Brief regering : Fiche: herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie op het niveau van de Unie
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4231
AAN DE VOORZITTER VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL
Den Haag, 16 januari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vijf fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Europees Aanvullend Pensioenpakket (IORP II, PEPP) (Kamerstuk 22 112, nr. 4230).
Fiche: Herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie
op het niveau van de Unie.
Fiche: Verordening Europese Business Wallet (Kamerstuk 22 112, nr. 4232).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie
op het niveau van de Unie
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Verordening van de raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende
de toegang van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor
fraudebestrijding (OLAF) tot gegevens over de belasting over de toegevoegde waarde
op het niveau van de Unie
b) Datum ontvangst Commissiedocument
14 november 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 685
d) EUR-lex
eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025PC0685
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Economische en Financiële zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Financiën
h) Rechtsbasis
Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Eenparigheid
j) Rol Europees Parlement
Raadpleging
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Dit voorstel wijzigt Verordening (EU) nr. 904/2010 door het Europees Openbaar Ministerie
(EOM) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) toegang te geven tot btw-informatie
aangaande intracommunautaire handel tussen ondernemers, grensoverschrijdende betalingen
en van btw vrijgestelde invoer die tussen lidstaten op Unieniveau wordt uitgewisseld.
Dit heeft tot doel de doeltreffendheid en snelheid van opsporing en vervolging van
grensoverschrijdende btw-fraude te vergroten.
De gederfde btw-inkomsten in de EU als gevolg van intracommunautaire ploffraude (MTIC
– «missing trader intra-community» fraude) wordt tussen 2010 en 2023 door de Europese Commissie (Commissie) geraamd
op een bedrag tussen de 12,5 en 32,8 miljard EUR per jaar.1 In 2023 spoorde Eurofisc frauduleuze MTIC-transacties op voor een bedrag van 12,7
miljard EUR, wat ongeveer 2,5 miljard EUR aan gederfde btw-inkomsten betreft. Door
het grote verschil tussen het bedrag dat Eurofisc op heeft gespoord en de inschatting
van de totale gederfde btw-inkomsten, lijkt het erop dat de actoren die betrokken
zijn bij de bestrijding van btw-fraude op EU-niveau doeltreffender kunnen handelen.
Het EOM is bevoegd voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten betreffende
grensoverschrijdende btw-fraude met een totale schade van tenminste 10 miljoen euro
aan btw. Het EOM heeft hiervoor toegang tot informatie die is opgeslagen in databanken
van rechtshandhavingsinstanties en registers van andere nationale overheidsinstanties
onder dezelfde voorwaarden als die welke krachtens het nationale recht van toepassing
zijn, en databanken en registers van instellingen, organen en instanties van de EU.
Verordening (EU) nr. 904/2010 bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar het EOM. Hierdoor
heeft het EOM momenteel alleen via de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toegang
tot de informatie uit de IT-systemen zoals gedefinieerd in verordening (EU) nr. 904/2010.
Deze werkwijze kan ertoe leiden dat het EOM niet in staat is onderzoeken met de vereiste
snelheid en doeltreffendheid uit te voeren.
OLAF is bevoegd voor bestrijding van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteiten
waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad. Dit kan volgens
het Hof van Justitie ook betrekking hebben op de afdracht eigen middelen, zijnde een
uniform percentage van de btw-grondslag van een lidstaat.2 OLAF heeft voor deze bevoegdheid krachtens de OLAF-Verordening3 toegang tot alle relevante informatie van de lidstaten afzonderlijk.
OLAF heeft geen toegang tot de IT-systemen zoals gedefinieerd in de Verordening (EU)
nr. 904/2010. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen OLAF wel relevante inlichtingen
uit het Eurofisc-netwerk verstrekken overeenkomstig de voorwaarden van Verordening
(EU) nr. 904/2010.
Het voorstel verplicht Eurofisc-werkterreincoördinatoren om elke aanwijzing van een
vermoeden van fraude op basis van de tussen de lidstaten uitgewisselde informatie
over grensoverschrijdende btw-fraude uit eigen beweging aan het EOM en OLAF te melden.
Ook moeten Eurofisc-werkterreincoördinatoren op verzoek alle informatie verstrekken
aan het EOM en OLAF die respectievelijk relevant is tijdens de onderzoeken van het
EOM naar btw-fraude of binnen het mandaat van OLAF, tenzij dit door het nationale
recht wordt verhinderd of de informatie afkomstig is van Europol.
Daarnaast moeten lidstaten het EOM en OLAF gecentraliseerde toegang verlenen tot btw-relevante
informatie via de EU IT-systemen voor gerichte zoekopdrachten. Het betreft informatie
over a) btw-identificatienummers en intracommunautaire transacties uit het VAT Information Exchange System (VIES), b) relevante inlichtingen over van btw vrijgestelde invoer, met betrekking
tot invoer onder de invoerregeling en douaneregeling 42/63 uit het Surveillance-systeem,
en c) betalingsinlichtingen uit het CESOP. De toegang wordt verleend aan specifieke
medewerkers van het EOM en OLAF die beschikken over een persoonlijke gebruikersidentificatie.
Deze medewerkers krijgen alleen toegang onder toezicht van Eurofisc-verbindingsambtenaren.
Dit zijn nationale fraudespecialisten. De toegang heeft betrekking op specifieke informatie
en omvat niet de toegang tot de risico-indicatoren en processen die door de Eurofisc-verbindingsambtenaren
worden toegepast. De toegang is beperkt tot gerichte zoekopdrachten op basis van specifieke
gegevenscategorieën. De invulling van deze gerichte zoekopdrachten wordt tezamen met
andere technische en praktische aspecten (zoals toegangsbeheer, beveiliging, logregistratie,
categorisering van gegevens) verder uitgewerkt in een uitvoeringshandeling van de
Commissie.
b) Impact assessment Commissie
Voor dit voorstel ontbreekt een impact assessment. Volgens de Commissie is geen effectbeoordeling
uitgevoerd om te zorgen voor samenhang tussen de EOM-verordening4, de OLAF-verordening en Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad. Het kabinet betreurt
dit en hecht er waarde aan dat voorstellen gepaard gaan met een degelijke impact assessment.
Dit mag ook verwacht worden op grond van de «Agenda voor betere regelgeving» van de
Commissie.5 Het voorstel geeft onder de kop «Effectbeoordeling» aan dat het ontbreken van coördinatie
op EU-niveau wat betreft aan btw-fraude gerelateerde informatie-uitwisseling leidt
tot versnipperde informatie, wat een beperkt beeld geeft van de bredere EU-fraude.
Het voorstel moet hier verandering in brengen. Het EOM en OLAF toegang geven tot de
informatie uit het VIES en Eurofisc-netwerk is volgens de effectbeoordeling van essentieel
belang om respectievelijk strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en btw-fraudenetwerken
doeltreffend te ontmantelen, en om doeltreffende btw-samenwerking te versterken. Wijziging
van de Verordening (EU) nr. 904/2010 is volgens de effectbeoordeling het enige haalbare
beleid om het EOM en OLAF toegang te geven tot btw-informatie op EU-niveau. Volgens
de effectbeoordeling zijn de gevolgen voor de begroting verwaarloosbaar, aangezien
toegang zou worden verleend via de bestaande IT-infrastructuur. Er zijn geen gevolgen
voor burgers of bedrijven.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het kabinet is voorstander van maatregelen die btw-fraude effectief en gericht bestrijden,
mits dit niet leidt tot onnodige stijging van administratieve- en uitvoeringlasten
voor het bedrijfsleven en de nationale instanties. Ook erkent het kabinet het belang
van Europese samenwerking om fraude effectiever te kunnen bestrijden en de rol die
het EOM en OLAF daarbij kunnen vervullen.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt het voorstel, omdat het zich richt op het verbeteren van de
bestrijding van intracommunautaire btw-fraude. Het kabinet is van mening dat het EOM
en OLAF hun werk naar behoren moeten kunnen uitvoeren. Het kabinet vraagt zich wel
af of de maatregelen uit het voorstel het gewenste effect hebben en niet verder gaan
dan nodig. Vandaar dat het kabinet meent dat er een aantal aandachtspunten zijn.
Het kabinet heeft begrip voor de wens van het EOM en OLAF dat Eurofisc-werkterreincoördinatoren
op verzoek van het EOM en OLAF of uit eigen beweging informatie uitwisselen over mogelijke
grensoverschrijdende btw-fraude. De uitwisseling van deze informatie vindt nu ook
al plaats tussen het EOM en OLAF en de nationale autoriteiten (onder meer via Eurofisc-verbindingsambtenaren)
waar het past binnen het mandaat van het EOM en OLAF. In de praktijk hebben de Nederlandse
Eurofisc-verbindingsambtenaren voornamelijk contact met het EOM. Dat contact verloopt
soepel. Er is sprake van actieve en snelle samenwerking om intracommunautaire btw-fraude
op te sporen en te vervolgen. Bij de informatie-uitwisseling met het EOM kijken lidstaten
welke informatie geschikt is om te delen. Niet ieder op zichzelf staand signaal geeft
aanleiding tot het starten van een onderzoek door de Nederlandse autoriteiten of het
delen van informatie met het EOM. De risicoanalyses van Eurofisc-verbindingsambtenaren
zijn in beginsel gericht op het detecteren van signalen die mogelijk duiden op fraude.
Indien er op basis van de analyse reeds sprake is van een redelijk vermoeden van btw-fraude
beoordelen ze of hier opvolging aan moet worden gegeven. Veelal geven signalen echter
nog onvoldoende aanleiding tot een redelijk vermoeden en wordt het signaal – na analyse
– uitgezet bij de Belastingdienst. Volgens het voorstel moet iedere aanwijzing van
een vermoeden van btw-fraude uit het Eurofisc-netwerk uit eigen beweging met het EOM
en OLAF worden gedeeld door Eurofisc-werkterreincoördinatoren. Daarnaast moeten de
Eurofisc-werkterreincoördinatoren op verzoek van het EOM en OLAF alle op grond van
Verordening (EU) 904/2010 verstrekte of verzamelde informatie van de lidstaten over
grensoverschrijdende btw-fraude delen. Dit kan ervoor zorgen dat Eurofisc-werkterreincoördinatoren al in een vroeg stadium informatie moeten delen.
Het kabinet vraagt zich af of de verplichting om gevoelig informatie over belastingplichtigen
uit eigen beweging of op verzoek te delen niet te ruim is voor het naar behoren uitvoeren
van de taken van het EOM en OLAF. Het kabinet zal daarom vragen om verduidelijking
van de informatie die door Eurofisc-werkterreincoördinatoren met het EOM en OLAF gedeeld
moeten worden. In dat kader maakt het kabinet een onderscheid tussen het uit eigen
beweging en op verzoek delen van informatie over belastingplichtigen. Het uit eigen
beweging delen van informatie ziet op «iedere aanwijzing van een vermoeden». Het is
niet duidelijk wat deze term precies inhoudt, maar het lijkt verder te gaan dan het
«redelijke vermoeden»6 dat de Belastingdienst nu gebruikt om te bepalen of er sprake is van een strafbaar
feit ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen. Een uniforme
uitleg van een «aanwijzing van een vermoeden» kan voorkomen dat signalen verkeerd
worden geïnterpreteerd. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat er geen overbodige
informatie, informatie in een te vroeg stadium met het EOM en OLAF of buiten de sfeer
van hun mandaat gedeeld wordt. De voorkeur van het kabinet gaat daarom uit naar het
alleen op verzoek delen van informatie met het EOM en OLAF. Daarbij onderstreept het
kabinet het belang van de beginselen van dataminimalisatie, opslagbeperking en doelbinding
uit artikel 5 van Verordening (EU) nr. 679/2016. Ook zal het kabinet vragen naar de
samenloop van de werkzaamheden van de nationale autoriteiten en het EOM en OLAF. Het
kabinet zet erop in dat de Nederlandse autoriteiten in staat blijven om hun werkzaamheden
met betrekking tot de opsporing van btw-fraude zoveel mogelijk naar behoren kunnen
blijven uitoefenen, zeker buiten de gevallen waarin het EOM een strafrechtelijk onderzoek
is gestart.
Tot slot zal het kabinet om meer duidelijkheid vragen over de rol van de Eurofisc-werkterreincoördinatoren
die de informatie uit eigen beweging of op verzoek met het EOM en OLAF moeten uitwisselen.
Eurofisc is een netwerk van Eurofisc-verbindingsambtenaren van alle lidstaten. Binnen
het netwerk worden signalen uitgewisseld om elkaar te waarschuwen over mogelijke btw-fraude.
Binnen dit netwerk zijn werkterreinen gevormd die zich richten op een specifiek aandachtsgebied.
De deelnemers van een werkterrein kiezen uit hun midden een werkterreincoördinator.
Deze coördinator heeft geen bevoegdheid om zonder instemming van de deelnemers te
handelen. De Eurofisc-werkterreincoördinator zal de deling van informatie met het
EOM en OLAF eerst met de in de werkterrein deelnemende lidstaten moeten afstemmen.
Het kabinet is benieuwd hoe dit in de praktijk zal werken, met name ten aanzien van
de snelheid, efficiëntie en impact op de uitvoeringsgevolgen voor de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren.
Het kabinet realiseert zich dat het EOM en OLAF hun werkzaamheden, specifiek het onderzoeken
van strafbare feiten zoals gedefinieerd in artikel 22 en 25 van de EOM-verordening
en het openen en uitvoeren van onderzoeken in overeenstemming met de taken van OLAF,
mogelijk beter kunnen uitvoeren wanneer zij gecentraliseerde toegang krijgen tot bepaalde
Europese databanken en registers met btw-relevante informatie. Wel spelen hier veel
van dezelfde zorgen als bij de informatie-uitwisseling door Eurofisc-werkterreincoördinatoren
met het EOM en OLAF. Het is onduidelijk hoe beperkt de gerichte zoekopdrachten op
basis van specifieke gegevenscategorieën zijn, wie er precies toegang krijgen en hoe
het toezicht door nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren zal plaatsvinden. Gezien
het feit dat in de Europese databanken en registers een grote hoeveelheid gevoelige
informatie van belastingplichtigen zit, waarvan het overgrote deel bonafide is, moet
hier voorzichtig mee worden omgegaan. Het kabinet zal zich inzetten voor toegang die
niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de werkzaamheden van het EOM en OLAF
naar behoren uit te voeren. Daarbij heeft het kabinet oog voor de dataveiligheid.
Daarnaast moeten de uitvoeringslasten voor de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren
die toezicht houden behapbaar zijn, zodat de nationale fraudebestrijding hier niet
onnodig onder lijdt. Indien nodig zal het kabinet pleiten voor verduidelijking in
de Verordening (EU) 904/2010 zelf, in plaats van nadere uitwerking in de voorgestelde
uitvoeringshandeling.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
De meeste lidstaten en het Europees Parlement (EP) staan naar verwachting over het
algemeen positief tegenover maatregelen die het mogelijk maken om btw-fraude beter
te kunnen bestrijden. Drie lidstaten nemen momenteel niet deel aan het EOM. Het is
niet duidelijk hoe deze lidstaten kijken naar de nieuwe bevoegdheden van en intensievere
samenwerking met het EOM, aangezien deze nieuwe bevoegdheden ook op hen van invloed
zullen zijn.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel
is gebaseerd op artikel 113 VWEU. Artikel 113 VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot
het opstellen van bepalingen die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen
inzake omzetbelasting, accijnzen en andere indirecte belastingen, voor zover deze
harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt te
bewerkstelligen en concurrentieverstoringen te voorkomen. Het kabinet kan zich vinden
in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van de interne markt is sprake van een gedeelde
bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op grond van artikel 4, lid 2, onder a VWEU.
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit
is positief. Het voorstel heeft tot doel de toegang van het EOM en OLAF tot gegevens
over de btw die op EU-niveau worden uitgewisseld, te verduidelijken. Daartoe beoogt
het voorstel samenhang te brengen tussen Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad, Verordening
(EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EU) nr. 904/2010. Het achterliggende doel
hiervan is de bestrijding van fraude, corruptie en enige andere onwettige activiteit
waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad. Gezien het grensoverschrijdende
karakter van de btw-fraude kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal
of lokaal niveau worden verwezenlijkt en is een EU-aanpak nodig. Door het wijzigen
van de Verordening (EU) nr. 904/2010 krijgen het EOM en OLAF meer effectieve mogelijkheden
om binnen hun bevoegdheden op te treden tegen grensoverschrijdende btw-fraude. Om
die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief, met
kanttekeningen en aandachtspunten. De verordening heeft tot doel de toegang van het
EOM en OLAF tot gegevens over de btw die op EU-niveau worden uitgewisseld, te verduidelijken.
Daartoe beoogt het voorstel samenhang te brengen tussen Verordening (EU) 2017/1939
van de Raad, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EU) nr. 904/2010.
Het beschreven probleem is de ervaring dat bilaterale informatie-uitwisseling tussen
de nationale autoriteiten en OLAF en EOM traag en inefficiënt verloopt en daarmee
kan het achterliggende doel, de bestrijding van fraude, corruptie en enige andere
onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, minder
goed worden bereikt. Het voorgestelde optreden kan geschikt zijn om deze doelstelling
te bereiken, omdat door de wijziging van Verordening (EU) 904/2010 het EOM en OLAF
toegang krijgen tot bepaalde btw-informatie die tussen lidstaten op EU niveau wordt
uitgewisseld.
Het kabinet plaatst twee kanttekeningen bij het voorstel. Het kabinet merkt op dat
het voorstel mogelijk verder gaat dan nodig is. Allereerst is het nog niet precies
duidelijk welke informatie Eurofisc-werkterreincoördinatoren uit eigen beweging of
op verzoek met het EOM en OLAF moeten delen. Er staat in het voorstel dat het bij
het uit eigen beweging delen van informatie gaat om «elke aanwijzing van een vermoeden».
De term «aanwijzing» zou zeer breed geïnterpreteerd kunnen worden waardoor mogelijk
onnodig veel informatie wordt uitgewisseld. Het kabinet meent dat als voorwaarde voor
toegang duidelijke aansluiting bij de bevoegdheid van het EOM en OLAF moet gelden.
Daarnaast is nog niet duidelijk hoe de gerichte zoekopdrachten op basis van specifieke
gegevenscategorieën in de Europese databanken en registers eruitzien. Ook hier zal
een te brede interpretatie ervoor kunnen zorgen dat er onnodig veel informatie wordt
uitgewisseld. Gezien het feit dat het gaat om gevoelige informatie van belastingplichtigen,
die voor het overgrote deel bonafide zijn, dient hier voorzichtig mee te worden omgegaan.
Ingeval de informatie-uitwisseling verder zou gaan dan een strikte uitlegging van
de bevoegdheid van het EOM en OLAF staat het voorstel mogelijk op gespannen voet met
diverse grondrechten, zoals gewaarborgd in het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie. Het betreft onder meer de eerbiediging van het privéleven en het familie-
en gezinsleven (artikel 7) en de bescherming van persoonsgegevens (artikel 8). Pas
wanneer er meer duidelijkheid is gegeven over deze elementen kan een volledig oordeel
worden gegeven over de proportionaliteit.
Een aandachtspunt ziet bovendien op het ontbreken van een onderbouwing, conform artikel
52 van het Handvest, waarom de voorgestelde maatregelen noodzakelijk en evenredig
zijn ten aanzien van de geschetste probleemstelling en doelstellingen. Het kabinet
constateert dat de Commissie in haar voorstel geen alternatieven heeft overwogen,
zoals het verbeteren van bestaande samenwerkingsprocedures tussen de lidstaten, Eurofisc,
het EOM en OLAF. Hier wreekt zich ook het ontbreken van een impact assessment.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
De Commissie verwacht onder het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) 3,8 miljoen
euro aan uitvoeringskosten, te financieren binnen EU-programma Fiscalis. Deze uitgaven
worden gefinancierd binnen een bestaand budget. Volgens het voorstel zijn er geen
financiële gevolgen voor de ontvangsten.
Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze
moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor Rijksoverheid en/of medeoverheden
Het kabinet kan op dit moment de financiële consequenties voor Nederland niet volledig
inschatten, aangezien de reikwijdte van het voorstel en daarmee de impact op Nederlandse
autoriteiten nog onvoldoende in kaart zijn gebracht. Daarbij merkt het kabinet op
dat reeds is vastgesteld dat de voorgestelde uitbreiding van de effectieve mogelijkheden
tot uitoefening door het EOM en OLAF van hun bevoegdheden een aanvullende personele
en operationele inzet van Nederlandse instanties kan vereisen, met name ten aanzien
van het toezicht op de gegevensstromen en de begeleiding en ondersteuning bij zoekopdrachten
in Europese databanken en registers. Als die benodigde capaciteit niet wordt gerealiseerd,
kan dit de binnenlandse prioritering bij de Nederlandse autoriteiten beïnvloeden,
tenzij aanvullende middelen beschikbaar worden gesteld. Dit heeft mogelijk gevolgen
voor de aanpak van Nederlandse btw-fraudebestrijding en opbrengsten die daaruit volgen.
Ook de potentiële opbrengsten ingeval er als gevolg van het voorstel sprake is van
een verbetering van de EU-brede btw-fraudebestrijding zijn moeilijk in te schatten.
Indien het EOM via vervolging en veroordeling van btw-fraude misgelopen btw-opbrengsten
achterhaalt, kunnen deze btw-opbrengsten bijvoorbeeld ook terugstromen naar lidstaten
wanneer die daar aanvankelijk recht op hadden.
(Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke
departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
In de basis zijn er geen financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor
bedrijfsleven en burger. Het voorstel beperkt zich immers tot extra informatie-uitwisseling
tussen Europese en nationale instanties. Voor het voorstel is geen impact assessment
gemaakt waardoor de financiële consequenties voor regeldruk voor het bedrijfsleven
en burger niet in kaart zijn gebracht.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het achterliggende doel van het voorstel is de bestrijding van btw-fraude, corruptie
en enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de EU worden
geschaad. Dit zal bijdragen aan het bewerkstelligen van een financieel sterkere EU
en betrouwbaardere handelspartner.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Het voorstel betreft de wijziging van een verordening en hoeft niet in nationale wetgeving
geïmplementeerd te worden.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel bevat een bevoegdheid voor de Commissie om uitvoeringshandelingen vast
te stellen (artikel 1 punt 5). Dit betreft de bevoegdheid om technische en praktische
aspecten (zoals invulling gerichte zoekopdrachten, toegangsbeheer, beveiliging, logregistratie,
categorisering van gegevens) van de gecentraliseerde toegang tot bepaalde EU IT-systemen
vast te stellen. Het toekennen van deze bevoegdheden is, onder voorbehoud van twee
aspecten, wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling
betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wel wenselijk, omdat de
uitvoeringshandeling dient om de Commissie flexibiliteit te geven. De keuze voor uitvoering
i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat hiermee wordt gewaarborgd dat de verordening
volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd en op deze manier btw-fraude EU breed
op dezelfde manier wordt aangepakt. De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens
de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011. Toepassing
van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats omdat uitvoeringshandelingen
die zien op belastingheffing conform artikel 2, lid 2, sub b, onder v, van verordening
182/2011 met name via de onderzoeksprocedure worden vastgesteld.
Het kabinet plaatst een voorbehoud bij het in de uitvoeringshandeling opnemen van
de praktische regelingen voor het toezicht door de Eurofisc-verbindingsambtenaren
en de lijst van gegevenscategorieën waarmee de gerichte zoekopdrachten kunnen worden
uitgevoerd, omdat het essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Het betreft
respectievelijk de werkwijze die Eurofisc-verbindingsambtenaren moeten volgen en gevoelige
informatie over belastingplichtigen. De verordening moet zelf duidelijk maken hoe
het toezicht door de Eurofisc-verbindingsambtenaren moet worden ingevuld, zodat een goed oordeel kan worden gegeven over de
werklast en haalbaarheid daarvan. Daarnaast moeten de gegevenscategorieën waarmee
de gerichte zoekopdrachten kunnen worden uitgevoerd kenbaar zijn, zodat duidelijk
is dat deze niet niet verder gaan dan strikt noodzakelijk.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking
ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel 1, punten 1), 2), 4) en 5) en is van toepassing met ingang van 1 september
2026. Artikel 1, punt 3), is van toepassing met ingang van 1 juli 2030. Deze data
zijn volgens het kabinet haalbaar.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Er is geen evaluatie- en/of horizonbepaling opgenomen in het voorstel tot wijziging
van de verordening. De voorgestelde wijzigingen worden gemonitord onder de evaluatiebepaling
die al in de verordening staat.
e) Constitutionele toets
De Commissie erkent in haar voorstel expliciet dat de verwerking van btw-informatie
door het EOM en OLAF valt onder het toepassingsbereik van de AVG en dat moet worden
voldaan aan de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In het voorstel worden waarborgen uit de EOM-verordening en de OLAF-verordening uitdrukkelijk
genoemd, waaronder onafhankelijk toezicht door de EDPS, beperking van toegang tot
geautoriseerd personeel en de verplichting om uitsluitend gerichte zoekopdrachten
uit te voeren. Tevens wordt aangegeven dat toegang tot btw-informatie noodzakelijk
en evenredig is in het licht van het algemeen Europees belang, te weten een doeltreffende
bestrijding van btw-fraude op EU-niveau.
Het kabinet onderschrijft het belang van de bescherming van grondrechten en waardeert
dat de Commissie hieraan eveneens aandacht schenkt. Niettemin plaatst het kabinet
kanttekeningen bij het voorstel, gezien het feit dat de regeling voorziet in een grootschalige
beschikbaarstelling van gevoelige gegevens van belastingplichtigen. Het kabinet vindt
het zorgelijk dat de Commissie heeft nagelaten om mogelijke alternatieven voor deze
maatregel te overwegen. Een degelijke impact assessment en expliciete analyse van
alternatieve scenario’s – zoals het verbeteren van bestaande samenwerkingsprocedures
tussen nationale autoriteiten, Eurofisc, het EOM en OLAF – ontbreekt. Conform de vereisten
uit het Handvest (artikel 52), zou gemotiveerd moeten worden waarom het gekozen instrument
noodzakelijk is en waarom minder vergaande alternatieven niet volstaan. Daarnaast
is de invulling van de waarborgen, zoals de exacte afbakening van toegang en het toezicht
op de gegevensverwerking, nog niet concreet uitgewerkt. Het kabinet zal daarom de
Commissie aandringen te motiveren waarom de gekozen route inderdaad de meest passende
en evenredige is.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
a) Uitvoerbaarheid
De uitvoering van het voorstel komt in Nederland te liggen bij de Belastingdienst,
specifiek bij de Nederlandse Eurofisc-verbindingsambternaren. Het volledig in kaart brengen van de administratieve- en uitvoeringsgevolgen
is nu niet mogelijk, omdat dit afhankelijk zal zijn van de precieze invulling van
bepaalde aspecten van het voorstel. De Eurofisc-verbindingsambtenaren moeten toezicht
houden op de gegevensstromen en zoekopdrachten in Europese databanken en registers
door het EOM en OLAF. Het is niet bekend hoe vaak deze zoekopdrachten zullen plaatsvinden
en hoe lang deze duren. In principe leidt iedere vorm van toezicht tot extra werkzaamheden.
b) Handhaafbaarheid
De handhaving van het voorstel ziet op dezelfde aspecten als hierboven beschreven
onder de Uitvoerbaarheid. Het volledig in kaart brengen van de gevolgen is nu niet
mogelijk, omdat dit afhankelijk zal zijn van de precieze invulling van bepaalde aspecten
van het voorstel.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor
derde landen in het algemeen zoals aangegeven onder onderdeel 5d.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.