Brief regering : Fiche: Finaliteitsverordening
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4242
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 januari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 10 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Mededeling Versterking van de economische veiligheid van de EU (Kamerstuk
22 112, nr. 4239).
Fiche – Mededeling EU-Agenda voor Steden (Kamerstuk 22 112, nr. 4240).
Fiche – Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP) (Kamerstuk 22 112, nr. 4241).
Fiche – Finaliteitsverordening.
Fiche – Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel (Kamerstuk 22 112, nr. 4243).
Fiche – RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke
grondstoffen (Kamerstuk 22 112, nr. 4244).
Fiche – Wijzigingsvoorstel Verordening CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245).
Fiche – Herziening EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4246).
Fiche – Mededeling European Democracy Shield (Kamerstuk 22 112, nr. 4247).
Fiche – Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22 112, nr. 4248).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Finaliteitsverordening
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het
definitieve karakter van de afwikkeling van effecten en het intrekken van Richtlijn
98/26/EG en ter wijziging van Richtlijn 2002/47/EG met betrekking tot financiëlezekerheidsovereenkomsten.
b) Datum ontvangst Commissiedocument
4 december 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 941
d) EUR-lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025PC09…
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
SWD(2025) 943 en SEC(2025) 943
f) Behandelingstraject Raad
Raad Economische en Financiële Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Financiën
h) Rechtsbasis
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU)
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol van het parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Voor een goed functionerende Europese kapitaalmarkt en het beperken van systeemrisico’s
op financiële markten is het essentieel dat transacties in financiële instrumenten,
maar ook betalingen, definitief en onherroepelijk zijn en daarmee «finaal» wanneer
er overboekingsopdrachten in aangewezen systemen zijn ingevoerd en hiermee de afwikkeling
(settlement) voltooid is. Richtlijn 98/26/EG1 (de Settlement Finality Directive, SFD) bevat regels omtrent de finaliteit van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties
in betalings- en afwikkelingsystemen. Een systeem is een overeenkomst tussen drie
of meer deelnemers2 met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor de clearing of het uitvoeren
van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers. Dergelijke systemen worden beheerd
door centrale tegenpartijen en centrale effectenbewaarinstellingen. De aanwijzing
van dergelijke systemen voorkomt systeemrisico in de financiële markten doordat ingevoerde
opdrachten in die systemen niet onderworpen kunnen worden aan de terugwerkende kracht
bij faillissement van een deelnemer3. De SFD schrijft voor wat er gebeurt als een partij failliet gaat, ook nadat een
opdracht is ingevoerd. Hiermee wordt bescherming geboden tegen insolventie en wordt
onderpand in een transactie veiliggesteld. Dit voorkomt dat een faillissement van
een partij ook tot verliezen bij een tegenpartij leidt. Dat zou tot een keten van
verlies kunnen leiden, omdat het ook de financiële positie van de tegenpartij verslechtert.
Omdat op Europees niveau de finaliteit van afwikkeling in systemen is vastgelegd in
een richtlijn die ruimte laat in de implementatie, zijn er juridische verschillen
tussen Europese lidstaten in hoe transacties in financiële activa via systemen worden
afgewikkeld. Meer specifiek betreft dit verschillen in welke systemen erkend zijn,
in de definitie van transacties zelf en wie een deelnemer aan een systeem kan zijn,
verschillen in welke financiële activa beschermd worden door de wetgeving, verschillen
tussen landen in wanneer een transactie finaal is en verschillen in hoe de afwikkeling
is geregeld in transacties met derde (niet-EU) landen. Deze verschillen tussen landen
creëren onduidelijkheid en belemmeren het grensoverschrijdende kapitaalverkeer, wat
essentieel is voor economische groei en de strategische agenda van de EU. Daarbij
laat de SFD te weinig ruimte voor nieuwe technologische ontwikkelingen. Steeds vaker
is er bij de afwikkeling sprake van rechtsonzekerheid over het gebruik van Distributed Ledger Technology (DLT)4, die juist door betaaldiensten, die deelnemen aan en gebruik maken van betalingssystemen,
toenemend wordt gebruikt. Problematisch is dat de SFD juridische onduidelijkheid creëert
over of DLT-gebaseerde systemen gebruikt mogen worden door partijen. Dat geldt ook
voor token-gebaseerde transacties en onderpand (zoals crypto), omdat deze strikt genomen
niet binnen de definities vallen van de systemen en de criteria aan onderpand die
in de SFD zijn vastgelegd.
Om deze redenen – het bestaan van verschillen tussen lidstaten en gebrek aan ruimte
voor technologisch ontwikkelingen – stelde de Europese Commissie in 2024 dat de SFD
aan herziening toe is. Middels dit wetsvoorstel (de verordening) wordt beoogd de finaliteit
van effectenafwikkeling verder te harmoniseren door de richtlijn om te zetten in een
verordening. Tevens wordt de wettekst van de richtlijn op verschillende punten herzien,
zij het beperkt. Hieronder volgt op hoofdlijnen welke aanpassingen concreet worden
voorgesteld. Het betreft hoofdzakelijk 1) het wegnemen van ambiguïteit in definities
(van financiële activa, deelnemers), waardoor duidelijker wordt wanneer transacties
onherroepelijk en finaal zijn, en 2) het bieden van ruimte en wettelijke zekerheid
voor nieuwe technologische ontwikkelingen die essentieel zijn voor een goed functionerende,
geïntegreerde, Europese kapitaalmarkt.
Het voorstel van de Commissie bevat een zevental wijzigingen. Ten eerste biedt het
voorstel wettelijke zekerheid voor digitale innovaties. Het voorstel is «technologie-neutraal»
en biedt daarmee zekerheid aan innovaties zoals DLT, inclusief de op tokens-gebaseerde
activa (crypto’s). De huidige SFD laat in het midden of een op tokens gebaseerde transactie
daadwerkelijk een transactie was en ook is niet vastgelegd of crypto’s wel classificeren
als een effect en tevens of crypto’s gebruikt kunnen worden als onderpand. Ten tweede
worden in het voorstel de definities van betalingssystemen, deelnemers en instellingen
zo aangescherpt dat ze de rechtsonzekerheid omtrent DLT verminderen. Ten derde worden
regels omtrent rechtsconflicten verduidelijkt, zodat partijen beter weten wat de geldende
regels zijn als er conflicten zijn tussen verschillende nationale regelgeving. Ten
vierde biedt het voorstel rechtszekerheid voor EU-partijen die gebruik maken van systemen
uit derde landen. Het voorstel harmoniseert de vereisten voor het registeren van systemen
uit derde landen en regelt dat aanbieders van die systemen zich bij een centraal punt
bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankenautoriteit
(EBA) melden. De toelating (en registratie) van dergelijke derde landen systemen zelf
wordt echter aan lidstaten overlaten. Ten vijfde zijn er aanpassingen in definities
aangaande de reikwijdte van wie een deelnemer kan zijn aan een systeem. De lijst van
mogelijke partijen die in de SFD als deelnemer kan worden aangemerkt kan door de Commissie
met een gedelegeerde handeling worden uitgebreid. Deze wijziging zou ruimte moeten
bieden aan toekomstige innovaties (in de transactieafwikkeling). Ten zesde biedt het
voorstel EU-brede operationele criteria voor het aanwijzen van systemen («designation»).
Het wetsvoorstel harmoniseert de EU-brede operationele criteria voor systemen, maar
de wettelijke bevoegdheid voor het registreren van een systeem blijft een bevoegdheid
van lidstaten zelf. Ten zevende zijn er aanscherpingen in de transparantievereisten
aan ESMA waardoor lidstaten moeten rapporteren aan ESMA welke systemen uit derde landen
zij registreren.
b) Impact assessment Commissie
In het kader van het marktinfrastructuurpakket heeft de Commissie een effectbeoordeling
uitgevoerd. Specifiek voor de omzetting van de richtlijn in een verordening heeft
de Commissie geconcludeerd dat het aanpassen van de bestaande SFD naar een verordening
het meest opportuun is. De aanpassingen verminderen de belemmeringen in het grensoverschrijdende
kapitaalverkeer, zijn kosteneffectief, helpen (juridische) fragmentatie van de Europese
kapitaalmarkten te verminderen en bieden ruimte voor innovaties. De Commissie heeft
twee opties voor omzetting van de richtlijn naar een verordening overwogen. Optie
2 betrof de optie tot gedeeltelijke harmonisatie en optie 3 de optie voor maximumharmonisatie.
De Commissie heeft uiteindelijk voor optie 2 gekozen. In de optiek van de Commissie
was deze optie meer effectief, efficiënt en coherent dan volledige harmonisatie. Bovendien
zou volledige harmonisatie, bijvoorbeeld van de momenten van invoering, onherroepelijkheid
en finaliteit, de efficiëntie van verschillende systemen niet ten goede komen. Het
vastleggen in de verordening zodat er expliciet de plicht is voor aangewezen systemen
om in haar regels en procedures op te nemen wat deze momenten zijn, is voldoende om
het gewenste effect van duidelijkheid over deze momenten te bewerkstelligen. Die momenten
kunnen dan van systeem tot systeem verschillen. Zolang die momenten in de regels van
het systeem zelf zijn vastgelegd hoeft dat niet tot problemen te leiden. Bovendien
is er de plicht voor interoperabele systemen om de verschillende momenten in de systemen
af te stemmen.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Een goed functionerende Europese kapitaalmarkt, waarin grensoverschrijdende activiteit
wordt gestimuleerd, is essentieel voor economische groei, een goed functionerende
Europese interne markt en de strategische agenda van de EU. De grote investeringsbehoefte
vraagt om een geïntegreerde Europese kapitaalmarkt waarin juridische risico’s die
gepaard gaan met financiële transacties zijn beperkt. Middels de zogenoemde Savings and Investments Union (SIU), beoogt de Europese Commissie om zulke belemmeringen die het internationale kapitaalverkeer
hinderen, te verminderen. Het verminderen van deze barrières draagt bij aan het beperken
van systeemrisico’s en kan (mede daardoor) leiden tot een betere beschikbaarheid van
(risicodragend) kapitaal. De voorliggende verordening is onderdeel van de verdere
ontwikkeling van de SIU.
Verschillen in de wijze waarop Europese lidstaten transacties via systemen afwikkelen,
vormen een belemmering voor een goed werkende Europese kapitaalmarkt. Middels de verordening,
die leidt tot verdere harmonisatie in de finaliteit van afwikkeling, beoogt de Europese
Commissie belemmeringen te verminderen. Dit sluit goed aan op de kabinetsinzet ten
aanzien van de kapitaalmarktunie, waarin het kabinet zich inzet voor meer omzetting
van richtlijnen naar verordeningen.5
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet staat positief tegenover het voorstel om de SFD om te zetten in een verordening.
De SFD is een richtlijn die toe is aan modernisering, mede in het licht van de ontwikkelingen
op het gebied van distributed ledger-technology (DLT) waarmee geëxperimenteerd wordt onder de DLT Pilot Regime verordening.
Door de voorgestelde verordening ontstaat er meer harmonisatie op dit terrein, aangezien
de richtlijn ruimte bood voor divergentie door afwijkende implementaties in lidstaten.
Gezien het belang van finaliteit in de huidige kapitaalmarkten is het van groot belang
om dit goed te waarborgen volgens uniforme bepalingen. Bovendien leidt de omzetting
naar een verordening voor grensoverschrijdende ondernemingen tot meer rechtszekerheid.
Het kabinet is positief over de keuze om meer harmonisatie aan te brengen in de wijze
waarop lidstaten omgaan met finaliteit in systemen. Daarnaast leiden verschillende
aanpassingen ertoe dat de regelgeving omtrent finaliteit meer open staat voor nieuwe
ontwikkelingen en technologie, wat goed is voor de innovatie en vernieuwing op de
kapitaalmarkten.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
De verwachting is dat er breed gedragen steun is voor de omzetting, hoewel mogelijk
sommige lidstaten zullen betogen dat een omzetting niet nodig is nu in hun optiek
de richtlijn, en de implementatie daarvan, afdoende functioneert. In het Europees
Parlement is de verwachting dat het voorstel belegd zal worden bij de Commissie Economische
en Monetaire zaken (ECON). Er is nog geen rapporteur aangesteld.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet over de bevoegdheid is positief. Het voorstel is gebaseerd
op artikel 114 VWEU. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast
te stellen over de instelling en de werking van de interne markt. Het kabinet kan
zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van de interne markt is sprake
van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op grond van artikel 4,
lid 2, onder a VWEU.
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel
heeft tot doel om beter functionerende uniforme regels te creëren voor de finaliteit
van de afwikkeling van effecten en meer harmonisatie en voorspelbaarheid te creëren
in de uitwerking daarvan in de verschillende lidstaten teneinde de Europese kapitaalmarkt
te bevorderen. Gezien de mate waarin de Europese financiële markten grensoverschrijdend
functioneren kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal
niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak wel nodig. Om die reden is optreden
op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het
voorstel heeft tot doel om beter functionerende uniforme regels te creëren voor de
finaliteit van de afwikkeling van effecten en meer harmonisatie en voorspelbaarheid
te creëren in de uitwerking daarvan in de verschillende lidstaten teneinde de Europese
kapitaalmarkt te bevorderen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling
te bereiken, omdat een verordening bijdraagt aan een uniforme wijze van uitvoering
in de lidstaten en er hierdoor minder verschillen kunnen ontstaan tussen lidstaten.
Daarbij is de inhoud van de voorgestelde verordening ook geschikt om de doelstelling
te bereiken, nu er onderwerpen zijn die voorheen niet opgenomen waren in de richtlijn
maar nu geharmoniseerd zijn in de verordening, zoals de rechtsconflicten en omgang
met derde land systemen. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan
noodzakelijk. Zo laat het voorstel het aan de systeemexploitant van de aangewezen
systemen om zelf te bepalen welk moment een door een deelnemer ingevoerd overboekingsopdracht
als ingevoerd in het systeem wordt beschouwd en wanneer deze onherroepelijk is geworden.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
Deze voorstellen hebben naar verwachting geen gevolgen voor de EU-begroting. Het kabinet
is van mening dat, indien de voorstellen toch tot extra kosten leiden bij de toezichthouders,
de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken
financiële kaders van het MFK 2021–2027, en dat deze moeten passen bij een prudente
ontwikkeling van de jaarbegroting.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor Rijksoverheid en/ of medeoverheden
Deze voorstellen hebben naar verwachting geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting.
(Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke
departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
De voorstellen zullen niet leiden tot extra financiële kosten voor burgers en bedrijven.
In de kern verandert er weinig aan de materiële inhoud als de SFD wordt omgezet in
een verordening. Daarbij wordt er door ESMA een centrale database opgericht waarin
informatie over de verschillende systemen uitgewisseld kan worden. Dit zou het werk
voor toezichthouders en de systeemexploitanten moeten vereenvoudigen.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De voorgestelde omzetting van de SFD naar een verordening zorgt ervoor dat voor ondernemingen
die grensoverschrijdend effecten afwikkelen, en daarmee afhankelijk zijn van de finaliteit
van dergelijke transacties, meer rechtszekerheid krijgen over de finaliteit in verschillende
lidstaten. Dit komt de interne markt ten goede.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
De verordening heeft rechtstreekse werking. Wel zal het nodig zijn om uitvoeringshandelingen
op het niveau van algemene maatregel van bestuur op te nemen. Omdat de SFD geïmplementeerd
is in Afdeling 11A van de Faillissementswet, en er in meerdere wetten en algemene
maatregelen van bestuur verwijzingen te vinden zijn naar die afdeling of specifieke
artikelen daaruit, zullen een wetsvoorstel en algemene maatregel van bestuur opgesteld
moeten worden ter aanpassing.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel bevat ten eerste een bevoegdheid voor de Commissie tot het vaststellen
van een gedelegeerde handeling in artikel 2, tweede lid. Via de bevoegdheid kan de
Commissie de definities van «overboekingsopdracht» en «deelnemer» aanpassen. De definitie
van «overboekingsopdracht» kan aangepast worden om nieuwe types van activa die voorkomen
in aangewezen systemen de bescherming van de verordening te kunnen geven. De definitie
van «deelnemer» kan worden aangepast, zodat nieuwe type deelnemers de bescherming
van de verordening kunnen verkrijgen voor hun overboekingsopdrachten in aangewezen
systemen. Dit geldt met name voor deelnemers die op grond van de DLT Pilot Regime-verordening
deel kunnen nemen aan een DLT-afwikkelingssysteem.
Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen
van de basishandeling betreft. Deze bevoegdheid ziet op het aanvullen van de verordening,
waardoor de keuze voor delegatie (i.p.v. uitvoering) voor de hand ligt. Het kabinet
beoordeelt deze bevoegdheidstoedeling als wenselijk nu deze een zekere mate van flexibiliteit
geeft om snel aanpassingen door te voeren zonder een voorstel tot wijziging van de
verordening. Bovendien kan hiermee sneller worden voorzien in aanpassing naar aanleiding
van technologische ontwikkelingen.
Deze bevoegdheid is naar het oordeel van het kabinet goed afgebakend in het voorstel.
De doelstellingen en inhoudelijke grenzen zijn daarin afdoende duidelijk gedefinieerd.
Voordat de Commissie de gedelegeerde handeling kan vaststellen dient zij ESMA te consulteren,
evenals nationale experts in lijn met het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees
Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven.6 Het Europees Parlement en de Raad kunnen de inwerkingtreding van gedelegeerde handelingen
blokkeren. De bevoegdheidstoedeling is niet in tijd beperkt. Het kabinet is positief
over deze onbeperkte toedeling, nu de verwachting is dat door de tijd heen technologische
ontwikkelingen aanpassing kunnen vergen van het type deelnemers aan systemen en het
type activa in systemen.
Het voorstel kent de Commissie daarnaast de bevoegdheid toe om gedelegeerde handelingen
(ex artikel 290 VWEU) vast te stellen op basis van door ESMA en EBA opgestelde technische
reguleringsnormen. Dit betreft grondslagen in de artikelen 5(2) (voor ESMA) en 5(3)
voor EBA met betrekking tot de voorwaarden uit artikel 5(1) waaraan een systeem moet
voldoen alvorens het aangewezen kan worden op grond van artikel 3 van de verordening,
in de artikelen 13(12) (voor ESMA) en 13(14) voor EBA over de informatie die systemen
moeten aanleveren om aangemerkt te kunnen worden als aangewezen systeem, en in artikelen
21(3) (voor ESMA) en 21(4) (voor EBA) over de regels voor het bepalen van het moment
van finale afwikkeling in systemen.
Het kabinet acht toekenning van deze bevoegdheden mogelijk, omdat het hier om niet-essentiële
onderdelen van het voorstel gaat. De uit te werken gedelegeerde handelingen zien op
criteria, indicatoren, methodologieën en verdere detailleringen van de hoofdnormen
die in de verordening zelf komen te staan. Hierdoor wordt de verordening door de gedelegeerde
handelingen aangevuld, waardoor de keuze voor delegatie passend is. Het kabinet acht
de toekenning van deze bevoegdheden tevens wenselijk, omdat de nadere uitwerking van
artikelen de gewone wetgevingsprocedure minder belast en deze flexibiliteit oplevert
door de technische details in te laten vullen door EBA, ESMA en de nationale toezichthouders.
Deze bevoegdheid is naar het oordeel van het kabinet goed afgebakend in het voorstel.
De doelstellingen en inhoudelijke grenzen zijn daarin afdoende duidelijk gedefinieerd.
De vaststelling van deze gedelegeerde handelingen vindt zoals gebruikelijk in het
Europese financiële recht plaats volgens de bijzondere procedure uit de EBA- en ESMA-verordening
(artikel 10 van Verordeningen (EU) 1093/2010 en (EU) 1095/2010). Deze procedure houdt
in essentie in dat EBA en ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen ter vaststelling
aan de Commissie voorlegt. De Commissie informeert in elke stap van het proces onmiddellijk
het Europees Parlement en de Raad over de inhoud daarvan. De lidstaten worden via
de Raad geïnformeerd. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de bevoegdheidstoedeling
intrekken, en kunnen de inwerkingtreding van gedelegeerde handelingen blokkeren.
Het voorstel kent daarnaast de Commissie de bevoegdheid toe om uitvoeringshandelingen
(ex artikel 291 VWEU) vast te stellen op basis van door ESMA en EBA opgestelde technische
uitvoeringsnormen. Dit betreft de grondslag in de artikelen 13(13) (voor ESMA) en
13(15) (voor EBA) over de uniforme elektronische formats voor de informatie die systemen
moeten aanleveren om aangemerkt te worden als aangewezen systeem.
Het kabinet acht toekenning van deze bevoegdheden mogelijk, omdat het hier om niet-essentiële
onderdelen van het voorstel gaat. De uit te werken uitvoeringshandeling ziet op uniforme
elektronische formats die ESMA/EBA dienen op te stellen zodat partijen op dezelfde
geharmoniseerde wijze hun aanvragen voor aanwijzing als systeem invoeren in de centrale
database. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat er uniforme uitvoering van de verordening
plaatsvindt, waardoor de keuze voor uitvoering passend is. Het kabinet acht de toekenning
van deze bevoegdheden tevens wenselijk, omdat de nadere uitwerking van de wijze waarop
deze informatie aangeleverd moet worden, de gewone wetgevingsprocedure minder belast
en deze flexibiliteit oplevert door de technische details in te laten vullen door
EBA, ESMA en de nationale toezichthouders. De bevoegdheden zijn naar het oordeel van
het kabinet goed afgebakend in de verordening. De vaststelling van deze technische
uitvoeringsnormen vindt zoals gebruikelijk in het Europese financiële recht plaats
volgens de bijzondere procedure uit de EBA- en ESMA-verordening (artikel 15 van Verordeningen
(EU) 1093/2010 en (EU) 1095/2010). Deze procedure houdt in essentie in dat EBA en
ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter vaststelling aan de Commissie
voorleggen. De Commissie informeert in elke stap van het proces onmiddellijk het Europees
Parlement en de Raad over de inhoud daarvan. De lidstaten worden via de Raad geïnformeerd.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
De verordening werkt rechtstreeks en treedt twintig dagen na publicatie in het Publicatieblad
van de Europese Unie in werking. De verordening bepaalt in artikel 30 dat de SFD wordt
ingetrokken op de dag dat de verordening in werking treedt. Daarnaast bevat de verordening
aanpassing van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten. Achttien maanden na
inwerkingtreding van deze verordening moet er wetgeving zijn vastgesteld om te voldoen
aan de nieuwe vereisten in die richtlijn. Dit is voor het Nederlandse wetgevingsproces
een krappe termijn. Tijdens de onderhandelingen zal ingezet worden op vierentwintig
maanden.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
In artikel 29 van de voorgestelde verordening is een evaluatiebepaling opgenomen,
zodat de Commissie vijf jaar na inwerkingtreding een rapport, met eventuele voorstellen
voor aanpassing, opstelt over de toepassing van de verordening. Ook wordt in hetzelfde
artikel voorgesteld dat ESMA, samen met EBA en het ESCB, een rapport schrijft over
het functioneren van het regime van finaliteit van de afwikkeling van effecten.
Het kabinet vindt een dergelijke evaluatie wenselijk, en vindt vijf jaar een afdoende
termijn voor een dergelijke evaluatie. Omdat de inhoud van de voorgestelde verordening
niet wezenlijk anders is dan die van de SFD, is het niet noodzakelijk eerder een evaluatie
uit te voeren (bijvoorbeeld na drie jaar) om te bezien of het regime wel werkt.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
a) Uitvoerbaarheid
De uitvoering en handhaving van de voorstellen ligt bij Europese en nationale toezichthouders.
Het kabinet is er voorstander van dat toezicht op grensoverschrijdende ondernemingen
Europees wordt belegd bij de Europese toezichthouders. Indien de voorstellen worden
aangenomen, zal dat aanpassing van alle toezichthouders vergen om de nieuwe wijze
van toezicht houden goed uit te voeren.
b) Handhaafbaarheid
Het toezicht vanuit SFD op systemen is belegd bij DNB. Dit zal onveranderd blijven.
De voorgestelde wijzigingen worden als handhaafbaar ingeschat.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Het commissievoorstel zal naar Nederlandse verwachting geen gevolgen hebben voor (de
belangen van) ontwikkelingslanden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.