Brief regering : Kabinetsreactie op het advies van de Commissie van Advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken: Bijzondere rechtsgevolgen van een regel van dwingend internationaal recht (nr. 51)
36 800 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
Nr. 36 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 januari 2026
Graag bied ik u hierbij de kabinetsreactie aan op het advies van de Commissie van
advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV): Bijzondere rechtsgevolgen van
een regel van dwingend internationaal recht (nr. 51). De CAVV heeft dit advies op
mijn verzoek uitgebracht, in het kader van het onderzoek naar het juridische instrumentarium
in reactie op de voortdurende agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne.
Het advies van 3 oktober 2025 is als bijlage gevoegd.
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Kabinetsreactie op het CAVV advies «Bijzondere rechtsgevolgen van een regel van dwingend
internationaal recht».
Op 3 oktober 2025 bood de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
(CAVV) mij haar advies Bijzondere rechtsgevolgen van een regel van dwingend internationaal recht (bijlage 1) aan.1 Met waardering heeft de regering kennis genomen van dit advies, dat de CAVV op mijn
verzoek heeft uitgebracht.
In dit advies gaat de CAVV in op de vraag of er een rechtsontwikkeling is of zou moeten
zijn die leidt tot het bestaan van bijzondere rechtsgevolgen van een ernstige schending
van een regel van dwingend internationaal recht, in aanvulling op de al bestaande
rechtsgevolgen van een dergelijke schending. Het bestaan van zulke rechtsgevolgen
zou een instrument kunnen bieden om nadere maatregelen te nemen tegen de Russische
Federatie in antwoord op haar voortdurende agressie tegen Oekraïne. In het bijzonder
het opheffen van immuniteit als een bijzonder rechtsgevolg zou meer mogelijkheden
kunnen bieden om de bevroren tegoeden van de Russische Centrale Bank in te zetten.
Na een uiteenzetting van het bestaande internationaal recht alsmede van enkele regels
over de totstandkoming van internationaal recht presenteert de CAVV een aantal vaststellingen
en aanbevelingen. Het kabinet is de CAVV erkentelijk hiervoor, en kan de uitkomsten
volgen, gegeven de door de CAVV gepresenteerde analyse. Ook bieden de vaststellingen
en aanbevelingen mogelijkheden tot nadere uitwerking.
De beantwoording van de voorliggende vraag wordt weergegeven in vaststellingen 3 en
4. In vaststelling 3 geeft de CAVV aan dat, volgens de CAVV, het opheffen van immuniteit
op dit moment onder internationaal recht geen bijzonder rechtsgevolg is van een ernstige
schending van een regel van dwingend internationaal recht. Het Kabinet kan deze conclusie
volgen.
Vaststelling 4 geeft vervolgens antwoord op de vraag of een rechtsontwikkeling wenselijk
is die opheffen van immuniteit mogelijk maakt in geval van een ernstige schending
van een regel van dwingend internationaal recht. De CAVV beantwoordt deze vraag ontkennend.
Zij geeft daarvoor zes redenen. Deze komen in wezen neer op de vaststelling dat staatsimmuniteit
van groot belang is, ook voor de bescherming van Nederlandse eigendommen in het buitenland,
en dat staten vooralsnog geen bereidheid tonen in hun praktijk hiervan te willen afwijken,
ook niet in geval van ernstige schendingen van regels van dwingend internationaal
recht. De CAVV merkt in dit kader ook op dat het opheffen van immuniteit gezien kan
worden als een additionele vorm van eigenrichting en dat maatregelen die het opheffen
van de immuniteit van staatseigendommen van «bevriende» staten het buitenlands beleid
van Nederland kan compliceren. Daarnaast stelt de CAVV vast dat niet alleen vaststaat
welke regels de status van dwingend internationaal recht hebben, maar ook dat het
bereik en de inhoud van een aantal regels van dwingend internationaal recht nog niet
zijn uitgekristalliseerd.
Hoewel het Kabinet de redenering van de CAVV kan volgen, en de belangen die de CAVV
schetst erkent, plaats het enkele kanttekeningen bij de conceptuele onderbouwing van
de analyse. De CAVV is niet ingegaan op het onderliggende belang bij het handhaven
van regels van dwingend internationaal recht. De CAVV merkt, terecht, op dat de vraag
naar immuniteit procedureel van aard is, terwijl de vraag naar de schending van regels
van dwingend recht materieel van aard is en vragen van rechtmatigheid of onrechtmatigheid
opwerpen.
Ook tekent het kabinet aan dat het feit dat niet compleet duidelijk is welke regels
het dwingend internationaal recht omvat geen reden is om geen bijzondere rechtsgevolgen
te verbinden aan een schending van een regel die zonder enige twijfel een regel van
dwingend recht is, namelijk het verbod op agressie. Van een aantal andere regels is
ook evident dat zij tot het dwingend internationaal recht behoren, en deze hadden
dan ook als uitgangspunt voor het advies kunnen dienen. De vraag of een regel wel
of niet tot het dwingend internationaal recht behoort, en hoe een regel van dwingend
internationaal recht tot stand komt, is naar de opvatting van het Kabinet niet relevant
voor de vraag naar de rechtsgevolgen van een ernstige schending van een regel van
dwingend internationaal recht.
Over de overige vaststellingen en aanbevelingen merkt het Kabinet het volgende op.
De vaststellingen 1 en 2 bevatten de beschrijvingen van bestaand internationaal recht.
Deze deelt het Kabinet, in het bijzonder de in het advies opgenomen constatering dat
het bepaalde in artikel 41 van de Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid deel uit
maakt van het internationaal gewoonterecht.
Vaststellingen 6 en 7 herhalen de in een eerder advies van de CAVV, inzake Confiscatie
van eigendommen van vreemde staten (nr. 48), vervatte aanbevelingen over de mogelijkheden
voor beslaglegging op dan wel confiscatie van tegoeden van de Russische Federatie,
in het bijzonder haar Centrale Banktegoeden. Voor de Kabinetsreactie op deze aanbevelingen
verwijst het Kabinet naar zijn kabinetsreactie van 4 maart 2025 op dat advies (Kamerstukken
II, 2024–2025, 36 600 V, nr. 63, met onder nummer BZ2511471).
Vaststelling 5 gaat in op de mogelijkheid tot het sluiten van een verdrag of de vorming
van een gewoonterechtelijke norm teneinde bijzondere rechtsgevolgen, zoals de opheffing
van immuniteit in geval van ius cogens schendingen internationaalrechtelijk vast te leggen. Het kabinet zal het advies van
de CAVV onder de aandacht brengen van gelijkgezinde staten, maar merkt daarbij op
dat de CAVV zelf in vaststelling 4 aangeeft een dergelijke rechtsontwikkeling niet
wenselijk en aannemelijk te achten.
Indieners
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken