Brief regering : Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar
32 849 Mijnbouw
Nr. 294 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 januari 2026
De diepe ondergrond speelt een cruciale rol in de huidige en toekomstige energievoorziening.
Het is essentieel dat het gebruik ervan veilig en verantwoord gebeurt. Als er desondanks
toch schade ontstaat, is het van fundamenteel belang dat deze op een onafhankelijke,
toegankelijke en adequate wijze wordt beoordeeld en afgehandeld. Om dit te waarborgen
is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
De CM neemt meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke
fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van zoutwinning, opslag
van stoffen in zoutcavernes en olie- en gaswinning of uit olie- en gasopslag in kleine
velden (hierna: mijnbouwschade). De CM ondersteunt schademelders en bedrijven door
onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van mijnbouwschade en,
zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door de mijnbouwonderneming aan de
schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwondernemingen hebben zichzelf verplicht
om het advies op te volgen en de door de Commissie vastgestelde schadevergoedingen
te betalen1. In het Instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade is bepaald dat er jaarlijks
een evaluatie plaatsvindt van de behandeling van schademeldingen door de CM2.
De evaluaties voor de periodes juli 2023–juni 2024 en juli 2024–juni 2025 zijn uitgevoerd
door onderzoeksbureau Ecorys (bijgevoegd). Binnen deze periode heeft de CM voor het
eerst sinds haar oprichting te maken gekregen met een aardbeving bij een klein gasveld.
De CM heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen (met kracht van 2.2, 1.3 en 1.9 op
de schaal van Richter) bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade
hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. In geen van de gevallen was de constructieve
veiligheid van het gebouw aangetast, zodat er geen acuut gevaar bestond voor de bewoners.
Het ingeschakelde onderzoeksbureau heeft vooral schade in de vorm van scheuren in
metselwerk en afwerkingsmaterialen of naden tussen verschillende bouwdelen aangetroffen.
Het ging hierbij bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd.
Per adres gaat het om vergoedingen tussen de € 537 en € 16.178 (inclusief bijkomende
kosten zoals bijvoorbeeld schoonmaakkosten).
Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade
schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding
adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys –
ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Naar aanleiding van de bevingen heb ik een werkbezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk
in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten
opgeleverd in de lokale gevolgen van de bevingen. Tijdens het werkbezoek heb ik uit
eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling
van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur.
Wat mij daarbij trof, is dat mensen zich niet gehoord voelen en het gevoel hebben
onvoldoende serieus genomen te worden waar het gaat om de gevolgen van de bevingen.
Bij de instelling van de CM is beoogd een landelijke aanpak voor de afhandeling van
mijnbouwschade te ontwerpen die laagdrempelig, transparant, onafhankelijk en snel
is en waarin de burger centraal staat. Voor het eerst zien we nu hoe deze aanpak in
de praktijk uitpakt. Samengevat leren de evaluatie van Ecorys, mijn werkbezoek en
het verslag van de CM ons dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken
functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke
en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt in de praktijk
dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.
Op basis van de opgedane inzichten bij de eerste keer dat de CM positief adviseert
over het toekennen van schadevergoedingen, is het goed om te kijken of de landelijke
aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verbeterd kan worden. In het vervolg
van deze brief wordt ingegaan op de belangrijkste aanbevelingen uit de evaluatie van
Ecorys, de inzichten uit mijn werkbezoek en het verslag van de CM. Ten slotte wordt
beschreven hoe hier opvolging aan wordt gegeven.
Opvolging evaluatie Ecorys en inzichten CM
De onderzoekers van Ecorys zijn tot een aantal aanbevelingen aan het Ministerie van
Klimaat en Groene Groei gekomen. Hieronder worden deze aanbevelingen uiteengezet en
wordt ingegaan op hoe het kabinet opvolging aan geeft aan de aanbevelingen van Ecorys
en het verslag van de CM.
De meest fundamentele aanbevelingen van de onderzoekers zien op de geschetste beperkingen
in de schadeafhandeling die voortkomen uit de op het civiele aansprakelijkheids- en
schadevergoedingsrecht gebaseerde systematiek. Ook de CM wijst in haar verslag op
dit punt. De onderzoekers van Ecorys adviseren om binnen de huidige systematiek te
bezien of er meer ruimte gecreëerd kan worden zodat bijvoorbeeld hogere schadevergoedingspercentages
kunnen worden uitgekeerd. In haar verslag trekt de CM een vergelijkbare conclusie,
namelijk dat de onvrede onder schademelders kan worden weggenomen als de Commissie
in de toekomst de mogelijkheid krijgt om schade, ook als deze gedeeltelijk een andere
oorzaak dan bodembeweging als gevolg van mijnbouw heeft, niet gedeeltelijk maar in
het geheel te vergoeden.
De onderzoekers van Ecorys geven daarnaast aan dat er een betere balans tussen vergoedingen
en uitvoeringskosten gerealiseerd kan worden. De onderzoekers wijzen hierbij op de
mogelijkheid om artikel 7 van de protocollen bij het instellingsbesluit makkelijker
en zonder toestemming van de mijnbouwondernemingen toepasbaar te maken. Hierdoor is
dan niet langer bij elke schademelder causaliteitsonderzoek op locatie nodig. Binnen
de huidige systematiek kan de CM echter niet zelfstandig tot de toepassing van artikel
7 over gaan, dit vraagt om de instemming van de betrokken mijnbouwonderneming. Ook
de CM adviseert in haar verslag om te onderzoeken of toepassing van artikel 7 minder
afhankelijk kan worden van instemming van de onderneming.
Verder adviseren de onderzoekers van Ecorys om te overwegen of de huidige civielrechtelijke
systematiek nog passend is, of dat een ruimere systematiek mogelijk is, met meer ruimte
om inwoners te helpen bij het herstellen van hun schade en minder nadruk op het calculeren
van precieze schadebedragen. De onderzoekers benadrukken hierbij om de juridische
en financiële gevolgen van een dergelijke aanpassing mee te wegen.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen
van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht tot schadevergoedingen
komt – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter
dat niet in alle gevallen van schadevergoeding voldoende zijn om schade goed te herstellen
en onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet
vindt het daarom wenselijk om te bezien of de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Daarbij ziet het kabinet op twee concrete punten mogelijkheden. Ten eerste zou voor
de CM ruimte gecreëerd kunnen worden om hogere schadevergoedingspercentages te kunnen
adviseren. Daarnaast zou een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen
en onderzoekskosten gerealiseerd kunnen worden. Besluitvorming hierover is echter
aan een volgend kabinet.
De onderzoekers van Ecorys signaleren dat deze aanpassingen zowel binnen als buiten
de bestaande systematiek van de CM doorgevoerd zouden kunnen worden. Het kabinet vindt
het positief dat de CM de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van mijnbouwondernemingen
verhelpt. Dit was het centrale uitgangspunt bij de oprichting van de Commissie Mijnbouwschade.
Wat het kabinet betreft zou hier op voortgebouwd moeten worden. Daarnaast vindt het
kabinet het vanuit een rechtvaardigheidsoogpunt van groot belang dat de mijnbouwondernemingen
die verantwoordelijk zijn voor ontstane schade hier ook de herstelkosten voor dragen.
Wanneer de oplossing buiten de huidige systematiek gezocht wordt, concluderen de onderzoekers
terecht dat een deel van de hogere schadevergoeding door publieke middelen opgebracht
moet worden. Mijnbouwondernemingen zijn wettelijk immers enkel verplicht om schade
tot de hoogte die het civiel aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht voorschrijft
te vergoeden.
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige
systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages
uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe
er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten.
In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien
worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving
door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet
het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom
wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel
minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen.
Tot slot
Samenvattend ziet het kabinet dat de landelijke aanpak waarbinnen de CM zorgdraagt
voor de afhandeling van mijnbouwschade in de praktijk niet volledig voldoet aan de
verwachtingen. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van
Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling
te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen
op te starten. Besluitvorming hierover is uiteindelijk aan een volgend kabinet.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei