Brief regering : Voortgang Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten (NAP) 2022-2026
32 735 Mensenrechten in het buitenlands beleid
Nr. 423 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 januari 2026
Het kabinet onderstreept het belang van de bescherming en bevordering van mensenrechten.
Dit is een verantwoordelijkheid van de overheid, het bedrijfsleven en de burger. Het
Nederlandse bedrijfsleven spant zich in om mensenrechten te eerbiedigen, rechtstreeks
en in internationale waardeketens. Veel Nederlandse bedrijven zien het belang in van
internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), en zijn reeds lange
tijd actief bezig met het verduurzamen van hun waardeketen.
Het Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten 2022–2026 (NAP) (Kamerstuk
32 735, nr. 344) vormt een integrale agenda voor bedrijfsleven en mensenrechten. Het geeft invulling
aan de inzet van Nederland op dit terrein, gebaseerd op de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Het NAP draagt bij aan een gelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven,
weerbare internationale waardeketens en een stabiel handelssysteem. Dit zijn uitgangspunten
die terugkomen in de Beleidsagenda buitenlandse handel «Nederland: welvarend en weerbaar»
(Kamerstuk 36 180, nr. 164) en de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133). Het kabinet heeft zich in dat kader ook ingezet om regeldruk te verminderen voor
bedrijven. Zo bereikten de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie op
9 december jl. een voorlopig politiek akkoord over Omnibus I, dat hieraan bijdraagt
(Kamerstuk 36 712, nr. 9).
Het NAP omvat 33 actiepunten, verdeeld over drie pijlers die zijn gebaseerd op de
UNGP’s: 1) de verplichting van de staat om mensenrechten te beschermen, 2) de verantwoordelijkheid
van het bedrijfsleven om mensenrechten te respecteren en 3) het recht op effectieve
remedie (Kamerstuk 32 735, nr. 344). De actiepunten worden in de periode van 2022–2026 onder staand beleid uitgevoerd
door de betrokken ministeries. Alle 33 actiepunten zijn voltooid of in uitvoering.
Een aantal actiepunten betreffen doorlopende activiteiten die ook na de looptijd van
het huidige NAP relevant blijven.
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang in 2025, conform de jaarlijkse
toezegging. U bent in eerdere brieven reeds geïnformeerd over de voortgang in 2025
van verschillende onderdelen van het gevoerde beleid onder het NAP. Deze worden onder
aan deze brief apart genoemd.
Pijler 1: De verplichting van de staat om mensenrechten te beschermen
In 2025 is de dialoog tussen het Nederlandse bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties
en lokale stakeholders, zoals ambassades en mensenrechtenverdedigers, versterkt. Dit
gebeurde onder meer via het Breed Mensenrechtenoverleg en het brede handelsberaad.
Daarnaast dienen staten bijzondere aandacht te hebben voor mensenrechtelijke risico’s
die ontstaan wanneer ondernemingen actief zijn in conflictgebieden. In dat kader is
in 2025 gewerkt aan een handreiking die Nederlandse bedrijven handvatten biedt om
hun gepaste zorgvuldigheidsprocessen aan te scherpen. Deze wordt begin 2026 gepubliceerd.
Ook organiseerde het Nationale Contactpunt voor de OESO-richtlijnen (NCP) in december
2025 een evenement voor bedrijven, NGO’s en andere organisaties over verantwoord ondernemen
in conflict- en risicogebieden. Deze bijeenkomst was gericht op kennisdeling, en toepassing
van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord
ondernemen (IMVO)(hierna OESO-richtlijnen).
Via ontwikkelingshulp worden Nederlandse bedrijven en hun toeleveranciers in productielanden
ondersteund bij de uitvoering van relevante Europese IMVO-gerelateerde wet- en regelgeving
zoals de Europese richtlijn voor gepaste zorgvuldigheid (Corporate Sustainability Due Diligence Directive, hierna CSDDD), de Ontbossingsverordening (EU Regulation on deforestation-free products, hierna EUDR) en de Europese Anti-dwangarbeidverordening (Forced Labour Regulation). In sectoren als cacao, palmolie en textiel zijn in multistakeholderverband best practices geïdentificeerd, gedeeld en opgeschaald op het gebied van gepaste zorgvuldigheid,
met actieve betrokkenheid van productielanden.
Voorts wenden (semi-)overheden hun eigen inkoopkracht aan om met ketenverantwoordelijkheid
en andere duurzaamheidsthema’s aan de slag te gaan. Het Manifest Maatschappelijk Verantwoord
Opdrachtgeven en Inkopen 2022–2025 is daartoe verlengd met 5 jaar (t/m 2030).
Nederland bevordert daarnaast de integratie van internationale kaders voor bedrijfsleven
en mensenrechten in de Europese handelspolitiek.
Pijler 2: De verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om mensenrechten te respecteren
Op 26 februari jl. presenteerde de Europese Commissie het Omnibus I-voorstel, waarin
aanpassingen aan de CSDDD werden voorgesteld om de regeldruk voor het bedrijfsleven
te verminderen. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ingezet op een risicogebaseerde
benadering, omdat deze beter aansluit bij de internationale standaarden zoals de OESO-richtlijnen
en UNGP’s die een deel van de bedrijven al toepast. Dit voorkomt dat (MKB-)bedrijven
te maken krijgen met onnodige informatieuitvragen en regeldruk. De risicogebaseerde benadering is stevig verankerd in het
voorlopig politiek akkoord op Omnibus I (Kamerstuk 36 712, nr. 9).
Ter voorbereiding op de Anti-dwangarbeidverordening, die op 13 december 2024 in werking
is getreden, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onafhankelijk onderzoek
laten uitvoeren om een beter beeld te krijgen van de landen en producten waar het
risico op dwangarbeid het grootste is. Het rapport, genaamd «Assessing Forced Labour Risks in Dutch Imports»1 helpt de beoogde toezichthouders, de Douane en bedrijven om zich adequaat voor te
bereiden. Het rapport brengt ook in kaart hoe bedrijven producten met een hoog risico
op dwangarbeid kunnen identificeren en prioriteren als onderdeel van hun due diligence inspanningen.
In 2025 heeft het MVO-steunpunt haar dienstverlening op verschillende manieren versterkt,
bijvoorbeeld door middel van het subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB (SVOM)
dat op 17 september jl. is toegevoegd aan de subsidieregelingen om bedrijven te ondersteunen.2 Deze regeling helpt het MKB bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid om risico’s
voor mens en milieu te adresseren. Ook is er ingezet op communicatie, trainingen en
tools, waarbij extra aandacht is besteed aan informatievoorziening en voorlichting inzake
IMVO-wetgeving.3
Verder zijn in april en november 2025 respectievelijk de IMVO multistakeholdersectorovereenkomst
voor de natuursteensector en de metaalsector gestart. Tevens werkt de textielsector
aan twee modules, namelijk op het tegengaan van dwangarbeid en broeikasgasreducties.
Dat doet het kabinet in nauwe samenwerking met de Sociaal Economische Raad (SER),
vakbonden, maatschappelijke organisaties en de werkgeversorganisatie VNO-NCW.
Pijler 3: Het recht op een effectieve remedie
De actiepunten onder pijler 3 richten zich op de door Staten te nemen maatregelen
om te waarborgen dat personen die getroffen zijn door mensenrechtenschendingen door
bedrijven binnen hun grondgebied en/of jurisdictie toegang hebben tot effectief herstel
en/of verhaal.
In 2025 is gestart met de ontwikkeling van een digitale gids die informatie over remedie
en herstel in Nederland bundelt. Daarnaast ondersteunt het Ministerie van Buitenlandse
Zaken sinds 2020 maatschappelijke organisaties via het beleidskader voor het versterken
van het maatschappelijk middenveld wereldwijd. Dit beleidskader is eind 2025 afgelopen.
Een sterk maatschappelijk middenveld is essentieel bij het signaleren van misstanden
en het ondersteunen van betrokkenen bij mensenrechtenschendingen door bedrijven. Dit
belang wordt mede ondersteund door het nieuwe beleidskader voor de samenwerking met
maatschappelijke organisaties, dat vanaf 2026 start, genaamd Focus 2026–2030 (Kamerstuk 36 180, nr. 168).
In 2025 zijn de IMVO-voorwaarden verduidelijkt en vereenvoudigd met lastenverlichting
voor bedrijven als doel. Zo is het aantal voorwaarden verminderd van elf naar drie
onderdelen, met de OESO-richtlijnen als basis4. Ook is verduidelijkt dat Nederlandse bedrijven, wanneer van toepassing, een lopende
NCP-klacht moeten melden en medewerking verlenen aan het NCP om in aanmerking te komen
voor het bedrijfsleveninstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken5.
Tevens is door de Raad van Rechtsbijstand gewerkt aan betere bekendheid van reguliere
rechtsbijstand voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen, door het actief onder
de aandacht te brengen bij alle sociaal advocaten.6
Over de andere actiepunten uit het NAP is uw Kamer reeds eerder geïnformeerd. Het
gaat daarbij om de kabinetsreactie op de IOB-evaluatie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid,
waarin is vastgelegd dat input van maatschappelijke organisaties en andere externe
deskundigen kan worden meegenomen in de voorlichting aan bedrijven in geval van hoog
risico op mensenrechtenschendingen. Ook bent u eerder door de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid geïnformeerd over de modernisering van artikel 273f van het
Wetboek, waarmee de aanpak van mensenhandel en arbeidsuitputting wordt vergemakkelijkt
(Kamerstuk 36 547), en over de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve
Actie (WAMCA) (Kamerstuk 29 279, nr. 1002).
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, A. de Vries
Indieners
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken