Brief regering : Uitkomsten en vervolgstappen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gewasbescherming en biociden
35 756 Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (grondslag voor maatregelen inzake het (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen)
Nr. 29
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR EN DE STAATSSECRETARIS
VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 januari 2026
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb)1 reguleert de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden. Artikel 138 van die wet schrijft voor dat de verantwoordelijke bewindspersonen,
zijnde de Minister van LVVN en de Staatssecretaris van IenW, de Staten-Generaal periodiek
een rapport toezenden over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Bureau Kwink is gevraagd de Wgb te evalueren. In deze brief informeren wij u over
de uitkomsten en het vervolg.
De evaluatie heeft betrekking op de beleidsontwikkeling van de Wgb en het toezicht
op de naleving ervan, met bijzondere aandacht voor de hoogte van de bestuurlijke boete
en de algemeen verbindend verklaring. De evaluatie gaat niet over het functioneren
van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) in de wet, te weten het College voor de
toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en Bureau Erkenningen.
Evaluatie van deze ZBO’s vindt namelijk plaats op grond van (artikel 39 van) de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en heeft in 2022 plaatsgevonden. Uw Kamer is daarover
geïnformeerd.2
Evaluatieonderzoek 2025
Het rapport is ingedeeld aan de hand van onderzoeksthema’s zijnde: toezicht, bestuurlijke
boetes, algemeen verbindend verklaring, beleidsontwikkeling en complexiteit door regelgeving.
Voor deze thema’s worden in totaal zes aanbevelingen gedaan. Hieronder wordt puntsgewijs
aangegeven hoe daarmee zal worden omgegaan.
1. De verdeling van toezicht gebieden over verschillende toezichthouders
Wij roepen toezichthouders op om met prioriteit samenwerkingsafspraken uit te werken
en helder te communiceren over de rolverdeling.
Volgens de onderzoekers spelen rondom het toezicht op de Wgb verschillende uitdagingen,
mede door de versnippering van taken en bevoegdheden over meerdere toezichthouders.
Zij zien de oplossingen echter veelal buiten de Wgb. Wij onderschrijven de aanbeveling
en zullen ons blijven inzetten om een samenwerkingstraject onder verschillende toezichthouders
te verbeteren. De verdeling van toezichtgebieden over verschillende toezichthouders
resulteert inderdaad in een complex samenspel tussen de toezichthouders. Daarom hebben
de betrokken inspectiediensten inmiddels duidelijke afspraken gemaakt over de de onderlinge
samenwerking en de afbakening van toezichtsgebieden. Die afspraken zullen volgens
planning op korte termijn in werking treden. We vertrouwen erop dat dit akkoord een
goede stap is naar een heldere rolverdeling voor toezichthouders.
2. Geïntegreerde gewasbescherming
Aanbevolen wordt om kennisontwikkeling van geïntegreerde gewasbescherming te versnellen
en te onderzoeken of gidsen voor goede gewasbeschermingspraktijken effectief zijn
om geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren.
De onderzoekers bevelen aan om de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming door
telers verder te stimuleren, maar achten wetgeving niet geschikt om specifieke voorschriften
vast te leggen. We onderschrijven deze aanbeveling. Professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen
zijn verplicht een gewasbeschermingsmonitor bij te houden, deze is vormvrij.
Hierin moeten zij bijhouden welke maatregelen zij nemen op het gebied van geïntegreerde
gewasbescherming. Zoals uw Kamer is geïnformeerd, zet de Minister van LVVN in op het
ontwikkelen van een benchmarkingssysteem voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
voor telers en adviseurs door de sector zelf (Kamerstuk 27 858, nr. 711). Daarbij wordt bekeken om in dit systeem ook digitale registratie van niet-chemische
maatregelen te betrekken, zodat telers en adviseurs van elkaar kunnen leren en daarmee
hun aanpak kunnen optimaliseren. Hierover loopt het gesprek met de sector.
3. Online aanprijzen van middelen met gewasbeschermings- of biocide claims
We adviseren om de Europese Commissie om verduidelijking te vragen over de reikwijdte
van het reclameverbod uit de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen en de Biociden
verordening.
Volgens de onderzoekers ervaren toezichthouders knelpunten bij toezicht op online
reclame voor middelen met gewasbeschermings- of biocideclaims, vooral wanneer de werking
van stoffen onduidelijk is. We gaan mee in het advies om nadere duiding te vragen
aan de Europese Commissie over de reikwijdte van het reclameverbod voor niet toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen uit de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen (EG) nr. 1107/2009.
Het Ministerie van LVVN zal hier het voortouw in nemen en zal uw Kamer nader informeren
over de voortgang. Voor biociden is het reclameverbod in artikel 72 van de Wgb geregeld,
hier speelt hetzelfde als voor gewasbeschermingsmiddelen en ook hier zal de Europese
Commissie om verduidelijking worden gevraagd.
4. Vergroten van naleving
We bevelen aan om in brede zin onderzoek te doen naar het vergroten van de naleving
van de Wgb, waarbij alle dimensies van naleving in ogenschouw worden genomen, waaronder
ook de hoogte van de bestuurlijke boete.
Volgens de onderzoekers draagt de bestuurlijke boete, mede door de lage controlekans,
op zichzelf beperkt bij aan de naleving van de Wgb. Voor het vergroten van de naleving
zou onder andere aandacht moeten zijn voor de inrichting en invulling van het toezicht
en het volledige palet aan handhavingsinstrumenten, waaronder de bestuurlijke boete.
Zij menen dat grote bedrijven het boeterisico incalculeren en dat het (alleen) vaststellen
van hogere boetes waarschijnlijk niet effectief gaat zijn. Zowel het Ministerie van
LVVN als het Ministerie van IenW werken samen met de NVWA, de sector en andere belanghebbende
partijen aan een goede naleving en zetten hiervoor in op een breed palet aan interventies.
In 2021 liet de NVWA onderzoek doen naar naleefmotieven bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.3 Hieruit blijkt dat telers de wet- en regelgeving complex vinden, wat naleving bemoeilijkt.
Ook spelen gebrek aan kennis, laag risicobesef en zorgen over effectiviteit van voorschriften
een rol. Samen met een lage gepercipieerde pakkans zorgt dit voor lage naleving.
Om naleving te verbeteren wordt ingezet op meerdere fronten:
• Robuustere wet- en regelgeving, waar de Minister van LVVN samen met de NVWA, betrokken
ministeries en het Ctgb aan werkt4.
• Het vergroten van risicobesef, maatschappelijke besef en verantwoordelijkheid bij
de sector en kennis over geïntegreerde gewasbescherming. Bijvoorbeeld door middel
van een zelfinspectietool, sectoroverleg of via private keuringssystemen.
• Vergroten van de gepercipieerde pakkans door samenwerking met andere toezichthouders.
Het vergroten van de pakkans zal leiden tot betere naleving van voorschriften en daardoor
onder meer tot minder milieubelasting.
5. Bestuurlijke boete
We bevelen aan om de boetemaxima in de Wgb te verlagen naar de corresponderende boetemaxima
voor strafrechtelijke boetes uit het wetboek van Strafrecht. Dit sluit aan bij het
advies van de Raad van State en heeft waarschijnlijk geen praktische gevolgen, omdat
opgelegde boetes nu ruim onder die maxima liggen.
Wij begrijpen deze aanbeveling en zijn voornemens deze over te nemen. De opgelegde
bestuurlijke boetes liggen nu ruim onder de passende categorieën uit het wetboek van
Strafrecht. Het verlagen van de boetemaxima naar het corresponderende boetebedrag
uit het wetboek van Strafrecht zal door zijn gelaagde invulling geen consequenties
hebben voor de praktijk. Dat wil zeggen dat de Wgb maximale boetebedragen formuleert,
die vervolgens door het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Bgb) en de
Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) verder worden ingevuld. Dat wil
zeggen dat de boetebedragen in de praktijk nu al aansluiten bij de aanbeveling. Wij
vinden een wetswijziging op dit punt daarom nu niet prioritair en urgent. Bij de eerstvolgende
grote wetswijziging zullen we deze aanbeveling meenemen.
6. Bijdrage Wgb aan waterkwaliteit
Wij adviseren om de genoemde ontwikkelingen voortvarend door te zetten en de uitkomsten
– waar mogelijk en wenselijk – te benutten om de bijdrage van de Wgb aan de urgente
uitdagingen op het gebied van waterkwaliteit te vergroten. Nederland ligt niet op
koers om doelen uit de Kaderrichtlijn Water voor 2027 te halen, onder andere doordat
gewasbeschermingsmiddelen en biociden in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen.
Er wordt momenteel onderzocht welke voorstellen voor aanpassing van de Wgb het gebruik
van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen kunnen verminderen en alternatieve
methoden kunnen stimuleren.
We steunen de aanbeveling om de verbetering van de waterkwaliteit en de inzet van
de Wgb voortvarend voort te zetten en blijven ons hier actief voor inzetten. We verwijzen
u naar een eerder toegezonden brief van de Minister van LVVN waarin deze de stand
van zaken en toezeggingen met betrekking tot waterkwaliteit gerelateerde onderwerpen
heeft toegelicht5. Een element daarvan is het in overeenstemming brengen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
met de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor KRW genormeeerde werkzame stoffen die de KRW
norm structureel overschrijden. Hiervoor wordt een selectie en beoordelingsmethodiek
ontwikkeld die naar verwachting eind volgend jaar gereed is. Voor toepassing van deze
methodiek door het Ctgb is een wijziging van het Besluit of Regeling gebruik gewasbeschermingsmiddelen
en biociden vereist die door de bewindslieden van LVVN en IenW gezamenlijk zal worden
opgesteld. Daarnaast werkt de NVWA samen met de Unie van Waterschappen en de waterschappen
aan een samenwerkingsovereenkomst voor het toezicht op water gerelateerde bepalingen
uit de Wgb, zodat een effectief en efficiënt toezicht kan bijdragen aan de verbetering
van de waterkwaliteit.
Wel plaatsen we de kanttekening dat de Wgb vooral bedoeld is voor generieke, landelijke
maatregelen en productwetgeving, de Wgb leent zich minder goed voor gebiedsgerichte
aanpakken indien een probleem met waterkwaliteit zich vooral lokaal voordoet. Omdat
in het kader van de KRW is gekozen voor een combinatie van generieke maatregelen en
een gebiedsgerichte aanpak (conform de doelen van het Uitvoeringsprogramma Gewasbescherming
2030) is ook de Omgevingswet een belangrijk instrument om normoverschijdingen terug
te dringen. Dit is in lijn met de motie Grinwis (Kamerstuk27 858, nr. 664) om gebruik te maken van bestaande bevoegdheden en wet- en regelgeving en gebiedsgerichte
aanpak6. De Omgevingswet biedt provincies, waterschappen en gemeenten ruime en expliciete
bevoegdheden ter bescherming van de waterkwaliteit op nationaal, regionaal en lokaal
niveau. Ter ondersteuning daarvan is in opdracht van het Ministerie IenW de «Factsheet
aanpassen grondgebruik voor KRW» opgesteld die in het kader van de KRW-impuls met
provincies, waterschappen en gemeenten is gedeeld.
Tot slot
In deze evaluatie is de doeltreffendheid en de effectiviteit van de Wgb onderzocht.
Uit het onderzoek zijn geen onevenredige effecten gesignaleerd.
Voorts concluderen we dat de wet voldoende doeltreffend is. De uitgevoerde evaluatie
geeft op dit moment geen aanleiding om de Wgb aan te passen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.A. Aartsen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat