Brief regering : Reactie op verzoek van het lid Jimmy Dijk, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 13 januari 2026, over armere kinderen die naar school gaan zonder goede bril
32 805 Hulpmiddelenbeleid in de gezondheidszorg
Nr. 189
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 januari 2026
Op 13 januari 2026 vroeg het lid Dijk (SP) van uw Kamer, naar aanleiding van een bericht
in het Algemeen Dagblad1, opnieuw aandacht voor de toegankelijkheid van brillen voor kinderen. Sinds 2024
is er vaker aandacht gevraagd voor de situatie van kinderen die geen bril dragen terwijl
zij die wel nodig hebben. Dit speelt met name in gezinnen met beperkte financiële
middelen. Deze zorgen zijn breed gedeeld in de samenleving, in de media en in uw Kamer.
En deze zorgen worden ook gedeeld door mij.
Daarom zijn er door mij en mijn voorgangers een aantal trajecten gestart:
– Ik heb advies gevraagd aan het Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut)
over de mogelijkheden voor opname van kinderbrillen in het basispakket van de Zorgverzekeringswet
(hierna: Zvw);
– Ik heb een subsidieregeling beschikbaar gesteld voor het Jeugdeducatiefonds en Nationaal
Fonds Kinderhulp voor het vergoeden van noodzakelijke brillen voor kinderen die daar
anders geen toegang toe hebben; en
– Ik heb een onderzoek2 uitgezet bij Amsterdam Universitair Medische Centra (hierna: Amsterdam UMC) naar
inzicht in de omvang van het probleem.
Met deze brief informeer ik uw Kamer graag over de stand van zaken van bovenstaande
trajecten. Ook bied ik uw Kamer het onderzoeksrapport van Amsterdam UMC aan, dat ik
op 14 januari jl. in ontvangst mocht nemen.
Adviestraject van het Zorginstituut
Ik heb het Zorginstituut gevraagd om een advies uit brengen over de vraag of en onder
welke voorwaarden brillenglazen, brilmonturen en contactlenzen voor kinderen in aanmerking
kunnen komen voor opname in het basispakket van de Zvw. Ik verwacht dit advies van
het Zorginstituut in de tweede helft van 2026.
Mocht het advies positief zijn, dan is het vervolgens aan een volgend kabinet om een
besluit te nemen over eventuele opname, waarbij er financiële dekking voor de uitbreiding
gevonden zal moeten worden. Zoals ik uw Kamer eerder informeerde3, heb ik van het Zorginstituut een grove schatting ontvangen over de kosten voor opname
van brillenglazen voor alle indicaties. De schatting is dat deze kosten liggen tussen
de € 72 miljoen en € 160 miljoen per jaar. Als óók het montuur opgenomen wordt in
het basispakket, dan liggen de kosten tussen de € 137 miljoen en € 233 miljoen per
jaar. Deze schattingen gaan er vanuit dat kinderen ieder jaar een nieuwe bril nodig
hebben en er geen eigen bijdrage geldt.
Subsidieregeling Jeugdeducatiefonds en Nationaal Fonds Kinderhulp
Eind 2024 heeft uw Kamer een amendement4 aangenomen gericht op het verstrekken van brillen aan kinderen, zolang deze kosten
niet worden vergoed vanuit het basispakket. Dit amendement was bedoeld als tegemoetkoming
voor ouders of verzorgers die de kosten van een bril voor hun kind niet kunnen dragen.
Ik heb dit amendement uitgevoerd door het beschikbaar stellen van een subsidieregeling
aan het Jeugdeducatiefonds en Nationaal Fonds Kinderhulp voor het jaar 2025. Via deze
fondsen kan een laagdrempelige tegemoetkoming worden verstrekt voor de kosten van
een bril voor kinderen uit gezinnen met beperkte financiële middelen.
Ik heb besloten de subsidieregeling te verlengen voor 2026. En tegelijkertijd heb
ik het beschikbare bedrag voor 2026 verdubbeld naar 500.000 euro. Dit is geen structurele
oplossing, maar op deze manier is er ook in 2026 een tegemoetkoming voor kinderen
die een bril nodig hebben.
Onderzoek Amsterdam UMC
In 2025 heb ik prof. dr. Ruth van Nispen5 gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de toegankelijkheid van kinderbillen
in Nederland. Onder haar leiding heeft een brede projectgroep, waarin verschillende
oogzorg- en maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd waren, gewerkt aan het
onderzoek. Dit onderzoek biedt onder andere concreet inzicht in de omvang van het
probleem, de kosten van kinderbrillen, de gevolgen van het ontbreken van adequate
correctie en de mate waarin bestaande vangnetten toereikend zijn. De uitkomsten van
het onderzoek zijn op 14 januari jl. met mij gedeeld en het rapport is bijgevoegd
bij deze brief.
Uit het onderzoek blijkt dat circa 19% van de kinderen in Nederland (ongeveer 634.000
kinderen van 0 tot en met 17 jaar) een refractieafwijking heeft waarvoor een bril
noodzakelijk is. Naar schatting leven circa 64.000 van deze kinderen onder of net
boven de armoedegrens, waardoor de kosten van een bril voor hun ouders moeilijk betaalbaar
is. Ouders van ongeveer 16% van de kinderen met een bril geven aan moeite te hebben
met de kosten; in lage inkomensgroepen loopt dit op tot ruim een kwart. Zij stellen
de aanschaf langer uit dan gewenst of schaffen geen bril aan voor hun kind.
De gemiddelde kosten van een kinderbril bedragen circa € 274. Deze kosten kunnen aanzienlijk
hoger uitvallen bij sterkere refractieafwijkingen, cilinderafwijkingen of wanneer
speciaal glas nodig is (zoals «myopie»-remmende glazen bij progressieve bijziendheid
of een prismabril bij scheelzien). Daarnaast hebben jonge kinderen meestal jaarlijks,
en soms zelfs vaker, een nieuwe bril nodig vanwege de groei van de ogen en het hoofd.
In het onderzoek is ook aandacht besteed aan preventie. Leefstijlinterventies vormen
een laagdrempelige en preventieve benadering en kunnen zonder medische risico’s worden
bevorderd. De 20-20-2-regel (na 20 minuten dichtbij kijken 20 seconden in de verte
kijken, en minstens 2 uur per dag buitenspelen) is daarbij de meest laagdrempelige
interventie die aandacht genereert voor het verminderen van beeldschermgebruik op
jonge leeftijd.6
Het onderzoek laat zien dat het ontbreken of uitstellen van correctie kan leiden tot
gezondheidsproblemen zoals hoofdpijn, vermoeidheid, concentratieproblemen en in sommige
gevallen amblyopie (een lui oog) of versnelde progressie van bijziendheid. Ook zijn
er duidelijke negatieve effecten op schoolprestaties, leerontwikkeling, fysieke ontwikkeling,
sociale participatie en kwaliteit van leven. Dit vergroot kansenongelijkheid en kan
leiden tot hogere maatschappelijke kosten op lange termijn. Verder concludeert het
onderzoek dat de huidige vangnetten versnipperd zijn en niet alle gezinnen bereiken
die ondersteuning nodig hebben.
Ik heb de bevindingen besproken met een afvaardiging van de projectgroep in een zeer
informatief gesprek. Het rapport biedt veel inzicht in de omvang van het probleem
en de gevolgen van het ontbreken van adequate correctie. Ik heb de bevindingen van
dit onderzoek inmiddels gedeeld met het Zorginstituut, zodat deze, waar nodig en mogelijk,
kunnen worden betrokken bij het adviestraject.
Tot slot
Ik vind het belangrijk dat alle kinderen in Nederland, ongeacht de financiële situatie
van hun ouders, over een bril beschikken als zij die nodig hebben. Goed zicht is namelijk
essentieel voor de ontwikkeling van kinderen en bevordert hun kansengelijkheid. Besluitvorming
over eventuele opname in het basispakket of alternatieve regelingen zijn aan een volgend
kabinet. Ik ben er van overtuigd dat de uitkomsten van het onderzoek van Amsterdam
UMC helpen om deze besluitvorming zorgvuldig te kunnen doen.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
Ondertekenaars
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport