Brief regering : Verzamelbrief Natuur
33 576 Natuurbeleid
Nr. 474
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 januari 2026
Graag informeer ik de Tweede Kamer, voorafgaand aan het Commissiedebat Natuur van
22 januari, over een aantal onderwerpen binnen mijn portefeuilles natuur en grote
wateren, onder meer over de stand van zaken van de door Kamer aangenomen moties en
aan de Kamer gedane toezeggingen. De volgende onderwerpen komen aan bod in deze brief:
• Wolven
○ Staat van Instandhouding
○ Landelijk Informatiepunt Wolven
○ Landelijk Initiatief Veebescherming
○ Motie over gedragsaanpassing wolf door mensen gehanteerd valwild
• Soortenbeleid
○ Motie onderzoeken inheemsverklaring moeflon
○ Motie bewustwordingscampagne gevaren van illegale handel in wilde dieren en planten
○ Terugkoppeling twintigste Conference of the Parties CITES
○ Infractieprocedure bijvangst van bruinvissen
• Jacht en faunabeheer
○ Evaluatie stelselherziening jacht en faunabeheer
○ Motie van het lid Kostić e.a. stilleggen jacht in verband met vogelgriep
• Staatsbosbeheer
○ Succesvolle samenwerking natuurinclusieve landbouw Staatbosbeheer gaat verder
○ Ondernemingsplan Staatsbosbeheer
• Overige onderwerpen
○ Landelijke doelen Natura 2000
○ Update over middelen natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland
○ Intrekken Bosmonitoringsverordening
○ Inzet landschapselementen en Groenblauwe Dooradering
○ Aanbieding rapport vogelwaarden Hollandse Kust
○ Rapport Evaluatie Natuursubsidie Kroondomein Het Loo 2018–2024
○ Aanbieding rapport «Natuurherstelverordening en het Nederlandse mariene ecosysteem»
○ Reactie op notitie «hoe is het werkelijk gesteld met onze natuurgebieden» en open
brief «Naar een evenwichtiger kijk op stikstof en natuur»
○ Essay «Crisis om stikstof, een filosofisch en ook een democratisch probleem in Nederland»
○ Uitwisselingsplatform duurzame pacht/Handreiking duurzame pacht
○ Kennissessie bestuivers
○ Motie stimuleren agrarisch medegebruik van de gronden van TBO’s
○ Monitoringsprotocol en kennisprogramma biodiversiteit op en rond het boerenerf
○ Reactie op het rapport «Wetenschappelijke review beleidskader Oostvaardersplassen»
van Wageningen Environmental Research
Wolven
In december 2024 ben ik samen met provincies gestart met de Landelijke Aanpak Wolven
(LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt met verschillende onderdelen van de LAW
waar ik u graag over informeer. Ook kan ik resultaten met u delen van de uitvoering
van twee moties over wolven. Aanvullend onderstreep ik het belang van een spoedige
behandeling door Eerste en Tweede Kamer van mijn AMvB, gezien de maatschappelijke
urgentie voor meer handelingsperspectief omtrent wolven. Deze AMvB ziet toe op het
verwerken van de wijziging van de Europese beschermingsstatus in nationale regelgeving
en biedt meer duidelijkheid voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.
Staat van Instandhouding
De staat van instandhouding van wolven in Nederland is nog niet bekend. In mijn brief
over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven in Nederland van 19 september 2025
(Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ik aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat van Instandhouding
van wolven in Nederland, door een internationale deskundige onderzoekspartij. De opdracht
hiertoe is verleend en de onderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding.
Landelijk Informatiepunt Wolven
Op 20 november is het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) geopend. Dit informatiepunt
bevat publieksinformatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen
terecht kan met vragen over wolven, via website, e-mail en telefoon. Het informatiepunt
biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie. Daarnaast zet het in op dialoog,
vertrouwen en verbinding. Het informatiepunt is opgericht in opdracht van het Ministerie
van LVVN en de gezamenlijke provincies, verenigd in het Interprovinciaal Overleg (IPO),
en wordt uitgevoerd door BIJ12. Het LIW heeft de ambitie om de huidige informatie
en functionaliteiten uit te breiden, om zo te voorzien in de behoeftes die er leven
bij het publiek, zoals bijvoorbeeld met de registratie van incidenten met wolven.
Landelijk Initiatief Veebescherming
Vanuit LVVN wordt financiering beschikbaar gesteld voor provinciale initiatieven voor
veebescherming. Deze financiering vindt plaats in afstemming met de provincies, BIJ12
en IPO. Hier worden goede stappen gezet. De provincies hebben in september 2025 de
eerste financiële middelen ontvangen voor het uitvoeren van initiatieven die bijdragen
aan het verkleinen van de risico’s van aanvallen op gehouden dieren door wolven. Het
eerste initiatief van de provincie Drenthe, een praktijkproef waarbij kennis wordt
opgedaan en dierhouders worden ondersteund in het plaatsen en verwijderen van mobiele
wolfwerende rasters, is in oktober gestart. In november hebben ook Gelderland, Friesland
en Drenthe gezamenlijk initiatieven ingediend. Ook in andere provincies wordt gewerkt
aan het opzetten van initiatieven die gefinancierd kunnen worden onder het Landelijk
Initiatief Veebescherming. Zoals gedeeld in mijn kamerbrief van 2 juli 2025 (Kamerstuk
33 576, nr. 453) is het voor provincies ook mogelijk om gebruik te maken van Europese subsidies.
Motie over gedragsaanpassing wolf door mensen gehanteerd valwild
In algemene zin maak ik me grote zorgen over gewenning van wolven aan mensen en vraag
aan alle partijen die daar een rol in kunnen spelen om het risico hierop zoveel mogelijk
te voorkomen. Ik benadruk dat het heel belangrijk is dat mensen weten dat wolven niet
gevoerd mogen worden, omdat dit ook kan leiden tot gewenning van wolven aan mensen.
Als wolven wennen aan mensen en daardoor minder schuw worden kan dit levensgevaarlijke
situaties opleveren.
Wageningen University & Research (WUR) heeft desgevraagd en ter uitvoering van de
motie van de leden Van der Plas (BBB) en Graus (PVV) onderzoek gedaan naar gedragsaanpassingen
van wolven aan mensen met specifiek de vraag of wolven minder schuw worden als gevolg
van door mensen gehanteerd valwild. Deze motie roept op tot onderzoek naar de impact
van het neerleggen van valwild op het gedrag van wolven (Kamerstuk 33 576, nr. 423). Door de onderzoekers is breder gekeken, naar alle bronnen van door mensen gehanteerd
aas waarbij een gedragsverandering van wolven zou kunnen optreden aangezien de geur
van mensen op het aas aanwezig kan zijn. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om door mensen
verplaatste verkeerslachtoffers of delen van geschoten dieren die zijn achtergelaten
in de natuur. Voor deze aanpak is gekozen omdat wolven in Nederland op heel veel plekken
in aanraking komen met de geur van mensen.
Het onderzoek concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat menselijke geur op valwild
ervoor zorgt dat wolven mensen minder gaan vermijden of actiever gaan benaderen. Hieruit
concludeert de WUR dat door mensen gehanteerd valwild waarschijnlijk niet resulteert
in een verhoogd risico op het minder schuw maken van wolven.
Bij gebrek aan Nederlandse case-studies heeft de WUR voor dit onderzoek gekeken naar
buitenlandse ervaringen. Op basis hiervan, samen met kennis over de gedragsbiologie
van wolven en een analyse van de omgang met valwild in Nederland, trekken de onderzoekers
enkele conclusies over wolven in Nederland. Mijns inziens bestaat de kans echter dat
de Nederlandse wolven zich anders gedragen dan in het buitenland. In het onderzoek
wordt bijvoorbeeld beschreven dat wolven in Spanje terughoudend zijn met het eten
van aas als daar de geur van mensen aanzit. In Spanje worden wolven door stropers
vergiftigd, waardoor ze veel banger zijn voor mensen dan in Nederland.
Omdat het onderzoek deels is gebaseerd op buitenlandse ervaringen zou nader wetenschappelijk
praktijkonderzoek in Nederland aanvullende inzichten kunnen opleveren. In het kader
van de LAW ben ik met provincies in overleg over nader onderzoek naar het gedrag van
wolven in Nederland. Als we daar meer kennis over hebben, weten we ook hoe de Nederlandse
situatie overeenkomt of juist verschilt van ervaringen met wolven in het buitenland,
ook op het thema van valwild.
Ik ondersteun de aanbevelingen in het rapport om gewenning door wolven aan mensen
te voorkomen, zoals bijvoorbeeld door het anders aanbieden van valwild. Dit is belangrijke
informatie voor organisaties die in aanraking komen met dit thema. Daarom heb ik de
resultaten en enkele aanbevelingen omtrent het hanteren van valwild gedeeld met de
provincies en BIJ12. Daarmee beschouw ik de motie van de leden Van der Plas en Graus
afgedaan.
Soortenbeleid
Motie onderzoeken inheemsverklaring moeflon
Uw Kamer heeft mij in een motie verzocht advies te vragen over de indeling van diersoorten
in het wild als inheemse diersoort, exoot of invasieve exoot, en in aansluiting daarop
advies te vragen over de mogelijke status van de moeflon als inheemse diersoort in
plaats van exoot (Kamerstuk 35 334, nr. 374). Als bijlage bij deze brief vindt u het rapport dat op mijn verzoek is opgesteld
om tegemoet te komen aan deze motie. In het rapport wordt aangegeven dat gewervelde
dieren kunnen worden ingedeeld in gehouden en wilde dieren. Wilde dieren kunnen ook
ingedeeld worden op basis van de juridische beschermingsstatus die op hen van toepassing
is. Bij dit laatste wordt een onderscheid gemaakt tussen inheemse en uitheemse soorten
(exoten). Zowel nationale als internationale instanties hanteren verschillende definities
voor «exoot». In Nederland definiëren we inheemse soorten als soorten die al voor
het jaar 1500 in Nederland aanwezig waren of daarna op eigen kracht Nederland bereikt
hebben en zich hier duurzaam hebben gevestigd. Uitheemse soorten worden gedefinieerd
als soorten die niet op eigen kracht Nederland bereikten maar door de mens werden
binnengebracht, opzettelijk of niet opzettelijk. Deze in Nederland gehanteerde systematiek
komt overeen met de gebruikelijke internationaal gehanteerde systematiek, en van die
in ons omringende landen (België en Duitsland).
Gelet op de hierboven genoemde criteria is het niet eenvoudig om de moeflon aan te
merken als inheemse diersoort. De moeflon bevindt zich in Nederland namelijk niet
in zijn natuurlijke verspreidingsgebied en is door menselijk handelen in de Nederlandse
natuur terecht gekomen. Moeflons zijn tussen de jaren 1850 en 1950 vanuit Corsica
en Sardinië over vrijwel geheel Europa uitgeplaatst. Alleen in het natuurlijke verspreidingsgebied
in Italië (Sardinië) en Frankrijk (Corsica) heeft de soort de status van beschermde
inheemse diersoort. In de praktijk wordt de soort in de rest van Europa geduld en
valt hij veelal onder de jachtwet- en regelgeving.
Ook in Nederland kan de moeflon een vorm van bescherming krijgen. Het rapport concludeert
dat aanwijzing van de moeflon als beschermde soort1 zou betekenen dat het opzettelijk doden of vangen vergunningplichtig zou worden op
grond van de Omgevingswet. Daarnaast zouden de provincies actief beleid voor behoud
en herstel van de moeflon moeten gaan voeren. Dat zou van de provincies een inspanning
vergen voor deze soort, die zich in Nederland buiten haar natuurlijke verspreidingsgebied
bevindt en die alleen kan worden gehouden binnen afgerasterde kleine leefgebieden.
Omdat de moeflon een mooie aanvulling is op de Nederlandse biodiversiteit en omdat
het niet goed gaat met deze soort in ons land, onderzoek ik momenteel wat de mogelijkheden
en de voor- en nadelen zijn om de moeflon te beschermen. Ik zal uw Kamer hier voor
de zomer 2026 verder over informeren. Met dit rapport beschouw ik de motie als afgedaan.
Motie bewustwordingscampagne gevaren van illegale handel in wilde dieren en planten
Ik informeer uw Kamer over de uitvoering van de motie van de leden Vestering en Akerboom
(PvdD) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1491) die de regering verzoekt om een bewustwordingscampagne te voeren met betrekking
tot de gevaren van (illegale) handel in wilde dieren en planten voor biodiversiteitsverlies
en volksgezondheid. Er is eerder aan uw Kamer gemeld dat de uitvoering plaatsvindt
op verschillende sporen (internationaal, Europees en nationaal) en dat de activiteiten
zich richten tot diverse doelgroepen. In Kamerstuk 33 576, nr. 403, heb ik uw Kamer verder geïnformeerd over de bewustwordingsactiviteiten in het kader
van deze motie en dat, tot slot, in 2025 ingezet wordt op het vergroten van de bewustwording
van de impact van illegale handel in beschermde soorten op de internationale biodiversiteit.
Dat doet het ministerie in afstemming met uitvoeringspartners in de CITES-keten, waaronder
de NVWA en RVO.
Om dit te bereiken worden er informatiemiddelen ontwikkeld om inzicht te geven in
de omvang en impact op de biodiversiteit van de illegale handel in dieren en planten.
De (ver)koop van een illegaal verhandeld product of exemplaar/specimen staat niet
op zichzelf en de impact vindt plaats in het land van herkomst. Bovendien is dierenwelzijn
(vaak) in het geding als het gaat om smokkel van bedreigde dieren. Inzicht in het
grotere plaatje is belangrijk voor het kunnen plaatsen van een handeling of overtreding
in de context van de achteruitgang van de internationale biodiversiteit.
In dit kader is er extra aandacht besteed aan de handel in hout, om handelaren te
informeren over de legale en duurzame invoer van houtproducten. De RVO heeft hiervoor
een nieuwsbrief gemaakt en informatie beschikbaar gesteld op de RVO site.2 Om de illegale handel in bedreigde dier- en plantsoorten online terug te dringen
heeft de NVWA afspraken gemaakt met online platforms over het identificeren en verwijderen
van advertenties waarin mogelijk illegaal verkregen wildlife (producten) worden aangeboden.
Daarnaast, op het gebied van (voedings)supplementen, communiceert de NVWA met de branche
in het kader van het verbeteren van de informatievoorziening over CITES-soorten. De
NVWA ontwikkelt communicatieproducten met als doel de traceerbaarheid en kennis over
de CITES-regelgeving met betrekking tot voedingssupplementen te verbeteren voor bedrijven
die deze producten produceren, importeren of verhandelen. Met deze inzet beschouw
ik de motie (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1491) als afgedaan. Daarbij wil ik opmerken, dat bewustwordingsactiviteiten een blijvend
onderdeel zijn van de implementatie van CITES in Nederland.
Terugkoppeling twintigste Conference of the Parties CITES
Van 24 november tot en met 5 december 2025 vond de 20ste CITES Conferentie van de
Partijen (CoP20) plaats in Samarkand, Oezbekistan. Het Koninkrijk der Nederlanden
nam samen met meer dan 160 landen (CITES-partijen) deel. Zowel in de periode toewerkend
naar de CoP20 als tijdens de onderhandelingen van CoP20 was de Nederlandse delegatie
actief in EU-verband en CITES-werkgroepen. De inzet richtte zich hierbij op voorstellen
van haaien en houtsoorten en op resoluties en besluiten voor onder meer paling, zeeschildpadden,
grote katachtigen en diepzeehaaien. Ik heb uw Kamer over mijn inzet geïnformeerd op
30 september 2025 met Kamerstuk 31 379, nr. 26.
Van de 51 voorstellen over aanpassingen van de beschermingsstatus van soorten zijn
er 39 aangenomen. Hiervan is een aantal aangepast in werkgroepen tijdens de CoP20,
om de verschillende inzichten van partijen goed te kunnen meenemen. Onder meer zijn
de ruwe haai en een familie van diepzeehaaien (de Centrophoridae) onder CITES Appendix, de internationale handel in Appendix II soorten wordt gereguleerd
met vergunningen. De oceanische witpunthaai, de walvishaai en alle mantaroggen (Mobulidae) zijn van Appendix II naar Appendix I verplaatst. Voor soorten op Appendix I is commerciële
internationale handel niet toegestaan. Ook zijn er besluiten aangenomen om voor alle
diepzeehaaisoorten beheer en bescherming te verbeteren en te komen tot een duurzame
handel. Vier groene kikkersoorten zijn opgenomen op Appendix II van CITES. Voor internationale
handel in voedselproducten zoals kikkerbillen zijn nu vergunningen nodig.
Ook is er een akkoord bereikt over de bescherming voor de houtsoort Pernambuco (Paubrasilia echinata). Deze soort is endemisch voor Brazilië en voldoet wetenschappelijk gezien aan de
criteria van Appendix I. Van het hout van deze soort worden onder andere strijkstokken
gemaakt. Een verbod op commerciële handel zou gepaard gaan met grote uitdagingen voor
de uitvoering. Nederland heeft tijdens de CoP20 deelgenomen aan een werkgroep om samen
met EU-lidstaten, Brazilië en andere partijen een alternatief uit te werken. Dit alternatief
is uiteindelijk aangenomen. Pernambuco blijft op appendix II, maar de annotatie is
aangescherpt. Deze annotatie zorgt ervoor dat musici met reeds in het bezit zijnde
strijkstokken vrij kunnen reizen, ten behoeve van optredens. Wel zullen er voor commerciële
handel van bepaalde producten CITES-documenten nodig zijn.
Niet alle voorstellen zijn aangenomen. Eén van de afgewezen voorstellen betreft een
EU-voorstel om alle palingsoorten op Appendix II te zetten (Anguilla spp.). Er werd getwijfeld aan de wetenschappelijke onderbouwing. Voor de paling is er wel
een stevige CITES-Resolutie aangenomen waar Nederland, namens de EU, zich voor heeft
ingezet. De Resolutie richt zich op een betere bescherming, gegevensuitwisseling en
handhaving van alle palingsoorten, ook de soorten die niet op CITES staan. Dit is
uniek. Hieruit blijkt dat internationale samenwerking belangrijk wordt gevonden. De
bescherming van de Europese paling (Anguilla anguilla) onder CITES verandert niet, deze soort staat al jaren op Appendix II. Nederland
ziet de resolutie als een belangrijke eerste stap om gezamenlijk de bescherming van
alle palingsoorten te verbeteren en mogelijk in de toekomst te komen tot een gezamenlijk
voorstel voor de bescherming van alle palingsoorten onder CITES.
De uitkomsten van CoP20, waar meer dan 300 besluiten zijn genomen, worden goed bestudeerd
om te kijken wat deze voor verschillende doelgroepen betekenen. De besluiten treden
na 90 dagen in werking (5 maart 2026). In een aantal gevallen is de inwerkingtreding
uitgesteld. Deze treden na een overgangstermijn in werking. De wijzigingen worden
verwerkt in de Europese verordeningen. Dit zal uiterlijk in april 2026 worden gerealiseerd.
Tot die tijd gelden de internationale regels en nog niet de EU-regels. Goede en heldere
communicatie is belangrijk. Het CITES-bureau van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO) draagt zorg voor de implementatie en communicatie naar de branches en particulieren.3
Terugkijkend zijn er veel resultaten geboekt voor de instandhouding van bedreigde
dier- en plantsoorten tijdens CITES CoP20. Tegelijkertijd constateer ik dat de uitvoering
en handhaving wereldwijd de komende jaren een enorme opgave zijn, wat extra capaciteit
vergt. Ook voor Nederland is dat een aandachtspunt om in EU- en CITES-verband zich
in te kunnen blijven zetten voor een adequate implementatie van de genomen besluiten.
Infractieprocedure bijvangst van bruinvissen
Op 21 november jl. heeft de Europese Commissie een met redenen omkleed advies (MROA)
gestuurd ten aanzien van de infractieprocedure bijvangst van bruinvissen. Ik zal binnen
de gestelde termijn van twee maanden een reactiebrief sturen.
Jacht en faunabeheer
Evaluatie stelselherziening jacht en faunabeheer
Op 3 juli 2025 heeft uw Kamer een motie van de leden Kostić en Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 455) aangenomen waarin wordt opgeroepen een uitgebreide, externe en onafhankelijke evaluatie
te laten uitvoeren van het huidige stelsel van jacht en faunabeheer. Deze evaluatie
moet onder meer ingaan op de effecten op dierenwelzijn, de financiële aspecten en
de uitvoerbaarheid, en worden uitgevoerd door een deskundig bureau, aldus de motie.
De evaluatie vindt plaats binnen het kader van de stelselwijziging jacht en faunabeheer,
die in april 2023 door de toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof is aangekondigd
en sindsdien in samenwerking met provincies en in afstemming met diverse stakeholders
wordt voorbereid. In een brief aan de Kamer (Kamerstuk 33 576, nr. 459, 3 juli 2025) heb ik aangegeven de stelselwijziging voort te zetten. Totdat uitvoering
is gegeven aan de motie, worden geen onomkeerbare stappen binnen dit traject gezet.
Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de oproep tot een beleidsevaluatie. LVVN
treedt op als opdrachtgever van de beleidsevaluatie. Omdat de evaluatie het gehele
stelsel omvat, waaronder ook de rollen en bevoegdheden van de provincies is nauwe
betrokkenheid van de provincies essentieel. Een offerte-uitvraag voor de evaluatie
is de afgelopen periode in meerdere afstemmingsronden ambtelijk besproken met alle
provincies, BIJ12 en het IPO. Vervolgens zijn de hoofdlijnen en de scope van de beleidsevaluatie
bestuurlijk aan de provincies voorgelegd. Ook faunabeheereenheden en belangengroepen
vanuit landbouw, jacht, terreinbeheer en dierenbescherming hebben aandachtspunten
kunnen aandragen.
Centraal in de evaluatie staan de wettelijke bepalingen op dit terrein en de manier
waarop verschillende partijen hier uitvoering aan geven. Conform de motie wordt specifiek
aandacht besteed aan dierenwelzijn, financiën en uitvoerbaarheid.
De planning is dat de evaluatie in febuari van start kan gaan en dat het eindrapport
in de zomer van 2026 wordt opgeleverd. Ik zal de uitkomsten van de evaluatie met uw
Kamer delen.
Motie van het lid Kostić e.a. stilleggen jacht in verband met vogelgriep
Uw Kamer heeft op 18 december 2025 een motie van het lid Kostić c.s. (Kamerstuk 28 807, nr. 314) aangenomen die de regering verzoekt om «de hobbyjacht op wilde vogels stil te leggen».
De Omgevingswet kent de term hobbyjacht niet. Deze term doet wat mij betreft ook geen
recht aan de rol die jagers, veelal op vrijwillige basis, vervullen bij het beheer
van populaties wilde dieren. Jagers kunnen om uiteenlopende redenen beheermaatregelen
nemen, waaronder het beperken van schade aan landbouwgewassen, verkeersveiligheid
en behoud van de biodiversiteit. Ik beperk mij hier daarom tot het gebruik van de
term jacht, zoals die in de Omgevingswet wordt omschreven. Op basis van het jachtrecht
mogen dieren van de vijf wildlijstsoorten (haas, konijn, wilde eend, fazant en houtduif),
binnen het jachtseizoen en met inachtneming van geldende wet- en regelgeving, worden
gedood.
De Minister van LVVN heeft tijdens het plenaire debat over de vogelgriep van 18 december
jl. benadrukt dat de risico’s op verspreiding van vogelgriep en de invloed van vogelgriep
op de betreffende populatie op zichzelf onvoldoende reden zijn om een jachtverbod
in te stellen als preventiemaatregel tegen vogelgriep op grond van de Wet dieren.
Vogelgriep is al breed aanwezig bij wilde vogels in het land. Jacht (of de afwezigheid
daarvan) heeft daarmee geen substantiële invloed op de verspreiding van vogelgriep.
Er zijn derhalve geen veterinaire argumenten om vanwege vogelgriep een jachtverbod
in te stellen. Met het oog op de motie van uw Kamer zullen wij de in die motie opgenomen
vraag ter toetsing nog voorleggen aan experts op het gebied van veterinaire risico’s
van dierziekten. Ik zal uw Kamer hierover voor het zomerreces 2026 informeren.
Staatsbosbeheer
Succesvolle samenwerking natuurinclusieve landbouw Staatbosbeheer gaat verder
Ik stuur u hierbij de rapportage van de resultaten van het programma Samenwerking
Natuurinclusieve landbouw Staatsbosbeheer (bijlage). Sinds 2019 voert Staatsbosbeheer
dit programma in opdracht van het Ministerie van LVVN uit. In dit programma sluit
Staatsbosbeheer 12-jarige samenwerkingsovereenkomsten af met agrarisch ondernemers
die hun gehele bedrijf stapsgewijs natuurinclusiever maken, waarbij natuurgrond –
veelal graslanden – 12-jarig in pacht wordt gegeven. Dit geeft boeren de ruimte om
hun bedrijfsvoering te extensiveren; de langjarige zekerheid is daarbij belangrijk.
Tegelijkertijd vermindert door de natuurinclusieve bedrijfsvoering de milieudruk op
de natuurgebieden. Staatsbosbeheer beheert 110 van de 130 stikstofgevoelige Natura
2000-gebieden. Uit de rapportage blijkt dat er de afgelopen jaren heel veel is geleerd
over hoe de samenwerking vorm te geven en wat de potenties ervan zijn. Het aantal
samenwerkingsovereenkomsten groeit, net als het aantal boeren dat belangstelling heeft
voor de samenwerking. Kennis en ervaringen worden gedeeld met andere natuurorganisaties
en breder. Het programma levert kennis op die voor meerdere beleidsopgaven van belang
is, in het bijzonder de combinatie van een natuurinclusieve bedrijfsvoering met agrarisch
natuurbeheer. Ook worden steeds meer goede voorbeelden en resultaten opgeleverd. De
aanpak is echter nog geen gangbare praktijk en er is ook nog niet genoeg ervaring
opgedaan met een gebiedsgerichte aanpak. Dat is ook reden om de opdracht met twee
jaar – tot en met 2027 – te verlengen en dat Staatsbosbeheer in een of enkele pilots
ook de mogelijkheden gaat onderzoeken om met de natuurinclusieve samenwerking bijdragen
te leveren aan het realiseren van gebiedsdoelen in overgangsgebieden.
Ondernemingsplan Staatsbosbeheer
Overeenkomstig de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer stelt Staatsbosbeheer (SBB)
eenmaal per vijf jaar een ondernemingsplan op. In dat ondernemingsplan liggen de visie
en de doelen voor de komende vijf jaar vast. Het huidige ondernemingsplan 2020–2025
dateert van eind 2019 en daarvan is inmiddels het laatste uitvoeringsjaar ingegaan.
Het nieuwe ondernemingsplan voor 2026 t/m 2030 is in concept aan mij aangeboden met
het verzoek om een formele reactie vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur te geven. Dit wordt op basis gedaan van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer
waarin staat dat de Raad van Toezicht (RvT) het ondernemingsplan vaststelt, gehoord
hebbende de verantwoordelijk bewindspersoon.
De afgelopen periode is een nieuw ondernemingsplan met nieuwe koers opgesteld door
SBB waarbij uitgebreide consultaties met stakeholders, waaronder de aan SBB verbonden
adviesraden, onderdeel waren van de voorbereiding. Ook is daarbij door SBB gebruikgemaakt
van de meest recent uitgevoerde wettelijke evaluatie, interne expertise en inzichten
vanuit maatschappelijke ontwikkelingen, met name in het ruimtelijk domein. Dit heeft
geleid tot een concept ondernemingsplan dat als titel «In dienst van de toekomst»
heeft gekregen. Het document beschrijft de doelen en visie van SBB voor de periode
2026–2030 waarin een belangrijke wijziging de herziening van de inhoudelijke positionering
van SBB is: SBB stelt de komende jaren natuurbeheer nadrukkelijk centraal in de bedrijfsvoering.
Daarnaast is SBB aan de slag gegaan met mijn wens voor certificering van terreinbeherende
organisaties op basis van doelsturing. SBB is bezig met het opzetten en uitvoeren
van pilots betreffende het verkennen van deze certificering en is daar voortvarend
werk van aan het maken.
Ook legt SBB extra focus op monitoring in het kader van de basislijn van de Natuurherstelverordening
en de bijbehorende intensivering van de monitoringactiviteiten voor het verkrijgen
van een beter beeld van de staat van de natuur. Ik onderstreep het belang hiervan
en ook hier weet SBB een extra focus op te leggen.
De RvT van SBB heeft vanaf het begin van de totstandkoming van dit ondernemingsplan
meegedacht en geadviseerd over de koers en de uitwerking ervan. De RvT heeft eind
september ingestemd met het concept ondernemingsplan en heeft besloten om die versie
aan mij voor te leggen.
Gelet op het bovenstaande heb ik geen bezwaar gehad tegen de vaststelling op 12 november
door de RvT van het nieuwe ondernemingsplan voor de periode van 2026 t/m 2030. Dit
nieuwe ondernemingsplan is gepubliceerd op de website van SBB.4
Overige onderwerpen
Landelijke doelen Natura 2000
Tijdens het commissiedebat Natuur van 19 juni 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 462) heb ik toegezegd de Kamer te informeren over de reacties op de internetconsultatie
inzake de vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten,
de eventuele tegenstrijdigheden in deze doelen die daarin zijn aandragen en over de
eventuele wijzigingen die hieruit volgen. Alle reacties op de internetconsultatie
zijn nu gewogen, wat in enkele gevallen heeft geleid tot een verandering in het doelendocument.
Ook is de meest recent gemeten staat van de natuur verwerkt zoals die is gerapporteerd
aan de Europese Commissie. Ik zal de vastgestelde vernieuwde landelijke doelen publiceren
in de Staatscourant en beschikbaar stellen op www.natura2000.nl.
Enkele reacties uit de internetconsultatie betroffen mogelijke tegenstrijdigheid van
doelen, en ik heb de Kamer toegezegd hier specifiek naar te kijken. Deze reacties
gaan niet over de landelijke doelen zelf, omdat de respondenten veelal aangeven dat
volgens hen bepaalde natuurwaarden niet op hetzelfde moment in hetzelfde gebied realiseerbaar
zijn. Voor deze situaties is in het Beleidskader Doelwijziging (BKDW) dat ik dit jaar heb gepubliceerd
op www.natura2000.nl beschreven hoe hiermee om te gaan. In het consultatieverslag dat eveneens beschikbaar
is op www.natura2000.nl en op www.internetconsultatie.nl zijn de reacties over conflicterende doelen specifiek beantwoord, ook al gaan ze
in principe niet over landelijke doelen. Op landelijk niveau zijn er geen conflicterende
doelen; ook bij nadere beschouwing van deze doelen blijken ze op landelijk niveau
onderling niet te conflicteren.
Met de publicatie van het BKDW is ook de motie van het lid Bisschop over een betere
prioriteitstelling in het Natura 2000-beleid (Kamerstuk 32 670, nr. 188) uitgevoerd en met bovenstaande alinea’s ben ik toezegging TZ202506-073 nagekomen.
De vernieuwde landelijke doelen geven voor de soorten en habitattypen waarvoor Natura 2000-gebieden
zijn aangewezen aan «hoeveel genoeg is» voor een gunstige staat in Nederland als geheel.
De vernieuwde doelen zijn, ten opzichte van de bestaande verouderde doelen uit 2006,
scherper afgebakend en niet hoger dan Europees verplicht. Deze landelijke doelen hebben
geen directe rechtsgevolgen, maar hebben een agenderend karakter. Er wordt bij toestemmingsverlening
in het kader van gebiedsbescherming niet getoetst aan de landelijke doelen, maar aan
de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (oftewel de gebiedsdoelen).
De landelijke doelen zijn per soort en habitattype zodanig gekozen dat deze haalbaar
zijn in 2050. Daarmee beschikt Nederland weer over actuele landelijke doelen, zonder
«nationale koppen», op het minimale niveau dat de Vogel- en Habitatrichtlijn vraagt.
Dit stelt Nederland in staat om in het Natuurplan concrete doelen voor de inspanningsverplichting
voor de verschillende doeljaren in het Natuurplan van de NHV te formuleren, eveneens
op niet meer dan het vereiste niveau. Rond 2032 wordt bezien of er aanleiding is om
de landelijke doelen opnieuw te actualiseren.
Update over middelen natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland
Het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) werd in 2020 vastgesteld
voor een periode van tien jaar. Voor de uitvoering van de eerste fase werd 42 miljoen
euro beschikbaar gesteld. In de afgelopen jaren is dit volledige bedrag ingezet voor
de uitvoering van het beleidsplan om onder andere de druk op de koraalriffen te verminderen.
Er zijn belangrijke stappen gezet om de natuur op Caribisch Nederland te herstellen,
en de milieuproblematiek aan te pakken.
Eind vorig jaar volgde een evaluatie van deze eerste fase. De bevindingen zijn deze
zomer met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 33 576, nr. 461). Tegelijkertijd laten verschillende rapporten, waaronder de Staat van de Natuur
Caribisch Nederland, zien dat ondanks deze inspanningen de natuur onder grote druk
staat. Dit komt door lokale achterstanden, beperkte uitvoeringscapaciteit en kwetsbaarheid
van de ecosystemen.
Het is belangrijk het werk aan natuur en milieu niet alleen voort te zetten, maar
ook te versterken. De doelen uit het NMBP dragen ook in belangrijke mate bij aan de
klimaatadaptatie-aanpak voor Caribisch Nederland en zijn als zodanig ook benoemd in
de Greenpeace Bonaire Klimaatzaak. Daarom is samen met de Ministeries van Infrastructuur
en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de Openbare Lichamen
verkend wat er nodig is om de doelen van het beleidsplan in 2030 daadwerkelijk te
kunnen halen. Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen op welk ambitieniveau wordt
ingezet voor de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland.
Intrekken Bosmonitoringsverordening
Op 21 oktober jl. heeft een meerderheid in het Europees Parlement het wetsvoorstel
voor een verordening voor een monitoringskader voor veerkrachtige Europese bossen
verworpen. Na deze verwerping door het Europees Parlement, heeft de Europese Commissie
aangekondigd het wetsvoorstel in te trekken. Daarmee worden de onderhandelingen over
een bosmonitoringsverordening beëindigd, omdat de standpunten van de EU-instellingen
hierover te ver uit elkaar blijken te liggen om overeenstemming te bereiken.
De Europese Commissie heeft op 22 november 2023 een eerste voorstel voor de bosmonitoringsverordening
gedaan. De Raad bereikte op 16 juni jl. een Algemene Oriëntatie. Nederland heeft zich
in de onderhandelingen in de Raad conform BNC-fiche opgesteld, zoals gedeeld met uw
Kamer op 19 januari 2024 (Kamerstuk 22 112, nr. 3867, Bijlage 1124476).
Inzet landschapselementen en Groenblauwe Dooradering
Ten aanzien van mijn inzet op het vergroten en herstellen van het areaal landschapselementen
heb ik samen met Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel (SDB) de afgelopen jaren
uitvoering gegeven aan de incidentele middelen voor het opschalen van het Aanvalsplan
Landschap (€ 14 miljoen). Via twee collectieve aanvragen van het Aanvalsplan Landschap
met SDB als penvoerder worden in totaal 27 projecten van boeren- en landschapsorganisaties
gerealiseerd. De projecten leggen samen 280 hectare vlakvormige landschapselementen
(bosjes en poelen), 280 kilometer aan lijnvormige elementen (houtwallen en hagen)
en bijna 6.000 solitaire bomen aan. Deze elementen verrijken het landschap en dragen
bij aan een aaneengesloten netwerk van groene en blauwe landschappelijke elementen
onder de noemer Groenblauwe Dooradering (GBDA).
De ervaringen bij het aanleggen van landschapselementen worden gedeeld in de Community
of Practice van het Aanvalsplan Landschap. Met deze aanpak is veel geleerd over de
randvoorwaarden die nodig zijn om te komen tot succesvolle aanplant. Het gaat hierbij
om de opbouw van vergoedingen, samenwerking tussen partijen en de logistiek die komt
kijken bij de voorbereiding en aanplant zelf. Deze lessen neem ik mee in de verdere
uitwerking van GBDA in het Natuurplan en het Agrarisch Natuurbeheer (ANB) (Kamerstuk
33 576, nr. 460) waarover ik eerder heb gecommuniceerd. Op deze manier geef ik invulling aan de motie
Bromet-Thijssen (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 49) om te komen tot een effectief systeem van vergoedingen waarmee landschapselementen
hersteld en onderhouden worden en bijdragen aan het verdienmodel van de boer. Hiermee
beschouw ik de motie als afgedaan.
Aanbieding rapport vogelwaarden Hollandse Kust
Op 1 september 2025 is met uw Kamer het vervolgonderzoek concentratiegebieden voor
vogels van (inter)nationaal belang op zee gedeeld (Kamerstuk 33 450, nr. 134). Dat onderzoek ging over een vogelkerngebied verder op zee. In dat onderzoek werd
verwezen naar een rapport over Hollandse Kust, een gebied in de kustzee. Dit rapport
over Hollandse Kust was nog niet openbaar gemaakt, omdat het nog geen definitieve
versie was. Het rapport is nu wel definitief en staat op de website van Waardenburg
Ecology.5
Rapport Evaluatie Natuursubsidie Kroondomein Het Loo 2018–2024
De evaluatie richtte zich op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidie
van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aan Kroondomein
Het Loo (KDHL) in de periode 2018–2024. Voor deze evaluatie (zie bijlage) is een bureaustudie
gedaan en zijn gesprekken gevoerd.
Het adviesbureau dat het onderzoek uitvoerde, concludeert dat de subsidie aan KDHL
zeer doelmatig is doordat het subsidie-instrument eenvoudig en goed navolgbaar is.
Ook leidt het subsidieproces tot beperkte bureaucratie voor zowel de subsidieontvanger
als de subsidieverlener. Daarnaast voert KDHL met de subsidie de beheermaatregelen
op een kundige en efficiënte wijze uit.
Binnen de invloedssfeer is de subsidie in grote mate doeltreffend op effectniveau,
maar in beperkte mate op impactniveau. De subsidie draagt bij aan de instandhouding
van de natuur binnen Het Kroondomein en voorkomt (grote) achteruitgang van de biodiversiteit.
De subsidie is op zichzelf echter onvoldoende effectief om de natuur duurzaam te versterken
of instandhouding van de biodiversiteit te borgen. Dit komt door de toenemende druk
van externe factoren buiten de directe invloedssfeer van zowel de subsidieverlener
als subsidieontvanger, zoals stikstofdepositie en effecten van klimaatveranderingen.
Op basis van de bevindingen en conclusies zijn er een aantal aanbevelingen gedaan:
1) versterken van de randvoorwaarden voor effectief natuurbeheer, 2) waarborgen van
een goede balans tussen de hoofddoelstelling en de subdoelstellingen, waarbij biodiversiteit
duidelijk het zwaartepunt vormt en 3) verkennen van opties om de doeltreffendheid
van het subsidie-instrument te vergroten.
Aanbieding rapport «Natuurherstelverordening en het Nederlandse mariene ecosysteem»
Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «Natuurherstelverordening en het Nederlandse
mariene ecosysteem» aan. Dit rapport is opgesteld door Wageningen Marine Research
en zal ten grondslag liggen aan het op te stellen Natuurplan in het kader van artikel
5 van de Natuurherstelverordening (ecosystemen).
De Natuurherstelverordening (NHV) legt lidstaten een inspanningsverplichting op om
ecosystemen te beschermen en te herstellen. In 2026 zal iedere lidstaat een concept-Nationaal
Herstelplan (in Nederland Natuurplan genoemd) moeten indienen bij de Europese Commissie
waarin maatregelen zijn opgenomen ten behoeve van natuurherstel. Voor het Nederlandse
mariene ecosysteem heb ik heb Wageningen Marine Research gevraagd onderzoek te doen
naar een aantal belangrijke aspecten waarmee de opgave van de NHV verder uitgewerkt
kan worden.
In het rapport presenteert Wageningen Marine Research de bandbreedte van de oppervlakten
voor een zevental groepen habitats waarbinnen de kwantitatieve en kwalitatieve NHV-doelstellingen
bepaald moeten worden. De in het rapport opgenomen bandbreedtes zijn erg ruim; deze
worden nog nader gespecificeerd om tot een realistische implementatie van de NHV-opgave
te komen. Ook is in kaart gebracht welke beschermde mariene soorten voor de uitwerking
van de NHV relevant zijn, in welke staat hun leefgebieden verkeren, en welke drukfactoren
hier een rol spelen. Er wordt een aantal kennishiaten benoemd, die voor zover mogelijk
nog voor 2027 worden ingevuld. Dit vervolgonderzoek zal zich met name richten op het
verkleinen van bandbreedtes, het ontwikkelen van methodieken voor het bepalen van
de toestand van habitattypes, het in kaart brengen van geschikte herstellocaties en
het opzetten van een monitoringsprogramma.
Momenteel bestudeer ik het onderzoek om te zien in hoeverre we reeds voldoen aan de
doelstelling van de NHV en in hoeverre er mogelijk aanvullende maatregelen opgesteld
moeten worden in het op te stellen Natuurplan. Hiertoe wordt een proces ingericht
om stakeholders te betrekken en ook zal internationale afstemming gezocht worden.
Bij het ontwikkelen van eventuele maatregelen wordt nadrukkelijk gekeken naar alle
drukfactoren zodat de maatregelen effectief en doeltreffend zijn.
Op 1 september 2026 moet het concept Natuurplan ter beoordeling ingediend worden bij
de Europese Commissie. Uiterlijk op 1 september 2027 wordt het definitieve Natuurplan
vastgesteld. Gelet op het feit dat er nog kennishiaten worden ingevuld in de periode
hiertussen kunnen er dus nog wijzingen plaatsvinden in het definitieve Natuurplan.
Uw Kamer wordt op korte termijn in nader detail geïnformeerd over de wijze waarop
de maatregelen voorgesteld in het Natuurplan tot stand zullen komen en het proces
rond de invulling van de doelstellingen in de Natuurherstelverordening.
Reactie op notitie «hoe is het werkelijk gesteld met onze natuurgebieden» en open
brief «Naar een evenwichtiger kijk op stikstof en natuur»
Op 27 november jl. heeft de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur mij verzocht (via brief met kenmerk: 2025Z19394/2025D48553) om een reactie te geven op een notitie van derden getiteld «Hoe is het werkelijk
gesteld met onze natuurgebieden». Deze notitie refereert aan rapport «De Veluwe als
toetssteen. Ecologische monitoring als fundament voor natuurbeleid». Net als het essay
«Crisis om stikstof» is het rapport gepubliceerd door de Stichting Samenleving, Landbouw
en Natuur (SLN). Tevens heeft de vaste commissie voor LVVN mij verzocht (in brief
met kenmerk: 2025Z18836/2025D48562) een reactie te geven op een open brief getiteld «Naar een evenwichtiger kijk op
stikstof en natuur» geschreven door dezelfde stichting. Ook de open brief van de stichting
verwijst naar het rapport «De Veluwe als toetssteen». Het leek mij derhalve passend
om met name in te gaan op het SLN-rapport over de Veluwe.
Laat ik ten eerste vaststellen dat ik de inspanningen van de Stichting Samenleving,
Landbouw en Natuur (SLN) om mee te denken aan oplossingen voor de opgaven waar we
voor staan, zeer waardeer.
De hoofdboodschap van de stichting is dat er geen eenzijdige focus moet zijn op de
drukfactor stikstof en dat monitoring een betrouwbaarder en juridisch sterker fundament
biedt dan stikstofmodellen. Het is inderdaad belangrijk dat er geen eenzijdige focus
ligt op de drukfactor stikstof en dat alle drukfactoren die in een gebied relevant
zijn, aangepakt worden. Dat is momenteel ook het geval en zal nog verder verbeterd
worden door in de natuurdoelanalyses – net als in de beheerplannen al vele jaren het
geval is – aandacht te besteden aan alle drukfactoren.
Ik vind monitoring van de daadwerkelijke gemeten staat van de natuur belangrijk en
monitoring hoort daarom ook centraal te staan. Daarom werk ik in het Verbeterprogramma
VHR monitoring samen met tal van organisaties aan de intensivering van de monitoring
van maatregelen, omgevingscondities en alle drukfactoren (breder dan alleen stikstof),
en VHR-doelbereik.
Zowel beleidsvorming als vergunningverlening vereisen echter ook aandacht voor toekomstige
effecten van drukfactoren zoals verstoring, versnippering en stikstof. Verslechtering
moet immers niet slechts bestreden worden als het reeds is opgetreden, maar moet juist
worden voorkómen. Daarom is het gebruik van wetenschappelijke modelmatige onderbouwing,
naast monitoring, onontbeerlijk. Een toekomstige situatie kan immers niet gemeten
worden. De tegenstelling die in het rapport «Veluwe als toetssteen» wordt gepresenteerd
tussen modellen en monitoring bestaat in de praktijk dus niet: beide zijn nodig en
worden toegepast.
De Provincie Gelderland heeft laten weten dat het een review van de analyses en conclusies
uit het rapport laat uitvoeren zodat de provincie scherp heeft hoe de conclusies van
SLN te moeten wegen. Bevindingen zullen uitwijzen óf en hoe beleid hierop zou moeten
worden aangepast.
Mijn ministerie is ook met de auteur van het rapport «Veluwe als toetssteen» in contact.
We hebben afgesproken contact met hem op te nemen zodra het «review» van de Provincie
Gelderland beschikbaar is.
Essay «Crisis om stikstof, een filosofisch en ook een democratisch probleem in Nederland»
Op 27 november jl. heeft de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur mij verzocht om een reactie te geven op het essay «Crisis om stikstof, een
filosofisch en ook een democratisch probleem in Nederland» dat is geschreven door
de heer Warmerdam en gepubliceerd is door de Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur
(SLN). Ik waardeer de inspanningen van de heer Warmerdam om zijn denkkracht en kennis
in te zetten voor oplossingen voor de opgaven waar we voor staan zeer. In zijn essay
benoemt de heer Warmerdam terecht dat planten symbiotische relaties met micro-organismen
aan kunnen gaan waardoor voedingsstoffen voor de plant beschikbaar kunnen worden gemaakt.
Tegelijkertijd constateer ik dat de heer Warmerdam aan dergelijke feiten conclusies
verbindt die in het essay niet voldoende onderbouwd zijn om als wetenschappelijke
basis te kunnen dienen voor beleid. Zo stelt de heer Warmerdam dat overbelasting met
stikstof geen probleem is vanwege de genoemde samenwerking met micro-organismen, terwijl
er een grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis is die aantoont dat overbelasting
met stikstof wel leidt tot een afname van natuurkwaliteit en uiteindelijk verlies
aan biodiversiteit6. Daarbij wordt al rekening gehouden met de hoeveelheid stikstofneerslag die de natuurlijke
kringloop nog kan verwerken, de kritische depositiewaarde is immers voor geen enkel
habitat 0 mol/ha/jr.
Uitwisselingsplatform duurzame pacht/Handreiking duurzame pacht
In het kader van de moties over duurzaam pachtbeleid is in 2025 gestart met de voorbereiding
van een handreiking voor medeoverheden. Tijdens een inventarisatie die in de zomer
2025 is uitgevoerd, is verkend hoe provincies, waterschappen, gemeenten, terreinbeherende
organisaties (TBO’s) en het Rijksvastgoedbedrijf omgaan met pacht en verduurzaming.
En wat hun behoeften en wensen zijn op het gebied van kennisuitwisseling. Uit deze
inventarisatie en bijeenkomst komt naar voren dat er al veel gebeurt op het gebied
van duurzaam pachtbeleid. Tegelijkertijd varieert de aanpak sterk tussen overheden,
afhankelijk van hun grondpositie, beleidsdoelen en lokale (bestuurlijke) context.
Deelnemers gaven aan vooral behoefte te hebben aan kennisdeling, uitwisseling van
voorbeelden en praktische, actuele informatie, meer dan aan een eenmalige, statische
handreiking.
Op basis van voorgaande wordt de eerder beoogde handreiking ontwikkeld tot een digitaal
kennis- en uitwisselingsplatform. Het landelijke platform, gecombineerd met het landelijk
kennisnetwerk Netwerk Duurzame Pacht, biedt de mogelijkheid om kennis (juridische
kaders, voorbeeldcontracten, etc.), praktisch toepasbare instrumenten (puntensystemen,
selectiecriteria en monitoringsmethoden) en inspirerende praktijkvoorbeelden uit verschillende
regio’s te bundelen, delen en actueel te houden. Ook biedt het in een afgeschermd
deel van het platform ruimte voor thematische kennisuitwisseling met elkaar (bijvoorbeeld
bodem, biodiversiteit, Didam-arrest, biologische pacht) of voor het stellen van inhoudelijke
vragen aan aangesloten specialisten. De inzet is om zo gezamenlijk te komen tot een
toegankelijke en duurzame kennisvoorziening die medeoverheden ondersteunt bij de verdere
verduurzaming van hun pachtbeleid. Hiervoor maken we gebruik van de al bestaande structuren
van het Netwerk Duurzame Pacht en de Werkplaats voor Landbouw en Natuur (in beheer
bij LVVN). Het Kennisplatform wordt vanaf begin 2026 geleidelijk gevuld en steeds
aangevuld naar gelang de behoeften (bijvoorbeeld naar aanleiding van het in werking
treden van de vernieuwde pachtregelgeving die langjarige pacht stimuleert). Het kennisnetwerk
Netwerk Duurzame Pacht zal worden gebruikt om het kennisplatform vorm te geven en
onder de aandacht te brengen.
Met dit kennisnetwerk en kennisplatform geef ik invulling aan een aantal moties die
in uw kamer zijn aangenomen. Het betreft de moties Holman en Vedder (Kamerstuk 27 924, nr. 90), Pierik en Grinwis (Kamerstuk 27 924, nr. 92), Pierik en Grinwis (Kamerstuk 27 924, nr. 94), Van Campen en Bromet (Kamerstuk 27 924, nr. 95), Kostić (Kamerstuk 27 924, nr. 97), De Hoop en Meulenkamp (Kamerstuk 36 687, nr. 10) en Podt (Kamerstuk 36 687, nr. 14).
Kennissessie bestuivers
Naar aanleiding van mijn toezegging TZ202504-021 aan lid Kostić kan ik melden dat
het Ministerie van LVVN in de zomer van 2025 een kennissessie heeft georganiseerd
waaraan experts van Naturalis, WENR, de Vlinderstichting en EIS Kenniscentrum Insecten
hebben deelgenomen. De kennissessie ging over de benodigde maatregelen voor artikel
10 van de Natuurherstelverordening, met als doel de negatieve trend van bestuivers
om te keren. Het behouden en bevorderen van bestuivers is niet alleen cruciaal voor
het behoud van biodiversiteit, maar speelt ook een belangrijke rol bij het waarborgen
van voedselzekerheid. De input van de kennisinstellingen wordt meegenomen in het proces
met de medeoverheden voor het opstellen van het concept Natuurplan. Hiermee beschouw
ik deze toezegging als afgedaan.
Motie stimuleren agrarisch medegebruik van de gronden van TBO’s
Op natuurgronden staat het behalen van natuurdoelen voorop. TBO’s zijn hier verantwoordelijk
voor. De specifieke natuurdoelen voor natuurgronden zijn uitgewerkt aan de hand van
te realiseren natuurtypes. Voor sommige natuurtypes geldt dat het behalen van natuurdoelen
goed mogelijk is met extensief agrarisch medegebruik. TBO’s verpachten deze gronden
zo veel als mogelijk is al aan agrariërs die aan agrarisch natuurbeheer doen. Ze worden
daartoe onder andere gestimuleerd omdat ze in de SNL-vergoedingen al bij voorbaat
worden gekort voor potentieel te verpachten natuurgronden. Aanvullend zijn er afspraken
gemaakt tussen SBB en LVVN waarbij SBB met 70 boeren een overeenkomst aangaat voor
agrarisch natuurbeheer op SBB gronden. Het vraagt om inzet van zowel SBB als van agrariërs
om deze doelstelling ook daadwerkelijk te behalen. Gesprekken met de TBO’s over uitbreiding
van verpachting voor agrarisch medegebruik zijn onderdeel van onze werkwijze en deze
zullen we voortzetten. Daarmee is de motie van lid Pierik (Kamerstuk 27 924, nr. 93) afgedaan.
Monitoringsprotocol en kennisprogramma biodiversiteit op en rond het boerenerf
Op 8 december 2022 is de regering middels motie Tjeerd de Groot c.s. (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 35) verzocht om samen met BoerenNatuur, SoortenNL, LandschappenNL en andere belanghebbende
partijen een monitoringsprotocol en een kennisprogramma te ontwikkelen, zodat boeren
zelf de biodiversiteit op en rond het boerenerf kunnen monitoren. Dit verzoek kwam
voort uit de constatering van uw Kamer dat voor het vergroten van de biodiversiteit
de hulp van boeren nodig is, bewustwording en kennis van belang zijn, maar dat in
relatie tot het ANLb nog geen onderbouwde uitspraken gedaan konden worden over de
effecten van het uitgevoerde beheer.
De afgelopen periode zijn grote stappen gezet op de in de motie genoemde onderwerpen.
Zo heeft de Minister de ecologische evaluatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer
middels brief (Kamerstuk 33 576, nr. 420) aan uw Kamer aangeboden. Middels deze evaluatie heeft WENR onderbouwde uitspraken
kunnen doen over de effecten van het ANLb, en de kansrijkheid die dit instrument biedt
om natuurdoelen t.a.v. het agrarisch gebied te bereiken.
Daarnaast steun ik diverse initiatieven die stappen zetten om de kennis over biodiversiteit
op en rond het boerenerf te verbeteren. Zo monitoren individuele boeren, ondersteund
door LTO Noord, BoerenNatuur en de Vlinderstichting, middels het BiMAG-project nachtvlinders
op en rond het boerenerf. Binnen het PPS-project «Boeren met Biodiversiteit» ontwikkelt
Wageningen University een tool waarmee telers zelf verschillende groepen biodiversiteit
kunnen herkennen en monitoren, bijvoorbeeld verschillende soorten insecten, planten
en vogels. Wageningen University werkt aan de doorontwikkeling van de KPI’s «Gewasdiversiteit
en kruidenrijk grasland» alsmede de KPI «natuur en landschap» waarmee boeren inzicht
krijgen in wat ze kunnen doen op hun bedrijf en dat kunnen aantonen richting ketenpartijen
en overheid. Binnen het Kennisprogramma Basiskwaliteit Natuur werken verschillende
partners aan handreikingen voor het monitoren van soorten. Die zullen rond de zomer
2026 verschijnen. Tenslotte werkt mijn ministerie uit welke additionele monitoringsinitiatieven
er op en rond boerenerven nodig zijn om aan onze verplichtingen uit de Natuurherstelverordening
te voldoen.
Met bovenstaande tools en instrumenten is in mijn ogen geborgd dat er ruim voldoende
kennis en tools beschikbaar zijn om de biodiversiteit op en rond het erf van boeren
in beeld te brengen. Middels het Agrarisch natuurbeheer, de Programmatische Aanpak
Basiskwaliteit Natuur, de doorontwikkeling van de KPI-systematiek en de inspanningen
op het vlak van de Natuurherstelverordening is een verdere doorontwikkeling in kennis
en protocollen van biodiversiteitsmonitoring op en rond het boerenerf, i.s.m. de door
u genoemde stakeholders, geborgd. Ik beschouw uw motie hiermee als afgedaan.
Reactie op het rapport «Wetenschappelijke review beleidskader Oostvaardersplassen»
van Wageningen Environmental Research
Voortkomend uit het vastgestelde «Beleidskader Beheer Oostvaardersplassen», opgesteld
door de commissie Van Geel in 2018, staat de aanbeveling om een onafhankelijke, complete,
wetenschappelijk onderbouwde review van de ontwikkeling van de OVP uit te voeren.
Dit nadat de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan in een verder gevorderd stadium
van uitvoering zijn en de voorstellen uit dit advies hun beslag hebben gekregen in
het provinciale beleid en beheer.
De betekenis van een wetenschappelijke review is dat er een kritische wetenschappelijke
beoordeling plaatsvindt op het gevoerde beleid. Het gaat hier dus niet om het ter
discussie stellen van doelen en opgaven zoals die zijn vastgesteld voor het gebied
in het kader van Natura-2000.
In het vastgestelde beleidskader heeft de commissie van Geel opgenomen dat zij daarbij
van mening is dat in de review niet alleen moet worden ingegaan op het vraagstuk van
de grote grazers. Maar ook op de realisatie van de Natura 2000-doelstellingen, ontwikkeling
van vegetaties en van de biodiversiteit in het gebied in het algemeen. Met deze review
wordt zo dicht mogelijk bij het vastgestelde beleidskader gebleven en wordt aangesloten
bij de aanbevelingen die daarin over de review zijn gedaan.
Ik dank Wageningen Environmental Research (WENR) voor het uitvoeren van de onafhankelijke,
wetenschappelijke review van het beleidskader Oostvaardersplassen. Het rapport biedt
een grondige en kritische beoordeling van het gevoerde beleid en de uitvoering van
de maatregelen in het kader van Natura 2000, dierenwelzijn, landschap, recreatie en
toerisme.
De wetenschappelijke review geeft mij het vertrouwen dat de provincie Flevoland met
de uitvoering van het beleidskader op de goede weg is en dat er al veel stappen gezet
zijn in de uitvoering. Er is op basis van deze wetenschappelijke review geen aanleiding
om bij te sturen op het beleidskader.
Ik onderschrijf de aanbevelingen van WENR, waaronder:
1. Het voortzetten en uitbreiden van ecologische monitoring, inclusief overige soorten,
de meerjarige dataverzameling om adaptief beheer beter te onderbouwen en de evaluatie
van de graasdruk om waar nodig bijstelling van het begrazingsbeheer toe te kunnen
passen.
2. Het stimuleren van natuurlijke verjonging en het versterken van zachte overgangen
in het landschap.
3. Het formuleren van concrete doelstellingen voor recreatie en toerisme en het investeren
in structurele monitoring van bezoekersaantallen.
Hiermee heb ik invulling gegeven aan het verzoek van de vaste commissie voor Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (kenmerk: 2026Z00221/2026D00895, 13 januari 2026) om een reactie te geven op het rapport «Wetenschappelijke
review beleidskader Oostvaardersplassen» van Wageningen Environmental Research.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Indieners
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur