Brief regering : Fiche: Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4243
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 januari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 10 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Mededeling Versterking van de economische veiligheid van de EU (Kamerstuk
22 112, nr. 4239).
Fiche – Mededeling EU-Agenda voor Steden (Kamerstuk 22 112, nr. 4240).
Fiche – Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP) (Kamerstuk 22 112, nr. 4241).
Fiche – Finaliteitsverordening (Kamerstuk 22 112, nr. 4242).
Fiche – Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel.
Fiche – RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke
grondstoffen (Kamerstuk 22 112, nr. 4244).
Fiche – Wijzigingsvoorstel Verordening CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245).
Fiche – Herziening EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4246).
Fiche – Mededeling European Democracy Shield (Kamerstuk 22 112, nr. 4247).
Fiche – Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22 112, nr. 4248).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
over het EU-actieplan tegen drugshandel
b) Datum ontvangst Commissiedocument
4 December 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 744
d) EUR-Lex
EUR-Lex – 52025DC0744 – EN – EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld.
f) Behandelingstraject Raad
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Justitie en Veiligheid.
2. Essentie voorstel
Op 4 december 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) het actieplan tegen
drugssmokkel gepubliceerd. Met dit actieplan wil de Commissie de parallel op 4 december
verschenen EU drugsstrategie ondersteunen. Waar de EU drugsstrategie1 zich richt op een integrale aanpak van drugsproblematiek, richt dit actieplan zich
specifiek op de veiligheidsdimensie van drugscriminaliteit. De Commissie benadrukt
dat de verschillende acties bijdragen aan het vergroten van paraatheid, schadebeperking,
internationale samenwerking en internationale partnerschappen. De Commissie bouwt
hiermee voort op de evaluatie van het EU drugs actieplan 2021–2025, de EU routekaart
voor de aanpak van drugshandel en georganiseerde criminaliteit 2023–2025 en op de
EU interne veiligheidsstrategie.
Het actieplan heeft als primair doel de bedreiging van drugshandel voor de interne
veiligheid van de EU tegen te gaan. Volgens de Commissie uit die bedreiging zich onder
meer door: betrokkenheid van gevaarlijke criminele netwerken bij de drugshandel en
misbruik van de consumentenmarkt, infrastructuur en logistiek, en de digitale technologie
in de EU. Dit alles leidt tot infiltratie van de legale economie, corruptie en geweld.
Bijkomende problemen zijn het aanpassingsvermogen van criminele netwerken wanneer
het gaat om zaken als productiemethodes, smokkelroutes en gebruik van versleutelde
communicatie, darknet platforms en cryptovaluta. De Commissie verwacht dat verplaatsing en diversificatie
van smokkelroutes zal leiden tot verplaatsing van drugsgerelateerd geweld. Daarnaast
constateert de Commissie een toenemende rekrutering van jongeren voor drugscriminaliteit.
Met het actieplan wil de Commissie deze bedreigingen tegengaan. Daartoe stelt zij
negentien acties voor, gegroepeerd in zes thematische gebieden.
Het eerste gebied betreft het aanpassen aan veranderende routes en modus operandi
van criminele netwerken (dit gebied heeft een relatie met pijler 3 van de EU Drugsstrategie).
De Commissie wil het legale transportnetwerk afsluiten voor de huidige illegale handelsroutes
en wil daarnaast anticiperen op verschuivingen hierin. Daarnaast wil de Commissie
barrières opwerpen tegen criminele infiltratie. Dit wil de Commissie bereiken door
het beter gebruik maken van informatie over vervoersbewegingen van passagiers en vracht
met als doel drugshandel op te sporen, in kaart te brengen en te verstoren (actie 1).
Verder stelt de Commissie voor om de samenwerking in en met MAOC-N2 te versterken (actie 2) en Frontex in te zetten om lidstaten te ondersteunen bij
de opsporing van drugshandel aan de buitengrenzen van de EU en om de samenwerking
tussen Frontex, Europol, MAOC-N en andere organisaties te versterken (actie 3). Daarnaast
zet de Commissie in op civiel-militaire partnerschappen om smokkelroutes via internationale
wateren (inclusief West-Afrika) te detecteren en te onderscheppen (actie 4). Met actie 5
wil de Commissie onderzoeken hoe de inzet van go-fast boten voor drugssmokkel (vooral naar Frankrijk, Spanje en Portugal) effectiever kan
worden aangepakt. De Commissie wil tevens maatregelen nemen om drugssmokkel via post-
en pakketdiensten tegen te gaan door middel van meer uniforme en geformaliseerde publiek-private
samenwerking in alle EU lidstaten (actie 6).
Het tweede gebied betreft preventie van drugscriminaliteit en het tegengaan van druggerelateerd
geweld. De Commissie wil hiertoe een toolbox inrichten met praktische maatregelen
voor lidstaten om te voorkomen dat jongeren worden gerekruteerd voor drugscriminaliteit
(actie 7). Het derde gebied betreft het versterken van de samenwerking tussen de EU-instellingen
en agentschappen en nationale organisaties voor rechtshandhaving, justitiële autoriteiten
en de douane (dit gebied is gerelateerd aan pijler 3 van de EU drugsstrategie). De
Commissie wil deze samenwerking bestendigen door een effectief en toekomstbestendig
EU-juridisch kader en door de inzet van nieuwe technologieën. Hiertoe stelt de Commissie
een verbetering voor van samenwerking, informatiedeling en analyse tussen douane,
rechtshandhaving en justitiële autoriteiten (actie 8). Actie 9 betreft de inzet van
innovatieve detectietechnieken ter bestrijding van drugshandel. Hier wordt voorgesteld
dat zowel de Commissie als lidstaten prioriteit geven aan financiering voor onder
andere geavanceerde detectie en monitoring in logistieke knooppunten en hoog-risico
gebieden voor opsporing van drugssmokkel en voor inzet van (pseudo-) satellietbeelden,
geospatiale gegevens en drones om illegale drugsproductie en drugshandel op te sporen.
Daarnaast wordt in actie 10 een aantal maatregelen voorgesteld om de aanpak van online
drugshandel te versterken. Actie 11 richt zich op het verstoren van drugshandel en
voortzetting van crimineel handelen binnen en vanuit detentie. Actie 12 betreft ten
slotte de evaluatie van het EU-juridisch kader voor drugshandel en indien noodzakelijk
herziening van het EU Kaderbesluit uit 2004 waarin minimumbepalingen zijn vastgelegd
over criminele handelingen en straffen op het gebied van drugshandel.
Het vierde gebied betreft de aanpak van synthetische drugs en precursoren. Hier stelt
de Commissie voor de mazen in de wet rondom precursoren te dichten door middel van
herziening van het EU-juridisch kader voor precursoren en voor betere samenwerking
met de chemische industrie om te voorkomen dat zij ongemerkt grondstoffen leveren
voor illegale synthetische drugsproductie (actie 13). Onder actie 14 wordt het nieuwe
door het Europese Drugsagentschap EUDA3 op te zetten netwerk van laboratoria ingezet om drugs en precursoren eerder te identificeren
en te onderscheppen. Actie 15 stelt, conform de raadsconclusies uit 2025,4 voor om voor synthetische drugs een handboek met geharmoniseerde richtlijnen te ontwikkelen
voor de ontmanteling van illegale laboratoria voor synthetische drugs.
Het vijfde gebied betreft het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en innovatie
(dit gebied heeft een relatie met pijler 1 van de drugsstrategie). Met actie 16 wil
de Commissie innovatie op het gebied van veiligheid en de behoeften vanuit de rechtshandhavingspraktijk
beter op elkaar af te stemmen om de innovatie van de criminele drugsorganisaties bij
te houden. Het zesde gebied gaat over het versterken van internationale samenwerking
en partnerschappen met derde landen. De Commissie wil strategische dialogen en samenwerkingsmechanismen
intensiveren en uitbreiden met onder andere de Westelijke Balkan, Latijns-Amerika,
de Cariben en Centraal Azië en bilateraal met de VS, China en Colombia (actie 17).
Daarnaast richt het voorstel zich in actie 18 op het verkennen van partnerschappen
met derde landen met het doel om weerbaarheid van logistieke knooppunten daar te versterken.
Actie 19 ziet ten slotte op het versterken van de samenwerking door middel van gezamenlijke
strafrechtelijke onderzoeken en het opzetten van fusion centres in strategische derde landen die kunnen dienen als coördinatiecentra waar EU experts,
lokale rechtshandhaving en regionale veiligheidsactoren onder meer intelligence kunnen
delen, trends in kaart kunnen brengen en de handhaving kunnen coördineren.
3. Nederlandse positie ten aanzien van de mededeling/aanbeveling
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
In het kader van de bestrijding van georganiseerde, ondermijnende drugscriminaliteit
is geïnvesteerd in multidisciplinaire samenwerking en is de afgelopen jaren een sterke,
brede aanpak opgezet. Het kabinet draagt actief uit dat de vraag naar drugs en het
aanbod in samenhang gezien moeten worden en dat preventie effectiever en goedkoper
is dan bestrijding. Het drugsprobleem kan alleen maar worden verkleind door een multidisciplinaire
aanpak waarin volksgezondheid, lokaal bestuur, milieu en sociale zaken ook een rol
spelen. Daarbij is het van belang om de grondoorzaken van en drijfveren voor drugsgebruik
én drugscriminaliteit te kennen. Het Actieplan noemt dit kort (blz 18) maar werkt
dit niet uit. Het kabinet zal de Commissie daartoe oproepen.
Internationaal hanteert het kabinet vier speerpunten voor het wereldwijd ontmantelen
en verstoren van criminele netwerken: dat doen wij door middel van upstream disruption, het voorkomen dat drugs Nederland binnenkomen door samen te werken met bron- en
transitlanden van cocaïne, het weerbaarder maken van logistieke knooppunten, het tegengaan
van criminele geldstromen en het voorkomen dat drugs Nederland verlaten (downstream disruption).5
Ter illustratie: zo wordt ingezet op het tegengaan van drugssmokkel en criminele infiltratie
bij vijf grote logistieke knooppunten waar elke dag enorme goederenstromen worden
verwerkt. De samenwerking met bron- en transitlanden in Latijns-Amerika en de Caraïben
alsmede met landen in bijvoorbeeld West-Afrika is daarbij een prioriteit. Het kabinet
draagt in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de EU-douanesamenwerking tegen
drugssmokkel, bijvoorbeeld via de herziening van het Douanewetboek van de Unie, waaronder
de EU Douane Autoriteit-in oprichting en de Customs Control Equipment Instrument (CCEI).
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet onderschrijft het belang van een effectieve aanpak van drugshandel. Aangezien
drugshandel in belangrijke mate een grensoverschrijdend fenomeen is, is het ook essentieel
om hierbij binnen de EU en met derde landen samen te werken. Het kabinet is overwegend
positief over het Commissievoorstel actieplan drugshandel. De zes prioritaire gebieden
komen in grote lijnen ook overeen met voor het kabinet prioritaire thema’s. Hierbij
moet wel worden aangetekend dat een uitgangspunt van het Nederlands drugsbeleid is
dat dit bestaat uit een brede, multidisciplinaire en gebalanceerde aanpak waarbij
aandacht is voor de aanpak op het gebied van gezondheid, veiligheid en maatschappij
en schadebeperking in den brede en op al die drie gebieden. Deze brede aanpak komt
helaas slechts in zeer beperkte mate terug in het actieplan drugshandel. Het actieplan
richt zich vrijwel uitsluitend op repressie en er wordt geen relatie gelegd met de
bredere drugsaanpak. Dit geldt ook voor de internationale samenwerking die de Commissie
nastreeft met dit document: in de samenwerking met derde landen ligt de nadruk sterk
op repressieve maatregelen, terwijl derde landen aandacht vragen voor het aanpakken
van de vraagkant voor drugs en de gezondheidsaspecten van de drugsproblematiek.
Daar wordt met dit actieplan niet aan tegemoet gekomen. Het kabinet ziet hier ruimte
om te pleiten voor een meer geïntegreerde benadering.
Uit de evaluatie van de vorige EU-drugsstrategie en EU-drugsactieplan (2021–2025)
bleek dat de doelstellingen in die strategie en het actieplan te weinig concreet waren
om meetbaar aan te tonen of deze doelen daadwerkelijk zijn bereikt. De formulering
van de doelstellingen in het nieuwe actieplan drugshandel lijkt niet veel concreter
en bovendien komen niet alle prioriteiten uit de EU-drugsstrategie terug in het actieplan
drugshandel. Deze twee factoren kunnen er mogelijk toe leiden dat de meetbaarheid
van resultaten van de EU-drugsstrategie en het EU-actieplan drugshandel opnieuw lastig
kan zijn. Nederland acht de aanwezigheid van indicatoren van belang waarmee het effect
van het voorgestelde beleid gemeten kan worden, met name de mate waarin de doelstelling
(de bedreiging van drugshandel voor de interne veiligheid van de EU tegengaan) gerealiseerd
wordt. Wanneer er geen meetbare vooruitgang is moet bijstelling of aanpassing volgen.
Het kabinet zal aandringen op een grondige monitoring door de Commissie van de voortgang
met behulp van indicatoren.
Ook zal het kabinet pleiten voor meer aandacht voor criminele geldstromen, als essentieel
onderdeel van een effectieve aanpak van drugssmokkel in het EU actieplan. Ook gezien
de lopende initiatieven op criminele geldstromen vanuit de coalitie van zeven Europese
landen tegen georganiseerde criminaliteit (C7). Dit komt nu onvoldoende aan bod. Daarnaast
is verduidelijking nodig van de Commissie over de geprioriteerde aandachtsregio’s.
Voor Nederland zijn dat de bron- en transitlanden van cocaïne in Latijns-Amerika,
de Cariben, West-Afrika en de Westelijke Balkan, alsmede de landen waar crimineel
geld naartoe wordt gesluisd om te worden geherinvesteerd en witgewassen. Het verdient
aanbeveling dat Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) nader advies uitbrengt
over een beperkt aantal prioritaire regio’s waar dit actieplan betrekking op heeft.
Voor het eerste gebied van het actieplan, te weten het aanpassen aan veranderende
routes en modus operandi, steunt het kabinet de doelstelling om het misbruik van het
legale transportnetwerk voor illegale handelsroutes te voorkomen. Daarnaast wil het
kabinet anticiperen op verschuivingen in illegale handelsroutes. Het beter benutten
van informatie over vervoersbewegingen om drugshandel op te sporen, in kaart te brengen
en te verstoren (actie 1), wordt daarbij als een belangrijke stap gezien. Het gebruik
van passagiersgegevens speelt een essentiële rol bij het voorkomen, opsporen, onderzoeken
en vervolgen van vormen van ernstige criminaliteit, waaronder drugshandel, zonder
de reismogelijkheden van reguliere passagiers te belemmeren. Gezien het grensoverschrijdende
karakter van drugshandel steunt het kabinet het initiatief van de Commissie om, in
samenwerking met de lidstaten en de transportsector, de mogelijkheden te onderzoeken
voor het verder versterken van het bestaande Europese Advance Passenger Information
(API)/Passenger Name Records (PNR)-raamwerk. Dit omvat onder andere het delen van
best practices op het gebied van het gebruik van passagiersgegevens binnen Europees verband.
Actie 2 gaat over het uitbreiden van de operationele slagkracht van MAOC-N. Voor het
kabinet is dit een belangrijke organisatie en daarom is het kabinet voorstander van
verdere versterking van deze organisatie. Een eventuele uitbreiding van MAOC-N mag
echter niet ten koste gaan van de (grote) effectiviteit van de organisatie. Het is
een kleine en laagdrempelige organisatie gebaseerd op vertrouwen. Dit moet worden
geborgd. Landen kunnen ook zonder lidmaatschap samenwerken met MAOC-N. Er wordt samengewerkt
tussen Europol en MAOC-N, maar niet structureel. De organisaties zijn heel verschillend
ingericht. Het kabinet is daarom voor samenwerking door informatie te delen en het
in kaart brengen van trends en ontwikkelingen, maar niet voor verregaande operationele
samenwerking. Voor wat betreft actie 3, inzet van Frontex om lidstaten te ondersteunen
bij de opsporing van drugshandel aan de buitengrenzen van de EU en versterking van
de samenwerking tussen Frontex enerzijds en Europol en andere organisaties anderzijds,
is het kabinet er voorstander van om te verkennen hoe de informatie-uitwisseling tussen
Frontex en Europol en andere relevante agentschappen ten behoeve van detectie en monitoring
kan worden versterkt. Dit sluit aan bij het voorstel van de Commissie. Hierbij dient
samenwerking tussen Europese agentschappen wat het kabinet betreft plaats te vinden
met inachtneming van het specifieke mandaat van de agentschappen en op basis van complementariteit.
Wat het kabinet betreft vraagt dit geen aanpassing van het mandaat van de agentschappen,
maar een verdere bestendiging van de bestaande samenwerkingsverbanden.
Voor actie 4, versterking civiel militaire partnerschappen, onderschrijft het kabinet
de (directe en/of indirecte) meerwaarde die CSDP (Gemeenschappelijke Veiligheids-
en Defensiebeleid)-missies en -operaties zouden kunnen spelen in het tegengaan van
maritieme drugshandel. Realisme is echter geboden en het kabinet zal per missie beoordelen
in hoeverre de desbetreffende missies en operaties een rol kunnen en moeten spelen
in het bereiken van de in dit actieplan vastgestelde doelstellingen. Ten aanzien van
actie 5, de aanpak van go-fast boten, onderkent het kabinet middels de samenwerking
binnen MAOC(N) de problemen die bij de aanpak van drugssmokkel op zee worden ondervonden
door het gebruik van go-fast boten door criminele organisaties. De regering is voorstander
van de initiatieven van de Commissie om kennis en goede praktijken uit te wisselen
en technische mogelijkheden te onderzoeken om effectiever op te kunnen treden tegen
go-fast boten bij drugssmokkel. De regering zal de Commissie vragen te onderzoeken
of er effectieve en haalbare juridische maatregelen zijn zoals mogelijk een verbod
op go-fast boten. Daarnaast wil het kabinet hierbij aantekenen dat er naast go-fast
boten ook gebruik wordt gemaakt van onder andere semi-submersibles.
Actie 6, de inzet van publiek-private samenwerking om drugshandel te verstoren, is
in lijn met de kabinetsinzet hierop. Het afsluiten van EU brede Memoranda of Understanding
kan op steun van het kabinet rekenen. Het is daarbij van belang dat hierin onder andere
duidelijke verantwoordelijkheden en juridische voorwaarden voor informatie uitwisseling
worden gedefinieerd. Bij de maatregelen die hierbij worden voorgesteld wijst het kabinet
erop dat de nieuwe EU-Douane autoriteit hier ook een rol zal kunnen spelen.
Het tweede aandachtsgebied is de preventie van drugscriminaliteit en het tegengaan
van druggerelateerd geweld. De inzet op evidence-based preventie van zowel drugsgebruik als criminaliteit is ook een belangrijke prioriteit
van de Nederlandse regering. Actie 7 (ontwikkeling toolbox en community of practice) is ook voor het kabinet een prioriteit. Het is voor het kabinet van belang dat de
door de EUDA op te zetten community of practice veel aandacht heeft voor de praktische implementatie van evidence based methoden. Hiervoor is een goede samenwerking tussen de EUDA en de EUCPN6 van belang. De EUCPN is momenteel de belangrijkste internationale kennispartner voor
het programma.
Voor wat betreft het derde aandachtsgebied, versterking van de samenwerking tussen
rechtshandhaving, rechterlijke macht en douane, kan het kabinet de doelstelling om
de samenwerking te verstevigen en te bestendigen ondersteunen. Het doel van actie
8, verbetering van samenwerking tussen rechtshandhaving, justitie en douane is in
lijn met het kabinetsstandpunt. De Commissie stelt dat de informatie-uitwisseling
en samenwerking op zowel nationaal als op EU-niveau moet worden versterkt binnen de
bestaande juridische kaders. Nederland steunt dit punt en wijst erop dat de samenwerking
tussen de nieuwe Douane Autoriteit, de andere EU agentschappen en het Europees Openbaar
Ministerie (EOM) hierbij een belangrijk aandachtspunt is, waaronder ten behoeve van
een gezamenlijk intelligence beeld. Deze informatie-uitwisseling dient plaats te vinden
binnen het specifieke mandaat van de agentschappen en het EOM en daarbij dient zoveel
mogelijk gebruik gemaakt te worden van informatie die reeds beschikbaar is. Dit om
extra onnodige administratieve lasten te voorkomen. Onder dezelfde actie stelt de
Commissie echter ook dat de samenwerking zou moeten worden ondersteund door een effectief
en toekomstbestendig juridisch kader. Dit suggereert dat er mogelijk toch aanpassing
van dit kader nodig kan zijn, terwijl het kabinet van mening is dat het bestaande
kader in beginsel voldoet. Daarnaast stelt de Commissie dat er een intelligence beeld
voor de langere termijn zou moeten worden gemaakt op basis van de informatie van de
EU Douane Autoriteit, Europol, Eurojust, EOM, het Europees bureau voor fraudebestrijding
(OLAF), de autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering
(AMLA) en Frontex. Het is onduidelijk wat de rol van het EOM en OLAF hierbij zou zijn
reeds omdat het huidige mandaat van deze beide organisaties niet ziet op drugsbestrijding.
Deze samenwerking zou volgens Nederland niet zo ver moeten gaan dat het EOM, OLAF
en Europol rechtstreeks toegang zouden krijgen tot douanedata uit de EU-Douane datahub.
Het kabinet zal hierover om opheldering vragen bij de Commissie.
Actie 9 gaat over de inzet van innovatieve technologieën om drugshandel te bestrijden.
Het kabinet steunt het ontwikkelen en financieren van technologieën om drugs beter
te kunnen opsporen. Zij wijst in dit verband op de betekenis en kansen van het volgende
kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon Europe, 2021–2028) voor de aanpak
op het terrein van (onder meer) georganiseerde (drugs-)criminaliteit.
Criminelen worden steeds innovatiever en daarom moet de overheid dat ook zijn. Het
is belangrijk om best practices op dit gebied met elkaar te delen.
Voorbeeld hiervan in Nederland is de ontwikkeling van algoritmen voor de beoordeling
van scanbeelden door Douane. Maar ook het project Chemtec Coca, wat een samenwerking
is tussen politie, de Colombiaanse politiedienst DIRAN, het Nederlands Forensisch
Instituut en Belgische forensische instituten.
Het kabinet ziet actie 10, het verbeteren van het vermogen om online drugshandel aan
te kunnen pakken, inderdaad ook als prioriteit. Hierbij is het van belang dat de maatregelen
zich zowel richten op legale online service platforms als op het darkweb. Binnen Nederland is het Hit And Run Post (HARP) team een voorbeeld van een succesvolle aanpak van online drugshandel. Actie
11 betreft het verstoren van drugshandel en voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.
Hierbij wordt een onderzoek door Europris voorgesteld naar de huidige uitdagingen
en best practices op het gebied van het tegengaan van voortgezet crimineel handelen in detentie. Dit
is in lijn met het kabinetsbeleid. Het kabinet ziet een zwaarwegend belang in de aanpak
van voortgezet crimineel handelen in detentie. Het kabinet leert graag van andere
landen en is welwillend haar eigen best practices op dit gebied te delen om daarmee in gezamenlijkheid voortgezet crimineel handelen
in detentie tegen te gaan. Zodra er meer duidelijkheid komt over de verwachten impact
zal gekeken worden op welke wijze er een bijdrage geleverd kan worden aan dit onderzoek.
Daarbij zou het kabinet graag zien dat voortgezet crimineel handelen breder wordt
geïnterpreteerd dan alleen voor drugscriminaliteit.
Het kabinet steunt een grondige evaluatie van het huidige kaderbesluit 2004/757/JBZ
(actie 12) en neemt daarnaast actief deel aan de genoemde wederzijdse evaluatieronde.
Bij de evaluatie van het kaderbesluit is het van belang dat voldoende aandacht besteed
wordt aan (het voorkomen en tegengaan van) de ondermijnende effecten van georganiseerde
drugscriminaliteit en de effectiviteit van genomen maatregelen. Het kabinet zal de
Commissie oproepen dit punt expliciet op te nemen.
Het aanpakken van bestaande een nieuwe synthetische drugs en precursoren, aandachtgebied
4, is een prioriteit van het kabinet. Het sluiten van de mazen in de wet (actie 13)
is hierbij van groot belang. Het voorstel tot herziening van het juridisch kader voor
precursoren is hier een belangrijke stap in. Voor het kabinetsstandpunt over dit voorstel
zie het BNC fiche over dit voorstel. Voor wat betreft actie 14, verbetering van identificatie
van stoffen om drugs en drug precursoren effectief te kunnen onderscheppen, steunt
het kabinet het voornemen van de Commissie om de samenwerking met de chemische industrie
te versterken. Het kabinet wijst daarbij op de betekenis en kansen van het volgende
kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon Europe, 2021–2028) voor de aanpak
op het terrein van (onder meer) georganiseerde (drugs-)criminaliteit. Het verdient
verder aanbeveling om bepaalde technologie gericht door de Commissie te laten ontwikkelen,
met de know-how van de opsporingsdiensten. Daarbij is het wel van belang dat de bijdrage van de opsporingsdiensten
niet leidt tot ontwikkeling van technologieën die vervolgens tegen een zeer hoge prijs
worden aangeboden door de industrie. Actie 15 betreft ten slotte het opstellen van
een gemeenschappelijk handboek voor het ontmantelen van illegale drugslabs. Het kabinet
is een voorstander van kennisdeling over het ontmantelen van illegale drugslabs.
Nederland heeft veel kennis en ervaring op dit gebied en de politie besteedt ook veel
aandacht aan het uitleren hiervan, hoewel de capaciteit hiervoor wel beperkt is. Daarom
moet bij het opstellen van een handboek met deze schaarse capaciteit rekening worden
gehouden. Nederlandse productielocaties zijn overigens veel grootschaliger en geavanceerder
(met een nadruk op export) dan de illegale labs die in andere lidstaten aangetroffen
worden. Het is daarom de vraag in hoeverre Nederlandse expertise breed toepasbaar
is. Het is van belang dat bij de uitwerking van het handboek rekening gehouden wordt
met deze factoren.
Aandachtsgebied nummer 5, vooruitbrengen van onderzoek, ontwikkeling en innovatie,
richt zich op het beter op elkaar afstemmen van de behoeften van operationele diensten
en onderzoek en innovatie op het veiligheidsgebied enerzijds, maar anderzijds op het
verkrijgen van kennis ter onderbouwing van het te ontwikkelen beleid en ter ontwikkeling
van effectindicatoren ten behoeve van evaluatie (actie 16). Hier is veel behoefte
aan en de Nederlandse rechtshandhavingsautoriteiten willen graag ideeën aandragen
voor innovaties die nodig zijn, zoals gespecialiseerde handheld scanners en de opvolging
van project Chemtec Coca. Daarnaast kan in de toekomst ook een rol weggelegd zijn
voor de Europese Douane Autoriteit op het gebied van controle hulpmiddelen. Tot slot
wijst het kabinet hierbij op de betekenis en kansen van het volgende kaderprogramma
voor onderzoek en innovatie (Horizon Europe, 2021–2028) voor de aanpak op het terrein
van (onder meer) georganiseerde (drugs-)criminaliteit.
Het laatste aandachtsgebied, versterking van internationale samenwerking en partnerschappen,
is ook een belangrijke prioriteit in het kabinetsbeleid ten aanzien van ondermijnende
drugscriminaliteit. Het kabinet is voorstander van het versterken van dialogen met
derde landen en regio’s zolang deze geen afbreuk doen aan de door de lidstaten opgebouwde
bilaterale relaties tussen lidstaten en derde landen (actie 17). Ook staat het kabinet
achter het idee om de mogelijkheden te verkennen voor partnerschappen met derde landen
om de weerbaarheid van logistieke knooppunten (havens en luchthavens) aldaar tegen
drugssmokkel te vergroten (actie 18). Voorkomen moet worden dat EU-landen en agentschappen
daar dubbel te werk gaan, meer afstemming op dit punt zal dan ook nodig zijn. Het
kabinet intensiveert hiertoe graag haar samenwerking met andere lidstaten, ook via
de ambassades, ten behoeve van het tegengaan van drugssmokkel. In algemene zin is
het kabinet bij de samenwerking met derde landen voorstander van een more for more en less for less benadering ten aanzien van de mogelijke inzet van het EU-instrumentarium.
Het laatste actiepunt (actie 19) betreft het versterken van de internationale samenwerking
door middel van gezamenlijke onderzoeken en fusion centers. Het kabinet wil allereerst benadrukken dat de in de actie genoemde inzet van Joint
Investigation Teams (JITs) geen competentie van de EU is, maar van de openbaar ministeries
in de lidstaten. Het kabinet investeert in de multidisciplinaire samenwerking met
derde landen. Dit gebeurt onder meer door het plaatsen van verbindingsofficieren,
het sluiten van verdragen en het geven van trainingen en opleidingen ter plaatse.
Ten tweede wijst Nederland het kabinet erop dat niet alleen de in de actie genoemde
regio’s van belang zijn.Het kabinet constateert dat West-Afrika inmiddels een belangrijke
regio in de mondiale drugshandel is en aan het actieplan zou moeten worden toegevoegd.
Het kabinet pleit in dat verband ook voor meer aandacht voor de ontwrichtende effecten
op de samenlevingen in de regio van de verschuiving van smokkelroutes voor cocaïne
naar Europa via West-Afrika en van de drugsprecursoren die vermoedelijk ook vanuit
China en deels via Europa richting West-Afrika worden gesmokkeld. Ten derde wenst
het kabinet een evaluatie van de eerste fusion centres te zien, om te kunnen beoordelen of dit inderdaad een werkbaar instrument is in derde
landen. Tot slot onderschrijft het kabinet het voornemen om de aanpak van criminele
geldstromen te versterken. Het is daarbij echter wel van belang dat dit belangrijke
instrument in de aanpak van drugshandel verder wordt uitgewerkt, ook gezien de lopende
initiatieven op criminele geldstromen vanuit de coalitie van zeven Europese landen
tegen georganiseerde criminaliteit. Het kabinet zal de Commissie hiertoe oproepen.
Bovendien zal Nederland de EDEO verzoeken nader uit te werken wat wordt bedoeld met
het voornemen om de EU-instrumenten voor externe betrekkingen meer in te zetten om
derde landen te helpen met in lijn brengen van hun nationale beleid met internationale
standaarden voor anti-witwassen en confiscatie.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Het EU-actieplan drugshandel ligt voor veel lidstaten enigszins gevoelig omdat zij
liever een breder actieplan hadden gezien dat de hele EU drugsaanpak integraal beslaat.
Er is door veel lidstaten, waaronder Nederland, ook in een vroeg stadium inbreng geleverd
hieromtrent aan de Commissie. In een eerste reactie gaven veel lidstaten aan dat ze
het belangrijk vinden dat hun inbreng op thema’s als preventie van rekrutering van
jongeren en het tegengaan van online drugshandel is meegenomen in het actieplan. Een
aantal lidstaten stelden daarnaast de vraag in hoeverre de rol die Frontex in het
actieplan toebedeeld wordt past in haar mandaat. De positie van het Europees Parlement
is niet bekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft betrekking op meerdere
beleidsterreinen, zoals de interne markt inclusief het financiële stelsel, sociaal
beleid, ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken
inzake de volksgezondheid. Op deze terreinen is sprake van een gedeelde bevoegdheid
tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a, b, j, en k VWEU). De mededeling
heeft ook betrekking op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB),
specifiek op het gebied van internationale samenwerking tegen georganiseerde misdaad.
Op het terrein van het GBVB (artikel 2, lid 4 VWEU) is de EU bevoegd een gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren. De lidstaten zijn op dit
terrein bevoegd om extern naast de Unie op te treden voor zover dat optreden het optreden
van de Unie niet doorkruist. Daarnaast heeft de mededeling betrekking op het terrein
van onderzoek en technologische ontwikkeling. Dit betreft een parallelle bevoegdheid
tussen de EU en lidstaten (artikel 4, lid 3 VWEU). De uitoefening van die bevoegdheid
belet de lidstaten niet hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
Tot slot heeft de mededeling ook betrekking op de bescherming en verbetering van de
volksgezondheid, cultuur, onderwijs en administratieve samenwerking. Op deze terreinen
is de EU bevoegd het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of
aan te vullen (artikel 6, sub a, c, e en g, VWEU). De Commissie is zodoende bevoegd
deze mededeling uit te vaardigen.
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling en het daarbij horende
actieplan hebben tot doel om grensoverschrijdende georganiseerde (drugs)criminaliteit
te bestrijden. Doordat georganiseerde criminaliteit bij uitstek grensoverschrijdend
van aard is en alleen effectief bestreden kan worden door een combinatie van lokale,
nationale, EU en internationale interventies, kan dit onvoldoende door de lidstaten
op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom is een versterkte
EU-aanpak nodig. Betere coördinatie van EU-optreden heeft ook meerwaarde omdat sprake
is van verwevenheid van de Europese georganiseerde criminaliteit en de Europese samenleving
en economie. Door een Europese aanpak wordt de samenwerking op het gebied van het
bestrijden van georganiseerde drugscriminaliteit dan ook effectief verwezenlijkt en
versterkt. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling en het daar bijhorende
actieplan hebben tot doel om grensoverschrijdende georganiseerde (drugs)criminaliteit
te bestrijden. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken,
doordat de verscheidene onderdelen van het actieplan, zoals de focus op aanpassen
aan veranderende routes, de preventie van drugscriminaliteit, de versterking van samenwerking
op zowel nationaal als internationaal gebied, het aanpakken van synthetische drugs
en het versterken van onderzoek en innovatie allemaal wezenlijk bijdragen aan het
bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde (drugs)criminaliteit.
Zo wordt misbruik van legale infrastructuur en logistiek tegengegaan door middel van
maatregelen zoals versterking van de samenwerking met MAOC-N en door meer uniforme
en geformaliseerde samenwerking met post- en pakketdiensten. Het kabinet is het bijvoorbeeld
ook met de Commissie eens dat de bedreiging van rekrutering van jongeren mede kan
worden tegengegaan door het delen van best practices. De door de Commissie voorgestelde toolbox kan inderdaad ondersteunen bij deze uitwisseling
tussen de verschillende lidstaten. De voorgestelde acties zijn dus geschikt om het
gestelde doel te bereiken. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan
noodzakelijk, nu de mededeling vooral ondersteunend van aard is en ziet op het versterken
van samenwerking tussen de lidstaten, rechtshandhavingsautoriteiten en agentschappen]r
waarbij voldoende ruimte wordt overgelaten aan de lidstaten zelf.
d) Financiële gevolgen
De mededeling zelf heeft geen directe gevolgen voor de EU-begroting of de nationale
begroting. De toekomstige voorstellen kennen mogelijk wel financiële gevolgen afhankelijk
van de precieze invulling van de voorstellen. Het kabinet is van mening dat eventueel
benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële
kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling
van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de onderhandelingen voor
het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de integrale afweging van middelen
na 2027. Daarnaast moet de ontwikkeling van de administratieve uitgaven in lijn zijn
met de ER-conclusies van juli 2020 over het MFK-akkoord. De eventuele budgettaire
gevolgen die voortkomen uit deze mededeling worden ingepast op de begroting van het
beleidsverantwoordelijk departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De voorliggende mededeling geeft op dit moment geen aanleiding voor regeldruk en administratieve
lasten voor het bedrijfsleven of burgers. Bij de nog te volgen concretisering door
de Commissie zal het kabinet per voorstel nadrukkelijk in de gaten houden of dit verandert;
bijvoorbeeld ten aanzien van de gevraagde inzet en capaciteit van taakorganisaties
in de voorgestelde samenwerkingsverbanden en in hoeverre daarbij ook rekening wordt
gehouden met relevante publiek-private samenwerking. Eventuele stijgingen van de administratieve
lasten dienen te worden voorkomen of zullen zoveel mogelijk lastenluw worden geïmplementeerd.
De mededeling heeft geen directe gevolgen voor concurrentiekracht. Mocht het echter
zo zijn dat voorgestelde acties onder het eerste aandachtsgebied, met als doel het
afsluiten van het transportnetwerk voor illegale handelsroutes, leiden tot meer of
uitgebreidere controles op de reguliere transportroutes, dan kan het zo zijn dat dit
transportbewegingen vertraagt en zo de concurrentiepositie aantast. Het is echter
nu niet te voorspellen.
De mededeling raakt geopolitieke aspecten als het gaat om de relatie tussen bron-,
transit- en bestemmingslanden van de georganiseerde criminaliteit waarbij deze rollen
zowel op EU-lidstaten als op derde landen van toepassing zijn. De economische, ondermijnende
effecten van de georganiseerde criminaliteit vereisen een intensieve dialoog tussen
de EU-lidstaten, EU-organen, derde landen en internationale organisaties hetgeen in
de mededeling ook wordt aangekaart. Waar het gaat om het bundelen van onderzoeks-
en ontwikkelinitiatieven inzake innovaties voor veiligheidsdoeleinden moet de strategische
autonomie van de EU en Nederland zelf worden bewaakt, omdat hierdoor veiligheidsbelangen
van lidstaten, zoals zeggenschap over de randvoorwaarden voor ontwikkeling, verspreiding
en toepassing van veiligheidsinnovaties, mogelijk onder druk kunnen komen te staan.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken