Brief regering : Stand van zaken en ontwikkelingen die betrekking hebben op het waterdomein
27 625 Waterbeleid
Nr. 735 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 januari 2026
Nederland staat wereldwijd bekend om de omgang met water. We zijn beroemd om onze
deltawerken en de goede kwaliteit van ons drinkwater. We kunnen echter niet achteroverleunen.
De waterkwaliteit staat onder druk en daarmee ook de kwaliteit van ons drinkwater.
De waterveiligheid vereist aandacht en met het veranderende klimaat moet Nederland
zich voorbereiden op weersextremen. Daarnaast is de wereld onveiliger geworden. Ook
voor de vitale infrastructuur in de watersector geldt dat de digitale en fysieke weerbaarheid
versterkt moet worden.
Met deze brief wordt de Tweede Kamer voor het Wetgevingsoverleg Water (WGO Water)
van 2 februari 2026 geïnformeerd over de stand van zaken en ontwikkelingen die betrekking
hebben op het waterdomein. Daarnaast wordt met deze brief invulling gegeven aan een
aantal moties en toezeggingen. In de brief komen de volgende onderwerpen aan bod:
1. Waterkwaliteit
2. Klimaatadaptatie
3. Vitale infrastructuur watersector
4. Overig
1. Waterkwaliteit
Voldoende, schoon en gezond water is essentieel voor mens en natuur: voor ons drinkwater,
onze landbouw en industrie, onze recreatie en als leefgebied voor dieren en planten.
Ondanks verbeteringen staat de waterkwaliteit nog steeds onder druk. Daarom is het
van groot belang dat we gezamenlijk blijven inzetten op een goede waterkwaliteit.
Met volle inzet zijn veel partijen bezig om de waterkwaliteit zoveel als mogelijk
te verbeteren en de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te halen, uiterlijk
in 2027. Met het landelijke impulsprogramma KRW sturen de overheden gezamenlijk op
het tijdig uitvoeren van afgesproken maatregelen en het nemen van aanvullende maatregelen.
Dat heeft resultaat, want in 2025 is het doelbereik verder gestegen naar 83% van de
ruim 100.000 KRW doelen. Het gaat om zo’n 750 KRW-waterlichamen met ongeveer 140 doelen
per waterlichaam. Deze stijging van het doelbereik vereist echter blijvende aandacht
en investering, want de door KRW vereiste ecologische en chemische toestand wordt
nog niet gehaald.
Over de bijdrage van de landbouw aan de verontreiniging van oppervlaktewater met meststoffen
wordt de Kamer apart geïnformeerd. In de Nitraatrapportage is onderstaande figuur
voor de belasting met stikstof opgenomen1. Voor fosfor is het beeld vergelijkbaar. Dit betreft hier alleen de binnenlandse
bronnen. Over buitenlandse belasting zijn we in gesprek met onze buurlanden. De Ministeries
van LVVN en IenW gaan intensief samenwerken om een 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn te maken dat in lijn is met verplichtingen uit de
KRW en de Nitraatrichtlijn.
Inbreukprocedure Kaderrichtlijn Water
Sinds 25 juli 2024 loopt vanuit de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Nederland
wegens een implementatietekort met betrekking tot de KRW. De Commissie wees op het
ontbreken van een verplichting in nationale wetgeving om toestemmingen voor lozingen
en wateronttrekkingen voldoende frequent te actualiseren. De Commissie wees verder
op een tekortkoming in de vergunningplichten voor onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater.
De ingebrekestellingsbrief van de Commissie is eerder vertrouwelijk met de Kamer gedeeld
en daarover heeft ook een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.2
Naar aanleiding van deze inbreukprocedure en om uitvoering te geven aan moties van
de Kamer (Bromet/Van Esch3 en Van Ginneken/Tjeerd de Groot4) is op dit moment regelgeving in voorbereiding voor de regulering van lozingen en
onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater. Het betreft een wijziging van de Omgevingswet
en de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet (namelijk het Besluit kwaliteit
leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsbesluit), waarin wordt
geregeld dat vergunningen voor onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater en voor
directe en indirecte lozingen op oppervlaktewater met een bepaalde frequentie geactualiseerd
moeten worden. Datzelfde geldt voor de algemene regels voor directe en indirecte lozingen.
Daarnaast wordt in de gewijzigde regelgeving verzekerd dat een vergunningplicht geldt
voor de onttrekking van grond- en oppervlaktewater in alle gevallen die op grond van
de KRW verplicht zijn. Ten slotte wordt door middel van meld-, meet en registratieplichten
geregeld dat er meer inzicht komt in kleinere onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater.
De uitgangspunten voor de op te stellen regelgeving, de verkenning van diverse varianten
en de mogelijke gevolgen daarvan zijn het afgelopen jaar onderzocht en besproken met
belanghebbenden, waaronder medeoverheden, koepelorganisaties en (drinkwater)bedrijven.
Dit is gedaan mede ter uitvoering van de toezegging aan de Kamer in de brief van 25 januari
2024 om een vervolgonderzoek te starten om de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning-
of meldingsplicht te toetsen aan de hand van enkele scenario’s.5 Het voornemen is om de conceptregelgeving die momenteel op basis van deze afstemming
wordt opgesteld, binnenkort in consultatie te brengen om later in 2026 het voorstel
aan de Kamer aan te bieden6, met als doel om de wetswijziging uiterlijk in 2027 in werking te laten treden.
Extra uitzonderingsgronden en nieuwe meetmethodiek Kaderrichtlijn Water
Afgelopen juli is de Kamer uitgebreid geïnformeerd over de uitzonderingen van de KRW7. Lidstaten kunnen onder voorwaarden legitieme uitzonderingen inroepen als doelen
niet tijdig worden behaald. Een grond voor zo’n uitzondering is bijvoorbeeld als het
niet halen van een doel komt door buitenlandse belasting of door exoten zoals de rivierkreeft.
Tijdens het CD Water van 24 september 2025 (Kamerstuk 27 625, nr. 720) is toegezegd de Kamer voor het wetgevingsoverleg Water nader te informeren over
«de twee extra uitzonderingsgronden en de nieuwe meetmethodiek die vanuit Europa zijn
ingesteld» voor de KRW.8
Deze nieuwe onderdelen van de KRW zijn tot stand gekomen dankzij een initiatief en
actieve inzet van Nederland. De Kamer is vanaf het begin hierin meegenomen en is in
februari 2024 geïnformeerd over de start van dit traject en de non-papers.9 Deze onderwerpen zijn onderdeel geworden van een Europees voorstel om de KRW, de
richtlijn Prioritaire Stoffen en de Grondwaterrichtlijn te wijzigen en daaraan nieuwe
normen toe te voegen voor verontreinigende stoffen in grond- en oppervlaktewater.
Inmiddels is een voorlopig akkoord bereikt over het richtlijnvoorstel door het Europees
Parlement en de Raad.10 Het is de verwachting dat deze wijziging begin 2026 van kracht wordt, waarna de lidstaten
tot 22 december 2027 de tijd krijgen deze in hun nationale stelsel te implementeren.
De nieuwe uitzonderingen maken het mogelijk om onder strenge voorwaarden af te wijken
van het op grond van de KRW geldende verbod op achteruitgang van de toestand van een
waterlichaam. De uitzonderingen zien op activiteiten die alleen een tijdelijke achteruitgang
veroorzaken of die bestaan uit het enkel verplaatsen van al verontreinigd sediment
of water binnen of tussen waterlichamen. Dit is voor Nederland zeer relevant, want
het gaat om activiteiten die veelvuldig voorkomen, zoals het baggeren van waterlopen,
aanlegprojecten en bouwputbemalingen. Deze activiteiten zouden anders onmogelijk kunnen
worden door de nieuwe normen die het voorstel bevat, zonder dat daarmee extra verontreinigingen
aan het milieu worden toegevoegd. Deze nieuwe artikelen worden momenteel in de Nederlandse
regelgeving overgezet zodat ze vanaf eind 2027 toepasbaar zijn.11
Met de «nieuwe meetmethodiek» wordt gedoeld op de mogelijkheid de waterkwaliteit op
een wijze te presenteren die een beter beeld geeft van de voortgang van de ontwikkeling
van de waterkwaliteit. Het gaat niet om nieuwe metingen of meetmethodieken, maar om
een andere wijze van het presenteren van de resultaten naast de «one out all out»
(OOAO) presentatie. Op basis van het richtlijnvoorstel is de Europese Commissie aan
zet om voorstellen te doen hoe een format er concreet uit moet zien.
Dit OOAO-principe houdt in dat als één parameter (bijvoorbeeld een chemische stof)
niet voldoet aan de KRW-norm, het hele waterlichaam daarmee niet voldoet. Het OOAO-principe
is een verplichting uit de KRW, die uitdrukking geeft aan het streven om uiteindelijk
goed te scoren voor elke parameter die relevant is voor de menselijke gezondheid en/of
het aquatische milieu. Deze indicator geeft echter geen inzicht in de verbetering
(totdat alle parameters in een waterlichaam aan de norm voldoen). Om deze reden heeft
Nederland in de huidige stroomgebiedbeheerplannen ook geen kaarten op basis van OOAO
weergegeven, maar alleen van de afzonderlijke resultaten van de waterkwaliteit.
De Commissie rekent landen overigens niet af op het resultaat van de waterkwaliteit
op basis van het OOAO principe. Dat geldt ook voor de eigen vergunningverlening. Daarbij
wordt de toestand van de afzonderlijke parameters als vertrekpunt genomen.
De commissie IenW heeft in de vorige samenstelling op 14 januari 2024 en 18 maart
2025 een technische briefing ontvangen over de KRW. Indien daar behoefte aan is zou
ook voor de huidige commissie zo’n briefing georganiseerd kunnen worden om toelichting
te geven op de diverse onderdelen van de KRW.
Kaderrichtlijn Water uitvoeringsprogramma Rijkswaterstaat
Met de brief van 11 februari 202512 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het KRW Uitvoeringsprogramma van Rijkswaterstaat
(RWS). Het KRW Uitvoeringsprogramma richt zich op de aanleg van bijvoorbeeld nevengeulen,
natuurvriendelijke oevers en vispassages om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren.
Deze maatregelen moeten ook uiterlijk 22 december 2027 zijn gerealiseerd en RWS zet
alles op alles om dit te halen.
In de Kamerbrief van februari is aangegeven dat RWS maatregelen treft in de beheersing
van het uitvoeringsprogramma om tijdige realisatie van de maatregelen zoveel als mogelijk
te borgen en de budgetspanning te verminderen. RWS heeft het afgelopen jaar de nodige
stappen gezet. De tot nu toe getroffen aanpassingen in de aanpak hebben ertoe geleid
dat de huidige budgetspanning op het uitvoeringsprogramma verder is verminderd en
tijdige realisatie haalbaar blijft. Zo is een aantal projectbesluiten in procedure
gebracht, is voor een groot aantal maatregelen de aanbesteding gestart en voor een
aantal heeft ook de gunning plaatsgevonden. Dit betreft onder andere de langsdammen
in de Nieuwe Waterweg en het project Uiterwaarden Wamel Dreumel Heerewaarden.
De budgetspanning is afgelopen jaar door een aantal concrete stappen verder afgenomen
(ruim 70 mln.). Enkele projecten met hoge investeringskosten zijn heroverwogen en
stopgezet, als uit een heroverweging bleek dat dit geen afbreuk zou doen aan het kunnen
halen van de KRW-doelen. Indien noodzakelijk worden voor deze projecten alternatieven
uitgewerkt. Zo is er een overeenkomst getekend met een private partij voor de aanleg
van een nevengeul langs de Waal om het KRW-doelbereik te realiseren.
Om te versnellen heeft RWS onder andere een raamovereenkomst met vaste voorwaarden
voor maatregelen in Oost- en Midden-Nederland opgesteld waarbinnen verschillende KRW-projecten
moeten worden uitgevoerd. Het voordeel hiervan is dat niet elk individueel project
een aanbestedingsprocedure hoeft te doorlopen.
Ook zijn er meerdere projecten afgerond, waaronder de nevengeul bij het Zwarte Water,
de uiterwaardverlaging Elster Buitenwaarden en de herinrichting natte oevers Kleine
Noorder IJplas. In de Jaarrapportage KRW, als bijlage bij de Staat van Ons Water,
wordt de Tweede Kamer jaarlijks over de stand van zaken geïnformeerd.
Het doel is en blijft om te voldoen aan de KRW opgaven. Tijdige realisatie van de
maatregelen staat daarbij nog steeds onder druk. De belangrijkste risico’s zijn de
langere tijd die nodig is voor de vaststelling van de benodigde besluiten en vergunningen
en de beschikbaarheid van de benodigde gronden voor de uitvoering van maatregelen.
Met de verstevigde inzet is daarnaast nog niet de gehele budgetspanning weggenomen.
In de nu lopende begrotingsronde wordt opnieuw een afweging gemaakt over een aanvullend
budget. De Kamer wordt hierover via de reguliere begrotingslijnen geïnformeerd.
Implementatie herziene richtlijn Stedelijk Afvalwater
De oorspronkelijke Europese richtlijn Stedelijk Afvalwater, die dateert uit 1991,
bevat regels voor de opvang en zuivering van stedelijk afvalwater. Deze richtlijn
was verouderd en is in 2024 herzien.
De herziene richtlijn Stedelijk Afvalwater13 (hierna: de herziene richtlijn) stelt regels vast voor onder meer de opvang, behandeling
en lozing van stedelijk afvalwater om het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen.14 Daarbij worden aanvullende eisen gesteld aan het effluent uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties
(hierna: rwzi’s) voor nutriënten en microverontreinigingen. Ook zijn regels opgenomen
voor onder andere energieneutraliteit, meer transparantie van de sector die stedelijk
afvalwater verwerkt en voor het monitoren van volksgezondheidparameters in stedelijk
afvalwater. Deze herziene richtlijn moet uiterlijk op 31 juli 2027 zijn geïmplementeerd
in de Nederlandse wetgeving. Voor een aantal verplichtingen uit die herziene richtlijn
geldt een latere datum van implementatie.
De uitvoering van de herziene richtlijn vraagt om een grote investering in capaciteit,
tijd en geld van gemeenten en waterschappen. Met name de bouw van de vierde zuiveringstrap
om microverontreinigingen, zoals medicijn- en cosmeticaresten, te verwijderen zal
tot grote investeringen leiden, omdat op veel installaties een aanvullende zuivering
gebouwd moet worden. In de herziene richtlijn is opgenomen dat de bouw en het beheer
van nieuwe vierde trappen in de toekomst voor een groot deel betaald zal moeten gaan
worden door de producenten van medicijnen en cosmetica (via een zogenaamde uitgebreide
producenten verantwoordelijkheid (UPV)). De UPV kan gevolgen hebben voor de beschikbaarheid
en betaalbaarheid van medicijnen en cosmetica (zoals tandpasta en zonnebrandcrème).15
De implementatie van de richtlijn in wet- en regelgeving wordt nu voorbereid door
het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), in samenwerking met de andere
betrokken ministeries en medeoverheden. Ter implementatie van de herziene richtlijn
Stedelijk Afvalwater moeten onder meer wetten worden gewijzigd, zoals de Omgevingswet
en de Wet milieubeheer. Het voornemen is om de internetconsultatie van deze wetswijzigingen
te starten in het eerste kwartaal van 2026.
Motie prioritering bouw vierde trap bij drinkwaterbronnen
Zoals hierboven al besproken is de verplichting tot verwijderen van microverontreinigingen,
waaronder medicijn- en cosmeticaresten, met behulp van een vierde trap nieuw in de
herziene richtlijn. Een deel van de microverontreinigingen wordt nu al uit het effluent
gehaald in de rwzi’s in de secundaire en tertiaire behandeling, maar een deel wordt
niet afgebroken en komt alsnog in het oppervlaktewater terecht. In Nederland zijn
inmiddels twaalf rwzi’s voorzien van een vierde trap waarmee microverontreinigingen
kunnen worden verwijderd16, daarnaast zal er de komende jaren nog een aantal rwzi’s gebouwd worden met subsidie
van de Minister van IenW via de Tijdelijke subsidieregeling stimulering verwijdering
medicijnresten tweede tranche.17 De herziene richtlijn verplicht lidstaten op grote rwzi’s (>150.000 inwonerequivalent
(hierna: «i.e.»)) een vierde trap te bouwen.
Daarnaast moeten lidstaten op grond van de herziene richtlijn uiterlijk op 31 december
2030 een lijst met gebieden opstellen waar microverontreinigingen een risico voor
mens of milieu opleveren.18 Bij kleinere rwzi’s (tussen 10.000 en 150.000 i.e.) die lozen op wateren in deze
gebieden moet ook een vierde trap worden geplaatst. Op de lijst van gebieden moeten
in elk geval de afwateringsgebieden van onttrekkingspunten voor drinkwater staan,
tenzij uit de risicobeoordeling op grond van de Drinkwaterwaterrichtlijn blijkt dat
microverontreinigingen geen risico vormen. De verwachting is dat op een aanzienlijk
deel van de rwzi’s in Nederland een vierde trap verplicht zal worden vanuit de herziene
richtlijn, omdat de waterkwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en grondwater
in Nederland nog niet voldoende is.19
De verantwoordelijkheid voor de bouw van de vierde trappen ligt bij de exploitant
van de rwzi’s, in het algemeen de waterschappen. Samen met de waterschappen zal een
lijst worden opgesteld met welke rwzi’s als eerste zullen worden aangepakt, op zo’n
wijze dat voldaan wordt aan de ingroeieisen van de richtlijn, waarmee per 2045 alle
aangewezen rwzi’s aan de eisen voldoen. Daarbij zal ik de waterschappen verzoeken
hierbij prioriteit te geven aan de rwzi’s die afwateren op wateren die als drinkwaterbron
gebruikt worden en degene met de hoogste prioriteit zo veel mogelijk voor 2035 aan
te pakken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van de leden Hagen/Tjeerd
de Groot.20 De herziene richtlijn volgt een ingroeipad voor de bouw van de vierde trap, met in
2045 een 100% realisatie van de vierde trap op alle benodigde rwzi’s. Daarmee sluit
de gestelde datum van 2035 en het percentage van 100% voor rwzi’s die drinkwaterbronnen
beïnvloeden in de motie niet aan bij het groeipad voor het installeren van een vierde
trap van de herziene richtlijn. Gezien de grote investeringsopgave die er ligt voor
de waterschappen in tijd, geld en schaarse (bouw)capaciteit, is het onwaarschijnlijk
dat tijdig alle rwzi’s die afwateren op drinkwaterbronnen in 2035 al zijn aangepakt.
Daarbij moet een waterschap rekening houden met alle relevante belangen, waaronder
ook de opgave vanuit de KRW. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging door de waterschappen.
Dit betekent dat de motie naar verwachting niet volledig kan worden uitgevoerd voor
2035.
Motie onderzoek naar absolute indicatoren
De leden Hagen en Tjeerd de Groot hebben in een motie ook gevraagd te onderzoeken
of verdere verslechtering van de waterkwaliteit beter voorkomen kan worden met absolute
indicatoren voor de kwaliteit van het door rwzi’s geloosde water dan met verwijderingsrendementen21. In de richtlijn is een keus opgenomen voor een lidstaat om te kiezen tussen een
maximale concentratie voor een parameter (in deze motie absolute indicator genoemd)
of een verminderingspercentage (ook wel verwijderingsrendement genoemd: hierbij wordt
gekeken naar de vermindering in concentratie tussen het influent en het effluent van
een rwzi). Hierbij geldt dat de herziene richtlijn aangeeft dat als een verminderingspercentage
wordt gebruikt, dezelfde graad van milieubescherming moet worden bereikt als bij gebruik
van een concentratie. Een concentratie-eis kan inderdaad tot andere effluentkwaliteit
leiden dan een verminderingspercentage. Het Ministerie van IenW is voornemens een
onderzoek uit te voeren ten behoeve van de uitwerking van de herziene richtlijn in
de Nederlandse wet- en regelgeving, waarin dit punt wordt onderzocht, zodat er zicht
komt op de gevolgen van concentratie-eisen dan wel verminderingspercentage voor het
effluent. Hiermee is de motie van de leden Hagen/Tjeerd de Groot afgedaan.
Motie Omgang overstorten in de herziene richtlijn Stedelijk Afvalwater
Zoals eerder in deze brief aangegeven, wordt momenteel gewerkt aan de implementatie
van de herziene richtlijn in Nederlandse wet- en regelgeving. Vanuit de herziene richtlijn
wordt onder andere meer aandacht gegeven aan het verminderen van de belasting van
het oppervlaktewater door riooloverstorten.
Landelijk gezien vormen, op het geheel aan belastingen voor de waterkwaliteit, riooloverstorten
een kleine bron, zoals ook aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen
over overstorten.22 Omdat overstorten wel kunnen leiden tot verminderde waterkwaliteit, is er in de herziene
richtlijn extra aandacht opgenomen voor het functioneren van riooloverstorten. Zo
moet er in middelgrote agglomeraties een geïntegreerd beheerplan voor stedelijk afvalwater
worden opgesteld, indien riooloverstorten op basis van historische gegevens, modellering
en de nieuwste klimaatprognoses een risico voor het milieu of de gezondheid van de
mens vormt. Daarnaast moeten middelgrote agglomeraties een geïntegreerd beheerplan
opstellen als de overstorten ervoor zorgen dat er niet wordt voldaan aan andere milieurichtlijnen,
waaronder de KRW of wanneer de overstorten meer dan 2% van de jaarlijkse vracht van
het opgevangen stedelijk afvalwater vertegenwoordigen.
In de geïntegreerde beheerplannen zal inzicht in het rioolnetwerk en de overstorten
moeten worden gegeven en zullen maatregelen moeten worden opgenomen om verontreiniging
uit overstorten te minimaliseren.
Om goed in beeld te krijgen wat de gevolgen van overstorten op het oppervlaktewater
zijn, zal een betere inschatting van de vuilvrachten uit riooloverstorten moeten worden
gemaakt op basis van metingen en/of modellen waarbij ook de nieuwste klimaatprognoses
worden meegenomen. Daarnaast verplicht de herziene richtlijn een representatieve monitoring
van de hoeveelheid overstorting in grote agglomeraties en middelgrote agglomeraties
met risicovolle overstorten, om een schatting te maken van de concentraties en vracht
van de overstorten. Deze monitoringsgegevens kunnen daarmee ook gebruikt worden om
de modellen te actualiseren en aan te passen aan de lokale omstandigheden.
Belangrijk is dat er meer meetgegevens over overstortingen beschikbaar zullen komen
in de komende jaren. Bij de uitvoering van de herziene Richtlijn zullen de komende
veertien jaar voor veel gebieden geïntegreerde beheerplannen voor stedelijk afvalwater
worden opgesteld, waaronder ook in middelgrote agglomeraties waar riooloverstorten
een risico vormen. De komende jaren zal daarmee extra aandacht uitgaan naar riooloverstorten.
De aanpak van risicovolle overstorten zal worden meegenomen in de toekomstige stroomgebiedbeheerplannen
en de aanpak zal in het Bestuurlijk overleg KRW worden besproken. Hiermee wordt invulling
gegeven aan de motie van de leden Pierik en Soepboer23, die de regering verzocht om in beeld te brengen welke overstorten lozen op wateren
die vallen onder de KRW en het effect daarvan op de waterkwaliteit in beeld te brengen
door middel van metingen.
Daarnaast wil ik u, zoals ik ook heb toegezegd aan de leden van de Eerste Kamer24, meedelen dat dit jaar een quick scan uitgezet wordt om meer inzicht te verkrijgen
in de aanpak van (risicovolle) overstorten door gemeenten in samenwerking met waterschappen.
Dit zal zowel landelijk als lokaal meer inzicht geven in de mate van inzicht in de
problematiek van overstorten en de mogelijke aanpak hiervan.
Vergunningverlening toezicht en handhaving (VTH) Waterkwaliteit
RWS is, namens de Minister van IenW, bevoegd gezag voor directe lozingen op de Rijkswateren
(vergunningverlening, toezicht en handhaving). Voor de Rijkswateren zijn circa 700
lozingsvergunningen verleend. Daarvan zijn er ongeveer 211 van IPPC-bedrijven (grotere
industriële lozers), op grond van de Europese richtlijn Industriële Emissies.25 Dit zijn omvangrijke en complexe vergunningen. In overeenstemming met de motie van
het lid Bamenga wordt daarbij gewerkt aan een volledig beeld van de vergunde ZZS-lozingen
waaronder PFAS.26
Gelet op de omvang van de opgave en de KRW-deadline van 22 december 2027, is een prioritering
in de tijd aangebracht. RWS focust bij het actualiseren sinds twee jaar allereerst
op de vergunningen die relevant zijn voor het behalen van de KRW-doelen. In expertsessies
binnen IenW/RWS is vastgesteld dat dit gaat om de vergunningen van IPPC-bedrijven
en afvalverwerkende bedrijven. Er zijn in totaal ongeveer 211 IPPC-vergunningen, waarvan
er 180 zijn bezien. Van die 180 zijn er 76 actueel bevonden of herzien. Van de overige
516 vergunningen zijn er in totaal 136 bezien. Van die 136 vergunningen zijn er 101
actueel bevonden of herzien. Er moeten dus nog 31 IPPC-vergunningen en 380 andere
vergunningen worden bezien en indien nodig ook herzien. Bezien en herzien zijn beide
een bewerkelijk en tijdrovend proces vanwege de omvang van de vaak complexe vergunningen
en de schaarse en zeer specialistische kennis die hiervoor benodigd is.
Van de lozingsvergunningen die reeds bezien zijn, is tot nu ongeveer de helft nog
steeds actueel bevonden en hoeft dus niet te worden herzien. Bij ongeveer een kwart
van de vergunningen die reeds bezien zijn, is een herziening aan de orde in de vorm
van een administratieve wijziging. Een administratieve wijziging betreft bijvoorbeeld
een andere tenaamstelling. Bij het laatste kwart van de vergunningen die reeds bezien
zijn, gaat het om een inhoudelijke herziening. Een inhoudelijke herziening betekent
bijvoorbeeld dat de vergunning aangepast moet worden aan de huidige stand van de best
beschikbare technieken om emissies te voorkomen. In geen enkel geval was tot nu toe
sprake van een dermate hoge impact van een lozing dat direct ingrijpen noodzakelijk
was.
Het beeld van de ZZS-lozingen, waaronder PFAS, is volledig zodra alle lozingsvergunningen
bezien en waar nodig herzien zijn. Voor Rijkswateren is naar verwachting eind 2027
het grootste deel bekend. Dan zijn de lozingsvergunningen actueel van alle IPPC-bedrijven
en afvalverwerkers waarvoor het Rijk bevoegd gezag is actueel. Een volledig overzicht
kan worden gegeven als alle vergunningen – naar verwachting eind 2033 – zijn bezien.
Om eind 2027 alle vergunningen van IPCC-bedrijven en afvalverwerkers te hebben bezien
en indien nodig herzien, zijn aanvullende maatregelen nodig. RWS heeft hiertoe de
volgende maatregelen getroffen of in voorbereiding:
• Werving en behoud van VTH-medewerkers. Het bezien of herzien van lozingsvergunningen
(en voor VTH-werkzaamheden in de breedte) behoeft specialistische kennis en die is
schaars aanwezig op de arbeidsmarkt. In 2024 heeft RWS een wervingscampagne gevoerd,
waardoor er 10 VTH-collega’s waterkwaliteit zijn aangenomen. Dit jaar wordt er opnieuw
een wervingscampagne gestart. Daarnaast is er voor de juiste kennis en kunde en het
behoud van medewerkers een nieuw opleidingsprogramma opgezet.
• Scherpere prioritering en efficiëntere inzet van de schaarse capaciteit. Het op peil
krijgen van de waterkwaliteit en VTH staat in grote maatschappelijke en politieke
belangstelling, in het bijzonder ten aanzien van de lozingsvergunningen. Deze belangen
worden vanzelfsprekend onderschreven. Prioritering is echter niet eenvoudig, mede
door deze druk, die zich uit in de vele vragen en Woo/handhavings-verzoeken, die bij
dezelfde inhoudelijk gespecialiseerde medewerkers terechtkomen. Zij kunnen de capaciteit
maar één keer inzetten. Binnen RWS is recent dan ook afgesproken dat nieuwe vergunningaanvragen
en bezien en herzien prioriteit krijgen. Andere taken worden risicogestuurd of minder
snel opgepakt, waaronder de advisering aan derden.
• De mogelijkheden van AI onderzoeken. Momenteel wordt onderzocht of met behulp van
AI veel tijd kan worden bespaard bij het bezien van vergunningen. Begin 2026 is een
prototype gereed waarmee kan worden vastgesteld of de techniek voldoende betrouwbaar
is.
• Informatie en systemen op orde brengen. RWS werkt op dit moment met verouderde digitale
systemen, waardoor informatie over vergunningverlening, toezicht en handhaving niet
altijd direct beschikbaar is. Dit maakt het beantwoorden van informatieverzoeken arbeidsintensief
en vertraagt het werkproces. In 2026 investeert RWS daarom in een nieuw, modern informatiesysteem
dat beter aansluit bij de huidige eisen aan digitale toegankelijkheid en gegevensuitwisseling.
Na ingebruikname wordt het systeem zorgvuldig gevuld met alle relevante informatie
over vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Met deze extra inzet wordt het actualiseren van alle KRW-relevante vergunningen, vóór
eind 2027 nog steeds haalbaar geacht.
Innovatie en waterkwaliteit
Om kennis en innovatie op het gebied van waterzuivering en PFAS te stimuleren, financiert
het kabinet verschillende projecten. Zo is er vanuit het Nationaal Groeifonds € 135 mln.
beschikbaar gesteld via het programma UPPwater27. Het UPPwater-project richt zich op het hele innovatietraject (onderzoeksfase, pilotfase,
demonstratiefase en marktontwikkeling). Een van de vijf focusgebieden binnen UPPwater
richt zich specifiek op microverontreinigingen zoals PFAS.
Daarnaast financiert het Ministerie van IenW het PFASE-OUT project. Dit driejarige
project valt binnen het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) Agri & Food en
richt zich op het ontwikkelen van effectieve methoden voor het detecteren en afbreken
van PFAS, en om innovatieve oplossingen te vinden voor het verwijderen van deze stoffen
uit afvalwater28.
Ook is dit jaar een kennis- en innovatieprogramma gestart dat zich richt op het beter
mogelijk en goedkoper maken van de afbraak en verwijdering van PFAS uit het water-bodemsysteem.
Voor dat programma is € 11 miljoen gereserveerd voor een geplande looptijd van vijf
jaar29. En om meer zicht te krijgen op de verspreidingsroutes van PFAS start het meerjarig
onderzoek naar seaspray, samen met de kustprovincies en drinkwaterbedrijven en in
samenwerking met verschillende kennisinstellingen30.
Satellietdata monitoring PFAS-lozingen
Tijdens het Commissiedebat Water van 24 september jl. is aan het lid Hertzberger toegezegd
om de Kamer nader te informeren over de mogelijkheid tot het gebruiken van satellietbeelden
voor het monitoren van PFAS-lozingen.31 Het Ministerie van IenW heeft al eerder, in oktober 2023, een onderzoek laten uit
voeren naar de (on)mogelijkheden van het gebruik van aardobservatie voor het monitoren
van waterkwaliteit, zoals bijvoorbeeld voor PFAS.32
Voor het monitoren van waterkwaliteit worden satellieten met camera’s gebruikt. Deze
satellieten maken geavanceerde beelden vanuit de ruimte. Zonlicht dat op de aarde
valt, wordt deels geabsorbeerd door het water zelf en door eventueel aanwezige vegetatie,
algen en zwevende deeltjes, tot de diepte waarin het licht in het water nog kan doordringen.
Het niet-geabsorbeerde deel wordt teruggekaatst, mogelijk beïnvloed door de atmosfeer,
en geregistreerd door de satelliet. Op basis van deze reflectie kan informatie worden
verkregen over de eigenschappen van waterlichamen.
Belangrijk is dat een te meten eigenschap zichtbaar moet zijn in het spectrum dat
de satelliet registreert. PFAS betreft een groep kleurloze chemische stoffen die niet
in het zichtbare spectrum waarneembaar zijn. Bovendien komen PFAS voor in relatief
lage concentraties. Het is daarom niet mogelijk om PFAS direct met satellietbeelden
in kaart te brengen. Wel kunnen satellietdata worden ingezet voor het monitoren van
andere zichtbare parameters in het water, zoals bijvoorbeeld chlorofyl-a, zwevende
stof en blauwalg. RWS maakt hier al volop gebruik van en vanuit het Ministerie van
IenW worden projecten van kennisinstellingen ondersteund. Indien is aangetoond dat
resultaten van aardobservatie en andere innovatieve technieken vergelijkbaar zijn,
agenderen wij bij de Europese Commissie dat deze kunnen worden ingezet in plaats van
de nu geldende monitoringsvereisten. Daarmee kan de kosteneffectiviteit van deze monitoring
op termijn verbeterd worden.
Meetcapaciteit PFAS voor burgerpartijen en uitbreiding van reguliere massaspectrometrie-apparatuur
voor PFAS-meetnetwerk
Tijdens het Commissiedebat Water van 24 september is eveneens aan het lid Hertzberger
toegezegd dat de Kamer geïnformeerd wordt over beschikbaarheid van meetcapaciteit
voor PFAS-metingen door burgerpartijen.33
Het is primair aan commerciële laboratoria om te voorzien in voldoende capaciteit
voor PFAS-metingen. Er zijn op dit moment geen signalen ontvangen dat uitbreiding
van de beschikbaarheid van commerciële analysecapaciteit noodzakelijk is. Door tijdige
communicatie over beleidsontwikkelingen en normstelling krijgen de commerciële laboratoria
de noodzakelijke voorspelbaarheid om in analysecapaciteit en meetmethode te investeren.
Indien de situatie ontstaat dat vraag en aanbod te ver uit elkaar komt te liggen,
zal worden bezien welke aanvullende maatregelen passend zijn.
Beleidsappreciatie RIVM-kennisnotitie «Inventarisatie van de mogelijke gezondheidsrisico's
en beheersmaatregelen bij het gebruik van hemelwater en/of grijs water in de gebouwde
omgeving»
Op 22 september jl. heeft het RIVM een kennisnotitie gepubliceerd van een «Inventarisatie
van de mogelijke gezondheidsrisico's en beheersmaatregelen bij het gebruik van hemelwater
en/of grijs water in de gebouwde omgeving»34. Deze inventarisatie is in opdracht van de Ministeries IenW en Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening (VRO) uitgevoerd, naar aanleiding van aanbevelingen uit het rapport
«Hemel- en grijswatergebruik in het gebouw. Mogelijke verplichting in het Besluit
bouwwerken leefomgeving (Bbl)»35 die in oktober 2023 in een gezamenlijke beleidsreactie van VRO en IenW met de kamer
zijn gedeeld.36
In de kennisnotitie37 wordt alleen ingegaan op de microbiologische risico’s van huishoudwater, omdat het
risico van blootstelling aan chemische stoffen door huishoudwater laag is. In de kennisnotitie
is een overzicht gegeven van mogelijke beheersmaatregelen om de microbiologische risico’s
te beperken.
De toepassing van regen-/hemelwater voor toiletspoeling is nu al mogelijk in het Drinkwaterbesluit.
Als daar een andere bron dan regenwater of grondwater wordt gebruikt, dan is een beoordeling
van de ILT nodig.
Er zijn al diverse lokale initiatieven om gebruik van grijs- en/of hemelwater toe
te passen binnen de huidige drinkwaterwetgeving (bv. Tilburg Koningswei, Pampus, Zwarte
Cross).
De conclusie van het RIVM is dat, hoewel het gebruik van huishoudwater bijdraagt aan
het verminderen van het drinkwaterverbruik, er momenteel onvoldoende maatregelen van
kracht zijn voor het ontwerp, de aanleg en het beheer van een huishoudwatersysteem
om mogelijke risico’s, zoals foutaansluitingen tussen het huishoudwater- en drinkwatersysteem,
volledig uit te sluiten. Daarom wordt aanbevolen om dit soort systemen nu niet in
het Besluit bouwwerken leefomgeving te verplichten. Ik neem deze conclusie en aanbeveling
over.
Daarmee ligt ook het toevoegen van bad- en douchewater (licht grijs water) als automatisch
goedgekeurde bron voor huishoudwater aan het Drinkwaterbesluit nu niet voor de hand.
Toch wil ik stappen blijven zetten om dit in de toekomst wellicht wel mogelijk te
maken. Daarvoor worden met de ILT afspraken gemaakt om dit soort «pilotprojecten»
te monitoren, zodat (positieve) ervaringen en resultaten kunnen worden gebruikt om
te onderbouwen of opname in wet- en regelgeving verantwoord is. Ook wil ik verkennen
of een financiële bijdrage geleverd kan worden aan nieuwe pilotprojecten, waarin de
hieronder genoemde beheersmaatregelen worden getest.
Verder wordt in afstemming met het Ministerie van VRO de komende 2 jaar invulling
gegeven aan de aanbevelingen die het RIVM doet in de kennisnotitie:
• Bestaande beheersmaatregelen, zoals NEN-EN 16941-1 en 2, voor ontwerp, aanleg en beheer
van een huishoudwatersysteem, samen met de branche aanvullen, voor zowel hemel- als
grijswater;
• Deze beheersmaatregelen vast te leggen in richtlijnen en werkprotocollen;
• Onderzoeken of dit in de praktijk wordt opgevolgd en hoe effectief de maatregelen
zijn;
• Kwaliteitseisen op te stellen voor huishoudwater voor toiletspoeling afkomstig van
grijswater en/of prestatiestreefwaarden op te stellen voor de zuivering van het systeem.
Daarnaast worden de brancheverenigingen voor leveranciers en installateurs aangespoord
om de aanbevelingen van het RIVM op te pakken gericht op: borging van correcte aanleg
en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen
te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s.
Op basis van bovenstaande doe ik hiermee de volgende moties af die ingaan op dit thema:
• Motie Van Esch en Bromet (Kamerstuk 32 813, nr. 1094)
• Motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 410 VII, nr. 51)
• Motie Grinwis/Stoffer (Kamerstuk 27 625, nr. 677)
In de beleidsreactie op het rapport «Hemel- en grijswatergebruik in het gebouw. Mogelijke
verplichting in het Bbl» stonden nog drie aanbevelingen die uitgevoerd zouden worden,
waaronder een maatschappelijke kosten en baten onderzoek (MKBA) en een onderzoek naar
de integrale milieuprestatie van grijs- en hemelwatersystemen (LCA). Daarop is geen
actie ondernomen, hangende het onderzoek naar de risico’s voor de volksgezondheid.
Ik pak de uitwerking samen met mijn collega van VRO zo snel mogelijk op, nadat de
aanbevolen aanpassingen van beheersmaatregelen, zoals in de NEN-EN 16941-1 en 2 definitief
zijn. Inzicht in de omvang en intensiteit van deze aanpassingen zijn immers nodig
voor een goede bepaling van de effecten in termen van kosten en milieubelasting van
woningen. Voor de derde aanbeveling om te werken aan alternatieve oplossingen om vraag
en aanbod in balans te houden, wordt verwezen naar de doorlopende inspanningen in
het Actieprogramma Voldoende Drinkwaterbronnen 2023–2030 (Kamerstuk 27 625, nr. 697) en het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing (Kamerstuk 27 625, nr. 671).
Over twee jaar maak ik samen met de Minister van VRO de balans op uit bovengenoemde
acties en bezien we of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Verontreiniging Maas met propamocarb
Vorig jaar is in diverse media bericht over een verontreiniging met propamocarb die
in de Maas aangetroffen werd. De stof kwam vanuit Wallonië. Tijdens het commissiedebat
Water op 24 september 2025 heb ik u hierover geïnformeerd. Wallonië heeft inmiddels
Nederland gemeld dat de bron van de verontreiniging is gevonden en dat maatregelen
zijn genomen. Sinds 18 december 2025 wordt deze verontreiniging niet meer gemeten
in de Maas. Zowel bilateraal als in de Internationale Maascommissie zal met Wallonië
gesprek gevoerd worden hoe we in de toekomst in dergelijke situaties nog beter met
elkaar kunnen optrekken om bron snel te vinden.
2. Klimaatadaptatie
Aanpak gevolgen klimaatverandering en de rol van Kennisportaal Klimaatadaptatie en
de Klimaateffectatlas
Binnen het Rijk wordt interdepartementaal gewerkt aan de nieuwe Nationale Adaptatie
Strategie, terwijl binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie interbestuurlijke
samenwerking plaatsvindt. Van iedereen wordt een bijdrage verwacht bij de benodigde
stappen richting klimaatbestendigheid: overheden, burgers en bedrijven. Het is cruciaal
dat hier voldoende basisinformatie en kennis voor beschikbaar is. IenW heeft daar
de afgelopen 10 jaar voor gezorgd via het Kennisportaal Klimaatadaptatie38 en de Klimaateffectatlas.39 Het Kennisportaal heeft op dit moment gemiddeld 1.500 unieke bezoekers per dag en
de Klimaateffectatlas wordt door gemiddeld 600 gebruikers per dag bezocht, bijvoorbeeld
voor het uitvoeren van klimaatstresstesten. In bijlage bij deze brief vindt u hierover
meer informatie.40
Nationale Adaptatie Strategie (NAS)
De NAS is een rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te
maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Deze wordt momenteel herzien. Hierin
zullen we voor vijftien sectorale opgaven -zoals landbouw, natuur en wonen- de ambities,
verbeterdoelen en aanpak presenteren. Daarnaast doen we dit ook voor de vier rijksbrede,
integrale opgaven op het gebied van ruimtelijke ordening, maatschappelijke weerbaarheid,
bestuur en financiering. De planning is dat de ontwerpNAS in het tweede kwartaal van
dit jaar zal worden vastgesteld, waarna deze ter inzage zal worden gelegd.
Onderzoek rekening houden met water en bodem in financiële instrumenten gebiedsontwikkeling
De urgentie om rekening te houden met het water- en bodemsysteem is hoog, zoals bijvoorbeeld
de wateroverlast in Enschede (2024) en eerder ook in Limburg (2021) laten zien. Op
dit moment wordt het financieel instrumentarium bij gebiedsontwikkeling gebruikt voor
de korte termijn exploitatie en financiële haalbaarheid. Hierdoor hebben langere termijn
kosten en opbrengsten en daarmee de maatschappelijke gevolgen nauwelijks of geen rol
in de besluitvorming.
Om de mogelijkheden voor betere besluitvorming te onderzoeken, heeft het Ministerie
van IenW in afstemming met het Ministerie van VRO een planeconomisch onderzoek laten
uitvoeren: «Bouwstenen uit de theorie en praktijk om water en bodem te borgen in gebiedsontwikkelingen»41. Uit dit onderzoek blijkt dat het anders gebruiken van bestaand (financieel) instrumentarium
de mogelijkheden geeft voor het rekening houden met het water- en bodemsysteem. Decentrale
overheden vervullen hierin een cruciale rol. Door tijdig inzichtelijk te maken welke
water- en bodemmaatregelen op een specifieke bouwlocatie nodig zijn, hebben projectontwikkelaars
beter zicht op initiële meerkosten, kunnen werkzaamheden slim worden gecombineerd
en is het mogelijk investeringen naar voren te halen. Dit voorkomt financiële risico’s
voor de langere termijn, en versnelt de woningbouw door discussie en vertraging te
voorkomen. Een nadere uitwerking in afstemming met andere departementen en decentrale
overheden is nodig om verdere stappen te zetten.
Toetsen landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving
Nederland staat voor een forse woningbouwopgave, met een stevige inzet op betaalbaarheid,
kwaliteit en snelheid. Tegelijkertijd vraagt deze groeiende behoefte aan woningen
om zorgvuldige ruimtelijke inpassing, het veranderend klimaat in acht nemend. De Kamer
heeft via motie Peter de Groot c.s. in oktober 2024 aan de regering verzocht te toetsen
of het rekening houden met water en bodem de woningbouwopgave niet onevenredig bemoeilijkt.42
De Ministeries van IenW en van VRO hebben onderzoek uit laten voeren om de in de motie
genoemde instrumenten – het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving
(waar te bouwen) en de Landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving
(hoe te bouwen) – te toetsen of deze de woningbouwopgave niet onevenredig te bemoeilijken.
De Landelijke Strategie en Interbestuurlijke Uitvoeringsagenda 2023–2024 registreert de voortgang of en zo ja hoe rekening wordt gehouden
met water en bodem in beleid wordt opgenomen en vormt daarmee geen beperking.43
In het uitgevoerde onderzoek is gekeken naar mogelijke effecten op locatiekeuze, kosten
en baten, en snelheid van de ontwikkeling. Daaruit komen de volgende resultaten naar
voren:
• Klimaatadaptief bouwen en het principe van rekening houden met water en bodem zijn
niet nieuw: Uit de interviews blijkt niet dat de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader
woningbouw als zodanig bemoeilijken of daarvoor nieuwe belemmeringen opwerpen. Bovenal
zijn deze instrumenten een formalisering en uniformering van een werkwijze die al
langer gangbaar was op locaties die uitdagingen kennen ten aanzien van water en bodem.
• Geen directe belemmering aantal woningen: Het totaal aantal te bouwen woningen blijft
veelal overeind en is bovendien afhankelijk van meerdere factoren.
• Ruimtelijke keuzes binnen de gekozen locatie kunnen wel veranderen: De inzichten uit
het afwegingskader kunnen (indirecte) gevolgen hebben voor de ruimtelijke indeling
van een gebied. Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in compacter bouwen of op hoger gelegen
delen, zeker in gebieden waar extra ruimte nodig is voor water, groen of verkoeling.
• Locatiekeuze niet wezenlijk beïnvloed: Mobiliteit, eigendom en gemeentelijke grenzen
zijn de bepalende factoren voor waar gebouwd wordt. Uit de interviews blijkt dat ook
voor de introductie van deze landelijke instrumenten al op verschillende manieren
werd nagedacht welke woningbouwlocaties vanuit water en bodem het meest geschikt zijn.
• Geen vertraging, mits tijdig toegepast: Het effect van deze instrumenten op de snelheid
van het planproces is niet eenduidig. Wel blijkt dat vroegtijdige inzet van de instrumenten
vertraging later in het proces voorkomt.
• Hogere investeringskosten en lagere beheer- en onderhoudskosten voor een toekomstbestendige
leefomgeving. Uit de interviews blijkt dat kosten aan de voorkant van een ontwikkeling
hoger kunnen zijn op locaties die een opgave hebben ten aanzien van water en bodem,
bijvoorbeeld omdat daar meer vooronderzoek en afstemming nodig is, en maatregelen
in het ontwerp moeten worden opgenomen. Gemeenten verwachten daarentegen dat dergelijke
investeringen in klimaatadaptiviteit zich later terugbetalen in de vorm van onder
andere lagere beheers- en onderhoudskosten.
Dit neemt niet weg dat woningbouwprojecten gevolgen kunnen ondervinden van lokale
water- en bodemopgaven, bijvoorbeeld om verzakkingen of wateroverlast te voorkomen.
Via de uitwerking van de Woontopafspraak over water en bodem zet het kabinet daarom
in op uniforme kaders, duidelijke en vroegtijdige afspraken daarover, en wordt handelingsperspectief
geboden door middel van innovatieve ontwerpconcepten. Met dit onderzoek is invulling
gegeven aan de motie Peter de Groot c.s.
In het proces van de woontop wordt er gewerkt door de Ministeries van IenW, VRO en
de medeoverheden aan een uniform kader met landelijke normen voor wateroverlast door
piekbuien, en voor bodemdalingsbestendig bouwen. Beide landelijke normen worden uitgewerkt
voor nieuwbouwprojecten. Verder wordt er ook gewerkt aan een convenant met een geüniformeerde
werkwijze tussen gemeenten en waterschappen, om zo het waterbelang goed en duidelijk
te borgen binnen nieuwbouwprocessen, om verrassingen en vertragingen te voorkomen.
De voortgang op de Woontopafspraken en op het externe STOER-advies staan verder uitgewerkt
in de kabinetsreactie op het Adviesrapport STOER van 10 oktober 202544. Ten slotte worden de kosten van klimaatadaptief bouwen steeds scherper in beeld
gebracht, zo is er onderzocht hoe kosten lager kunnen door soms tijdelijk meer overlast
te accepteren in de openbare ruimte, zonder dat het risico toeneemt. Resultaten van
het onderzoek laten zien dat er flinke kostenbesparingen mogelijk zijn.45
Lancering Dutch Climate Risk Portal
Op 18 november 2025 is het Dutch Climate Risk Portal (DCRP) gelanceerd.46 Het portaal is in opdracht van het Ministerie van IenW ontwikkeld door stichting
Climate Adaptation Services (CAS) en heeft als doel om de (internationale) financiële
sector en bedrijven te voorzien van betrouwbare informatie over overstromings- en
klimaatrisico’s in Nederland. Dit is van belang omdat internationale risicoanalyses
en commerciële data-aanbieders niet altijd gebruikmaken van de juiste gegevens en
vaak geen rekening houden met bestaande beheersmaatregelen, zoals waterveiligheidsmaatregelen.
Door actuele en gevalideerde informatie centraal te ontsluiten, helpt het portaal
om zowel over- als onderschatting van fysieke risico’s te voorkomen.
Het DCRP is ontwikkeld in samenwerking met de overheid, de financiële sector en inhoudelijke
experts en sluit aan bij de groeiende behoefte aan gestandaardiseerde en goed onderbouwde
klimaatrisico-informatie. Het portaal is vormgegeven met oog voor internationale financiële
rapportagevereisten en wordt daarom in het Engels aangeboden. Hiermee vormt het DCRP
een solide basis voor het beoordelen van risico’s in financiële producten, investeringsbeslissingen
en bredere klimaatadaptatiestrategieën.
Grondwater – Verkenning naar de verzekerbaarheid van grondwaterproblematiek
Naar aanleiding van een toezegging aan de Kamer uit het WGO van 29 januari 2024 (Kamerstuk
36 410 J, nr. 8)47 is in de Kamerbrief over verzekerbaarheid overstromingsrisico48 aangegeven dat er apart aandacht besteed zal worden aan de verzekerbaarheid van grondwateroverlast.
In dit kader hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de medeoverheden, verzekeraars
en het Rijk. Uit deze gesprekken blijkt dat alle partijen de gevolgen van grondwateroverlast
erkennen. Tegelijkertijd is er ook behoefte aan meer inzicht in de wijze waarop dit
probleem zich manifesteert. Daarom is in samenwerking met Deltares een kaart met een
toelichting ontwikkeld over grondwateroverlast.49 Deze kaart laat zien welke gebieden in Nederland kans hebben op grondwateroverlast
als gevolg van langdurige regen en hoe de kans hierop toeneemt door klimaatverandering.
De focus ligt hierbij op grondwateroverlast in de gebouwde omgeving.
Momenteel is grondwateroverlast niet verzekerbaar omdat het geen onverwachte gebeurtenis
is. Door het ontsluiten van goede data en informatie (zoals het kaartverhaal) zijn
verzekeraars beter in staat om risico’s af te wegen en te beoordelen waar (aanvullende)
dekking wel of niet mogelijk is. De keuze om grondwateroverlast te verzekeren ligt
vervolgens bij de verzekeraars zelf.
Daarnaast is het voor huiseigenaren met natte kelders en kruipruimten belangrijk om
te weten wat oorzaken kunnen zijn, wie waarvoor verantwoordelijk is en welke maatregelen
getroffen kunnen worden. Op deze manier kan schade aan de woning zoveel mogelijk worden
voorkomen of verholpen. Informatie hierover is te vinden bij het Informatiepunt Leefomgeving.50
In het licht van een veranderend klimaat en meebewegend waterbeheer, is het belangrijk
om scherp te blijven op de ontwikkelingen rond deze vorm van wateroverlast. Daarom
worden huiseigenaren, verzekeraars, waterschappen en gemeenten aangemoedigd om, binnen
de bestaande bevoegdheden, te zoeken naar mogelijke maatregelen die getroffen kunnen
worden om (langdurige) grondwateroverlast en potentiële funderings- en gezondheidsrisico’s
zoveel mogelijk te voorkomen. Bovendien wordt meegegeven dat toekomstige grondwateroverlast
het beste voorkomen kan worden door bij de bouw en locatiekeuze van nieuwe woningen
en bedrijventerreinen rekeningen te houden met het risico van grondwateroverlast.
Als onderdeel van de nieuwe Nationale Adaptatie Strategie (NAS) die dit jaar wordt
gepubliceerd, zal worden gewerkt aan het vergroten van de bewustwording over dergelijke
risico’s en hoe rollen en verantwoordelijken verdeeld zijn.
Waterbewust gedrag inwoners
Het veranderende klimaat zorgt ervoor dat we steeds vaker te maken krijgen met weersextremen
zoals droge perioden of juist extreme neerslag. Bestaande oplossingen voor de uitdagingen
op het gebied van water volstaan niet altijd meer. We moeten anders met ons water
omgaan – de overheid, bedrijven én alle inwoners van Nederland.
Via de brief van 27 november 2023 is de Kamer geïnformeerd over het voornemen om het
waterbewustzijn onder Nederlanders te vergroten en inwoners aan te zetten tot anders
handelen, bijvoorbeeld in geval van extreme weerssituaties.51 Het programma Leven met Water dat per juni 2025 is gestart biedt inwoners informatie
en praktische handvatten om een bijdrage te kunnen leveren aan de volgende vier wateropgaven:
• Voorkomen van watertekort
• Verminderen van wateroverlast
• Voorbereiden op wateroverlast
• Verbeteren van de waterkwaliteit
Leven met Water is een samenwerkingsverband van waterschappen, waterbedrijven, watermusea,
RWS, provincies, gemeenten, Ministerie van IenW, het Nationaal Deltaprogramma, Unie
van Waterschappen, Vewin, VNG en IPO.
Per wateropgave is in kaart gebracht wat overheden, bedrijven en andere organisaties
al doen om mogelijke problemen te voorkomen. Het overzicht met maatregelen die inwoners
kunnen nemen om mogelijke problemen te voorkomen wordt regelmatig geactualiseerd.
Aan de hand van gedragsonderzoek wordt bepaald voor welke maatregelen het meeste draagvlak
is en hoe de maatregelen in de praktijk uitvoerbaar zijn voor inwoners. Die maatregelen
worden via www.levenmetwater.nl, via activiteiten en bijeenkomsten van waterpartners en via gerichte gedragsinterventies
en communicatiecampagnes onder de aandacht gebracht.
Daarnaast zijn en worden diverse andere middelen en initiatieven ingezet zoals educatiemateriaal
voor scholen, open dagen bij waterschappen en zuiveringslocaties en projecten en publieksactiviteiten
gericht op het vergroenen van tuinen.
NK Tegelwippen
Afgelopen jaar vond als onderdeel van Leven met Water de vijfde landelijke editie
van het NK Tegelwippen plaats. Doel van dit initiatief is om gemeenten en hun inwoners
aan te zetten tot het vergroenen van tuinen, straten en pleinen. Meer groen draagt
bij aan een betere waterafvoer bij hevige regenval en minder hittestress in de zomer.
Met bijna 6 miljoen verwijderde tegels won Nederland de Gouden Gieter in het Duel
der Lage Landen, waartoe Vlaanderen ons had uitgedaagd. Venlo won de Gouden Schep
in de categorie grote gemeenten, Roosendaal voor de middelgrote gemeenten en Valkenburg
in de categorie kleine gemeenten. Utrecht ging er met de Gouden Tegel vandoor voor
het verwijderen van de meeste tegels in absolute aantallen. Het NK Tegelwippen biedt
concrete handvatten voor inwoners om zelf met klimaatadaptatie aan de slag te gaan.
Drinkwaterbesparing
In het voorjaar van 2026 start, ook als onderdeel van Leven met Water, een landelijke
communicatiecampagne gericht op drinkwaterbesparing. Deze publiekscampagne moet samen
met de andere interventies uit het plan van aanpak drinkwaterbesparing bijdragen aan
het behalen van het doel: naar 100 liter drinkwater per persoon per dag in 2035. De
campagne is een samenwerking tussen het ministerie en de drinkwaterbedrijven.
Waterkalender
Het afgelopen jaar stond het instrument waterkalender meermaals in de belangstelling,
zowel bij de politiek, als bij departementen en stakeholders. IenW gaat in overleg
met decentrale overheden aan de slag met de invulling van de kalender. De Deltacommissaris
wordt eveneens betrokken bij de invulling van de waterkalender. Het voornemen is om
met de waterkalender te voorzien in een overzicht van de momenten in de toekomst waarop
het ministerie beleid over de breedte van de wateronderwerpen zal opleveren. De waterkalender
zelf zal dus geen nieuw beleid bevatten. De weergave zal duidelijkheid geven over
de thema’s van het betreffende beleidsproduct, welke schaalniveau’s geraakt worden,
én welke doelgroepen in meer of mindere mate er mee te maken gaan krijgen. Ook zal
worden voorzien in inzicht in de daadwerkelijke waterbeheersituatie op een bepaalde
locatie. Belangrijk daarbij is ook een communicatieve verbeelding. Het kan een nuttige
onderlegger zijn voor gesprekken met andere departementen, mede-overheden, waterbeheerders
en stakeholders. En stelt hen in staat zelf te anticiperen op klimaatadaptatieve maatregelen.
De ontwikkeling van de waterkalender wordt in 2026 ter hand genomen.
Europees initiatief inzake klimaatveerkracht en het beheer van klimaatrisico’s
De Europese Commissie is voornemens om in oktober 2026 het «Europees initiatief inzake
klimaatveerkracht en het beheer van klimaatrisico’s» te publiceren. Het gaat daarbij
om een breed en integraal kader en actieplan, gericht op ondersteuning van de EU-lidstaten
bij het vergroten van hun weerbaarheid op het gebied van klimaatverandering. Centraal
staat het borgen van wetenschappelijk onderbouwde risicobeoordelingen, meer harmonisatie
van methoden voor risicobeoordelingen, het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking,
ondersteuning van publieke en private partijen en het vergroten van een rechtvaardige
aanpak. De Commissie benadrukt dat het werken aan klimaatweerbaarheid mogelijkheden
biedt om de concurrentiepositie van de EU te vergroten en wil met hier met het initiatief
een impuls aan geven. Op 1 december 2025 heeft de Commissie een publieke consultatie
gestart, die open staat tot 23 februari a.s. IenW zal een reactie namens het Rijk
coördineren, deze zal conform vaste afspraak tussen Kamer en kabinet ook met de Kamer
gedeeld worden.
Rapport Onderzoeksraad voor Veiligheid en Nationale Aanpak Wateroverlast
Op 22 januari 2026 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) het rapport «Onveiligheid door extreme regen»52 gepubliceerd. Met dit rapport rondt de OvV het onderzoek af naar de wijze waarop
Nederland zich voorbereidt op de gevolgen van extreme regen vanuit een veiligheidsperspectief.
Wateroverlast door extreme regenval kan naast materiële schade ook leiden tot veiligheidsrisico’s.
Onderdeel van het onderzoek is de vraag wat verschillende partijen doen om risicofactoren
te beheersen en welke knelpunten zich voordoen bij de risicobeheersing. De Raad concludeert
dat veiligheidsrisico’s door extreme regen niet kunnen worden uitgesloten.
Het beschermen van burgers in Nederland tegen overlast door extreme regen is een belangrijk
en actueel thema. Zoals beschreven in de Kamerbrief «Wateroverlast door grootschalige
extreme regen»53 die op 30 oktober 2025 aan de Tweede Kamer is gestuurd, kan wateroverlast door extreme
regen leiden tot schade aan (vitale) infrastructuur, woningen, landbouw, natuur en
cultureel erfgoed. Extreme regen kan ook een grote impact hebben op de (mentale) gezondheid
van burgers.
Zoals in de brief aangekondigd werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
(IenW) samen met andere betrokken departementen, decentrale overheden, waterschappen,
veiligheidsregio’s en vitale sectoren, aan het vergroten van inzicht in knelpunten
en aan maatregelen om de gevolgen van extreme regen te beperken. In dat kader ontwikkelt
het Ministerie van IenW een Nationale Aanpak Wateroverlast, die zal worden geborgd
in het Nationaal Waterprogramma. Het rapport van de OvV onderstreept het belang van
het ontwikkelen van deze Nationale Aanpak Wateroverlast. Daarnaast biedt het rapport
aanvullende aanbevelingen om burgers beter te beschermen tegen de veiligheidsrisico’s
van wateroverlast door extreme regenval.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 23 januari jl. zal het kabinet binnen zes maanden
een reactie op de conclusies en aanbevelingen aan de OvV sturen54. De Kamer wordt hier voor het zomerreces nader over geïnformeerd.
3. Vitale infrastructuur watersector
Met de brief die door het kabinet op 12 december 2025 aan de Kamer is gezonden over
«weerbaarheid en militaire paraatheid tegen hybride en militaire dreigingen» wordt
de voortgang aangegeven van de beleidsinitiatieven die in gang zijn gezet om Nederland
weerbaarder te maken en de fysieke en digitale veiligheid van vitale inrfastructuur
te versterken.55 Te beginnen bij die sectoren die rand voorwaardelijk zijn voor de continuïteit van
de maatschappij, waaronder Keren en Beheren.
Opnemen waterveiligheid in Europese richtlijn voor kritieke entiteiten
Naar aanleiding van een vraag van het lid Verkuijlen tijdens het Commissiedebat Water
van 24 september jl. is de toezegging gedaan tot een oriëntatie op het opnemen van
waterveiligheid in de Europese richtlijn voor kritieke entiteiten en de kamer hierover
te informeren.56
In de Europese Critical Entities Resilience-richtlijn (CER) zijn verschillende processen
als «kritiek» aangewezen.57 Dit is niet voor het proces Keren en Beheren Waterkwantiteit (waaronder waterveiligheid
en peilbeheer) gebeurd, zoals het lid Verkuijlen heeft geconstateerd. Achtergrond
is dat dit proces alleen voor Nederland kritiek is, gezien de unieke ligging in een
laaggelegen delta, en niet voor andere landen. Daarbij geldt dat de CER-richtlijn
het mogelijk maakt voor lidstaten om zelf kritieke processen te identificeren en kritieke
entiteiten binnen deze processen aan te wijzen. Deze kritieke processen hebben dezelfde
status als processen die al in de CER-richtlijn gernoemd zijn. De sector Keren en
Beheren waterkwantiteit zal op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten worden aangewezen. Van belang is dat het proces Keren en Beheren
Waterkwantiteit sinds 2005 is aangemerkt als een vitaal proces binnen de Nederlandse
beschermingsaanpak van vitale infrastructuur.
Cyberveiligheid waterwerken
Naar aanleiding van een vraag van het lid Hertzberger is toegezegd dat de Kamer voor
het wetgevingsoverleg Water wordt geïnformeerd over de stappen die zijn gezet sinds
het verschijnen van het rapport van de Algemene Rekenkamer over cyberveiligheid en
wordt daarbij ook ingegaan op de huidige stand van zaken van de netwerkveiligheid
van de waterwerken58.
In het rapport «Digitale dijkverzwaring: cybersecurity en vitale waterwerken» van
de Algemene Rekenkamer van 11 maart 2019 is een achttal aanbevelingen geformuleerd
aan de Minister van IenW.59 Op basis van deze aanbevelingen is Rijkswaterstaat (RWS) het versterkingsprogramma
Cybersecurity gestart. Dit programma bestaat uit 21 deeltrajecten die de cyberweerbaarheid
van RWS over de volle breedte heeft versterkt.
De Tweede Kamer is al eerder op een aantal momenten geïnformeerd over de voortgang
van het versterkingsprogramma. Tijdens het Wetgevingsoverleg Water van 1 december
2020 is door de Minister van I&W uitvoerig ingegaan op de maatregelen van RWS ter
implementatie van de aanbevelingen uit het rapport van de Algemene Rekenkamer. Op
27 januari 2021 is de Kamer in een besloten technische briefing geïnformeerd over
de opvolging van de aanbevelingen en moties. Ook in de kamerbrief van 7 juni 2022,
getiteld «Versterken cyberweerbaarheid in de watersector» is ingegaan op de voortgang
van de implementatie van de aanbevelingen van de Rekenkamer.60 Van de 21 deeltrajecten zijn er inmiddels 18 naar tevredenheid afgerond. De overige
3 trajecten zijn in een afrondende fase en worden verder opgenomen en verantwoord
in de reguliere programmeringscyclus van RWS.
RWS investeert structureel risicogestuurd in het verstevigen van haar cyberweerbaarheid
in navolging van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. Als onderdeel van het
versterkingsprogramma investeert RWS onder meer in digitale veiligheid vanaf de ontwerpfase
bij vernieuwing & renovatie van de objecten. Daarnaast wordt er stevig ingezet op
onderwerpen als bewustzijn en monitoring & detectie.
Met de uitvoering van het versterkingsprogramma is een goede impuls gegeven aan cybersecurity
binnen RWS. Toenemende dreigingen en de implementatie van nieuwe wetgeving waaronder
de Cyberbeveiligingswet en de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten vragen blijvende
aandacht om de digitale weerbaarheid op peil te blijven houden.
4. Overig
Herijking Deltaprogramma
Elke zes jaar wordt voor het Deltaprogramma een herijking uitgevoerd. Via een gestructureerde
aanpak onderzoeken de partners van het Deltaprogramma – het Rijk, provincies, gemeenten,
waterschappen, Rijkswaterstaat, kennisinstellingen en verschillende maatschappelijke
organisaties – in hoeverre het nodig is om de koers van het Deltaprogramma bij te
stellen.
De zesjaarlijkse herijking richt zich op de deltabeslissingen en de voorkeursstrategieën
per deelgebied (het IJsselmeergebied, Rijnmond-Drechtsteden, de rivieren Rijn en Maas,
de Zuidwestelijke Delta, de Kust, het Waddengebied, de Hoge Zandgronden en Centraal
Holland). De inzichten en voorstellen uit de tweede herijking worden onderdeel van
het Deltaprogramma 2027 en als advies aangeboden aan het kabinet. In de kabinetsreactie
op het Deltaprogramma 2027, welke de Kamer op Prinsjesdag ontvangt, zal het kabinet
aangeven hoe het met de adviezen zal omgaan en hoe deze worden verwerkt in het Nationaal
Water Programma (NWP) 2028–2033.
Nationaal Waterprogramma 2028–2033
Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden,
wordt het Nationaal Water Programma (NWP) geactualiseerd. Het NWP 2028–2033 legt het
nationaal waterbeleid voor zes jaar vast. Goed waterbeleid is cruciaal voor een toekomstbestendig
Nederland en vraagt keuzes. Het Ministerie van IenW start de procedure voor het NWP
met het ter inzage leggen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en het participatieplan.
De NRD is de eerste stap om te komen tot een plan-milieueffectrapport (plan-MER) voor
het NWP. De NRD beschrijft welke thema’s en beleidskeuzes onderzocht gaan worden en
op welke wijze de effecten van keuzes worden beoordeeld. Het participatieplan beschrijft
hoe IenW andere partijen wil betrekken bij het opstellen van het NWP. Eenieder kan
reageren op de NRD en het participatieplan van dinsdag 20 januari tot en met maandag
2 maart 2026. Ook wordt advies gevraagd aan de Commissie voor de MER. Het Ministerie
van IenW betrekt de zienswijzen en adviezen bij het opstellen van het milieueffectrapport
en het ontwerp Nationaal Water Programma.
Programmatische Aanpak Grote Wateren
Met de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) verbetert het Rijk de ecologische
waterkwaliteit en de natuur in, op en rond de Nederlandse grote wateren. Daarmee is
de PAGW essentieel voor het duurzaam behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water,
de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Europese Natuurherstelverordening.
In het IJsselmeergebied wordt ingezet op een natuurlijker peilbeheer, een groter areaal
oeverzones en op het aanleggen van verbindingen tussen zoet en zout water. Bij de
aanleg van de vismigratierivier bij Kornwerderzand is de provincie Friesland geconfronteerd
met een financieel tekort van € 13 miljoen. Om dit tekort te dekken is vanuit PAGW-middelen
een bedrag van € 6,5 miljoen toegezegd, het Waddenfonds en de Nationale Postcode Loterij
financieren de andere helft van het tekort. Het verbeteren van de vismigratiemogelijkheden
door de Afsluitdijk versterkt de (internationale) connectiviteit van het gehele Rijnstroomgebied.
De verkenning naar kansrijke maatregelen ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit
langs de Noord-Hollandse Markermeerkust is afgerond. Het ontwerpvoorkeursalternatief
bestaat uit maatregelen op een drietal locaties langs de Markermeerkust: Kinselbaai,
de Nes en Schardammer Kogen. Het betreft de aanleg van ca. 85 hectare (helofyten)moeraszones,
overstromingsgrasland en ondiep water met ondergedoken waterplanten. Het ontwerpvoorkeursbesluit
heeft in het najaar 2025 ter inzage gelegen en zal in het voorjaar van 2026 definitief
worden vastgesteld.
In het HWBP-project Versterking IJsselmeerdijk van Waterschap Zuiderzeeland doet zich
de mogelijkheid voor om in de luwte tussen de nieuw aan te leggen vooroever en de
huidige dijk (± 115 ha) zoetwaterecotopen te realiseren. Dit project is een voorbeeld
van een nature based solution61 door met een natuurlijke inrichting positief bij te dragen aan waterveiligheid, natuur
en waterkwaliteit. Met een PAGW bijdrage van € 4,0 miljoen worden deze extra ecologische
inrichtingsmaatregelen gerealiseerd en voor 10 jaar gemonitord en onderhouden. De
budgettaire verwerking volgt bij de voorjaarsnota 2026. Medio 2026 start het Waterschap
met de werkzaamheden van het HWBP-project. Oplevering van het werk is voorzien eind
2030.
Bij de KRW-maatregel Uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH) doet zich
de mogelijkheid voor om 50–100 hectare ooibos en overstromingsvlaktes aan te leggen.
Met een bijdrage van € 15 mln extra financiering vanuit de PAGW kan deze KRW-maatregel
met een «ecoplus-variant» worden gerealiseerd waarmee de KRW-maatregel kan worden
gerealiseerd en afgerond.
Het project Getijdenmaas62 vormt een belangrijke ecologische stapsteen in de corridor Biesbosch-Gelderse Poort-Maas.
Het project legt een verbinding tussen de maasuiterwaarden en de aanliggende beken
over een lengte van 23 km en zorgt daarmee voor het verbeteren van de natuurlijke
dynamiek en habitatverbetering dit ten behoeve van de KRW en PAGW-opgave. Met dit
project wordt meegekoppeld aan de dijkversterking Lith-Bokhoven (HWBP). Hiervoor wordt
€ 12,5 miljoen beschikbaar gesteld.
Met een bijdrage van € 2,5 mln aan het HWBP-project Moerdijk-Drimmelen kan natuurinclusieve
dijkversterking en 50–100 hectare zoetwatergetijdengebied worden gerealiseerd in de
Biesbosch. De Biesbosch is een van de laatste zoetwatergetijdengebieden van Europa
met unieke planten- en diersoorten. Hiermee is het ook een voorbeeld van een nature based solution. Aanleg is mogelijk binnen vijf jaar.
Evaluatie Operationaliseren Flexibel Peilbeheer IJsselmeergebied
In de zomer van 2018 is het destijds nieuwe peilbesluit voor het IJsselmeergebied
ondertekend. Met dit besluit is flexibel peilbeheer ingevoerd, waarbij het beoogde
waterpeil in de meren van het IJsselmeergebied mag fluctueren binnen een bandbreedte.
RWS heeft sinds 2019 de effecten gemonitord, als basis voor de evaluatie.63 Met de uitvoering van het flexibele peilbeheer is een extra zoetwaterbuffer gerealiseerd.
Uit de evaluatie blijkt onder andere dat het nieuwe peilbesluit werkt, de flexibiliteit
is vergroot en dat aan de watervraag kan worden voldaan (is gebleken) in de afgelopen,
toch relatief droge jaren. Schommelingen van het waterpeil als gevolg van het peilbesluit
zijn minimaal. Schommelingen worden veroorzaakt door veel neerslag, veel verdamping,
hoge en lage rivierafvoer en wind. De afgelopen jaren zijn geen significante negatieve
effecten gemeten die aantoonbaar het gevolg zijn van het flexibele peilbeheer: de
waargenomen effecten zijn niet te onderscheiden van autonome of klimatologische effecten.
In het kader van het Deltaprogramma wordt momenteel onderzocht of en op welke wijze
de streefpeilen op termijn zouden moeten worden aangepast. De resultaten van deze
monitoring worden meegenomen in dit proces.
Vervolgtraject ontwikkeling stelsel waterschapsbelastingen
In de Verzamelbrief Water die voorafgaand aan het Commissiedebat Water van 24 september
jl. is verstuurd, is toegezegd dat de Kamer geïnformeerd zou worden over de voortgang
van het onderzoek naar het vervolgtraject voor de ontwikkeling van het stelsel van
waterschapsbelastingen.64 Het onderzoek is inmiddels van start gegaan en de resultaten worden medio dit jaar
verwacht. Naar verwachting wordt de Kamer in het najaar geïnformeerd over de onderzoeksresultaten
en de vervolgstappen.
Munitiedepot Zierikzee
Met de Verzamelbrief Water van 17 juni 2021 is de Kamer geïnformeerd over de staat
van de munitie en de water- en bodemkwaliteit bij het munitiedepot bij Zierikzee.65 Zoals aangegeven in die brief is geconcludeerd dat de ecologische waterkwaliteit
en de volksgezondheid niet in het geding komen als gevolg van uit het munitiedepot
vrijkomen van springstoffen, afbraakproducten van springstoffen en zware metalen.
Dit geldt voor de directe omgeving van het munitiedepot en ook voor de Oosterschelde
als geheel.
Afgesproken is dat RWS de waterkwaliteit rondom het munitiedepot elke 5 jaar zal monitoren.
Met het rapport meegezonden met deze brief ontvangt de Kamer de laatste monitoringsresultaten.66 De volgende conclusies komen uit het rapport naar voren:
• Er zijn geen lokale verhogingen van zware metalen gemeten. De concentraties liggen
daarmee lager dan de waterkwaliteitsnormen.
• De hoogst gemeten waarde van TNT ligt 70 maal lager dan de veilige concentratie en
ook de afbraakproducten hebben gemeten concentraties ruim onder de waterkwaliteitsnormen.
De metingen onderschrijven de conclusie uit 2021 en geven geen aanleiding om de huidige
vijfjaarlijkse monitoring aan te passen.
Modernisering Modelinstrumentarium IenW-Deltares
Sinds haar bestaan heeft Deltares samen met o.a. het Ministerie van IenW (en haar
voorlopers) en RWS modellen ontwikkeld die ondersteunen bij beleid en uitvoering rond
waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit. Modellen leveren informatie
voor bijvoorbeeld het ontwerp van dijken, sluizen of kades, voor het voorspellen en
beheersen van waterstanden en voor crisisbeheersing. Belangrijke keuzes kunnen niet
goed gemaakt worden zonder deze informatie. Tegelijkertijd zijn de eisen aan software
toegenomen, groeit de hoeveelheid sensoren, data en applicaties en wordt er doorgebouwd
op oude software.
Deltares heeft erkend dat het modelinstrumentarium aangepast moet worden aan de huidige
eisen en om mee te kunnen bewegen met nieuwe technologische ontwikkelingen. Daarom
heeft Deltares de organisatie voor softwareontwikkeling opnieuw ingericht. Met die
nieuwe organisatie is gebleken dat er structureel meer middelen nodig zijn voor beheer
en onderhoud. Daarnaast is er onvoldoende ruimte voor vernieuwing. Deltares heeft
samen met IenW onderzocht wat nodig is om het beheer en onderhoud structureel te dekken
en om het modelinstrumentarium te moderniseren. Modernisering van zowel de techniek
als van de aansturing die past bij een modern instrumentarium van deze omvang. Daarbij
zijn experts betrokken van Deltares, EZ, IenW en RWS, maar ook van andere kennisinstituten
en bedrijven. EZ speelt een centrale rol als coördinator en financierder in het beleid
voor kennisinstellingen voor toegepast onderzoek (TO2-instellingen) zoals Deltares.
De verzamelde informatie biedt aanknopingspunten voor aansturing, bredere samenwerking,
technisch ontwerp en financiering. Dit wordt uitgewerkt naar een gefaseerd plan voor
zowel beheer en onderhoud als voor vernieuwing van het instrumentarium. In het voorjaar
zal dit plan met de Kamer gedeeld worden.
Voortgangsrapportage Noordzeeoverleg (NZO)
In lijn met de motie van de leden Dijkstra en De Groot is de voortgangsrapportage
van de voorzitter van het Noordzeeoverleg op 8 januari jl. naar de Kamer gestuurd.67 Hierin rapporteert de voorzitter onder andere over de implementatie van het Noordzeeakkoord,
waarbij zij de NZA-afspraken benoemt waaraan in de voorliggende periode is gewerkt,
met name afspraak 4.38 over de invulling van de laatste 1,2% van bodem beroerende
visserij te vrijwaren binnen natuurgebieden. Daarnaast blikt de voorzitter in de rapportage
ook vooruit naar de toekomst van de Noordzee, het programma Noordzee 2028–2033 en
nieuwe ontwikkelingen op het gebied van veiligheid en weerbaarheid op zee.
Rivierkreeft
De bestrijding van de uitheemse rivierkreeft is op basis van de Exotenverordening
de bevoegdheid van LVVN (biodiversiteit). In dat kader heeft de Staatssecretaris van
LVVN op 12 januari jl. het Landelijk aanvalsplan invasieve exoten naar de kamer gestuurd.
Tijdens het commissiedebat van 24 september 2025 is aangegeven dat IenW een tijdelijke
brugfunctie tussen het Rijk en de medeoverheden wil vervullen. Zoals toegezegd tijdens
het debat wordt samen met de Staatssecretaris van LVVN in het eerste kwartaal van
2026 een brief naar de Kamer gestuurd over de te nemen stappen in de aanpak van de
rivierkreeften. Op dit moment overleggen IenW, LVVN, waterschappen en provincies over
de aanpak van de rivierkreeften. In die brief wordt ook de motie over natuurvriendelijke
oevers van het lid Kostić meegenomen68.
Ter afsluiting
De grote diversiteit aan onderwerpen in deze brief laat zien dat er op veel vlakken
stappen worden gezet om onze belangrijke wateropgaven aan te pakken. De uitdagingen
op het gebied van water nemen toe, en maken het hard nodig om hier samen met andere
overheden en onze partners doortastend aan te werken. Met deze brief bent u hopelijk
voldoende geïnformeerd over de voortgang die de afgelopen periode is geboekt en de
stappen die er zullen worden gezet.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman
Ondertekenaars
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat