Brief regering : Verkenning wettelijk verplichten stagevergoedingen
31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
Nr. 1231 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 januari 2026
Stages zijn voor veel mbo-, hbo- en wo-studenten een essentieel onderdeel van hun
opleiding. Ik vind dat iedere student daarvoor een passende stagevergoeding verdient.
Helaas krijgt nog lang niet elke stagiair een stagevergoeding en zijn de verschillen
tussen stagiairs groot. Uit de nieuwste cijfers van CBS1 blijkt dat in maart 2025 43% van de mbo-studenten met een stage een stagevergoeding
ontvangt ten opzichte van 42% in maart 2024.2 Deze minimale stijging van 1 procentpunt vind ik teleurstellend.
Ik heb verkend welke mogelijkheden er zijn om een minimum stagevergoeding wettelijk
te verplichten voor stages in het onderwijs.3, 4 Conform de toezegging is daarbij gekeken naar zowel mbo-, hbo- en wo-studenten, en
naar het effect op het aanbod van stages. Ook is gekeken naar de mogelijkheden voor
een recht op stagevergoedingen en de mogelijkheid om te differentiëren. Daarnaast
zijn conform de motie Paternotte de mogelijkheden voor een publiek-privaat fonds uiteengezet.5 De resultaten van die ambtelijke verkenning vindt uw Kamer in de bijlage van deze
brief. In deze brief ga ik in op mijn reactie en voornemens voor het vervolg.
Verkenning
De ambtelijke verkenning maakt inzichtelijk dat het wettelijk verplichten van stagevergoedingen
mogelijk is, maar dat het een aantal wezenlijke dilemma’s met zich meebrengt. Bijvoorbeeld
als het gaat om het waarborgen van gelijke behandeling en mogelijke interferentie
met het arbeidsrecht. Dit zijn belangrijke aandachtspunten bij de verdere uitwerking.
In de verkenning is toegelicht wat de mogelijkheden en beperkingen zijn om stagevergoedingen
wettelijk te verplichten binnen drie verschillende wetgevingsopties, te weten onderwijswetgeving,
het toevoegen van een nieuwe titel in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek6 en een nieuwe, zelfstandige wet.
De keuze voor wetgeving als instrument, de invulling ervan en in welke wet het vervolgens
het beste kan landen is afhankelijk van verschillende factoren. Het is daarbij met
name belangrijk welk doel met een stagevergoeding wordt nagestreefd. In de ambtelijke
verkenning worden meerdere doelstellingen beschreven die in het publieke debat naar
voren zijn gekomen: zoals een stagevergoeding met als doel het uiten van waardering (1);
het bieden van beloning voor geleverde inzet (2) of als tegemoetkoming bij gemist
inkomen (3). Voor nadere uitwerking van wetgeving maakt het een wezenlijk verschil
welke doelstelling wordt gekozen.
Ik zie stagevergoedingen hoofdzakelijk als een middel van het stagebedrijf om waardering
te uiten voor diens stagiair. Dat sluit ook aan bij de leerervaring die een stagiair
zou moeten opdoen tijdens de stage, waarbij deze leert wat het inhoudt mee te draaien
in een werksetting. Onderwijs draait naast kwalificatie immers ook om socialisatie
en persoonsvorming. Stagiairs leren zo naast beroepsinhoudelijke vaardigheden ook
belangrijke vaardigheden waar ze later in hun werkzame leven profijt van hebben. Voorbeelden
hiervan zijn het belang van op tijd komen, dat mensen op je rekenen en dat je een
vergoeding krijgt als waardering. Wanneer teveel nadruk wordt gelegd op beloning van
stagiairs voor hun geleverde inzet, dan bestaat het risico dat het lerende element
van een stage naar de achtergrond verschuift en juridisch mogelijk sprake is van een
arbeidsverhouding tussen stagiair en leerbedrijf. Ten aanzien van het derven van inkomen
geldt dat elke student in principe een voltijdsstudiebelasting heeft, ongeacht of
iemand stage loopt of onderwijs volgt; het compenseren van uitsluitend stagiairs hiervoor
roept vragen op over gelijke behandeling. Een stage kan er wel voor zorgen dat studenten
minder flexibel zijn om naast hun studie te werken, maar dat zal ook in andere situaties
voorkomen.
In de ambtelijke verkenning wordt uiteengezet dat op basis van bovengenoemd doel invulling
moet worden gegeven aan de reikwijdte, de inrichting, de verplichting tot uitkering
en het waarborgen van naleving. Op basis van de verkenning geef ik op enkele onderdelen
al richting voor het vervolg. De andere onderdelen kunnen op basis van deze richting
verder worden uitgewerkt in een brief over de contouren van een wetsvoorstel, die
ik voor de zomer van 2026 naar de Kamer zal sturen.
Reikwijdte en inrichting
Allereerst dient te worden bepaald wie er recht zouden moeten hebben op een stagevergoeding.
Er zijn veel verschillende soorten stages, waaronder ook stages die buiten het onderwijs
worden gelopen. Wat mij betreft is het vanzelfsprekend dat we ons in ieder geval richten
op studenten die vanuit hun opleiding verplicht een stage moeten lopen. Hun stage
wordt gezien als onmisbaar onderdeel van de opleiding en ik vind het van belang dat
zij in staat worden gesteld om de gehele leerervaring van een stage, waar een stagevergoeding
bij hoort, mee te maken. Anderzijds vind ik er ook iets voor te zeggen dat ook stagiairs
die stage lopen als keuze-onderdeel van hun opleidingscurriculum recht hebben op zo’n
leerervaring en dus op een stagevergoeding. Richting de contouren van een wetsvoorstel
zal ik deze twee opties verder uitwerken, waarbij in het bijzonder rekening wordt
gehouden met het beginsel van gelijke behandeling en de uitvoeringsconsequenties.
Voor wat betreft de inrichting van de wet is de keuze aan de orde of er enkel een
recht op vergoeding geregeld moet worden of dat er een minimumbedrag in de wet wordt
opgenomen. Vervolgens is er bij een minimumbedrag de keuze om wel of niet te differentiëren
in bedragen. Ik vind het belangrijk dat een wet leidt tot meer gelijkheid tussen studenten
en een minimumbedrag ligt dan dus voor de hand. Wel zie ik ook risico’s bij het hanteren
van een minimumbedrag als het gaat om het aanbod van stages. Stagebedrijven zijn mogelijk
niet in staat of welwillend om de vergoeding te betalen waardoor het aantal beschikbare
stageplekken zou kunnen afnemen. Ook bestaat het risico dat stagebedrijven alleen
het minimumbedrag uitkeren, terwijl ze voorheen misschien een hogere stagevergoeding
betaalden. Richting de contouren van het wetsvoorstel ga ik de inrichting daarom verder
uitwerken. Dat doe ik in nauw contact met werkgevers, de onderwijskoepels en studentenorganisaties.
Verplichting voor uitkering en waarborgen van naleving
Naast de reikwijdte en inrichting moet tevens een keuze worden gemaakt over wie de
stagevergoeding dient te betalen. Gelet op de doelstelling is het logisch dat het
stagebedrijf zorg draagt voor de uitkering van een stagevergoeding. Het belang van
waardering zit met name in de relatie tussen de stagiair en het stagebedrijf, en een
stagebedrijf kan een vergoeding inzetten als een middel om stagiairs aan zich te binden.
Een verplichting zal kosten met zich meebrengen voor werkgevers.
Het is belangrijk dat stagebedrijven deze verplichting ook nakomen. Het is voor een
student een grote drempel om voor zichzelf op te komen als een stagebedrijf geen vergoeding
biedt. Ik zie hier een belangrijke rol voor de onderwijsinstelling om naast de student
te staan en de student te ondersteunen. De rollen en taken van onderwijsinstellingen
rondom stages zijn momenteel nog niet altijd expliciet gemaakt of opgenomen in de
wet. Ik neem deze mogelijke rol van de onderwijsinstelling om te ondersteunen in het
waarborgen van naleving daarom ook mee in het vervolg van de verkenning en heb daarbij
ook aandacht voor de uitvoeringsknelpunten voor de instellingen. Daarnaast zou de
stagiair bij een geschil naar de civiele rechter kunnen, maar dat is vaak een grote
stap. Een mogelijkheid is ook om een toezichthoudend orgaan te betrekken om toezicht
te houden op naleving van een verplichte stagevergoeding. Toezicht is echter uitvoeringstechnisch
zeer complex. Vanwege de huidige schaarse toezichtscapaciteit zal het toezicht bijvoorbeeld
risicogericht moeten worden vormgegeven. Dit zal niet direct een oplossing bieden
voor de individuele student die geen vergoeding ontvangt. Voor het vervolg kijk ik
hoe we de van naleving van de wetgeving het beste kunnen waarborgen en neem ik daarin
ook de rol van de onderwijsinstelling mee om de student te ondersteunen.
Verwachte effect op aanbod van stageplekken en motie Paternotte (fonds)
Op voorhand blijkt het niet mogelijk om te voorspellen in hoeverre een wettelijk verplichte
stagevergoeding leidt tot een effect op het aanbod van stageplekken. Voor een aantal
groepen wordt wel een daling verwacht, bijvoorbeeld in bepaalde sectoren, bij kleine
bedrijven en zelfstandigen en bij stages voor jongerejaars studenten in het bijzonder
mbo-studenten van de entree-opleiding en mbo-2. In de verkenning wordt toegelicht
hoe een subsidieregeling stagebedrijven financieel kan ondersteunen zoals met een
«publiek-privaat fonds» wordt beoogd. De mogelijkheden voor een dergelijke regeling
en de verschillende afbakeningen zijn in de verkenning uiteengezet. Een regeling kan
stagebedrijven ondersteunen en ervoor zorgen dat studenten niet zonder stageplek komen
te zitten. Er is bij een regeling echter een risico op onbedoeld gebruik van bedrijven
die eigenlijk geen ondersteuning nodig hebben. Op dit moment zijn er geen middelen
beschikbaar voor een subsidieregeling. Bij de stap naar wetgeving moet gekeken worden
waar specifieke problemen ontstaan voor werkgevers of specifieke groepen studenten
en hoe dit voorkomen kan worden. Wat mij betreft staat het overigens buiten kijf dat
ieder stagebedrijf dat een stagiair begeleidt ook een stagevergoeding dient te betalen.
In dat geval zou een subsidieregeling overbodig zijn.
Lopende acties
De afgelopen periode is ook direct ingezet op het verbeteren van de omstandigheden
voor stagiairs. Zo ben ik in het kader van stagevergoedingen bij de start van cao-onderhandelingen
in gesprek gegaan met de sociale partners van de publieke sectoren om aandacht te
vragen voor vastlegging van minimum stagevergoedingen in cao’s, conform de toezegging
aan de Tweede Kamer.7 Het is namelijk belangrijk om onverminderd aandacht te blijven vragen voor afspraken
in cao’s, zodat deze studenten nu al een stagevergoeding gaan ontvangen. Een belangrijke
stap is dat er nu ook afspraken gemaakt zijn in de cao primair onderwijs over stagevergoedingen,
zodat studenten die in het onderwijs stagelopen een vergoeding ontvangen.
Stageovereenkomsten kunnen ook een belangrijke rol spelen bij het borgen van goede
omstandigheden op de stage. Het sluiten van een stageovereenkomst is belangrijk om
voorafgaand aan de stage afspraken te maken over de rechten en plichten van de student,
het stagebedrijf en eventueel de onderwijsinstelling. Dit is ook het moment voor studenten
om de stagevergoeding met het stagebedrijf te bespreken. Zoals toegezegd aan uw Kamer
heb ik het belang van stageovereenkomsten onder de aandacht gebracht van betrokkenen.8 Voor het mbo is een beroepspraktijkvormingsovereenkomst tussen student, stagebedrijf
en onderwijsinstelling verplicht.9 Om stagevergoedingen te stimuleren heeft de MBO Raad in het servicedocument praktijkovereenkomst
een voorbeeld stageovereenkomst opgenomen voor student en stagebedrijf over stagevergoedingen.
Deze kunnen scholen gebruiken om het stagebedrijf op te roepen om een stagevergoeding
te bieden en daar afspraken over te maken met de student. Ook voor het hbo en wo heb
ik het belang van de stageovereenkomst nadrukkelijk onder de aandacht gebracht van
de betrokkenen. UNL heeft reeds afspraken gemaakt met universiteiten over het gebruiken
van dezelfde stageovereenkomst.10 Zij zullen de overeenkomst en het gebruik daarvan de komende tijd evalueren. In het
hbo hebben de VH en werkgeversorganisatie VNO-NCW onlangs in de landelijke stagecode
voor het hoger beroepsonderwijs afgesproken dat er bij iedere stage een individueel
opleidingsplan en een stageovereenkomst is.11 Het is goed om te zien dat deze partijen hun verantwoordelijkheid pakken en actief
bijdragen aan het verbeteren van stages. Ik blijf de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Afsluiting
Ik ben blij dat er mogelijkheden blijken te zijn om stagevergoedingen wettelijk te
verplichten. Wel laat de ambtelijke verkenning ook zien dat er wezenlijke dilemma’s
zijn die zorgvuldig uitgewerkt dienen te worden. De komende periode werk ik verder
aan het uitwerken van wettelijke mogelijkheden richting de contouren van een wetsvoorstel
en neem ik deze dilemma’s mee. In de tussentijd blijf ik in gesprek met sociale partners
om hen op hun verantwoordelijkheid te blijven wijzen, zodat zoveel mogelijk studenten
nu al een stagevergoeding krijgen. Voor de zomer informeer ik uw Kamer over de contouren
van een wetsvoorstel.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes
Indieners
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap