Brief regering : Toezegging subsidieregelingen met terugwerkende kracht
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 563 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 januari 2026
In het Wetgevingsoverleg Cultuur van 19 januari 2026 heb ik uw Kamer toegezegd na
te gaan of er eerdere subsidieregelingen zijn waar met terugwerkende kracht subsidie
is verleend en u hierover te informeren. Dit in het kader van de verbouwing van Museum
Prinsenhof in Delft. Met deze brief geef ik invulling aan deze toezegging. Alvorens
in te gaan op het principe van subsidieverlening met terugwerkende kracht hecht ik
eraan om eerst nogmaals in te gaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat dit de voornaamste
reden is waarom in dit geval subsidieverlening buiten de bestaande kaders niet tot
de mogelijkheden behoort.
Gelijkheidsbeginsel
In mijn schriftelijke reacties van 14 januari 20261 en 3 oktober 20252 en in het Wetgevingsoverleg Cultuur heb ik u geïnformeerd dat subsidieverlening aan
Museum Prinsenhof vooruitlopend op de publicatie van de subsidieregeling grote restauraties
strijdig is met het gelijkheidsbeginsel op grond waarvan iedere eigenaar op basis
van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie. Zoals
u weet zijn er verschillende andere urgente restauratieopgaven en museale verbouwingen.
Het verstrekken van een eenmalige bijdrage voor de verbouwing van Museum Prinsenhof
buiten de subsidieregeling om, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en brengt
onverantwoorde financiële en juridische risico’s met zich mee. Andere partijen met
restauratie-opgaven zouden met een beroep op het gelijkheidsbeginsel eveneens aanspraak
kunnen maken op subsidie. Bovendien is niet uitgesloten dat het risico op ongeoorloofde
staatssteun zich voordoet. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft
op 23 juli 2025 in een uitspraak geoordeeld dat de leer van «schaarse rechten» ook
van toepassing is op begrotingssubsidies.3 Als er meerdere gegadigden zijn voor een subsidie, moet de verdeling via een openbare
en eerlijke procedure verlopen om gelijke kansen te bieden.
De enige juridisch houdbare wijze om, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden,
en al dan niet met terugwerkende kracht, een subsidie aan Prinsenhof te verlenen buiten
de in voorbereiding zijnde Subsidieregeling grote restauraties om, zou zijn om te
beargumenteren dat het hier gaat om een uniek geval. Gezien het feit dat er vele andere
rijksmonumenten en musea zijn die met restauratie en/of een verbouwingsopgave te maken
hebben valt dit niet hard te maken en vervalt deze mogelijkheid.
Subsidieverlening met terugwerkende kracht
Zoals aan uw Kamer toegezegd heb ik nagegaan of er eerdere subsidieregelingen voor
de instandhouding van monumenten zijn geweest waarbij met terugwerkende kracht middelen
zijn toegekend. Ik heb vastgesteld dat ook bij eerdere incidentele rijkssubsidieregelingen
voor restauratie, zoals de Subsidieregeling tienjarige ondersteuning iconische rijksmonumenten,
de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2019–2020 en de Subsidieregeling restauratie
2018 alleen werkzaamheden die nog niet waren gestart in aanmerking kwamen voor subsidie.
Dit gebeurde op basis van het uitgangspunt in het subsidierecht dat het doel van een
subsidie is activiteiten te stimuleren die zonder subsidie niet of onvoldoende tot
stand zouden komen.
Juridisch gezien zou het wel mogelijk zijn om in de in voorbereiding zijnde Subsidieregeling
grote restauraties een uitzondering op dit uitgangspunt op te nemen, zodat ook een
eigenaar die voorafgaand aan het in werking treden van de subsidieregeling al begonnen
is met restauratiewerkzaamheden de mogelijkheid krijgt een aanvraag in te dienen.
Dit geldt dan echter voor iedere eigenaar en kan niet alleen op Prinsenhof van toepassing worden verklaard. Daardoor
zou dit leiden tot een ondoelmatige en inefficiënte inzet van belastinggeld op grotere
schaal.
Uitzondering binnen het financieringsstelsel voor de monumentenzorg is de subsidie
voor instandhouding van rijksmonumentale woonhuizen, oftewel de Woonhuisregeling.
Bij deze regeling wordt de subsidie aangevraagd na afloop van de werkzaamheden. In
de Woonhuisregeling is voor deze systematiek gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de systematiek van de vervallen fiscale monumentenaftrek. Daarbij is bij de Woonhuisregeling
op voorhand zeker voor eigenaren dat zij voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
De regeling werkt namelijk zo dat bij overvraag het subsidiepercentage automatisch
wordt verlaagd zodat iedereen die daar volgens de criteria voor in aanmerking komt
subsidie krijgt.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes
Indieners
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap