Brief regering : Verzamelbrief moties en toezeggingen Economische Zaken
36 800 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026
Nr. 15
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 januari 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over verschillende onderwerpen binnen het domein
van het Ministerie van Economische Zaken. Daarnaast worden met deze brief enkele moties
en toezeggingen afgedaan. Deze brief wordt toegezonden ter voorbereiding op de begrotingsbehandeling
van 21 en 22 januari in de Tweede Kamer, zodat uw Kamer beschikt over de actuele stand
van zaken.
Toezegging evaluatie OndernemersTop 2025
Graag informeer ik uw Kamer, conform toezegging, over de OndernemersTop die op 15 december
2025 plaatsvond in de Rijtuigenloods in Amersfoort. De OndernemersTop trok 425 deelnemers,
merendeels ondernemers. Er zat veel positieve energie in de bijeenkomst. De teneur
van het rapport-Wennink, dat enkele dagen eerder was gepresenteerd, werd breed onderschreven.
Ondernemers ervaren een hoge urgentie om de randvoorwaarden voor het ondernemingsklimaat
in Nederland te verbeteren, om ondernemen weer aantrekkelijk te maken en de brede
welvaart, ook voor toekomstige generaties, in stand te houden. Het middagprogramma
bestond uit plenaire sessies, met presentaties, podiumpanels en discussie. De ochtend
stond met workshops en hackathons in het teken van doen en het bedenken van oplossingen,
vooral om de regeldruk te verminderen. Ook was er veel aandacht voor de vraag hoe
de inzet van AI kan helpen onze werkcultuur en arbeidsproductiviteit te verbeteren.
Een kort verslag van de OndernemersTop, met een video waarin een aantal ondernemers
aan het woord komt, is te vinden in de Nieuwsflits December 2025 - OndernemersTop1. De definitieve verslagen van de workshops en hackathons zullen later op deze website
publiekelijk worden gedeeld.
Evaluatie MKB!dee-regeling
Met het Beleidsexperiment Menselijk Kapitaal MKB!dee, kortweg de MKB!dee-regeling,
wilde het kabinet bijdragen aan het stimuleren van de leercultuur en de investeringen
in menselijk kapitaal in de vorm van scholing en onderwijs in het mkb. De regeling
liep tussen 2018 en 2021 en is voor deze periode geëvalueerd door onderzoeksbureau
SEOR. De evaluatie concludeert dat de regeling legitiem was, en dat het gebruik van
de regeling positieve effecten had op onder andere de leercultuur en leren en ontwikkelingen
bij deelnemende bedrijven. Langere termijn effecten op werkgelegenheid, toegevoegde
waarde en arbeidsproductiviteit kunnen (vooralsnog) niet worden vastgesteld. Het eindrapport
«Evaluatie van de MKB!dee-regeling» treft u aan als bijlage 1 van deze brief.
Evaluatie Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief mkb (TEK)
De TEK was een tijdelijke tegemoetkoming voor mkb-ondernemingen die in het leven was
geroepen als gevolg van de hoge energieprijzen na de oorlog in Oekraïne. De Algemene
Rekenkamer (AR) heeft geadviseerd om de TEK te evalueren. Deze evaluatie is uitgevoerd
door de Auditdienst Rijk (ADR). Hieruit kwam naar voren dat ondanks de uitdagende
omstandigheden, de totstandkoming van de TEK en het traject dat hieraan voorafging
positief is gewaardeerd. Dat bevestigt dat de ontwikkeling en uitvoering van de TEK
in grote lijnen goed is verlopen. Als gevolg van dalende energieprijzen is de TEK
minder gebruikt dan voorzien. Het eindrapport zal spoedig online beschikbaar zijn2.
Nadere financiële onderbouwing van de Nederlandse bijdrage aan de European Tech Champions
Initiative (ETCI 2.0)
U treft in bijlage 2 van deze brief de nadere financiële onderbouwing van de Nederlandse
bijdrage aan de tweede fase van het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0).
Dit betreft geen nieuw beleid, maar omdat de bijdrage van € 200 miljoen substantieel
is, wordt de bijbehorende financiële tabel hierbij alsnog aan uw Kamer toegezonden.
ETCI is gelanceerd met het doel om Europese bedrijven in staat te stellen om snel
door te kunnen groeien op Europese bodem. ETCI 2.0 geeft een vervolg aan ETCI 1.0.
Stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)
Naar aanleiding van de pilot over het verkennen hoe internationaal maatschappelijk
verantwoord ondernemen (IMVO), op basis van de OESO-richtlijnen, kan worden toegepast
binnen het EZ-bedrijfsleveninstrumentarium3 is bepaald dat het zwaartepunt zal komen te liggen op het ondersteunen van bedrijven
bij nieuwe regelgeving over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo participeert
Nederland in de voorbereidingen van een project onder het Technical Support Instrument4 van de Europese Commissie, gericht op het verbeteren van databeschikbaarheid ter
ondersteuning van duurzaamheidsrapportage, onder meer in het kader van de Corporate
Sustainability Reporting Directive (CSRD). Daarnaast voert het Ministerie van Economische
Zaken een pilot uit gericht op een geïntegreerde implementatie van Europese duurzaamheidswetgeving.
Het doel daarvan is om in de praktijk de uitvoerbaarheid voor bedrijven te verbeteren
en de regeldruk, met name voor het mkb, te beperken. De Kamer zal hierover dit jaar
worden geïnformeerd. Ten slotte ondersteunt RVO via het MVO-steunpunt ondernemers
actief bij vragen over de gevolgen van de CSRD voor hun bedrijf.
Motie Thijssen – Corporate Governance Code en reactie op Monitoring Rapport boekjaar
2024
Op 16 december 2025 heb ik van Rob van Wingerden, de voorzitter van de Monitoring
Commissie Corporate Governance Code, het Monitoring Rapport boekjaar 20245 in ontvangst mogen nemen, in het bijzijn van de andere Commissieleden en de schragende
partijen die de Corporate Governance Code ondersteunen. Via deze brief bied ik uw
Kamer het rapport aan (zie bijlage 3) en geef ik, mede namens de Minister van Financiën
en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, een reactie op het rapport. Tevens
doe ik de motie6 van het lid Thijssen af.
Het is belangrijk dat de naleving van de code na een periode van twee jaar, waarin
een Monitoring Commissie Corporate Governance Code ontbrak7, weer gemonitord is. Dit onderzoek betreft de eerste monitoring van de herziene Code
2022, waarbij alle Nederlandse beursvennootschappen zijn betrokken.
De algehele naleving door vennootschappen van de rapportagebepalingen in de Code ligt
lager dan in eerdere onderzoeken, nl. 79%. Zij verschilt materieel tussen groepen.
Vooral kleinere beursvennootschappen die niet in een index zijn opgenomen en Nederlandse
vennootschappen die in het buitenland genoteerd zijn, laten een lagere naleving van
de Code zien (78% resp. 68%), waarbij de vennootschappen die aan de AEX of AMX zijn
genoteerd een nalevingspercentage kennen van 94% resp. 92%. Het lagere nalevingspercentage
wordt vooral verklaard door aanscherping van de rapportagebepalingen in de Code 2022.
De lat ligt zodoende hoger dan in voorafgaande monitoringsonderzoeken. Het rapport
biedt een aantal best practices, zoals ten aanzien van rapportage over diversiteit
en inclusie, en daarmee handvatten voor verbeterde rapportages in de toekomst. Het
kabinet acht goede naleving van de Code onmisbaar voor goed ondernemingsbestuur. Dat
versterkt ons investerings- en vestigingsklimaat. Het kabinet gaat dan ook ervan uit
dat de betrokkenen met deze handvatten aan de slag gaan.
Er is ook een steekproef gehouden onder institutionele beleggers op naleving van de
tot hen gerichte stewardship-bepalingen in de Code. In de Code 2022 zijn namelijk
enkele belangrijke principes uit de Nederlandse Stewardship Code geïntegreerd, die
zien op de verantwoordelijkheden van grote aandeelhouders. Immers, hoe groter het
belang is dat een aandeelhouder in de vennootschap houdt, des te groter is zijn verantwoordelijkheid
jegens de vennootschap, mede-aandeelhouders en andere stakeholders. Daarom wordt van
institutionele beleggers gevraagd om transparantie te bieden over de wijze waarop
zij gebruikmaken van hun rechten als aandeelhouder. Uit de monitoring en gevoerde
gesprekken blijkt dat de bekendheid van institutionele beleggers met de toepassing
van de nieuwe bepalingen van de Code nog beperkt is.
Het kabinet onderschrijft de prioriteiten die de Commissie bij monde van haar voorzitter
heeft aangegeven voor 2026 en dat ze deze samen met de schragende partijen ter hand
zal nemen. Zo verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de schragende partijen in
gesprek gaat over de tijdens de monitoring opgedane inzichten en waar nodig samen
aan groepen toelichting geeft op onderdelen van de Code om zo goed ondernemingsbestuur
binnen alle groepen breed te verankeren. Voor de monitoring over boekjaar 2025 zal
ook voor het eerst aandacht worden besteed aan de Verklaring omtrent Risicobeheersing
(VOR), die in maart 2025 in de Code is opgenomen.
Bij de ontvangst van het Monitoring Rapport boekjaar 2024 heb ik van de gelegenheid
gebruik gemaakt de Commissie en schragende partijen te vragen bij hun overwegingen
en overleggen het onderwerp belastingmoraal mee te nemen in de dialoog over verdere
actualisatie van de Code. Dit is in overeenstemming met de motie van het lid Thijssen
en mijn appreciatie8 daarop, waarin ik heb aangegeven dat vanuit de gedachte dat de Code een instrument
van zelfregulering is, ik mij niet inhoudelijk kan mengen in het overleg. Daarmee
heb ik deze motie afgedaan. Tegelijkertijd heb ik aangegeven het belangrijk te vinden
dat de Code breed gedragen wordt en er ook betrokkenheid is van sociale partners.
Want een breed gedragen en toegepaste Code draagt bij aan stabiliteit en continuïteit
van de vennootschappen. Alle betrokken stakeholders moeten gezamenlijk aan de slag
om de economie te versterken. Ik heb van de Commissie en schragende partijen begrepen
dat de deur voor FNV om terug te keren als schragende partij, nog steeds open staat.
Motie Grinwis verankering Rijnlandse denken
Bij motie9 heeft het lid Grinwis c.s. de regering verzocht te verkennen op welke manier het
Rijnlandse denken beter verankerd kan worden, bijvoorbeeld in wet- en regelgeving
voor beursgenoteerde bedrijven, zodat zij beter het publieke belang, de lange termijn
houdbaarheid en continuïteit voor ogen hebben. Op basis van een binnen het Ministerie
van Economische Zaken uitgevoerd onderzoek geef ik daarop mijn reactie, in afstemming
met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en doe ik daarmee de motie af.
Het Rijnlands model is een uitgangspunt voor goed ondernemingsbestuur waarbij de dialoog
door de vennootschap met de verschillende stakeholders belangrijk is. Het Rijnlands
model is in Nederland stevig verankerd in wetgeving, jurisprudentie en zelfregulering.
Dit samenspel van «checks & balances» van verschillende regels en afspraken kent rechten
en verplichtingen toe aan verschillende stakeholders van de onderneming zoals medewerkers
– al dan niet vertegenwoordigd via de ondernemingsraad of vakbonden –, aandeelhouders,
omwonenden, klanten of toeleveranciers.
Zo moeten degenen die bij de vennootschap zijn betrokken, zich jegens elkaar gedragen
naar eisen van redelijkheid en billijkheid. Verder moet het bestuur zich richten naar
het belang van de vennootschap en op de lange termijn en moet het zorgvuldigheid betrachten
ten aanzien van de belangen van iedereen die bij de vennootschap betrokken is. Daaruit
volgt dat bestuurders en commissarissen de belangen van alle bij de vennootschap betrokkenen
in acht moeten nemen en niet een bepaald belang, ook niet dat van de aandeelhouders,
op voorhand de doorslag mogen geven. Dat beginsel is niet vrijblijvend, maar voor
de concrete invulling wordt ruimte gelaten aan de vennootschappen. Die flexibiliteit
past bij de handelsgeest van Nederland en maakt de systematiek tegelijkertijd robuust,
weerbaar en wendbaar in de huidige evoluerende economische en politieke omgeving.
Dat komt het Nederlandse vestigingsklimaat ten goede.
De Europese Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de Corporate Sustainability
Due Diligence Directive (CSDDD) benadrukken de verplichting van het bestuur om zorgvuldigheid
te betrachten ten aanzien van de belangen van allen die bij de vennootschap betrokken
zijn en daarover jaarlijks verantwoording af te leggen. De CSRD en CSDDD versterken
daarmee het Rijnlands model verder.
Ik ben daarom van mening dat er geen aanleiding is de regeldruk te vergroten door
aanvullende regelgeving te creëren. Wel roep ik het bestuur en waar relevant ook de
raad van commissarissen van beursvennootschappen op een effectieve dialoog te blijven
voeren met de stakeholders. Om die dialoog met de stakeholders effectief te laten
zijn en het stelsel van «checks & balances» goed te laten functioneren is het belangrijk
dat alle stakeholders hun rol pakken en de taken en bevoegdheden die zij hebben gekregen
gebruiken.
Motie Beckerman – Ambachtseconomie
In oktober 2024 heeft uw Kamer via de motie Beckerman gevraagd om te onderzoeken hoe
de bescherming en waardering van de ambachtseconomie in buurlanden in Nederland geïmplementeerd
zou kunnen worden10. Dit onderzoek is intussen uitgevoerd en treft u in bijlage 4 van deze brief. België
kent een wettelijke definitie van de ambachtsonderneming, met een publiek register
zonder kwaliteitseisen, Duitsland kent van oudsher een sterk gereguleerd systeem:
een aantal beroepen mag in principe alleen worden beoefend na het halen van een bepaald
diploma. Het onderzoek laat zien dat het Nederlandse systeem van vooral private regulering
van de ambachtseconomie voordelen heeft zoals ruimte voor ondernemerschap. Tegelijkertijd
zijn er bij ambachtslieden ook zorgen over kwaliteitsverlies. De Nederlandse aanpak
functioneert toereikend. Meer wettelijke bescherming van de ambachtseconomie zou leiden
tot meer regeldruk. Het kabinet wil regeldruk voor ondernemers juist verminderen en
ziet het daarom niet als gewenst om maatregelen in te voeren die leiden tot meer regeldruk.
Motie Sneller – ATR Werkbaarheid opnemen MKB-toets
In februari 2025 heeft het lid Sneller de regering verzocht samen met het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR) vragen op te stellen over de werkbaarheid van nieuwe wet-
en regelgeving en deze vragen op te nemen in de mkb-toets11. Samen met het ATR zijn de vragen en de handreiking van de MKB-toets zorgvuldig doorlopen.
De werkbaarheid, uitvoerbaarheid, proportionaliteit en regeldruk vormen daarbij de
kern van deze toets. De input van de ondernemers wordt, tijdens de MKB-toets, op deze
aspecten daarmee integraal meegenomen bij de totstandkoming van regelgeving. Gezien
het bovenstaande kan de motie als afgedaan worden beschouwd.
Motie Grinwis c.s. – verzoek ontwikkelen werkwijze voor indieners van signalen over
bestaande regelgeving
Het ATR heeft het meldpunt regeldruksignalen opgericht. Dit meldpunt is gestart op
1 oktober 2025. Daarmee is de motie van het lid Grinwis c.s.12 afgedaan waarin het ATR werd verzocht om in samenspraak met diverse (branche)organisaties
een werkwijze te ontwikkelen voor indieners van signalen over bestaande regelgeving.
Het ATR heeft uw Kamer hierover reeds geïnformeerd13 en de eerste meldingen zijn ingediend. Het ATR communiceert dat indien een melding
leidt tot een ATR-advies, er in beginsel binnen een maand gereageerd moet worden door
het betreffende departement.
Toezegging – Op bezoek bij Ondernemer Centraal te Utrecht
Tijdens het debat over de begroting van het Ministerie van Economische Zaken op donderdag
5 december 2024 is aandacht gevraagd voor het beter ondersteunen van ondernemers.
Het amendement van de leden Flach (SGP) en Van Dijk (CDA), waarin wordt verzocht middelen
beschikbaar te stellen voor een landelijk netwerk voor ondernemersbegeleiding, is
aangenomen. De voormalig Minister van Economische Zaken heeft in dat debat toegezegd
een werkbezoek af te leggen aan Ondernemer Centraal om met hen in gesprek te gaan.
In overleg met Ondernemer Centraal is ervoor gekozen een verdiepend gesprek te voeren
met de huidige Minister van Economische Zaken op 9 juli 2025. Hiermee is invulling
gegeven aan de toezegging en is deze afgedaan.
Toezegging verbetering BAR, SPUK en SDE++
De voormalig Minister van Economische Zaken heeft tijdens het Commissiedebat MKB van
7 februari 2024 de toezegging aan de heer Kisteman (VVD) gedaan om de bevindingen
van RVO voor de Brexit Adjustment Reserve (BAR), de Specifieke Uitkering (SPUK) en
de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE++) kenbaar te maken. Op 16 december
2024 is uw Kamer door de Minister van Economische Zaken reeds geïnformeerd over de
BAR14 en door de Minister van Klimaat en Groene Groei over de SPUK regelingen15, die onder voorwaarden aan gemeenten worden verstrekt. Dit naar aanleiding van de
tussentijdse evaluaties van RVO en de bekendmaking door de Europese Commissie over
de BAR. Tot slot kan ik u aangeven dat de subsidieregeling SDE++ jaarlijks opnieuw
wordt vastgesteld. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie in 2022 is de subsidieregeling
op punten aangepast, waardoor de werkbaarheid en uitvoerbaarheid zijn vergroot. De
Minister van Klimaat en Groene Groei heeft uw Kamer op 6 juni 2025 geïnformeerd over
de resultaten van de SDE++ in 202416. Met de bovenstaande antwoorden doe ik hiermee de toezegging af.
Motie Inge van Dijk over financiering ChipNL-innovatieprogramma
Uw Kamer heeft met de motie Inge van Dijk in april 2025 de regering verzocht om eerder
dan het najaar van 2025 te besluiten over cofinanciering van het semiconinnovatieprogramma
ChipNL.17 Het kabinet heeft besloten in de Prinsjesdagbegroting € 230 mln te reserveren voor
Nederlandse deelname aan de IPCEI voor Advanced Semiconductor Technologies (IPCEI
AST)18. De IPCEI AST richt zich net als ChipNL op hoogst innovatieve R&D-activiteiten in
het halfgeleiderdomein. Zoals al vermeld in de Kamerbrief van 1 september jl.19 sluit de inhoudelijke focus van dit project goed aan op de ambities uit het ChipNL-innovatieprogramma.
We zien dan ook goede mogelijkheden voor deelname van bedrijven uit het ChipNL-consortium
aan IPCEI AST. Het versterken van het gehele ecosysteem is vanuit Nederland een belangrijke
insteek en we bouwen hierbij ook nadrukkelijk mogelijkheden in voor deelname van het
mkb. Het kabinet zag echter niet de financiële ruimte om een aparte reservering voor
cofinanciering van het ChipNL-innovatieprogramma op de begroting op te nemen. Hiermee
is invulling gegeven aan de motie.
Motie Van Zanten en Vermeer – ondersteunen Nederlandse producenten van generieke en
innovatieve geneesmiddelen
De motie verzoekt de regering om een onderzoek naar maatregelen en instrumenten om
Nederlandse producenten van generieke en innovatieve geneesmiddelen te ondersteunen
in het behouden van productiecapaciteit en hun R&D20. De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) heeft in 2024 een onderzoek laten
doen naar de footprint van geneesmiddelenproductie in Nederland21 met betrokkenheid in de begeleidingscommissie van zowel het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) als het Ministerie van Economische Zaken, naast andere partijen.
Het rapport geeft een heldere uiteenzetting van de complexiteit van de productie-
en toeleveringsketens van geneesmiddelen wereldwijd, waarbij verschillende stappen
in de keten in verschillende landen plaatsvinden. Daarbij is het goed op te merken
dat het enkel hebben van de productie van één schakel uit het geneesmiddelproductieproces
in een land niet betekent dat ook de R&D in datzelfde land plaatsvindt. In het rapport
worden conclusies getrokken dat Nederland de potentie heeft om meer geneesmiddelen
te produceren. Aandachtspunten die worden genoemd zijn beschikbaarheid van technisch
personeel, politieke keuzes inzake prijsbeleid en inkoopcriteria en een betere dynamiek
tussen Europese regelgeving voor productie in Europa versus productie buiten Europa.
Ook heeft de Minister van VWS in juni 2025 uw Kamer geïnformeerd over de voortgang
op het beleid om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren22. Deze brief gaat specifiek in op mogelijkheden om productie van generieke geneesmiddelen
te behouden en te stimuleren. Ten aanzien van ondersteunen van R&D van Nederlandse
geneesmiddelenproducenten verwijs ik naar zowel de recente geëvalueerde WBSO23 en de innovatiebox. Daarnaast geeft mijn 3% R&D doelstelling richting aan op welke
wijze ik R&D wil stimuleren24.
Dezelfde motie verzoekt om een verkenning van contracten of publieke-private samenwerkingen
(PPS) om de leveringszekerheid en het verdienvermogen van deze sector te versterken.
Ten aanzien van contracten voor leveringszekerheid verwijs ik naar de eerdergenoemde
Kamerbrief van de Minister van VWS25. Deze brief geeft aan de mogelijkheden te onderzoeken om opschaalbare productie in
te zetten tijdens geneesmiddelentekorten. Daarnaast heeft Nederland in december 2025
ingestemd met het Raadsmandaat voor de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen
(Critical Medicines Act)26. Hierin staan verschillende voorstellen om de leveringszekerheid van kritieke geneesmiddelen
in Europa te verbeteren, ook in het licht van de huidige geopolitieke situatie. Ten
aanzien van PPSen verwijs ik naar het missiegedreven innovatiebeleid (MIB) van het
kabinet, dat zich kenmerkt door de PPS-aanpak. In het MIB hebben we de Kennis- en
Innovatieagenda Gezondheid & Zorg (KIA G&Z) die loopt van 2024–2027. Het Ministerie
van VWS heeft hierin verschillende missies geprioriteerd. In de KIA G&Z is er aandacht
voor leveringszekerheid van medische producten (waaronder geneesmiddelen) en voor
het verdienvermogen van Nederland. Hiermee is de motie van de leden Van Zanten en
Vermeer afgedaan.
Mededeling toekenningen Faciliteiten voor Toegepast Onderzoek (FTO2025)
Middels deze brief informeer ik uw Kamer dat € 105 mln. is gereserveerd voor 11 nieuwe
onderzoeksfaciliteiten, dit in overeenstemming met het advies van de adviescommissie
FTO dat u in bijlage 5 van deze brief treft. Deze middelen zijn in het tijdelijke
Fonds Onderzoek en Wetenschap geoormerkt voor faciliteiten voor toegepast onderzoek.
Samen met eerdere toekenningen in 2023 en 2024, en de korting die is toegepast vanwege
bezuinigingen in het huidige regeerakkoord, is het hiervoor bestemde budget nu nagenoeg
uitgeput.27 De FTO middelen zijn in alle twee de rondes sterk overvraagd en door deze laatste
reservering zijn de middelen dan ook uitgeput. De adviescommissie FTO adviseert middelen
structureel te maken t.b.v. vernieuwing, instandhouding en exploitatie. Goede faciliteiten
ondersteunen immers het investeringsklimaat zoals aangegeven in de TO2 evaluatie28,
29, het 3%-R&D-actieplan30, en de industriebrief31. Een volgend kabinet zal hier een beslissing over moeten nemen.
Mededeling TO2 impactrapportage
Met deze brief biedt het kabinet uw Kamer de TO2 Impactrapportage 2025 aan zoals bijgevoegd
in bijlage 6 van deze brief. De Nederlandse instellingen voor toegepast onderzoek
(TO2-instellingen), Deltares, MARIN, NLR, TNO en Wageningen Research, en het werk
dat ze doen zijn onmisbaar. Ze dragen bij aan onze welvarendheid; een duurzame, schone,
gezonde en veilige toekomst. In deze rapportage presenteren de TO2-instellingen een
selectie van indrukwekkende projecten waar we als Nederland met recht trots op kunnen
zijn.
Motie Thijssen Ruimtevaartbeleid
In de motie van het lid Thijssen wordt het kabinet verzocht te inventariseren welk
beleid en welke financiële middelen nodig zijn om de innovaties van de Nederlandse
ruimtevaartclusters, optische clusters en quantumclusters te verwaarden en hun positie
in Europees verband te versterken.32 Het kabinet geeft middels deze brief invulling aan dit verzoek, door per cluster
aan te geven welk beleid nu wordt gevoerd en waar mogelijk welke bedragen hiervoor
benodigd zijn.
Ten aanzien van het ruimtevaartcluster geldt dat de Lange-termijn Ruimtevaartagenda33 laat zien dat Nederland zijn positie in Europese programma’s verder moet versterken
om de sectoromzet richting 2035 te verdrievoudigen, door structureel de bijdrage aan
de European Space Agency (ESA) met € 140 miljoen per jaar te verhogen. Recentelijk
heeft het kabinet besloten om de Nederlandse inschrijving op de optionele ESA-programma’s
incidenteel met € 109 miljoen te verhogen. Daarmee komt de totale Nederlandse inschrijving
voor de periode 2026–2028 uit op € 450,3 miljoen. Deze inschrijving vormt een noodzakelijke
basis om het innovatieve vermogen en de internationale concurrentiekracht van de sector
te vergroten, en ondersteunt de positie van Nederland als gastland van ESTEC. De focus
ligt op OpStar, LEO-PNT en Secure Connectivity/IRIS, waar Nederland sterke expertise
heeft en waar continuïteit in deelname essentieel is om industriële posities te behouden.
Deze investering is echter nog niet toereikend om te komen tot een structurele inschrijving
conform de ESA-norm en om de doelstellingen uit de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
te realiseren.
Voor het optische cluster is geen afzonderlijk geoormerkt budget beschikbaar. Optische
systemen zijn echter beleidsmatig verankerd binnen breder innovatie- en industriebeleid.
Zo zijn optical systems and integrated photonics aangemerkt als prioritaire technologie binnen de Nationale Technologie Strategie
(NTS)34, en zijn er aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling binnen de focus op de in
de Kamerbrief Industriebeleid met Focus
35 aangewezen markten. Vanuit het Nationaal Groeifonds is al € 470 miljoen beschikbaar
gesteld voor Photondelta, aangevuld met publieke en private cofinanciering.36 Er is echter geen inschatting gemaakt van hoeveel extra middelen er nodig zouden
zijn om de positie van deze sector nog verder te versterken.
Dat laatste geldt ook voor het quantumcluster, dat ook aangemerkt is als prioritaire
technologie binnen de NTS. Beleidsmatig liggen op dit terrein wel aanvullende kansen,
bijvoorbeeld rond Quantum Key Distribution (QKD), dat ziet op veilige sleuteluitwisseling
via satellieten die essentieel wordt voor toekomstige Europese communicatiesystemen.
Het kabinet heeft vanuit het Nationaal Groeifonds in totaal € 615 miljoen beschikbaar
gesteld voor QuantumDeltaNL,37 waarbinnen onder meer toepassingen als QKD worden ontwikkeld.
Toezegging instellen minimale vergunningsduur voor ambulante handelaren
Tijdens het tweeminutendebat MKB op 3 december 2025 heb ik aan mevrouw van Meetelen
(PVV) toegezegd om constructief te kijken naar het mogelijk instellen van een landelijke
minimale vergunningsduur voor ambulante handelaren. Na onderzoek is geconcludeerd
dat een dergelijke maatregel niet haalbaar is. Het is namelijk volledig aan de gemeenten
om een gepaste vergunningsduur te bepalen. Zoals reeds uiteengezet in de Kamerbrief
van 2 juni 202538 biedt het geactualiseerde SEO Onderzoek naar de terugverdientijd in de ambulante
handel een kader om een gepaste vergunningsduur te bepalen. In 2030 zal dit onderzoek
opnieuw geactualiseerd worden. Hiermee beschouw ik deze toezegging als afgedaan.
Motie Hagen – publiekscampagne over wettelijke garantierecht
De motie van Kamerlid Hagen39 verzocht de regering om een publiekscampagne te laten starten om consumenten te wijzen
op hun wettelijke garantierecht. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is in september
2025 een voorlichtingscampagne over garantie gestart.40 Hiermee is invulling gegeven aan deze motie. In algemene zin heeft de ACM heeft een
wettelijke taak om voorlichting te geven over de rechten en plichten van consumenten,
waar dergelijke publiekscampagnes een onderdeel van zijn.
Conclusie verkenning 50%-aanbetalingsregel bij aankopen
Lid Van Eijk (VVD) vroeg tijdens het commissiedebat armoede en schulden van 17 oktober
2024 of het kabinet bereid is om de 50%-regel bij aanbetalingen af te schaffen in
de aanpak tegen schuldenproblematiek. Deze vraag is ingegeven vanuit de zorg dat de
regel uit artikel 7:26 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) achteraf betaaldiensten
eenvoudiger beschikbaar maakt voor consumenten. Dit artikel bepaalt dat verkopers
consumenten niet mogen verplichten om meer dan 50% vooruit te betalen als consumenten
het product niet meteen geleverd krijgen, bijvoorbeeld bij onlinebestellingen en bij
aankoop van meubels. Verkopers bieden daarom verschillende betaalopties aan, waaronder
het vrijwillig volledig vooruitbetalen en het volledig achteraf betalen.
In de Kamerbrief over Buy Now, Pay Later (BNPL) van 21 januari 2025 is een verkenning
naar de 50%-regel aangekondigd.41 Deze verkenning is nu afgerond. Ik zie onvoldoende reden de 50%-regel bij aanbetalingen
te wijzigen. De 50%-regel biedt een evenwichtige balans tussen consumentenbescherming
en de belangen van verkopers. Zo kunnen verkopers om een gedeeltelijke vooruitbetaling
vragen voordat het product is geleverd. Tegelijkertijd wordt de consument deels beschermd,
bijvoorbeeld bij faillissement of wanneer een product niet is geleverd. Afschaffing
van de regel bewerkstelligt bovendien niet dat verkopers geen BNPL aanbieden.
Tijdens de verkenning is echter gebleken dat de 50%-regel onduidelijkheden bij de
toepassing kent. Webwinkels voelen zich verplicht om een BNPL-dienst aan te bieden,
onder andere vanwege onnodige onduidelijkheid of de creditkaart voldoet aan de 50%-regel.
Op basis van een rechterlijke uitspraak uit 200542 is er echter geen bezwaar om de creditkaart te gebruiken als adequaat middel om te
voldoen aan deze regel. Dit wordt bevestigd door toezichthouder ACM. Met de duidelijkheid
dat de 50%-regel geen BNPL-dienst verplicht, verwacht ik de zorgen hierover weg te
nemen.
Motie Van Dijk/Zeedijk onderzoek naar positie van sociale en kleine ondernemingen
bij aanbestedingen
Ik heb naar aanleiding van de motie van Dijk en Zeedijk43 onderzoek gedaan naar de positie van sociale en kleine ondernemingen bij aanbestedingen.
In het kader van de herziening van de Europese aanbestedingsregels heb ik gesproken
met diverse stakeholders, waaronder de VNG. Hiermee is invulling gegeven aan deze
motie. Ik zet mij in Europa in voor significante versimpeling van het aanbestedingsrecht
voor zowel gemeenten als ondernemers en extra ruimte om bij aanbestedingen aandacht
te geven aan sociale of duurzame bedrijven. Ik kijk tot slot naar nationale mogelijkheden
om de regeldruk voor aanbestedingen onder de Europese aanbestedingsdrempel te verlagen.
Motie Van Eijck/Vermeer verzoek tot ACM-onderzoek naar prijsvorming van benzine en
diesel
Ik heb naar aanleiding van de motie van Kamerleden Van Eijk/Vermeer44 de ACM onlangs verzocht om te overwegen een onderzoek te doen naar de prijsvorming
van benzine en diesel. De ACM gaf aan dat ze recent nog onderzoek heeft gedaan naar
deze markt45 en dat zij momenteel geen aanleiding ziet om hier een nieuw onderzoek naar te starten.
Het is aan de ACM als onafhankelijke toezichthouder om te bepalen waar zij haar onderzoekscapaciteit
op inzet. Ik heb hierbij de motie uitgevoerd.
Toezegging aan lid Postma in het commissiedebat «Staat van de Economie» d.d. 2 juli
2025 om schriftelijk terug te komen op de vraag hoe subsidiepotjes juridisch bindend
te maken zijn
Lid Postma zocht in het commissiedebat naar een manier om meerjarig stabiliteit te
creëren voor subsidieregelingen. Zoals ik in het debat heb aangegeven is het onomstreden
dat de overheid zijn afspraken nakomt. Dat betekent dat op gepubliceerde subsidieplafonds
vertrouwd kan worden, en dat afgegeven beschikkingen leiden tot uitbetaling. Echter,
zoals ik ook reeds aangaf in het debat, hebben wij in onze begrotingssystematiek ervoor
gekozen dat begrotingen per kalenderjaar worden vastgesteld door het parlement. Dit
zorgt voor een mate van flexibiliteit in de (Rijks)begroting die nodig is om in te
kunnen spelen op ontwikkelingen, zowel door integrale besluitvorming van het kabinet
als door de mogelijkheid van het parlement om middels het budgetrecht wijzigingen
aan te brengen in de begroting. Deze keuze maakt dat het onwenselijk is en niet in
overeenstemming met het budgetrecht om subsidieregelingen met plafonds voor meerdere
jaren te publiceren.
Motie Inge van Dijk en Vijlbrief46 over de financiële claims in kaart brengen van de plannen voor het toekomstig verdienvermogen
van Nederland
Verschillende in de motie genoemde stukken, zoals het 3%-R&D-actieplan47, voortgang halfgeleiderindustrie48 en ruimtevaart49, zijn inmiddels gepubliceerd en (op onderdelen) behandeld in uw Kamer. In de brieven
worden de vragen uit de motie beantwoord. Ik beschouw deze motie daarmee als afgedaan.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans
Indieners
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken