden gedeeld. Op basis van
de onderzoeksuitkomsten kan een nieuw kabinet besluiten of en onder welke voorwaarden
een nationale reparatiebonus wordt uitgewerkt.
4) Doelstelling voor voorbereiding op hergebruik in UPV: door meer afvalstoffen voor
te bereiden op hergebruik komen er meer materialen beschikbaar voor de circulaire
economie. Hierdoor kunnen er meer refurbished en gerepareerde goederen worden aangeboden
op de markt. Dit werkt ondersteunend aan het verplicht aandeel tweedehands en/of refurbished
voor elektronische apparaten, omdat retailbedrijven hierdoor eenvoudiger tweedehands
en/of refurbished goederen kunnen aanbieden aan de consument. Ook beperkt dit de perverse
prikkel in de UPV – die nu alleen recycling van materialen stimuleert – waardoor nog
goed te repareren apparaten worden vernietigd.
Momenteel wordt het instrument uitgebreide productenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld
en verder verbeterd. Een van de doelstelling van het UPV-doorontwikkeltraject is om
het instrument UPV meer op circulariteit te richten. Onderdeel daarvan is een onderzoek
naar de mogelijkheden om binnen UPV meer prikkels voor circulariteit in te bouwen,
door de huidige focus van het instrument op inzameling en recycling uit te bereiden
naar (het bevorderen) van hergebruik, preventie, reparatie en hoogwaardige verwerking.
De Kamer wordt in het voorjaar in een separate brief geïnformeerd over de stand van
zaken in het doorontwikkeltraject, de uitgevoerde onderzoeken en de vervolgstappen.
In de UPV textiel zijn reeds doelstellingen voor voorbereiding op hergebruik opgenomen.
Omdat productstromen niet gelijk zijn, is het belangrijk om goed te kijken of dit
voor elektronica ook een passende optie is. Ook de Europese context is bepalend voor
hoeveel ruimte er is en hoe wenselijk het is om nationaal een doelstelling voor voorbereiding
voor hergebruik toe te passen voor een productgroep. Het Europese UPV-kader voor elektronica
wordt bepaald door de Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
(2012/19/EU). De Europese Commissie heeft aangekondigd deze Richtlijn eind 2026 te
willen herzien, in het kader van de Circular Economy Act. Het is bij de herziening
van belang dat er meer aandacht is voor hergebruik, reparatie en refurbishment in
de UPV doelen en verwerkingsvoorschriften23.
5) Maximumprijs voor onderdelen: fabrikanten moeten ervoor zorgen dat de prijzen van
reserveonderdelen onder een bepaald percentage blijven (bijvoorbeeld 20%) van de prijs
van het nieuwe product. Voorwaarde hierbij is dat de maximumprijs voldoende is om
de kostprijs van de onderdelen te dekken. De onderdeelkosten vertegenwoordigen op
dit moment een groot deel van de reparatiekosten (30 tot 40%), waardoor de reparaties
niet rendabel uitgevoerd kunnen worden. Door de prijs van onderdelen te maximeren
kan de businesscase van reparatie en refurbishment sterk verbeterd worden.
Reparatie en refurbishment kunnen inderdaad gestimuleerd worden door de prijs van
onderdelen te verlagen. De Europese Reparatie-richtlijn24 en de Ecodesign-eisen voor smartphones en tablets25 spelen hier al op in. In de reparatiewetgeving is bepaald dat onderdelen slechts
mogen worden aangeboden tegen een «redelijke prijs die reparatie niet ontmoedigt».
Het is op dit moment echter niet mogelijk om «redelijke prijs» te definiëren. Deze
is namelijk afhankelijk van het type product en de originele aanschafwaarde. Uit de
praktijk moet blijken of deze wetgeving voldoende handvatten biedt voor toezichthouders
om op een redelijke prijs voor reparatie te handhaven. Onder de Ecodesign wetgeving
voor smartphones en tablets wordt ook vereist dat de prijzen van de reserveonderdelen,
die volgens de wettelijke eisen beschikbaar moeten zijn, op een website te vinden
zijn. Dit vergroot de transparantie over prijzen van onderdelen en maakt het toezicht
op redelijke prijzen beter mogelijk.
Een maximale prijs voor onderdelen vaststellen is niet opportuun, vanwege de grote
verscheidenheid aan onderdeelsoorten, leveranciers en materialen, en met name de fluctuerende
prijzen. Daarnaast zijn sommige onderdelen robuuster, complexer of groter dan andere,
wat de prijs kan beïnvloeden. Het is daarmee slecht mogelijk om een maximale prijs
gebaseerd op een percentage van de nieuwprijs vast te leggen.
6) Reparatie-index: deze maatregel biedt de consument informatie over de repareerbaarheid
én levensduur van producten, waardoor de consument eenvoudiger haar producten kan
repareren door te sturen op het kopen van te repareren producten. Dit heeft een ondersteunende
werking bij het reparatiefonds in combinatie met subsidies of vouchers. Consumenten
kunnen hierdoor beter gebruik maken van de subsidies en de vouchers, waardoor het
verwachte effect van deze maatregel met meer zekerheid kan worden vastgesteld.
Een reparatie-index geeft inderdaad veel inzicht voor consumenten en kan helpen om
duurzamere keuzes te maken, doordat in één oogopslag duidelijk is of producten goed
te repareren zijn. Onder de Ecodesign-wetgeving geldt voor smartphones en tablets
sinds 20 juni jl. – naast de repareerbaarheidseisen- een verplichting om een repareerbaarheidsscore
op het energielabel te tonen die aangeeft hoe goed het product te repareren is. Het
energielabel bevat ook andere informatie die relevant is voor levensduur, zoals stoot-
en stofbestendigheid. Hoewel er geen verwachte levensduur uitgedrukt in tijd wordt
weergegeven, geeft het label de consument wel degelijk relevante informatie.
Het is positief dat in het Ecodesign werkplan voor 2025–2030 is opgenomen dat de Europese
Commissie gaat toewerken naar een horizontale Ecodesign-eis voor repareerbaarheid.
Deze eis moet volgens het werkplan in 2027 worden vastgesteld. Aan de minimale repareerbaarheidseis
wordt ook een repareerbaarheidsscore gekoppeld. Welke productgroepen precies onder
de maatregel gaan vallen is nog niet bekend. De reikwijdte van de eis wordt bepaald
in de voorbereidende studie en zou producten zoals consumentenelektronica en kleine
huishoudelijke apparaten kunnen omvatten. Vanuit de overheid zijn experts nauw betrokken
bij het uitwerken van deze repareerbaarheidseis en -score. De kabinetsinzet is dat
de maatregel op zoveel mogelijk gelijksoortige producten van toepassing gaat zijn.
Omdat de reparatie-index voor elektronische apparaten al Europees wordt ontwikkeld
en uitgerold, zet het kabinet niet in op een parallel nationaal traject. Het onderzoek
naar juridische mogelijkheden om nationale maatregelen voor het recht op reparatie
te nemen dat in 2024 met de Kamer is gedeeld 26, heeft namelijk aangetoond dat het niet mogelijk is om een reparatie-index nationaal
in te voeren wanneer deze maatregel op Europees niveau al in de maak is. Bovendien
is een Europese maatregel effectiever en efficiënter.
Vervolgstappen
Het is belangrijk dat de levensduur van elektronica wordt verlengd. Momenteel worden
producten vaak te vroeg vervangen doordat zij niet goed te hergebruiken, repareren
of refurbishen zijn. Dit moet anders. Het is zonde als producten en materialen, bijvoorbeeld
kritieke grondstoffen uit elektronica, verloren gaan door voortijdige afdanking. Het
kabinet blijft zich daarom inzetten voor ambitieuze ontwerpeisen voor producten onder
de Europese Ecodesign-wetgeving. Hierbij is het belangrijk dat zowel de horizontale
repareerbaarheidseis en reparatie-index, als de product-specifieke repareerbaarheidseisen
en -scores er komen. Hierin moet ook een transparantieverplichting voor prijzen van
reserveonderdelen worden opgenomen. Tevens wordt ingezet op aanscherping van het Europese
kader voor elektronica, zodat hergebruik, reparatie en refurbishment meer gestimuleerd
worden via UPV en verwerkingsvoorschriften. Daarnaast is het aan een volgend kabinet
om op basis van de uitkomsten van het lopende onderzoek naar de nationale reparatiebonus,
te besluiten over eventuele invoering van een dergelijke stimuleringsmaatregel.
Al met al moeten de in de reactie genoemde maatregelen ertoe leiden dat consumentenelektronica
langer wordt gebruikt. Het kabinet verwacht dat het bestaande maatregelenpakket effectief
is om dit doel te bereiken en vindt het daarom prematuur om aanvullende maatregelen
te nemen. Het effect van bestaande en aangekondigde maatregelen op de levensduur van
elektronica zal worden gemonitord, zodat kan worden ingegrepen wanneer de effecten
lager blijken dan wenselijk.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat