Brief regering : 1 GW subsidietender windenergie op zee in 2026
33 561 Structuurvisie Windenergie op Zee (SV WoZ)
Nr. 99 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 januari 2026
Windenergie op zee is essentieel voor het realiseren van groene groei, verduurzaming
en energieonafhankelijkheid. Er zijn tot 2040 geen alternatieven voor windenergie
op zee die tijdig en op deze schaal duurzame elektriciteit kunnen opwekken. De afgelopen
jaren zijn door verschillende kabinetten hoge ambities voor windenergie op zee gesteld
en is een omvangrijke opdracht aan TenneT verleend om de ontwikkeling van netaansluitingen
voor 23 GW windenergie op zee te realiseren. De investeringsbeslissingen van TenneT
zijn de afgelopen jaren goedgekeurd en TenneT is gestart met de realisatie en het
aangaan van de verplichtingen. Ook zijn verschillende windparken op zee gebouwd, in
aanbouw en vergund conform de Routekaart windenergie op zee. Tegelijkertijd kwam de
businesscase van windparken op zee in Nederland en in omringende landen sterk onder
druk en komen tenders voor windenergie op zee zonder overheidsinvesteringen niet meer
tot stand. Daarom heeft het kabinet het Actieplan windenergie op zee (hierna: het
Actieplan) in september jl. aan de Kamer aangeboden met maatregelen op het gebied
van aanbodstimulering (het stimuleren van de bouw van windparken op zee) en vraagstimulering
(het stimuleren van de ontwikkeling van de elektriciteitsvraag).
Het kabinet wil hiermee voorkomen dat de ontwikkeling van windenergie op zee stilvalt
dat nadelig zal zijn voor het behalen van de klimaatdoelstellingen, vergroten van
de energieonafhankelijkheid en negatieve gevolgen heeft voor de economie. Ook wil
het kabinet hoge maatschappelijke kosten die voortvloeien uit eerder goedgekeurde
investeringsbeslissingen van TenneT zoveel mogelijk voorkomen. Daarbij heeft het kabinet
oog voor de uitdagende marktomstandigheden voor windenergie op zee, de aangegane verplichtingen
door TenneT en het achterblijvende tempo in de ontwikkeling van grootschalige vraag.
Zo kondigde het kabinet met het Actieplan aan in 2026 het uitroltempo van 4 GW naar
2 GW te verlagen. Inmiddels is gebleken dat binnen het beschikbare budget dat het
kabinet heeft vrijgemaakt geen 2 GW, maar 1 GW windenergie op zee opengesteld kan
worden met voldoende slagingskans. Om die reden kiest het kabinet ervoor nu 1 GW windenergie
op zee met subsidie open te stellen en weegt bij voorjaarsbesluitvorming integraal
de budgettaire besluitvorming voor de tweede 1 GW af.
In deze brief licht het kabinet de keuze voor 1 GW toe door in te gaan op het advies
van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de internationale context, het beschikbare
budget en het belang van een realistische doorgang van windenergie op zee. Vervolgens
worden de gevolgen van deze keuze toegelicht. Daarna komen de kavelkeuze en de vormgeving
van de tender op hoofdlijnen aan bod. In deze brief geeft het kabinet ook nadere invulling
aan de motie van het lid Thijssen over het verminderen van risico’s voor ontwikkelaars
van windparken en industriële bedrijven die willen elektrificeren en de toezeggingen
aan het lid Kröger over afstemming elektriciteitsvraag en -aanbod.1
Keuze voor 1 GW windenergie op zee met subsidie in 2026
Advies van het Planbureau van de Leefomgeving
Zoals aangekondigd in het Actieplan, heeft het PBL op aanvraag van het kabinet een
advies uitgebracht over financiële waardes voor deze subsidietender, waaronder het
maximum tenderbedrag.2 Het advies van PBL is een regulier onderdeel van de SDE++-systematiek, die ook voor
deze subsidietender wordt gevolgd. Het PBL adviseert om een maximum tenderbedrag van
€ 104/MWh te hanteren. Het PBL komt tot dit bedrag door o.a. de toegenomen kosten
voor rente, arbeid en materialen, gestegen inflatie, en gedaalde en onzekere inkomsten
uit de verkoop van elektriciteit. Ook weegt het PBL mee dat het tenderbedrag dient
te zorgen voor voldoende stimulans voor geïnteresseerde marktpartijen om een bieding
voor te bereiden. Een te laag maximum tenderbedrag kan leiden tot weinig concurrentie,
omdat tenders in andere landen dan aantrekkelijker kunnen zijn en marktpartijen zich
daarom op die projecten richten.
Door concurrentie van verschillende marktpartijen die een bieding voorbereiden en
indienen is de verwachting dat het winnende tenderbedrag lager uitvalt dan het maximum
tenderbedrag.3 Hierdoor kan de benodigde budgetreservering na openstelling van de subsidietender
alsnog lager worden. De daadwerkelijke kasuitgaven tijdens de looptijd van de subsidie
zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de elektriciteitsprijzen. Daarnaast verwacht
het PBL dat de huidige relatief hoge subsidievereisten niet het hele komende decennium
voort hoeven te duren, mits elektrificatie verder doorgang vindt. In dat geval zal
dit zich vertalen in lagere subsidie uitgaven tijdens de looptijd van de subsidie.
Het advies van PBL is onafhankelijk tot stand gekomen en is door PBL met de markt
geconsulteerd. Het kabinet volgt, zoals gebruikelijk bij de SDE++, het advies van
het PBL met daarin o.a. het geadviseerde maximum tenderbedrag van € 104/MWh. Het door
PBL geadviseerde maximum tenderbedrag van € 104/MWh is een grote stap na de subsidievrije
tenders in Nederland van de afgelopen jaren, maar vertoont zoals hieronder toegelicht
parallellen met de bedragen van tenders in het buitenland.4
Internationale context
De afgelopen periode zijn in het buitenland tenders voor windenergie op zee uitgesteld
of mislukt.5 Dit is vergelijkbaar met de mislukte tender Nederwiek I-A in Nederland.6 Om de uitrol van windenergie op zee in deze uitdagende marktomstandigheden voort
te zetten maken meerdere landen (weer) gebruik van financiële ondersteuning en prijszekerheidsmechanismes,
zoals Contract for Difference (CfD).7
De tenders in het buitenland kunnen niet een-op-een worden vergeleken met de Nederlandse
tenders. Zo verschilt per land bijvoorbeeld het prijszekerheidsmechanisme, de mate
waarin de ontwikkelaar verantwoordelijk is voor de benodigde vergunningen en onderzoeken,
of de netbeheerderverantwoordelijk is voor de aanleg van het net op zee, de opbrengsten
door de verwachte elektriciteitsprijzen en de ontwikkelkosten door o.a. de ligging
van het windpark op zee.
Recent is in Ierland een 20-jarige CfD tender van 900 MW met indexatie gewonnen met
een tenderbedrag van € 98,72/MWh.8 De tender had een maximum tenderbedrag van € 150/MWh. Net als in Nederland legt de
netbeheerder in Ierland het net op zee aan, maar zijn de condities om het windpark
op zee te ontwikkelen uitdagender en is de windparkontwikkelaar verantwoordelijk voor
het aanvragen van de benodigde vergunningen en daarbij komende onderzoeken.
In Polen zijn eind 2025 de resultaten van een tender voor drie kavels met ruim 3,4 GW
vermogen bekend gemaakt. Het gaat om een 25-jarige CfD met indexatie met drie winnende
tenderbedragen tussen de € 113–117/MWh. De netbeheerder legt het net op zee aan, maar
deze is nog in ontwikkeling.
Beschikbaar budget en geactualiseerde raming
Om windparken op zee in 2026 met subsidie te kunnen vergunnen is op de begroting van
het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) een reservering getroffen van ca.
€ 2,5 mld. Hiervoor heeft het kabinet ca. € 0,9 mld. uit het Klimaatfonds vrijgemaakt
d.m.v. ombuigingen. Aanvullend is deze reservering gedekt vanuit een kasschuif van
ca. € 1,6 mld. uit de jaren 2043 en 2044 op de structurele middelen voor de SDE++.
Op dit moment meer middelen ombuigen voor de groei van het aanbod van duurzame elektriciteit
door het subsidiëren van windparken op zee zou ten koste gaan van andere klimaat-
en energiemaatregelen die ook van grote waarde zijn voor Nederland.
Op basis van het geadviseerde maximum tenderbedrag van € 104/MWh en de langjarige
elektriciteitsprijs is een raming gemaakt van de verwachte kasuitgaven over de periode
2031–2045 en het benodigde openstellingsbudget voor deze tender. Het openstellingsbudget
dat gelijk is aan het verplichtingenbudget is vastgesteld op € 3,98 mld. Dit is het
maximaal uit te keren subsidiebedrag. Het openstellingsbudget is namelijk gebaseerd op de
maximale verplichting, dus het bedrag dat de ontvanger op basis van de beschikking
maximaal kan ontvangen. Hier is alleen sprake van bij een langjarige lage elektriciteitsprijs.
De totaal verwachte kasuitgaven bij dit openstellingsbudget zijn geraamd op ca. € 2,4 mld. De verwachte
kasuitgaven zijn lager dan het openstellingsbudget, omdat bij hogere prijzen het uit
te keren subsidiebedrag wordt gecorrigeerd voor inkomsten uit de markt voor het leveren
van elektriciteit. De verwachte kasuitgaven gaan daarom niet uit van het maximaal uit te keren bedrag, maar van het
bedrag waarvan verwacht wordt dat dit uitgekeerd wordt op basis van de meerjarige
raming van de elektriciteitsprijzen. De daadwerkelijke kasuitgaven die gedurende de looptijd van de subsidie worden gedaan, zijn onderhevig
aan de ontwikkeling van de elektriciteitsprijzen. Dit is vergelijkbaar met de SDE++-systematiek.9
Het kader Beleidskeuzes Uitgelegd (cf. Comptabiliteitswet 3.1) is als bijlage opgenomen
bij deze brief. In de eerste suppletoire begroting 2026 van het Ministerie van KGG
(samenhangend met de Voorjaarsnota) zal een begrotingswijziging worden verwerkt, zodat
het benodigde verplichtingenbudget van € 3,98 mld. in het jaar 2026 staat geraamd
(in plaats van de periode 2031–2045).
Belang en afweging van doorgang windenergie op zee
Het kabinet zet zich vol in om de ontwikkeling van windenergie op zee in 2026 niet
stil te laten vallen. Door het risicoverlagende en daarmee kostenverlagende effect
draagt een tender met subsidie, als prijszekerheidsmechanisme, bij aan realisatie
van windenergie op zee. Om in te schatten of de subsidiekosten voor windenergie op
zee bij € 104/MWh doelmatig zijn, kan een vergelijking worden gemaakt met de subsidie-intensiteit
van de SDE++. De subsidie-intensiteit komt dan uit op € 220/ton CO2. Dit valt binnen de maximale subsidie-intensiteit die voor de SDE++ geldt van € 300/ton
CO2. Dit kan lager uitvallen naarmate het winnende tenderbedrag lager is. De uiteindelijke
uitgaven tijdens de looptijd zijn vervolgens afhankelijk van de ontwikkeling van de
elektriciteitsprijzen. Ter illustratie is de gemiddelde subsidie-intensiteit van de
aanvragen in de categorieën windenergie op land in de SDE++ 2025-ronde ca. € 163/ton
CO2. Daarbij moet in acht worden genomen dat de productiekosten van windenergie op zee
t.o.v. windenergie op land hoger zijn vanwege de locatie. In deze vergelijking worden
de investeringen in het net op zee buiten beschouwing gelaten want die zijn voor de
huidige Routekaart windenergie op zee (hierna: Routekaart) al gedaan.
Het kabinet heeft overwogen om met het beschikbare budget twee tenders van 1 GW open
te stellen. Dit zou echter betekenen dat het maximum tenderbedrag significant lager
zou zijn dan het door PBL geadviseerde maximum tenderbedrag. Dit leidt tot een significant
lagere slagingskans van de beide tenders en tot het risico dat de uitrol van windenergie
op zee verder vertraagt, met daarbij horende maatschappelijke kosten voor TenneT die
terechtkomen in de nettarieven en een lager aandeel hernieuwbare elektriciteit in
ons energiesysteem.
Alles overwegende zijn de maatschappelijke baten van een 1 GW tender in 2026 hoger
dan de maatschappelijke kosten ten opzichte van het laten stilvallen van windenergie
op zee in 2026. Een tender van 1 GW in 2026 draagt bij aan meer energieonafhankelijkheid
voor Nederland, behalen van de Nederlandse klimaatdoelstellingen en het voorkomen
van additionele vertragingskosten voor TenneT. Ook wordt er perspectief geboden op
elektrificatie aan de industrie en vraagontwikkeling in andere sectoren, die bijdraagt
aan toenemende opbrengsten voor windenergie op zee. Ook voor de toeleverketen is het
van groot belang dat de uitrol niet stilvalt. Windenergie op zee biedt werkgelegenheid
in verschillende sectoren (maakindustrie, innovatie, techniek en onderhoud) waarvan
de baten doorwerken in heel de maatschappij. De ontwikkeling van windparken op zee
draagt daardoor bij aan de economie.
Gevolgen van 1 i.p.v. 2 GW windenergie op zee in 2026
De keuze voor 1 GW heeft verschillende gevolgen voor het geplande uitroltempo, de
kosten van het net op zee, de klimaatdoelstellingen, de energieonafhankelijkheid,
de industrie en de toeleveringsketen.
Uitroltempo windenergie op zee
De Routekaart beschrijft de volgorde en data waarop de verschillende windparken gerealiseerd
worden en omvat ca. 21 GW.10 Het Ontwikkelkader windenergie op zee (hierna: Ontwikkelkader) geeft TenneT opdracht
om het bijbehorende net op zee te realiseren, inclusief opleverdata. Van de ca. 21 GW
is momenteel ca. 4,7 GW gerealiseerd, ca. 1,5 GW in aanbouw en 4 GW windenergie op
zee vergund. Door de verslechterde marktomstandigheden en het achterblijven van de
verwachte stijging van de elektriciteitsvraag acht het kabinet het niet realistisch
om de planning van de Routekaart aan te houden.11 Hierdoor wijzigen de volgorde en data waarop windparken gerealiseerd moeten worden.
Het kabinet richt zich op die maatregelen die in 2026 noodzakelijk zijn om stilstand
te voorkomen en treft tegelijkertijd voorbereidingen voor meer structurele maatregelen
voor de jaren daarna. Het is aan een nieuw kabinet om een geactualiseerde Routekaart
op te stellen en de bijbehorende opdracht aan TenneT te actualiseren in het Ontwikkelkader.
Het uitroltempo van de windparken uit de Routekaart hangt af van de keuzes die een
nieuw kabinet maakt, met name het beschikbare budget voor de uitrol van windenergie
op zee.
Kosten van het net op zee
TenneT heeft, als netbeheerder op zee, de opdracht gekregen om de benodigde nieuwe
elektriciteitsinfrastructuur te realiseren («net op zee») zodat Nederland tijdig over
voldoende duurzame energie kan beschikken. Door de ontstane vertraging in de uitrol
van windenergie op zee ontstaan vertragingskosten bij TenneT.12 Bij verdere vertraging van de planning van de Routekaart lopen deze vertragingskosten
op. Extra kosten door vertraging zullen door TenneT, na toetsing door de Autoriteit
Consument en Markt (ACM), op langere termijn worden doorberekend in de nettarieven
van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Dit is zeer onwenselijk en
het kabinet wil zich inspannen om deze kosten zo veel als mogelijk te beperken.
Klimaatdoelstellingen en energieonafhankelijkheid
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) valt door de ontstane vertraging tot
nu toe in de uitrol van windenergie op zee de bijdrage van duurzame elektriciteit
aan de elektriciteitsvoorziening lager uit.13 Door verdere vertraging in de uitrol van windenergie op zee wordt het voor Nederland
naar verwachting nog lastiger om aan de wettelijke verplichtingen en de internationale
afspraken voor ons klimaatbeleid te voldoen. De daadwerkelijke impact hangt o.a. af
van de actualisatie van de Routekaart door een nieuw kabinet. Ook blijft Nederland
zonder grootschalige uitrol van windenergie op zee langer afhankelijk van energie
uit het buitenland.
Industrie
Zoals toegelicht in het Actieplan, is het voor het versterken van de businesscase
van windenergie op zee en om deze ook voor de lange termijn doelmatig te borgen, noodzakelijk
om de groei van de vraag naar duurzame elektriciteit te versnellen. Voor de industrie
is voorspelbaarheid daarbij belangrijk; bedrijven moeten kunnen vertrouwen op het
moment waarop duurzame elektronen beschikbaar komen tegen een concurrerende prijs,
zodat elektrificatieprojecten kunnen starten zodra congestie in een gebied afneemt.
Om deze voorspelbaarheid te bieden en richting 2040 voldoende duurzame elektriciteit
te garanderen, is een consistente en gefaseerde uitrol van windenergie op zee nodig
op basis van het verwachte eindbeeld van de toekomstige elektriciteitsvraag en niet
uitsluitend op de vraag op het moment van plannen. De komende maanden werkt het kabinet
het uitroltempo verder uit en legt dit vast in de actualisatie van het Nationaal Plan
Energiesysteem en de actualisatie van de Routekaart. Dit creëert zekerheid voor bedrijven
en draagt bij aan een robuuster investeringsklimaat. Tegelijkertijd zal het kabinet
in het eerste kwartaal de Kamer informeren over de openstelling van de SDE++ in 2026,
welke bedrijven in staat stelt om te elektrificeren en te verduurzamen.
Daarnaast onderzoekt het kabinet hoe de projectontwikkeling voor de verduurzaming
van de industrie beter kan worden gefaciliteerd in samenhang met de opschaling van
het aanbod van duurzame energie.14 Zo kijkt het kabinet bijvoorbeeld naar verschillende oplossingsrichtingen voor de
stijgende nettarieven en het geconstateerde concurrentienadeel voor de industrie.15
Toeleveringsketen
Korte termijn wijzigingen in de uitrol van windenergie op zee brengen grote onzekerheid
met zich mee voor de partijen in de toeleveringsketen. Continuïteit en voorspelbaarheid
in de uitrol van windparken op zee verhoogt de efficiëntie bij bedrijven en verlaagt
daarmee de kosten van deze transitie. Nederland heeft wereldwijd een sterke reputatie
met Nederlandse bedrijven die actief zijn in de bouw en het onderhoud van windparken
op zee. Er ontstaan gaten in de orderportefeuilles van deze bedrijven doordat de tender
Nederwiek I-A in 2025 geen biedingen heeft opgeleverd. Een tender van minimaal 1 GW
in 2026 is dan ook essentieel om de bestaande capaciteit te behouden.
Vormgeving tender 1 GW met subsidie in 2026
In dit deel van de brief wordt de vormgeving van de subsidietender toegelicht, waaronder
de kavelkeuze en diverse aspecten van de procedure met subsidie.
Kavelkeuze
Het kabinet heeft besloten om in plaats van het windenergiegebied Nederwiek (net op
zee projecten Nederwiek I, II of III) de kavel IJmuiden Ver Gamma-A van 1 GW met subsidie
te vergunnen. De opgewekte elektriciteit van het windpark in IJmuiden Ver kavel Gamma
wordt getransporteerd naar de Maasvlakte. Het kabinet heeft hiervoor gekozen, omdat
voor dit kavel het kavelbesluit al is genomen en de vergunningen voor het net op zee
al zijn verleend. Uit nieuwe inzichten van TenneT blijkt dat de risico’s voor tijdige
inpassing van de elektriciteit van het windpark op het net op land bij IJmuiden Ver
Gamma kleiner zijn dan bij Nederwiek I-A. TenneT heeft bevestigd dat het windpark
op zee op tijd op het net op land kan worden aangesloten.
TenneT zal de verbinding voor de kavel IJmuiden Ver Gamma-A realiseren conform de
opleverdata in het Ontwikkelkader. De opleverdata in de huidige versie van het Ontwikkelkader
zijn nog gebaseerd op de aanname dat IJmuiden Ver Gamma-A in 2025 zou worden vergund.
Aangezien dit met een jaar is vertraagd, zullen deze data nog wijzigen. Uiterlijk
bij publicatie van de definitieve regeling zal het kabinet deze data in het Ontwikkelkader
actualiseren.
De Kamer ontvangt als bijlage van deze brief al wel een geactualiseerd Ontwikkelkader
waarin de aangepaste opleverdata voor kavel IJmuiden Ver Beta zijn opgenomen. Dit
is n.a.v. het besluit dat het kabinet deze zomer heeft genomen om de vergunning van
het windpark in kavel IJmuiden Ver Beta te wijzigen.16
Procedure
Procedurekeuze
Op grond van de Wet windenergie op zee kunnen windparken op zee worden vergund met
een procedure met subsidie, een procedure van vergelijkende toets (met financieel
bod) of de procedure van een veiling. Zoals eerder toegelicht, heeft het kabinet besloten
om 1 GW te vergunnen met subsidie.
Het kabinet acht het onwaarschijnlijk dat er in de huidige marktomstandigheden subsidievrije
biedingen komen.17 Tegelijkertijd is het wenselijk om de optie van subsidievrije biedingen open te laten,
indien de marktomstandigheden positief veranderen tussen het publiceren van de ontwerpregeling
en het sluiten van de tender. Het Besluit stimulering duurzame energieproductie en
klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK) biedt geen mogelijkheid tot een subsidievrij
bod. Daarom wordt de procedure met subsidie gecombineerd met de procedure van een
veiling. De procedure met subsidie en de procedure van een veiling kunnen parallel
toegepast worden in één ministeriële regeling per kavel.18 Aanvragers moeten wel kiezen op basis van welke procedure zij een bieding indienen.
Er gelden algemene bepalingen en pre-kwalificatiecriteria die van toepassing zijn
op elke aanvraag (met of zonder subsidie). Wanneer een aanvraag aan de pre-kwalificatiecriteria
voldoet, wordt de aanvraag gerangschikt. Aanvragen in de procedure van een veiling
worden hoger gerangschikt dan aanvragen in de procedure met subsidie. In de procedure
van een veiling wordt de aanvraag met het hoogste bod het hoogst gerangschikt. In
de procedure met subsidie wordt de aanvraag met het laagste tenderbedrag (de laagste
subsidie-intensiteit) het hoogst gerangschikt. De aanvraag die het hoogst is gerangschikt
verkrijgt de vergunning en in geval van de subsidieprocedure, de subsidie. De procedure
met subsidie en van een veiling zijn in de toelichting van de ontwerpregeling nader
beschreven.
Met een subsidietender wordt vooruitgelopen op de invoering van de Contract for Difference vanaf halverwege 2027.19 In het voorjaar van 2026 zal het kabinet de Kamer informeren over de voortgang van
de ontwikkeling van een Contract for Difference als prijszekerheidsmechanisme voor windenergie op zee, zon-PV en windenergie op land.
Hierin komen o.a. de voorgenomen ontwerpkeuzes aan bod.
Inpasbaarheid van windenergie op zee
Zoals toegelicht in het Actieplan, bekijkt het kabinet voor toekomstige tenderrondes
op welke wijze – passend binnen de businesscase – oplossingen kunnen worden gestimuleerd
voor maatschappelijke doelen om bij te dragen aan verdere doorgroei van windenergie
op zee, zoals ecologie, systeemintegratie en visserij. De vergelijkende toets heeft
geleid tot oplossingsgerichte en innovatieve biedingen. Zo worden bij de realisatie
van de windparken in Hollandse Kust (west) flinke stappen gezet. Ook de vergunningverlening
van IJmuiden Ver kavel Alpha en Beta heeft geleid tot oplossingsgerichte maatregelen.
In de procedure met subsidie is het stimuleren van innovatie d.m.v. kwalitatieve rangschikkingscriteria
niet mogelijk, maar het borgen van deze maatschappelijke doelen blijft minstens zo
belangrijk. De realisatie van ca. 21 GW conform de Routekaart is alleen mogelijk mits
dit inpasbaar is binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee en binnen het energiesysteem.20 De afgelopen tenderrondes met een vergelijkende toets hebben geleid tot kennis, zoals
ecologie, waardoor deze kennis ook (deels) randvoorwaardelijk kan worden opgenomen
in voorschriften in het kavelbesluit of de vergunning. Dit is in lijn met de regels
voor niet-prijscriteria uit de Europese Net Zero Industry Act (NZIA). Voor zover technieken bewezen en uitvoerbaar zijn schrijft het kabinet daarom
ecologische voorschriften voor in het kavelbesluit. Daarbij wordt kennis die is opgedaan
bij de realisatie en exploitatie van eerdere windparken op zee meegenomen. Verder
blijft het kabinet vol inzetten op de aanpak en mitigatie van de gevolgen van netcongestie
en de inpassing van de windenergie op zee in het energiesysteem.21 Ook wordt er op dit moment onderzoek gedaan naar de risico's voor de nationale veiligheid
bij windparken op zee. Dit onderzoek gaat specifiek over het gebruik van onderdelen
uit derde landen met offensieve (cyber)programma's die doorlopend offensieve inlichtingenactiviteiten
uitvoeren. Dit onderzoek is op dit moment nog niet volledig afgerond. Indien maatregelen
noodzakelijk worden geacht, worden deze opgenomen als pre-kwalificatie in de definitieve
tenderregeling.
Staatssteungoedkeuring
De subsidie is onder voorbehoud van goedkeuring van de Europese Commissie. Momenteel
wordt het pre-notificatie traject bij de Europese Commissie doorlopen om deze goedkeuring
te krijgen. Na de afronding van de internetconsultatie (zie hierna) en verwerking
van eventuele aanpassingen, is voorzien om de formele notificatie bij de Europese
Commissie in te dienen. Staatssteungoedkeuring wordt enkele maanden daarna verwacht.
Internetconsultatie en vervolg
De ontwerpregeling van IJmuiden Ver Gamma-A wordt openbaar met het versturen van deze
brief aan de Kamer. Er wordt dan gestart met een internetconsulatie waarmee windparkontwikkelaars
de informatie kunnen inzien om een aanvraag voor te bereiden. De internetconsultatie
zal zes weken openstaan. In die periode heeft eenieder gelegenheid te reageren. Ontvangen
reacties worden, waar nodig, verwerkt en kunnen aanleiding zijn voor een nader gesprek.
De reacties op de internetconsultaties worden verwerkt in de definitieve regeling.
De tender zal vervolgens in september 2026 naar verwachting worden opengesteld.
Mogelijk invoedingstarief voor producenten
De ACM heeft het voornemen om een producententarief in te voeren, waarbij niet alleen
de afnemer, maar ook de producent betaalt voor het elektriciteitsnet. Het PBL heeft
de door de ACM voorgestelde invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten
niet expliciet meegenomen in het maximum tenderbedrag. Reden hiervoor is dat op dit
moment nog niet duidelijk is of dit invoedingstarief er komt en hoe het zal worden
vormgegeven. Ongeacht of en hoe het invoedingstarief zal worden ingevoerd, levert
de onzekerheid hieromtrent op dit moment een risico op met gevolgen voor de businesscase
van windparken op zee. Dit leidt tot kostenverhogingen, die windparkontwikkelaars
niet goed kunnen inschatten of beperken en daarmee ook tot risico’s voor de slagingskans
van de tender. Het kabinet heeft deze risico’s bij de ACM onder de aandacht gebracht.
Toezeggingen en moties: afstemming elektriciteitsvraag en -aanbod
Tot slot, gaat het kabinet in deze brief in op een aantal toezeggingen en moties.
Ter invulling van twee toezeggingen22, heeft het kabinet het initiatief genomen voor een gesprek met industriële afnemers
en de windenergiesector. Op 30 oktober 2025 heeft de stuurgroep «Nationaal Programma
Verduurzaming Industrie (NPVI)» plaatsgevonden. Hierbij waren vertegenwoordigers vanuit
de windenergiesector en industrie aanwezig, waaronder NedZero, VNO-NCW en VEMW. In
de stuurgroep is gereflecteerd op verschillende factoren waardoor aanbod van windenergie
op zee en elektriciteitsvraag vanuit de industrie op dit moment onvoldoende bij elkaar
komen. De elektriciteitsprijs wordt op dit moment te laag ervaren om een windpark
op zee te kunnen bouwen en exploiteren, maar voor de industrie te hoog ervaren om
te kunnen elektrificeren. Het Actieplan bevat goede elementen om deze problematiek
op te lossen, zoals de maatregelen voor aanbod waaronder Contracts for Difference en vraag waaronder de verlenging van de IKC-ETS regeling en een Power Purchase Agreement
(PPA) – garantiefonds. Invest-NL, in samenwerking met het kabinet, is inmiddels gestart
met de ontwikkeling van dit garantiefonds, waarvoor het kabinet zoals aangekondigd
in het Actieplan € 1 mln. beschikbaar heeft gesteld. Hiermee geeft het kabinet ook
invulling aan de motie van het lid Thijssen.23 In de stuurgroep NPVI is verder afgesproken om de knelpunten rondom PPA’s in de ontwikkeling
van dit fonds verder te verkennen, met name het verschil in gewenste doorlooptijd
van de PPA. Ook heeft de industrie aangeboden om gericht te onderzoeken hoe zij door
flexibeler gebruik van het net bij kan dragen aan het verminderen van netcongestie.
Tot slot
Indien de uitrol van windenergie op zee stokt, dan stokt een belangrijk deel van de
energietransitie. Het kabinet heeft oog voor deze lastige situatie en blijft stappen
zetten voor een continue en realistische uitrol van windenergie op zee. Te beginnen
met de publicatie van de ontwerpregeling van de subsidietender van 1 GW voor IJmuiden
Ver Gamma-A. Het kabinet voorziet de definitieve tender in september open te stellen.
Zo borgen we onze energieonafhankelijkheid en verduurzamen we de energievoorziening
en industrie in Nederland.
Het kabinet zal blijven optrekken met alle partijen uit de sector om gezamenlijk windparken
op zee te blijven realiseren.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.T.M. Hermans
Bijlage 1: Onderbouwing doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie conform Comptabiliteitswet
3.1.1
Onderdeel
Toelichting
Doelen
Windenergie op zee levert een grote maatschappelijke bijdrage. Zo draagt het bij aan
energieonafhankelijkheid, Nederlandse economie, verduurzaming van Nederland en de
toeleveringsketen. Met de Routekaart van ca. 21 GW windenergie op zee rond 2030 is
een uitrolpad geschetst voor de ontwikkeling van windenergie op zee dat zo bij moet
dragen aan de investeringsbeslissingen in windenergie op zee en de verduurzaming van
de industrie. Ook volgt uit het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee dat er een
robuuste 30 GW in 2040 geldt als ondergrens voor windenergie op zee die nodig is om
de verduurzamingsplannen van Nederland en de industrie mogelijk te maken.
De uitrol van windenergie op zee volgens het voorziene pad uit de Routekaart windenergie
op zee staat laatste jaren echter onder druk als gevolg van sterk gestegen ontwikkelkosten
en gedaalde en onzekere opbrengsten voor windparkontwikkelaars. Dit leidt tot een
direct gevolg voor het behalen van klimaatdoelstellingen, energieonafhankelijkheid,
zet een rem op de economie, vertraagt of leidt tot afstel van verduurzaming van de
industrie, en heeft nadelige gevolgen voor de toeleveringsketen.
Beleidsinstrumenten
Het instrument is de vergunningverlening van windenergie op zee met de procedure van
subsidie. Dit betekent dat een winnende aanvraag in de tender een vergunning verkrijgt
op grond van de Wet windenergie op zee en een subsidiebeschikking op grond van het
Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie waarmee de SDE++-systematiek
wordt gevolgd.
De subsidie voor windenergie op zee werkt volgens dezelfde systematiek als de SDE++-regeling,
waarmee de Minister van Klimaat en Groene Groei bedrijven ondersteunt die duurzame
energie opwekken of technieken toepassen die CO2-uitstoot verminderen. De Minister vergoedt daarbij het onrendabele deel van een project:
het verschil tussen de kosten van de duurzame techniek en de opbrengsten uit de markt.
Als de marktprijs lager is dan het tenderbedrag van de aanvraag wordt subsidie uitgekeerd.
Bij hogere elektriciteitsprijzen daalt de hoeveelheid kasuitgaven. De uitbetaling
gebeurt op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde productie. Hierdoor zorgt deze
systematiek ervoor dat bedrijven ondersteuning ontvangen voor het financieel haalbaar
maken van duurzame projecten financieel op een zo kosteneffectief mogelijke manier.
Een dergelijke vorm van ondersteuning kan nog ingezet worden tot halverwege 2027.
Vanaf juli 2027 vereist de Europese Commissie dat prijszekerheidsondersteuning voor
projecten voor hernieuwbare elektriciteit enkel in de vorm van Contract for Difference. Dit is verplicht vanuit Europese regelgeving en een al veel toegepast instrument
in het buitenland. CfD wordt momenteel nog uitgewerkt in de nationale wetgeving. CfD
biedt de mogelijkheid voor ook terugvloeiende gelden naar de Staat als de elektriciteitsprijs
boven de strike price ligt, het niveau waarop een ontwikkelaar een rendabele businesscase heeft.
Financiële gevolgen voor het Rijk
Op basis van het maximum tenderbedrag van € 104/MWh zijn de verwachte kasuitgaven
geraamd op ca. € 2,4 mld. (over de periode 2031–2045) en een verplichtingenbudget/subsidieplafond
van € 3,98 mld. De reservering en de raming vallen lager uit als het winnende tenderbedrag
lager is het maximum tenderbedrag. De daadwerkelijke uitgaven zijn afhankelijk van
de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs tijdens de subsidiabele periode van 15
jaar vanaf inbedrijfname van het windpark op zee.
Financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren
Door zoveel als mogelijk continuïteit te bieden in de uitrol van windenergie op zee
worden de vertragingskosten van TenneT, die landen in de nettarieven, zoveel als mogelijk
beperkt.
Nagestreefde doeltreffendheid
De sterk gestegen ontwikkelkosten en gedaalde en onzekere opbrengsten voor windparkontwikkelaars
hebben ertoe geleid dat een onrendabele top is ontstaan die snel groter is geworden.
Daarvoor wordt subsidie ter beschikking gesteld op basis van de daadwerkelijke productie.
De subsidie wordt achteraf uitgekeerd op basis van de jaargemiddelde elektriciteitsprijs.
Nagestreefde doelmatigheid
De subsidie dekt alleen de onrendabele top af, het verschil tussen de marktprijs voor
energie en de kostprijs voor de opwek door het windpark. Daarnaast wordt een basiselektriciteitsprijs
gehanteerd. Wanneer de elektriciteitsprijs onder de basiselektriciteitsprijs valt,
wordt geen extra subsidie uitgekeerd.
Met het maximum tenderbedrag van € 104/MWh komt de subsidie-intensiteit voor deze
tender uit op € 220/ton CO2. Dit valt binnen de maximale subsidie-intensiteit die voor de SDE++ geldt van € 300/ton
CO2. Dit kan lager uitvallen naarmate het winnende tenderbedrag lager is. De uiteindelijke
uitgaven tijdens de looptijd zijn vervolgens afhankelijk van de ontwikkeling van de
elektriciteitsprijzen. Ter illustratie is de gemiddelde subsidie-intensiteit van de
aanvragen in de categorieën windenergie op land in de SDE++ 2025-ronde gemiddeld ca.
€ 163/ton CO2. Daarbij moet in acht worden genomen dat de productiekosten van windenergie op zee
t.o.v. windenergie op land hoger zijn vanwege de locatie.
De toepassing van een prijszekerheidsmechanisme is in lijn met mondiale ontwikkelingen.
Hoewel de tenders in het buitenland niet een-op-een kunnen worden vergeleken met de
Nederlandse tenders, geven deze tenders een goede indicatie van de uitdagende marktomstandigheden
die op dit moment wereldwijd gelden voor windenergie op zee.
Evaluatie
Met het starten van de internetconsultatie van de ontwerpregeling kan eenieder reageren
op de regeling. Dit biedt gelegenheid de ontwerpregeling aan te passen naar definitieve
regeling. Ook biedt de consultatie een graadmeter voor de bereidwilligheid en de kans
van slagen van de tender. Nadat de tender is gesloten zullen de resultaten en het
succes van de tender worden geëvalueerd om daar voor opvolgende tenders van te leren
qua budgetreservering en tenderontwerp. Deze lessen worden ook zoveel als mogelijk
meegenomen in de uitwerking van de Contract for Difference die vanaf halverwege 2027 toegepast moet worden.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei